Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:888

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/05064
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1697
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Curaçaose zaak. Veroordeling wegens het medeplegen van de moord op de Curaçaose politicus Helmin Wiels tot 26 jaar gevangenisstraf. Klacht over voor het bewijs bezigen van een getuigenverklaring die zou neerkomen op een verklaring van een anonieme getuige, terwijl de daarvoor geldende regels niet in acht zijn genomen. Overige vier klachten richten zich – onder verwijzing naar art. 6 EVRM – tegen het oordeel dat twee getuigenverklaringen, ondanks afwijzing van de verzoeken om die getuigen (opnieuw) te horen, tot het bewijs kon worden gebezigd, alsmede tegen het oordeel dat die verklaringen als betrouwbaar konden worden aangemerkt. De AG adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep te verwerpen en geeft de Hoge Raad in overweging de zaak met toepassing van art. 81 RO af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/05064

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij vonnis van 13 juli 2018 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba , Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof), wegens “medeplegen van moord”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G.G.J.A. Knoops, advocaat te Amsterdam, heeft vijf middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Deze zaak is bekend vanwege de veroordeling van de verdachte voor het medeplegen van de moord op de Curaçaose politicus H.M. Wiels op het strand van Marie Pampun op Curaçao op 5 mei 2013. Ten tijde van zijn dood was Wiels de leider van de regeringspartij Pueblo Soberano (“Onafhankelijk Volk”). De veroordeling van de [medeverdachte 1] is reeds bij arrest van de Hoge Raad van 9 februari 2016 onherroepelijk geworden.1

3.1 Onder verwijzing naar dat arrest heeft het hof in het onderhavige geval overwogen dat daarmee in rechte is komen vast te staan dat [medeverdachte 2] (bijgenaamd ‘ [medeverdachte 2] ’) de tweede uitvoerder van de moord was. Omdat deze reeds vóór hij enige verklaring heeft kunnen afleggen van het leven is beroofd, heeft hij zich niet in de rechtszaal kunnen verantwoorden. Verder blijkt uit onderzoek dat [medeverdachte 1] (bijgenaamd ‘ [medeverdachte 1] ’) en [medeverdachte 2] zijn aangezocht door [medeverdachte 3] (bijgenaamd ‘ [medeverdachte 3] ’). Ook laatstgenoemde heeft zich niet kunnen verantwoorden, nu hij door verhanging in zijn cel om het leven gekomen is.2 De verdachte in de onderhavige zaak wordt ook wel met zijn bijnaam ‘ [verdachte] ’ aangeduid. Volgens het hof heeft de verdachte in opdracht van nog weer een andere persoon een leidende rol gehad in het opzetten van het plan voor de moord op Wiels en de financiële afwikkeling daarvan.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade Helmin Magno Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders toen en aldaar opzettelijk, en na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en verwondingen is overleden.”

5. Het eerste middel

5.1 Het middel klaagt dat het hof de verklaring van de [getuige 1] , het voormalige hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao, ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat die verklaring materieel gezien neerkomt op een verklaring van een anoniem persoon en dientengevolge slechts voor het bewijs gebezigd had mogen worden als de daarvoor geldende bijzondere eisen waren nageleefd.

5.2 Onder de bewijsmiddelen heeft het hof, voor zover van belang voor de beoordeling van dit middel, het volgende in het vonnis opgenomen:3

Contacten met (een van) de opdrachtgever(s)

21. Uit informatie van een anonieme informant komt naar voren dat de opdracht om Helmin Wiels te vermoorden, door de toenmalige minister van Financiën van Curaçao, [betrokkene 5] , aan [medeverdachte 3] is voorgelegd en dat [medeverdachte 3] daarvoor later met de verdachte is teruggekomen. De anonieme informant heeft dat aan het voormalige hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao verteld, die daarover op zijn beurt het volgende heeft verklaard:
"De heer Wiels is vermoord op een zondag. Twee of drie dagen daarna kreeg ik een telefoontje van een informant van de Veiligheidsdienst. Hij wilde een ontmoeting met mij. Tijdens die ontmoeting vertelde hij mij dat hij had gezien hoe de overvaller van het [A] Hotel met de buit bij [betrokkene 5] kwam. Volgens mij gaat het om de tweede overval op het [A] Hotel. Van de informant begreep ik dat de buit, horloges en andere spullen behelsde. [betrokkene 5] had geen interesse in de buit, maar gaf aan wel een andere taak voor hem te hebben. Hij vroeg of hij iemand 'koud' kon maken voor hem. Hij zei daarbij dat het ging om Helmin Wiels . De auto met daarin de overvaller was geblindeerd. Achterin zat [medeverdachte 3] . De informant kon dat zien ondanks geblindeerde ramen, namelijk als je van dichtbij kijkt. Voorin zat de chauffeur achter het stuur. De chauffeur was een van de overvallers. [betrokkene 5] stond buiten de auto. Toen de auto met chauffeur en [medeverdachte 3] erin vertrok, bleef [betrokkene 5] achter. Diezelfde nacht kwam de auto met [medeverdachte 3] terug. In de auto zat toen ook [verdachte] . Ze kwamen terug bij [betrokkene 5] voor het aanbod om Helmin Wiels te vermoorden.

De informant was op dat moment in de buurt van [betrokkene 5] . Hij heeft het hele proces van dichtbij waargenomen en gehoord. Zo heeft hij dus gezien en waargenomen dat die overvaller zich bij [betrokkene 5] kwam melden met de bedoeling om de buit aan te bieden. De informant heeft mij verteld dat hij heeft gezien en gehoord dat [betrokkene 5] aan die overvaller het verzoek heeft gedaan om Wiels te vermoorden en dat de overvaller aangaf niet geïnteresseerd te zijn en vervolgens weg reed. De informant was vervolgens in de buurt van [betrokkene 5] toen de auto met [medeverdachte 3] en [verdachte] terugkwam. Hij heeft deze mensen in de auto gezien. [medeverdachte 3] en [verdachte] zaten op dat moment voor in de auto. [verdachte] heeft [betrokkene 5] aangesproken met de volgende tekst: "Ma tende ku bo tin un trabou mi a bin tume" (vertaling Hof: "Ik heb gehoord dat je een werk hebt. Ik kom het aannemen"). De informant vertelde dat [betrokkene 5] hem op dat moment aankeek, waaruit hij begreep dat hij moest gaan. Van het vervolg weet hij dus niets meer. Deze ontmoetingen hebben 's nachts plaatsgevonden in de omgeving van de woning van [betrokkene 5] aan de [a-straat] ."

5.3 Een verklaring van een anoniem gebleven informant, is op de voet van het bepaalde in art. 385 en 387 Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC) enkel toelaatbaar ingeval die anonieme persoon conform het bepaalde in art. 261 SvC is gehoord. Volgens het middel zou de verklaring van de [getuige 1] materieel gezien neerkomen op een verklaring van een anoniem persoon, die niet tot het bewijs toelaatbaar is omdat hij niet op die wijze is gehoord.

5.4 Voor zover relevant luidt het SvC als volgt:

- Art. 261 lid 1:

“Wanneer een getuige met het oog op een door hem af te leggen verklaring ernstig wordt bedreigd, kan de rechter-commissaris, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, bepalen dat de getuige op zodanige wijze wordt verhoord, dat zijn identiteit geheel verborgen blijft.”

- Art. 385 lid 2:

“De verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, kan niet meewerken tot het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, behoudens ingeval de getuige met toepassing van het vierde lid van artikel 261 is verhoord.”

- Art. 387 lid 3:

“Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.”

5.5 In verband met die verklaring van [getuige 1] heeft het hof onder andere het volgende overwogen:

“In relatie tot de verklaring van [getuige 1] heeft het Gerecht met juistheid vooropgesteld dat een verklaring van een getuige waarin verslag wordt gedaan van hetgeen een niet nader te traceren persoon hem heeft verteld, niet kan worden aangemerkt als een verklaring als bedoeld in artikel 385, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925). Dat laat onverlet dat die verklaring daarmee wel gelijkenis vertoont, nu in beide gevallen sprake is van een onverifieerbaar element.”

5.6 Voor de vraag of in casu sprake is van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, zoals bedoeld in art. 387 lid 3 jo. 385 lid 2 SvC, kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 344a van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: SvNL). Laatstgenoemd artikel stelt in het derde lid voorwaarden voor het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid van zo een onbekende, namelijk dat a) de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en dat b) door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens heeft geuit om die persoon te (doen) ondervragen. Verklaringen van getuigen waarvan de identiteit wel bekend is, die de verslaglegging van een verklaring van een onbekend gebleven persoon inhouden, vallen volgens de Hoge Raad echter niet onder de reikwijdte van die bepaling.4 De onder 5.4 in het voorgaande aangehaalde opvatting van het hof dat de vooropstelling van het Gerecht in eerste aanleg daaromtrent kon worden overgenomen, is aldus juist.

