Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:877

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
06-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/03847
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1782, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Pachtrecht. Procesrecht. Beëindiging pachtovereenkomst door verpachter. Geen bedrijfsmatige exploitatie van een agrarische onderneming; art. 7:312 BW. Vordering tot schadevergoeding in reconventie voor het eerst ingesteld in hoger beroep. Art. 353 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03847

Zitting 6 september 2019

CONCLUSIE

E.M. Wesseling-van Gent

In de zaak

[eiser]

tegen

Torcksveen Verwolde B.V.

Het gaat in deze zaak om door de pachtkamer toegewezen vorderingen van de verpachter tot beëindiging van de pachtovereenkomst en ontruiming van het verpachte. In hoger beroep heeft de pachter naast vernietiging van de vonnissen en afwijzing van alle vorderingen van de verpachter ook vergoeding van bijkomende schade gevorderd. Het hof heeft de vonnissen van de pachtkamer bekrachtigd en heeft de pachter niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevergoedingsvordering omdat een zelfstandige vordering in reconventie (die niet voortvloeit uit ongedaanmakingsverbintenissen uit een eventueel te vernietigen vonnis) niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld. Daarnaast heeft het hof overwogen dat op basis van de door de pachter verstrekte bedrijfsgegevens niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van een agrarische onderneming. In cassatie zijn door de pachter klachten aangevoerd over het niet-toelaten tot bewijslevering en over de kwalificatie van de schadevergoedingsvordering als een zelfstandige reconventionele vordering.

1. Feiten 1 en procesverloop 2

1.1 (De rechtsvoorganger van) verweerster in cassatie (hierna: Torcksveen) verpacht vanaf 1990 aan eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) landbouwpercelen, kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [X] , nrs. [001] , [002] en [003] , sedert de ruilverkaveling in 2012 circa 6.30 ha totaal groot.

1.2 [eiser] houdt paarden. Voorheen had hij een schapenhouderij en daarna een varkenshouderij. Die bedrijven zijn beëindigd. Voor onder meer de gepachte percelen is [eiser] beheersovereenkomsten aangegaan.

1.3 Bij exploot van 9 februari 2016 is aan [eiser] een brief van 4 februari 2016 betekend waarin Torcksveen de pachtovereenkomst heeft opgezegd tegen 21 februari 2017 op de gronden dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming, dan wel dat een redelijke afweging van de belangen in het voordeel van de verpachter uitvalt.

1.4 Bij aangetekende brief van 16 maart 2016 heeft [eiser] gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de opzegging.

1.5 Bij inleidende dagvaarding van 3 juni 2016 heeft Torcksveen [eiser] gedagvaard voor de