5.7 Het middel faalt.

6 Het tweede middel

6.1

Het middel klaagt dat het gebruik van de verklaring van de [getuige 1] strijdig is met art. 385 SvC en art. 6 lid 3 sub d EVRM, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

6.2

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof door de verklaring van [getuige 1] tot het bewijs te bezigen materieel gezien de (inhoud van de) verklaring van een anoniem gebleven informant voor het bewijs heeft gebruikt. De verdediging heeft die getuige, ondanks verzoeken daartoe, niet op enig moment kunnen ondervragen, terwijl het hof deze verklaring wel in beslissende mate heeft doen bijdragen aan het bewijs, zonder dat de verdediging daarvoor in afdoende mate is gecompenseerd. Voorts zou het hof de verwerping van de in dat verband ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren ontoereikend hebben gemotiveerd.

6.3

Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, bevat het bestreden vonnis de volgende overwegingen:

“Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden opgemaakt dat het bewijs voor verdachtes betrokkenheid hoofdzakelijk op vier pijlers steunt: de verklaringen van [medeverdachte 1] , de verklaring van de [getuige 1] , de verklaringen van de [getuige 3] en de onderschepte sms-berichten tussen de verdachte en de toenmalige minister van Financiën [betrokkene 5] .”

En verderop onder het kopje “(ii). De bruikbaarheid van de verklaringen”:

“De raadsvrouw heeft ook andere argumenten aangedragen waarom verklaringen van [medeverdachte 1] , [getuige 1] en [getuige 2] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Zo is naar haar oordeel het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 1] in strijd met het ondervragingsrecht als bedoeld in artikel 6 EVRM, omdat die verklaringen betrekking hebben op hetgeen zij van anderen hebben gehoord en de verdediging op geen enkel moment in de gelegenheid is geweest om de bronnen van die getuigen te ondervragen c.q. te toetsen.”

6.4

Voorts overweegt het hof, in aanvulling op de overweging ten aanzien van de vraag of de informant van [getuige 1] een getuige is zoals bedoeld in art. 385 SvC (zoals geciteerd onder 5.4 in het voorgaande):

“Het Gerecht heeft dat[5] onderkend door vast te stellen dat de verklaring in belangrijke mate wordt ondersteund door de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het Hof verenigt zich daarmee en verwijst daarvoor naar hetgeen in het kader van de betrouwbaarheid is overwogen.

Ingeval de [getuige 1] procedureregels en/of zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden die in relatie stonden tot zijn functie als hoofd van de Veiligheidsdienst hoeven daar evenmin consequenties aan te worden verbonden, aangezien die regels en/of plicht de verdachte niet regarderen. Dat geldt in het bijzonder nu de [getuige 1] niet verbonden is aan het openbaar ministerie en ook niet door het openbaar ministerie is aangestuurd bij het vergaren van de informatie.

Anders dan de raadsvrouw is het Hof voorts met de procureurs-generaal van oordeel dat de kans op dubbeltelling, dat de informant van [getuige 1] in deze zaak eveneens een verklaring als getuige heeft afgelegd, zo klein is dat daaraan als hoogstonwaarschijnlijk kan worden voorbijgegaan. In het dossier bevindt zich immers geen gelijksoortige verklaring als die van de [getuige 1] .”

6.5

Die overwegingen van het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van de [getuige 1] houden – voor zover relevant en met weglating van de voetnoten – het volgende in:

De contacten tussen de verdachte en [betrokkene 5]

Tegen deze achtergrond moeten de contacten die de verdachte met [betrokkene 5] heeft gehad, worden begrepen. Anders dan de raadsvrouw acht het Hof het gezien die achtergrond op voorhand niet onaannemelijk (laat staan "hoogstonwaarschijnlijk") dat [medeverdachte 3] , zoals volgt uit de door de [getuige 1] overgebrachte verklaring, als eerste van [betrokkene 5] het aanbod heeft gekregen om Wiels van het leven te beroven en dat hij daarvoor later samen met de verdachte is teruggekomen.

In hetgeen de raadsvrouw overigens tegen de verklaring van de [getuige 1] heeft ingebracht, ziet het Hof evenmin aanleiding om aan de betrouwbaarheid ervan te twijfelen.

Het Hof acht, evenals het Gerecht, van belang dat de getuige op het moment dat de anonieme informant hem benaderde, het (voormalige) hoofd van de Veiligheidsdienst Curaçao was. Er mag daarom van worden uitgegaan dat hij over de kennis en vaardigheden beschikt om een inschatting te maken van de betrouwbaarheid van de aangeleverde informatie; dat heeft hij ook gedaan. Hij kende deze persoon als informant van de Veiligheidsdienst. De informant had een code, wat betekent dat hij de screening op betrouwbaarheid had doorstaan. [getuige 1] heeft de informant op een geheime locatie, een safe house, gesproken. Omdat [getuige 1] was geschorst en hem de toegang tot de Veiligheidsdienst was ontzegd, kon hij geen gespreksverslag maken van de ontmoeting. Daarom heeft hij de informant aangeraden om naar de Veiligheidsdienst c.q. het Recherche Samenwerkingsteam (RST) te gaan.

De informant weigerde die raad op te volgen; hij vertrouwde andere personen van de Veiligheidsdienst niet meer en het RST had hem naar eigen zeggen niet goed behandeld. [getuige 1] heeft toen besloten zelf naar het RST te gaan om de informatie te delen. Dat is volgens hem op gedetailleerde wijze gebeurd en daarvan is door het RST verslag opgemaakt. Nadat het openbaar ministerie hem de toezegging had gedaan dat hij niet zal worden vervolgd voor het eventueel schenden van zijn geheimhoudingsplicht, was hij ook bereid tegenover de rechter-commissaris een verklaring af te leggen. Dat heeft hij op gedetailleerde wijze gedaan, waarbij hij ook de redenen van wetenschap te kennen heeft gegeven.

De raadsvrouw moet worden nagegeven dat discrepanties bestaan tussen de verklaringen van de [getuige 1] en de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Het Hof betreurt het dat de interne gespreksverslagen van de gesprekken tussen de [getuige 1] en [verbalisant 1] - kennelijk overeenkomstig een standaardprocedure - zijn vernietigd. Dat laat onverlet dat de kern van de door de [getuige 1] overgebrachte verklaring wel is opgetekend door [verbalisant 1] . Bovendien is de [getuige 1] andermaal gehoord door de rechter-commissaris en heeft hij antwoord gegeven op vragen van de verdediging. De raadsvrouw heeft gesuggereerd dat de omstandigheid dat [getuige 1] is ontslagen door de regering […] , mogelijk zijn verklaringen heeft beïnvloed, omdat [betrokkene 5] van die regering deel uitmaakte. Het Hof ziet daarvoor geen concrete aanwijzingen en stelt ook vast dat de verdediging hem daarover geen vragen heeft gesteld. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, moet de suggestie daarom naar het oordeel van het Hof van de hand worden gewezen. De door de anonieme getuige beschreven gang van zaken mag opmerkelijk worden gevonden, maar dat vormt op zichzelf nog geen reden die terzijde te schuiven. Dat geldt te meer nu daarnaar uitgebreid onderzoek is gedaan en voor de door deze getuige beschreven gang van zaken belangrijke steun in andere bewijsmiddelen is gevonden.

Die steun ziet op de aanleiding van het aanbod om Wiels te vermoorden. Volgens het verslag van de anonieme informant had [medeverdachte 3] de buit van een overval op het [A] Hotel - een buit die onder meer uit horloges bestond - aan [betrokkene 5] proberen te slijten. Volgens de informant heeft [betrokkene 5] dat aanbod afgeslagen om [medeverdachte 3] vervolgens het aanbod te doen om Wiels te vermoorden. Tijdens het onderzoek is de broer van [medeverdachte 3] opnieuw als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 3] in de maand januari van 2012 samen met zijn ploeg een overval op een juwelier in Aruba had gepleegd en dat de politie de samenstelling van die ploeg aan de hand van de vluchtlijst kan vaststellen. Onderzoek in het Bordermanagement Systeem wees uit dat [medeverdachte 3] op 27 januari 2012 vanaf Curaçao naar Aruba is gereisd en op 29 januari 2012 weer is teruggereisd naar Curaçao.

Uit dat onderzoek bleek voorts dat [medeverdachte 3] samen met [betrokkene 1] (bijgenaamd [betrokkene 1] of [betrokkene 1] ), [betrokkene 2] (bekend als de […] ) en [betrokkene 3] heeft gereisd. Zij zaten op dezelfde heen- en terugvlucht en checkten bijna gelijktijdig in. Op 28 januari 2012 heeft een overval plaatsgevonden op [B] in de [b-straat] op Aruba , waarbij in totaal 42 Rolex horloges werden gestolen ter waarde van $ 416.000,--, Op de vluchtroute van de overvallers is onder meer een helm aangetroffen. Uit dactyloscopisch onderzoek is naar voren gekomen dat een spoor aan de binnenzijde van het vizier een zeer grote mate van overeenkomst vertoont met de kenmerken van voornoemde [betrokkene 2] .

Volgens de [getuige 1] - het is niet helemaal duidelijk of dit een herinnering aan het gesprek met de anonieme informant is of een naar aanleiding daarvan getrokken conclusie - ging het om de tweede overval op het [A] Hotel. In dat verband is van belang dat uit het onderzoek van het openbaar ministerie ook kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 3] in januari 2011 een overval heeft gepleegd op de juwelier [C] in de [b-straat] in Curaçao. De [getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem heeft verteld dat hij, [medeverdachte 3] , die overval heeft georganiseerd, dat ene [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de overval hebben gepleegd en dat zij met een scooter zijn gevlucht. [getuige 3] heeft verder verklaard de buit te hebben gezien. Dat waren horloges, kettingen, armbanden en ringen. Ten aanzien van de overval is verder vastgesteld dat dezelfde modus operandi is gebruikt als bij de overval op de juwelier in Aruba .

Opvallend in dit verband is dat de [getuige 4] , werknemer van [D] Security, heeft verklaard dat [betrokkene 5] een gestolen horloge van de verdachte heeft gekocht.

De door de [getuige 1] overgebrachte verklaring vindt voorts bevestiging in de verklaringen van de [getuige 3] . Volgens die verklaringen was de verdachte in maart 2013 nog in onderhandeling met [betrokkene 5] . Dat heeft de [getuige 3] gehoord in de garage met [medeverdachte 3] tijdens een ontmoeting waarbij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [naam 1] , de verdachte en twee hem onbekende mannen aanwezig waren. [naam 1] heeft dat weliswaar met kracht ontkend, maar het Hof acht de verklaring van de [getuige 3] desalniettemin betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij betrekt het Hof dat hij de naam van [naam 1] in zijn verklaring niet had hoeven noemen - [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] konden het niet navertellen en de andere twee mannen waren onbekend -, terwijl ook deze verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Het Hof wijst daarbij op de verklaringen van de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] , die volgens een oud-collega (de [getuige 4] ) loopjongens van [betrokkene 5] waren en daarom veel meer van hem afwisten.

Zij werkten indertijd ook bij [D] Security en zagen dat de verdachte daar voor de moord regelmatig alleen kwam, en soms samen met een andere persoon, om [betrokkene 5] te ontmoeten. Het wekt verbazing dat de verdachte alleen al dit regelmatige bezoek aan het kantoor van [betrokkene 5] tegenspreekt. Het wekt nog meer verbazing dat [getuige 6] in opdracht van [betrokkene 5] "voor het geval dat" een rapport over de verdachte moest opmaken, waarin stond dat hij een aantal keren langs was geweest in verband met een sollicitatie, terwijl dat niet de gebruikelijke gang van zaken was. Daar komt nog bij dat de verdachte volgens [getuige 6] en [getuige 5] zowel kort voor als na de moord meerdere keren is weggegaan met een gevulde envelop. Daarover heeft [getuige 6] tegenover de politie het volgende verklaard: "Ongeveer één à anderhalve maand voor de moord op Wiels heb ik gezien dat [verdachte] op bezoek kwam en wegging met een gevulde envelop. Dit ging als volgt. [betrokkene 5] gaf mij altijd laat in de middag de opdracht geld te halen bij de banken. Ik kreeg van [betrokkene 5] de opdracht om naar de Banco di Caribe te gaan en daar een cheque tegen contant geld te wisselen. Ik kreeg het geld bij de bank mee in een enveloppe. Ik moest die avond overwerken. Ik heb dat geld op het kantoor van [D] uit de enveloppe gehaald en in een bruine enveloppe gestopt. Deze enveloppen liggen in het kantoor van [D] . Normaal gesproken wordt er bij [D] met witte enveloppen gewerkt, maar ik stopte het geld in een bruine enveloppe en zette de enveloppe onder het bureau van [betrokkene 5] . Ik had daar een bedoeling bij.

In de maanden maart en april (het Hof: van 2013) kwam hij elke werkdag op het kantoor en dan tweemaal per dag en hij bleef ook langer dan eerder. Zeker in april zag ik dat [verdachte] wegging met enveloppen. Dat waren blanco witte enveloppen.

Deze keer verliet [verdachte] het kantoor van [betrokkene 5] met een bruine enveloppe onder zijn rechterarm. Het was voor 100% dezelfde enveloppe die ik bij [betrokkene 5] onder het bureau had gezet. De enveloppe was gekreukeld aan de onderzijde. Dat had ik gedaan, zodat ik de enveloppe kon herkennen wanneer hij door [verdachte] meegenomen werd." Deze verklaring acht het Hof overtuigend. De raadsvrouw heeft daartegen ingebracht dat de getuige tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris de vraag of hij "ooit met eigen ogen heeft gezien dat [betrokkene 5] aan de verdachte geld overhandigde" met "nee" heeft beantwoord. Dat doet echter niet af aan de hiervoor aangehaalde verklaring, nu hij zichzelf daarin niet in het kantoor van [betrokkene 5] heeft geplaatst en de daadwerkelijke overdracht om die reden niet heeft kunnen zien. In de verklaring die de getuige [getuige 5] naar aanleiding van soortgelijke vragen bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, komt dat goed tot uitdrukking:

"Ik heb één keer waargenomen dat [verdachte] geld in zijn broekzak had. Ik heb meerdere keren waargenomen dat hij met een gevulde envelop bij [betrokkene 5] wegging.

Nee, ik heb de inhoud van de enveloppe niet bekeken voordat [verdachte] [D] Security verliet. Ik heb wel (het Hof begrijpt: een keer) gezien dat het dezelfde enveloppe was die ik bij de bank had gevuld met geld en die ik bij [betrokkene 5] had ingeleverd.

Aan de manier waarop de enveloppe was gevuld, kon ik zien dat het eerder door mij was gevuld. Ik heb een bijzondere manier om een enveloppe met geld te vullen, met aan de rand van de enveloppe bij de vouw een openstaand randje waardoor het pakket geld in de enveloppe zichtbaar wordt. "

De getuigen [getuige 5] en [getuige 6] hebben ook verklaard over de broer van de verdachte, [betrokkene 4] . Volgens [getuige 5] is hij twee keer langs geweest, nadat de verdachte gedetineerd is geraakt. [getuige 6] heeft op 1 mei 2014 over die bezoeken het volgende verklaard: "Ongeveer anderhalve maand geleden is de broer van [verdachte] op kantoor gekomen. Aan zijn gezicht kon je zien dat hij boos was. De broer lijkt veel op [verdachte] . De broer gaf aan dat ze moest doorgeven aan [betrokkene 5] dat [verdachte] langs was geweest. [betrokkene 5] had gezegd dat hij geen [verdachte] kent. De eerste keer was de broer in de ochtend gekomen. Later kwam de broer van [verdachte] in de middag weer terug. De broer van [verdachte] gaf aan dat als [betrokkene 5] hem zou zien, dat hij hem zeker zou herkennen. [betrokkene 5] begon zich vreemd te gedragen. Hij ging heel voorzichtig kijken wie er stond. Op een gegeven moment zei [betrokkene 5] ons de man binnen te laten als hij ons een seintje gaf, maar hij liet uiteindelijk de broer van [verdachte] zelf binnen en ze gingen een kantoor binnen, schuin tegenover de wc's. Even later kwam [betrokkene 5] naar buiten en ging zijn eigen kantoor binnen. Het was duidelijk te zien dat hij zijn eigen kantoor verliet en dat zijn rechterbroekzak een hele bult had, dus vol zat. [betrokkene 5] had een stukje van zijn hand erin gestoken, maar ik kon toch zien dat er geld, bruine briefjes van 100 NAfin zijn broekzak zat. [betrokkene 5] ging terug het kantoor in waar de broer van [verdachte] was gebleven. Na niet al te lange tijd verliet de broer het kantoor en het pand. Ik heb bewust op de broekzak gelet. U vraagt mij of de broer van [verdachte] voor ons heeft gewerkt. Nee, de naam [verdachte] komt bij ons niet voor."

Deze verklaring vindt steun in een e-mailbericht dat door [naam 4] , een collega van [getuige 5] en [getuige 6] , is verstuurd naar aanleiding van het bezoek van de broer van de verdachte. Daaruit volgt dat het bezoek op 11 februari 2014 plaatsvond. Uit afgeluisterde telefoongesprekken volgt dat de verdachte bij dat bezoek een geldbedrag heeft ontvangen.

Zeker in het licht van al het voorgaande schreeuwen de sms-berichten die de verdachte met [betrokkene 5] heeft gewisseld, om een aannemelijke verklaring. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de verdachte die verklaring niet heeft gegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij werk heeft gezocht voor zijn broer, maar dat valt zonder nadere uitleg lastig te rijmen met de omstandigheid dat zijn broer pas begin september 2013 vanuit Nederland naar Curaçao is verhuisd.

Het wordt bepaald niet beter te begrijpen door het in een proces-verbaal van bevindingen neergelegde vermoeden dat de broer van de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor is geïnstrueerd en daarna heeft verklaard dat hij [D] Security heeft bezocht om werk voor zichzelf te zoeken. Het Hof had de verdachte daarover vragen willen stellen.

Het Hof had de verdachte ook vragen willen stellen over zijn verklaring dat het sms-bericht over de uniformen betrekking heeft op uniformen voor een baseballteam van een vriend. Hij zou die uniformen op de computer hebben gezien en aan [betrokkene 5] hebben willen laten zien om te kijken of hij die zou willen sponsoren. Het is namelijk opvallend dat [betrokkene 5] zelf, daarnaar herhaaldelijk gevraagd, geen enkele herinnering aan deze uniformen heeft. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring willen afleggen. Onder al die omstandigheden kan geen geloof worden gehecht aan de verklaring die de verdachte voor de sms-berichten heeft gegeven. Het Hof houdt het er daarom voor, gelijk het Gerecht, dat de genoemde "uniformen" zien op de mensen die voor de moord op Wiels waren ingeschakeld. Dat past ook geheel in de tijdslijn die uit de bewijsmiddelen valt te destilleren: na een voorstel van [medeverdachte 3] aan [betrokkene 5] over de buit van een overval op een juwelier in de [b-straat] , het tegenvoorstel aan [medeverdachte 3] en later aan de verdachte om Helmin Wiels van het leven te beroven en het aannemen van die opdracht door de verdachte (verklaring van [getuige 1] ), volgt de onderhandeling tussen de verdachte en [betrokkene 5] in maart 2013 (verklaring van [getuige 3] ), het aanzoeken van de schutter en de chauffeur in april 2013 (verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 7] ) en de daaropvolgende bevestiging aan [betrokkene 5] op 30 april 2013 dat de uitvoerders zijn geregeld.”

6.6

De Hoge Raad heeft zich reeds meerdere malen uitgesproken over het gebruik van verklaringen van getuigen die door (of namens) de verdediging niet in enig stadium van de procedure op een behoorlijke en effectieve wijze zijn ondervraagd. Naar aanleiding van de uitspraken van het EHRM in de zaken Schatschaschwili tegen Duitsland6 en Vidgen tegen Nederland7 heeft de Hoge Raad in 2017 de volgende uitgangspunten geformuleerd:

“3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.”

6.7

Daar is vervolgens kort geleden aan toegevoegd dat voor zover het gaat om verklaringen van niet ondervraagde getuigen die van “significant weight” zijn, aan de jurisprudentie van het EHRM geen motiveringsplicht kan worden ontleend, zoals die wel geldt voor beslissende verklaringen.8 In dat verband overwoog de Hoge Raad voorts dat het EHRM bij de toetsing aan art. 6 EVRM van het gebruik door de nationale rechter van de verklaring van een getuige voor het bewijs niet uitsluitend betekenis toekomt aan de vraag of en in hoeverre die verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, maar ook aan de (compenserende) waarborgen voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing die in de nationale wettelijke regeling ter zake van – kort gezegd – het strafrechtelijk bewijsrecht besloten liggen. Het gaat om de toets of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (“the overall fairness of the trial”), waarbij mede betekenis toekomt aan:

“(i) de wettelijke bewijsregels, waaronder die inzake de bewijsminima (bijvoorbeeld de zogenoemde unus testis-regel van art. 342, tweede lid, Sv) en de bewijsmotivering (naast de algemene bewijsmotiveringsvoorschriften die in art. 359 Sv zijn neergelegd, ook de aanvullende bewijsmotiveringsvoorschriften van art. 360, eerste lid, Sv met betrekking tot het gebruik van verklaringen van de daar genoemde getuigen waarbij de uitoefening van het ondervragingsrecht is beperkt), en

(ii) de wettelijke en jurisprudentiële motiveringsregels met betrekking tot de beoordeling en beslissing van verweren die de bewijsvraag raken, waaronder begrepen de bewijswaardering.

De naleving van die voorschriften door de rechter kan in cassatie worden getoetst, met dien verstande dat de reikwijdte van die toetsing mede afhankelijk is van het verloop van de procedure, waaronder de in het concrete geval door de verdediging gedane - gemotiveerde - verzoeken tot het horen van getuigen en gevoerde verweren.”

6.8

In het onderhavige geval is op meerdere momenten tijdens de procedure – tevergeefs – getracht de identiteit te achterhalen van de informant van [getuige 1] teneinde te voldoen aan de herhaaldelijk gedane verzoeken van de verdediging om hem te horen als getuige. [getuige 1] zelf is meerdere malen door de rechter-commissaris gehoord, aan de hand van schriftelijk ingediende vragen van de verdediging. Tijdens zijn laatste verhoor bij de RC d.d. 21 februari 2018 is de verdediging aanwezig geweest. Vragen over de identiteit van de informant bleven grotendeels onbeantwoord. Op basis van de aanwijzingen die [getuige 1] wel heeft kunnen geven hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen het adjunct hoofd van de Veiligheidsdienst en de officieren van justitie. Die gesprekken hebben er echter niet toe kunnen leiden dat de informant kon worden opgespoord teneinde hem te kunnen (doen) ondervragen.9

6.9

In de toelichting op het middel wordt terecht gesteld dat de anonieme informant naar de uitleg van het EHRM heeft te gelden als ‘witness’ in de zin van art. 6 EVRM, nu er sprake is van een verklaring die materieel bijdraagt aan de bewezenverklaring.10 Het hanteren van een autonoom begrip van ‘getuige’ houdt in dat bij een beoordeling door het EHRM niet doorslaggevend is welke betekenis het nationale recht daaraan toekent.11 Voor zover het middel, onder verwijzing naar de overweging van het hof aangaande de verklaring van [getuige 1] (geciteerd onder 5.4 in het voorgaande), klaagt dat het hof die autonome uitleg van het begrip ‘witness/témoin’ heeft miskend door aan te nemen dat de anonieme informant van [getuige 1] geen getuige in de zin van art. 385 SvC is, wijs ik op de inspanningen die zijn gedaan om de identiteit van de informant te achterhalen ten behoeve van zijn oproeping als getuige. Voor zover wordt gesteld dat het hof die uitleg in casu heeft miskend, kan ik de steller van het middel reeds daarom niet volgen. Overigens hecht ik eraan op te merken dat het hanteren van een autonoom begrip door het EHRM onverlet laat dat voor bepalingen die in de nationale procedure gelden ten aanzien van getuigen – zoals bijvoorbeeld art. 385 jo. 261 lid 1 SvC – een eigen begripsbepaling kan worden gehanteerd die (mogelijk) afwijkt van die uitleg. Die autonome begripsbepaling van het EHRM is dus niet direct van toepassing op alle bepalingen in het nationale recht aangaande getuigen, hoewel het tot aanbeveling strekt de begripsuitleg van het EHRM in ogenschouw te nemen bij de toepassing van de nationale regels. De daarop volgende beslissingen zullen immers moeten voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit art. 6 lid 1 jo. lid 3 sub d van het EVRM. Blijkens het hiervoor geciteerde beoordelingskader sluit de door de Hoge Raad gehanteerde begripsbepaling daarbij aan.

6.10

Als het gaat om de vraag of er een goede reden bestond voor de onmogelijkheid om een getuige te ondervragen, hecht het EHRM eraan dat de nationale autoriteiten alle redelijkerwijs te verwachten inspanningen hebben verricht om te verzekeren dat de getuige kon worden ondervraagd.12 Die verplichting reikt echter niet verder dan tot de mogelijkheden die naar verwachting kunnen leiden tot daadwerkelijke ondervraging.13 Zo was er een zaak waarin het EHRM het niet-oproepen van een onder een code bekende getuige niet als “unfair” beschouwde, maar aanmerkte als “factual impossibility”. In die zaak was de informant waarschijnlijk in Duitsland en werd verondersteld dat hij niet vrijwillig zou zijn verschenen in Nederland, terwijl de Duitse autoriteiten daaraan ook geen medewerking zouden verlenen, aangezien (anonieme) Duitse politieambtenaren niet antwoordden op vragen aan aangaande de identiteit, rol en functioneren van die informant.14

6.11

Ook in het onderhavige geval is het achterhalen van de identiteit van de informant feitelijk onmogelijk gebleken. Op basis van de in het voorgaande besproken omstandigheden meen ik – anders dan de steller van het middel – echter niet dat de autoriteiten zich niet afdoende van hun inspanningsverplichting hebben gekweten. Daarnaast vermag ik niet in te zien dat het hof in het vonnis uitvoeriger had moeten stilstaan bij de vraag of er een goede reden was voor het uitblijven van een mogelijkheid tot ondervraging van een getuige. Dat de koers die de Hoge Raad heeft uitgezet met betrekking tot de uitleg van de EHRM-rechtspraak op dit punt geen bijsturing behoeft, heb ik onlangs nog uiteengezet.15 Ik wijs er hier nog maar eens op dat het zwaartepunt op de “overall fairness of the procedure” ligt, voortvloeiend uit de afweging tussen de mate van beslissendheid van de verklaring van de betreffende getuige voor het bewijs en de compensatie die aan de verdediging is geboden teneinde de betrouwbaarheid van de getuige(nverklaring) op alternatieve wijze te toetsen.16 Hoewel de goede reden voor het uitblijven van de ondervragingsmogelijkheid daarbij van aanzienlijk belang kan zijn,17 was het hof er in casu niet toe gehouden daaraan een nadere motivering te wijden.

6.12

Wat die mate van beslissendheid betreft, blijkt uit hetgeen in het voorgaande onder 6.5 is geciteerd, dat het hof heeft geoordeeld dat voor de door [getuige 1] overgebrachte gang van zaken belangrijke steun in andere bewijsmiddelen kan worden gevonden. Die steun ziet op het door de verdediging betwiste onderdeel, te weten het door de verdachte aannemen van de opdracht om Wiels te vermoorden. Gelet op het onder 6.6 vooropgestelde en in het licht van de inhoud van de overige bewijsmiddelen, is dat oordeel van het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk. Ik wijs daarbij met name op de verklaring van [getuige 3] , door het hof aangeduid als bewijsmiddel 22. Daaruit volgt dat hij een gesprek heeft bijgewoond tussen onder meer de verdachte en [betrokkene 5] , waarin onderhandeld werd over de het bedrag dat zou worden betaald voor de moord op Wiels .

6.13

Tot slot wordt geklaagd dat het hof – al dan niet in verband met de verwerping van het verweer van de verdediging op dit punt – ten onrechte niet is ingegaan op de compenserende maatregelen voor het niet horen van de getuige. Mijns inziens is het hof daarop wel degelijk ingegaan, namelijk door met betrekking tot de toelaatbaarheid van de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs – zoals geciteerd onder 5.4 en 6.4 in het voorgaande – te verwijzen naar hetgeen in het kader van de betrouwbaarheid is overwogen. In die overwegingen heeft het hof aandacht besteed aan de mogelijkheden die hebben bestaan voor de verdediging om op alternatieve wijze de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te toetsen. Compenserende factoren dienen immers te verzekeren dat “a fair and proper assessment of the reliability of the evidence” plaatsvindt, resulterend in bewijs dat “sufficiently reliable” is.18 Zo wijst het hof onder meer op de code van de informant waaruit blijkt dat hij een screening op betrouwbaarheid heeft doorstaan, dat [getuige 1] zelf bij de rechter‑commissaris is gehoord, alwaar de verdediging de mogelijkheid heeft gehad hem te ondervragen, en dat de beschreven gang van zaken belangrijke steun vindt in andere bewijsmiddelen.19 In dat verband wijs ik er nog op dat de omstandigheid dat de verdediging kansen heeft laten liggen om de betrouwbaarheid van [getuige 1] en zijn informant in twijfel te trekken, bijvoorbeeld door na te laten om hem te bevragen over de gesuggereerde invloed van [getuige 1] ’ ontslag door de regering Schotte op zijn verklaring, aan het voorgaande niet afdoet.

6.14

In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] – ondanks het niet slagen van de pogingen zijn informant te identificeren teneinde hem te kunnen oproepen als getuige – geen strijd oplevert met art. 6 lid 1 jo. lid 3 sub d EVRM. Tot een nadere motivering op dat punt was het hof niet gehouden.

6.15

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

7 Het derde middel

7.1

Het middel klaagt dat het gebruik van de verklaring van de getuige [medeverdachte 1] strijdig is met art. 385 SvC en art. 6 lid 3 sub d EVRM, dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

7.2

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof de verklaring van de getuige [medeverdachte 1] in beslissende mate heeft doen bijdragen aan het bewijs, terwijl de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is gesteld om de informant waarop die verklaring is gestoeld te ondervragen, en terwijl de verdediging daarvoor niet in afdoende mate compenserende maatregelen zijn geboden. Voorts zou het hof de verwerping van de in dat verband ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren ontoereikend hebben gemotiveerd.

7.3

Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, heeft het hof het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 1] wordt vooropgesteld dat deze, anders dan de raadsvrouw naar voren heeft gebracht, ook zien op hetgeen hij zelf heeft waargenomen en ondervonden. Dat neemt niet weg dat een groot deel van de verklaringen ziet op hetgeen hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord en de verdediging heeft [medeverdachte 3] daarover zelf niet kunnen bevragen, omdat hij zelfmoord heeft gepleegd.

Van een schending van het ondervragingsrecht is in het algemeen sprake, indien een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot het ondervragen van de getuige heeft ontbroken, terwijl de verklaring van die getuige beslissend is geweest voor de bewezenverklaring en er geen afdoende compensatie heeft plaatsgevonden voor het ontbreken van het ondervragingsrecht.

Het Hof overweegt in dat verband dat de verklaringen van [medeverdachte 1] onmiskenbaar een belangrijke plaats innemen in de bewijsvoering. De verklaringen zijn naar het oordeel van het Hof evenwel niet op zichzelf staand en beslissend. Zoals hiervoor overwogen, vindt de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezen verklaarde in (meer dan) voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen. Reeds daarom is voor bewijsuitsluiting geen aanleiding. Daarnaast is het ontbreken van de ondervragingsmogelijkheid ruimschoots gecompenseerd. De verdediging heeft [medeverdachte 1] immers daarover zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep kunnen ondervragen. Bovendien is dat laatste getuigenverhoor op een geluidsband opgenomen en woordelijk uitgewerkt.”

7.4

Voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, heeft het hof ter onderbouwing van de verankering van de verklaringen van [medeverdachte 1] aangaande de betrokkenheid van de verdachte in de overige bewijsmiddelen onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Ander steunbewijs voor het (door)geven van het geld door de verdachte

De verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte het geld aan [medeverdachte 3] heeft (door)gegeven, wordt niet alleen ondersteund door de hiervoor besproken verklaringen van [getuige 9] en [getuige 2] , maar ook door ping-gesprekken tussen [getuige 2] en [getuige 8] (de zus van [medeverdachte 3] ) en de verklaringen die [getuige 8] daarover heeft afgelegd.

De ping-gesprekken gaan over een voornemen om het geld dat [medeverdachte 1] naar zijn idee nog had moeten krijgen, te stelen uit de woning van [medeverdachte 3] . Het eerste ping- gesprek dateert van 8 mei 2013 en houdt het volgende in:

Gespreksdeelnemer

Uitgesproken tekst

[getuige 2]

[getuige 8] , ik ben klaar om vandaag te springen.

[getuige 2]

Hoe zeker ben je ervan dat het geld daarin ligt? Misschien heeft hij het geld ergens anders bewaard?

[getuige 8]

Nee, kind ze zijn daarin.

[getuige 2]

Ben je zeker?

[getuige 8]

Er moet geld daarin zijn.

[getuige 8]

Ben je klaar voor die ding?

[getuige 2]

Zeker zeker.

[getuige 2]

De ding moet vandaag gebeuren.

[getuige 2]

[medeverdachte 1] doet het.

[getuige 8]

[medeverdachte 3] is net langs naar huis gereden.45

[getuige 8] heeft hierover het volgende verklaard: “Ik herken dit gesprek. Het is een ping-gesprek tussen [getuige 2] en mij. Dat gesprek gaat over geld dat in het huis van [medeverdachte 3] was. Het gaat over het geld dat [medeverdachte 1] zei dat hij niet gekregen had voor het plegen van de moord op Wiels .

Op de dag dat [medeverdachte 1] en [getuige 2] op het veld naast de woning van [getuige 7] aan het praten waren, hoorde ik [medeverdachte 1] over geld dat [medeverdachte 3] hem schuldig was. Ik heb begrepen dat [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] dood wilde maken.

In een tweede ping-gesprek, dat op 9 mei 2013 is gevoerd, komt onder meer het volgende naar voren:

Gespreksdeelnemer

Uitgesproken tekst

[getuige 8]

[verdachte] is net uit de garage gekomen.

[getuige 8]

Nu nu

[getuige 8]

Late we kijken of Don ook uit de garage komt.

[getuige 8]

Ping

[getuige 8]

Sta op

[getuige 8]

Acht jullie slapen op de dingen

[getuige 2]

Dus waar is [verdachte]

[getuige 8]

Hij is net van zijn garage gekomen

[getuige 8]

Het is half 2, de andere moet bijna zker ook uitgaan

[getuige 2]

Blijf attent

[getuige 2]

De dingen moeten er wel goed gebeuren”47

[getuige 8] heeft het volgende over dit gesprek verklaard: “[getuige 2] heeft mij verteld dat [medeverdachte 1] haar had verteld dat [medeverdachte 3] met 200 of 400 duizend was gebleven die voor hem was bestemd voor het plegen van de moord op Wiels . Tevens dat [medeverdachte 3] het geld met [verdachte] zou hebben verdeeld of zou gaan verdelen.

De raadsvrouw heeft terecht aangehaald dat [getuige 8] bij dezelfde gelegenheid heeft verklaard dat zij niet zeker wist of het geld in de woning van [medeverdachte 3] lag, maar - los van de vraag hoe overtuigend dat is gelet op de inhoud van de berichten - neemt dat de steun voor de verklaringen van [medeverdachte 1] niet weg. Daaruit kan immers worden afgeleid dat [medeverdachte 1] vrij kort na de moord aan [getuige 2] heeft verteld over het geld in de woning van [medeverdachte 3] , dat naar zijn idee voor hem bestemd was en tussen [medeverdachte 3] en de verdachte zou worden verdeeld.”

7.5

Zowel in eerste als in tweede aanleg is aan de verzoeken van de verdediging om [medeverdachte 1] te ondervragen gehoor gegeven en is hij ter terechtzitting als getuige gehoord.20

7.6

In de toelichting op het middel wordt ten eerste betoogd dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet beslissend zijn geweest voor de bewezenverklaring onbegrijpelijk is. Gelet op het onder 6.6 in het voorgaande vooropgestelde is voor de beantwoording van de vraag of een getuigenverklaring ‘decisive’ is geweest voor de bewezenverklaring, relevant in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Die steun moet betrekking hebben op de door de verdediging betwiste onderdelen van de belastende verklaring van de niet-ondervraagde getuige, in casu de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op Wiels , meer in het bijzonder het door hem aannemen van de opdracht daartoe.

7.7

Wat die mate van beslissendheid betreft, zou de onbegrijpelijkheid van de overwegingen van het hof volgens de steller van het middel reeds uit het vonnis zelf kunnen worden afgeleid. In dat verband verwijst hij naar de overweging van het hof dat het bewijs naast de verklaring van [medeverdachte 1] “verder voornamelijk van indirecte aard is”. Als ik het goed begrijp zou de verklaring van [medeverdachte 1] als enig direct bewijsmiddel een belangrijke plaats innemen tussen de andere drie bewijspijlers, die – temeer vanwege hun indirecte aard – eigenlijk alleen in samenhang met elkaar een bewezenverklaring kunnen dragen en zodoende allemaal in enige mate beslissend zouden zijn.

7.8

Voor zover verwezen wordt naar de overweging van het hof over de verder voornamelijk indirecte aard van de bewijsmiddelen, zij vooropgesteld dat dit overwogen is in verband met de (ambtshalve) beslissing om [medeverdachte 1] ter terechtzitting te horen. Om te beginnen lees ik in het vonnis van het hof niet terug dat overigens geen directe bewijsmiddelen zijn gebruikt. Voorts heeft het onderhavige middel betrekking op het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover inhoudend hetgeen hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord. Zo de vraag of een bewijsmiddel direct of indirect is al relevant is voor de mate van beslissendheid, wijs ik erop dat de verklaring van [medeverdachte 1] wat dat betreft ook moet worden gezien als indirect bewijsmiddel, omdat dit middel gaat over diens de auditu verklaring, terwijl de bron daarvan – [medeverdachte 3] – wegens overlijden niet kon worden gehoord. Voorts heeft het hof mijns inziens, door te overwegen dat het bewijs voor verdachtes betrokkenheid hoofdzakelijk op vier pijlers steunt, juist inzichtelijk gemaakt dat het steunbewijs voor de door [medeverdachte 1] overgebrachte verklaringen van [medeverdachte 3] , in die pijlers moet worden gevonden. In dat kader wijs ik met name op de weging door het hof van de vierde pijler, de sms-berichten tussen de verdachte en [betrokkene 5] , zoals opgenomen in het onder 6.5 in het voorgaande geciteerde. Uit de schets van de tijdlijn die het hof daar presenteert staat bij het “voorstel aan de verdachte om Wiels te vermoorden en het aannemen van die opdracht door de verdachte”, de verklaring van [getuige 1] – kennelijk als bron – genoemd. Beslissend voor dat betwiste onderdeel kan de verklaring van [medeverdachte 1] reeds daarom niet zijn, hetgeen overigens ook reeds kon worden opgemaakt uit de omstandigheid dat in de schriftuur ten aanzien van zowel de verklaring van [getuige 1] als die van [medeverdachte 1] wordt aangevoerd dat deze beslissend is voor het namens de verdachte betwiste onderdeel.

7.9

De steller van het middel betoogt voorts dat de door het hof genoemde compensatie voor het ontbreken van de mogelijkheid om [medeverdachte 3] te horen, te weten het hebben kunnen ondervragen van [medeverdachte 1] , dat het nogmaals horen van [medeverdachte 1] niet als zodanig kan gelden, omdat hiermee wordt miskend dat het de verklaringen van [medeverdachte 3] zijn die op waarheidsgehalte zouden moeten worden getoetst. In dat verband is onder meer relevant hetgeen het hof in verband met de bewijswaardering heeft vooropgesteld:

“Met deze achtergrond[21] laat het zich raden dat het onderzoek naar de (schakel tot de) opdrachtgever(s) geen eenvoudige opgave is geweest. Twee van de drie hoofdrolspelers, die op dit punt mogelijk van waarde hadden kunnen zijn, zijn niet meer in leven. Daar komt bij dat de derde hoofdrolspeler, [medeverdachte 1] , kennelijk berekenend en op onderdelen aanmerkelijk inconsistent heeft verklaard. De raadsvrouw van de verdachte heeft die inconsistenties bij pleidooi op duidelijke wijze naar voren gebracht. Mede in aanmerking genomen dat het gepresenteerde bewijs verder voornamelijk van indirecte aard is, was op voorhand duidelijk dat de taak van het Hof om de feiten en omstandigheden waaronder deze moord heeft plaatsgevonden vast te stellen - wellicht nog meer dan in andere zaken -, bijzondere zorgvuldigheid zou vereisen. Het Hof heeft om die reden ambtshalve beslist dat [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting moest worden gehoord. Dat getuigenverhoor, waarin andermaal inconsistenties te bespeuren waren, is op een geluidsband vastgelegd en vervolgens woordelijk uitgewerkt ten behoeve van een zo optimaal mogelijke analyse. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de door deze getuige afgelegde verklaringen alsook bij de weging en waardering van alle overige bewijsmiddelen in het dossier heeft het Hof alle denkbare scenario's de revue laten passeren.”

7.10

Voorts zijn de volgende bewijsoverwegingen relevant (met weglating van de voetnoten):

“(i). De betrouwbaarheid van de verklaringen

In de vooropstelling van het Hof ten aanzien van de bewijswaardering is al aan de orde gesteld dat de verklaringen van [medeverdachte 1] op onderdelen aanmerkelijk inconsistent zijn. De vraag die zich opdringt, is hoe de verklaringen met inachtneming hiervan gewaardeerd moeten worden. Het Hof heeft tijdens de beraadslaging in raadkamer uitgebreid bij die vraag stilgestaan en is tot de volgende beschouwing gekomen.

Onherroepelijke veroordeling [medeverdachte 1]

Een belangrijk vertrekpunt is dat [medeverdachte 1] onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van de moord op Helmin Wiels . Met die veroordeling is in rechte komen vast te staan dat hij de fatale schoten heeft gelost en dat hij intensief heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] beschikt dan ook over daderkennis en is bovendien van deze drie daders de enige persoon die nog in leven is.

De meeste verklaringen die [medeverdachte 1] heeft afgelegd, dateren van vóór het onherroepelijk worden van zijn veroordeling. Met betrekking tot de inconsistenties in die verklaringen kan tot op zekere hoogte een verklaring worden gevonden in de wens zijn eigen rol waar mogelijk nog af te zwakken, zoals hij in de zaak tegen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige heeft verklaard. In dat licht kan worden geplaatst dat hij eerst heeft verklaard dat hij niet eerder dan op de dag van de moord op straat was benaderd (in plaats van zijn deelname aan meerdere besprekingen, onder andere in de garage van [medeverdachte 3] ) en dat hem daarvoor niet meer dan NAf 60.000,-- was betaald (in plaats van NAf 100.000,--).

Objectieve aanknopingspunten

Voor een eerste selectie en waardering van de verschillende verklaringen is aansluiting gezocht bij objectieve aanknopingspunten, zoals de beschikbare zendmastgegevens en de onderschepte gesprekken/berichten.

Verklaringen van [medeverdachte 1] aan zijn geliefden

Vervolgens heeft het Hof bezien in hoeverre de verklaringen van [medeverdachte 1] verankering vinden in hetgeen hij volgens zijn echtgenote, [getuige 9] , en zijn toenmalige 'by-side' [getuige 2] aan hen heeft toevertrouwd.

[getuige 9] heeft op 11 februari 2014 (acht maanden na de moord) onder meer het volgende tegenover de politie verklaard: “ [medeverdachte 1] heeft mij verteld dat hij zich op 5 mei 2013 bij de woning van [getuige 7]22 bevond, dat hij een ping kreeg van [medeverdachte 3] waarbij [medeverdachte 3] hem verzocht had om bij hem thuis te komen, dat hij naar de woning van [medeverdachte 3] liep), dat [medeverdachte 3] hem in zijn garage vroeg of hij bereid was om Wiels op dat moment dood te gaan schieten, dat [verdachte] geld had gekregen en dat [verdachte] verder geld aan [medeverdachte 3] had gegeven om de schutter en de chauffeur te betalen, dat hij toen bereid was om de moord te gaan plegen.

[medeverdachte 1] vertelde mij dat hij de woning van [medeverdachte 3] met iedereen daarin zou verbranden, indien hij niet door [medeverdachte 3] betaald wordt.”

[getuige 2] had eerder, namelijk op 5 september 2013 (vier maanden na de moord), al het volgende verklaard: "Ik ben op 7 mei 2013 vanuit Venezuela teruggekomen in Curaçao. In de avonduren begon ik pingen (het Hof: ping-berichten) te krijgen van [medeverdachte 1] . Hij pingde dat hij mij nodig had. Gedurende middernacht, dus 8 mei 2013, kreeg ik nog steeds pingen van [medeverdachte 1] . Hij verzocht mij om bij hem te komen op de plaats waar wij de gewoonte hebben elkaar te ontmoeten. Daar begon [medeverdachte 1] mij het volgende te vertellen:

- dat hij boos is, daar [medeverdachte 3] hem niet voldoende geld had betaald;

- dat [medeverdachte 3] hem honderdduizend gulden heeft betaald voor de moord op de president; dat hij later gehoord had dat er vijfhonderdduizend guldens bestemd was voor de schutter van de president;

- dat hij hierdoor van plan was om in de woning van [medeverdachte 3] te breken of de woning van [medeverdachte 3] in brand te steken of [medeverdachte 3] te vermoorden;

- dat hij in opdracht van [medeverdachte 3] en [verdachte] de president had geliquideerd;

- dat [medeverdachte 3] en [verdachte] gebleven waren met de rest van zijn geld, dus vierhonderdduizend gulden;

- dat op de dag dat de president doodgeschoten werd, [medeverdachte 3] alvorens het gebeurde verschillende keren heen en weer was gereden in zijn witte Toyota Hillux op de weg voor de pier van Marie Pampoen;

- dat [medeverdachte 3] zodoende de president aan het controleren was;

- dat [medeverdachte 3] hem op een gegeven moment de volgende woorden pingde: "Awo awo, tin trabaw pabo" (vrije vertaling: "Nu nu, er is werk voor jou") en dat hij bij de woning van [medeverdachte 3] moest komen;

- dat [medeverdachte 3] hem verteld had waar de president bij de pier stond; dat [medeverdachte 2] als chauffeur optrad en hij als medepassagier; dat zij bij de president waren aangekomen;

- dat de president op dat moment een fles Heineken in zijn hand had; dat hij veel schoten op de president had gelost"

Zij hebben verder allebei verklaard dat [medeverdachte 1] op 5 mei 2013 niet alleen [medeverdachte 3] , maar ook de verdachte in de garage van [medeverdachte 3] heeft ontmoet. Volgens [medeverdachte 1] zelf heeft deze ontmoeting met de verdachte op een eerder moment plaatsgevonden. De raadsvrouw meent dat dit verschil en de andere verschillen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] . Het Hof heeft kritisch naar de verschillen gekeken, maar is tot het oordeel gekomen dat deze van ondergeschikte aard zijn. De verklaringen komen op wezenlijke onderdelen overeen en vinden, zoals hierna nog zal blijken, steun in andere bewijsmiddelen. Het is bepaald niet onvoorstelbaar dat [getuige 9] en [getuige 2] bepaalde gebeurtenissen verkeerd in de tijd hebben geplaatst of daaraan een vertekende herinnering hebben, nu de verklaringen pas maanden daarna zijn afgelegd. Ook valt niet uit te sluiten dat [medeverdachte 1] hen een verkorte versie van die gebeurtenissen heeft gegeven die op detailniveau wellicht minder juist is, wat overigens in dat geval onverlet laat dat [medeverdachte 1] dit soort zaken met hen besprak. Verklaringen die [getuige 9] en [getuige 2] over vergelijkbare zaken hebben afgelegd, bleken achteraf gezien juist te zijn. Het Hof wijst in dat verband op de verklaringen die zij hebben afgelegd over de moorden die [medeverdachte 1] heeft gepleegd op [naam 2] en [naam 3] . Daar komt nog bij dat [getuige 9] met de verklaringen over de moord op Wiels niet alleen de verdachte en haar eigen echtgenoot heeft belast, maar bijvoorbeeld ook de plaats heeft genoemd waar [medeverdachte 2] het gebruikte vuurwapen heeft gedumpt: in het Waaigat ter hoogte van het monument ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Zij blijkt daarover naar waarheid te hebben verklaard: het vuurwapen is daar aangetroffen.

(…)”

7.11

De klacht in het middel dat onvoldoende compensatie is geboden moet in het licht van de in het voorgaande besproken mate van beslissendheid van de verklaring voor het bewijs worden beoordeeld, waarbij ook vooral niet moet worden vergeten dat er weinig twijfel kan ontstaan over de vraag of het overlijden van [medeverdachte 3] heeft te gelden als goede reden voor het uitblijven van een mogelijkheid om hem te ondervragen. In dat verband zij herhaald dat compenserende maatregelen ertoe strekken de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring op alternatieve wijze te toetsen. Zo heeft het Hof terecht als compenserende maatregel aangeduid dat de verdediging [medeverdachte 1] zelf zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft kunnen ondervragen, terwijl laatstgenoemd verhoor op een geluidsband opgenomen en woordelijk uitgewerkt is. Voorts blijkt uit het onder 7.4 in het voorgaande geciteerde dat het hof in zijn overwegingen uitvoerig aandacht heeft besteed aan de verankering van de door [medeverdachte 1] beschreven gang van zaken in overige bewijsmiddelen.

7.12

Uit de uitgebreide overwegingen van het Hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] blijkt dat behoedzaam is omgegaan met diens verklaring, onder meer door ook uitvoerig stil te staan bij op de bepaalde punten bestaande inconsistenties.23 Met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 1] omtrent hetgeen hij van [medeverdachte 3] heeft vernomen heeft het Hof zich blijkens de voorgaande overwegingen niet beperkt tot het vinden van steun in verklaringen van getuigen die zijn lezing van de gebeurtenissen enkel herhalen en aldus bevestigen. Er wordt immers ook gerefereerd aan objectieve aanknopingspunten, zoals de omstandigheid dat de echtgenote van [medeverdachte 1] de vindplaats van het moordwapen heeft genoemd en het wapen daar daadwerkelijk is aangetroffen.24 Dat zij hem daarmee voorts heeft belast lijkt mij eveneens een noemenswaardig aspect dat ten goede komt aan de geloofwaardigheid van het geheel.25 Op basis van de uitvoerige overwegingen die het hof heeft gewijd aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] kan mijns inziens niet anders worden geconcludeerd dan dat het hof is gekomen tot een “fair and proper assessment of the reliability of the evidence”, resulterend in bewijs dat “sufficiently reliable” is.

7.13

In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [medeverdachte 1] – ondanks het niet hebben kunnen horen van [medeverdachte 3] als bron van een gedeelte van die verklaring – geen strijd oplevert met art. 6 lid 1 jo. lid 3 sub d EVRM. Tot een nadere motivering op dat punt was het hof niet gehouden.

7.14

Ook dit middel faalt in al zijn onderdelen.

8 Het vierde middel

8.1

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaring van [getuige 1] als betrouwbaar kon worden aangemerkt, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

8.2

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inhoudend dat de verklaring van [getuige 1] evenals de door hem overgebrachte verklaring van de onbekend gebleven informant onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs toe te laten, op ontoereikende althans onbegrijpelijke gronden heeft gepasseerd.

8.3

Blijkens vaste rechtspraak staat het de feitenrechter vrij om – binnen de door de wet gestelde grenzen – van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.26 Daarvan kan worden afgeweken in geval van een door de verdediging ter terechtzitting gevoerd verweer met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel. Op grond van art. 359 lid 2 SvNL is de rechter gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Het Curaçaose equivalent van die responsieverplichting is te vinden in art. 402 lid 2 tweede volzin SvC, welke bepaling blijkens art. 302 SvC ook geldt voor het hoger beroep.27

8.4

Hetgeen in verband met de betrouwbaarheid van [getuige 1] en diens informant ter terechtzitting naar voren is gebracht door de raadsvrouw betreft een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Aldus kan worden gesproken van een standpunt in de zin van art. 402 lid 2 SvC.

8.5

Het hof heeft dat standpunt van de verdediging verworpen op de wijze zoals geciteerd onder 6.5 in het voorgaande en de betreffende verklaringen tot het bewijs gebezigd. Het middel klaagt in dat verband onder meer dat de motivering van het hof ten aanzien van de totstandkoming van de verklaring onbegrijpelijk is kortweg omdat de stelling dat [getuige 1] over afdoende beoordelingsvermogen zou beschikken om de betrouwbaarheid van zijn informant goed in te schatten innerlijk tegenstrijdig zou zijn aan de overweging dat [getuige 1] ’ schorsing aanleiding is voor het niet kunnen volgen van de gebruikelijke procedure. Het argument dat het veronderstelde beoordelingsvermogen van [getuige 1] direct zou worden weersproken door diens schorsing alsmede door zijn onbevoegd en in strijd met de regelgeving handelen, snijdt mijns inziens geen hout. Dat geldt temeer nu het hof als bevestiging van de inschatting van [getuige 1] heeft meegewogen dat zijn bron al een informant was van de Veiligheidsdienst en zodoende een screening op betrouwbaarheid had doorstaan. Ook de overwegingen omtrent [getuige 1] ’ inspanningen om de informant de reguliere procedure te laten volgen dragen bij aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Voorts was het hof ook overigens niet gehouden tot nadere motivering, temeer nu het, als gezegd, uitvoerig heeft stilgestaan bij de discrepanties tussen de verschillende verklaringen en door het hof is uitgelicht op welke punten de verklaringen bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal.

8.6

Het middel faalt.

9 Het vijfde middel

9.1

Het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verklaring van [medeverdachte 1] als betrouwbaar kon worden aangemerkt, althans dat dat oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

9.2

Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof op onbegrijpelijke althans ontoereikende gronden is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inhoudend dat de verklaring van [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar is om tot het bewijs toe te laten.

9.3

Ook deze klacht leent zich slechts voor de beperkte beoordeling in cassatie zoals vooropgesteld in 8.3 in het voorgaande.

9.4

Het hof heeft het standpunt van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid van [medeverdachte 1] verworpen op de wijze zoals geciteerd onder 7.9 en 7.10 in het voorgaande en de betreffende verklaringen tot het bewijs gebezigd. Mijns inziens heeft het hof die weerlegging van het standpunt van de verdediging voorzien van voldoende motivering. Ik wijs er daarbij op dat het hof uitvoerig heeft stilgestaan bij de duiding van de inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 1] daterend van vóór zijn eigen veroordeling. Voorts meen ik – anders dan de steller van het middel – dat het hof kon volstaan met de verwijzing naar de objectieve aanknopingspunten “zoals de beschikbare zendmastgegevens en de onderschepte gesprekken/berichten”, aangezien de inhoud van die aanknopingspunten uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt.28 Ook overigens is door het hof uitvoerig stilgestaan bij de punten waarvoor de verklaringen bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Zodoende was het hof niet gehouden tot een nadere motivering van de weerlegging van het standpunt van de verdediging.

9.5

Het middel faalt.

10. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 ECLI:NL:HR:2016:1361.

2 Vonnis van het hof, p. 3.

3 Met weglating van de voetnoten.

4 HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925, NJ 2005/383; M.J. Dubelaar in: T&C Strafvordering, commentaar bij art. 344a Sv, aant. 4 onder b (online, bijgewerkt tot 1 juli 2018).

5 De gelijkenis met een verklaring van een anonieme getuige in de vorm van een onverifieerbaar element, zie het geciteerde onder 5.4.

6 EHRM 15 december 2015, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland).

7 EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen t. Nederland).

8 HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, rov. 3.6.2.

9 Zie het proces-verbaal d.d. 7 april 2017 zoals opgemaakt door OvJ Rip, dat als bijlage V bij het proces-verbaal van de op 22 maart 2018 in het openbaar gehouden terechtzitting van het hof is gevoegd, overgelegd door de procureur-generaal aldaar. Zie voorts het proces-verbaal van bevindingen zoals opgemaakt door A-G Angela en OvJ Rip op 13 april 2018, tevens opgenomen als bijlage bij de schriftuur.

10 Zie ook B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU Amsterdam), Wolters Kluwer: Alphen aan den Rijn 2015, p. 42-44.

11 B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU Amsterdam), Wolters Kluwer: Alphen aan den Rijn 2015, p. 40.

12 EHRM 15 december 2015, Appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 120, B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU Amsterdam), Wolters Kluwer: Alphen aan den Rijn 2015, p. 323.

13 Zie B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU Amsterdam), Wolters Kluwer: Alphen aan den Rijn 2015, p. 315.

14 ECRM 18 mei 1995, appl.no. 24384/94 (Van Reeswijk t. Nederland); B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. VU Amsterdam), Wolters Kluwer: Alphen aan den Rijn 2015, p. 315.

15 Zie mijn conclusie in de zaak voorafgaand aan HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1313, onder 3.7 en 3.10.

16 EHRM 15 december 2015, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 115

17 EHRM 15 december 2015, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 113.

18 EHRM 15 december 2015, Appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 20, met verwijzing naar EHRM 15 december 2015, appl.no. 26766/05 (Al-Khawaja & Tahery t. Verenigd Koninkrijk), par. 147.

19 Vgl. EHRM 15 december 2015, Appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 125-131.

20 Proces-verbaal van de terechtzitting van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao d.d. 7 augustus 2014; proces-verbaal van de terechtzitting van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie d.d. 6, 7, 8 en 22 juni 2018.

21 Verwezen wordt naar de omstandigheden zoals ook besproken in 3.1 in het voorgaande.

22 Bijnaam voor […] , zie vonnis ven het hof, p. 4.

23 Vgl. EHRM 15 december 2015, appl.no. 9154/10 (Schatschaschwili t. Duitsland), par. 126.

24 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014, 313, onder punt 5.18 en 5.22.

25 Vgl. EHRM 17 september 2013, appl.nr. 23789/09 (Brzuszczyński t. Polen), par. 89.

26 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 237, onder verwijzing naar HR 6 juli 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1159, NJ 2000, 379.

27 Publicatieblad van Curaçao 2012, no. 67, “Landsverordening van de 18de oktober 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering (Bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen)”. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voorafgaand aan HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:260, onder 11.

28 Zie voor de zendmastgegevens bijvoorbeeld de door het hof als bewijsmiddel 14 aangemerkte analyse van de historische printgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 3] .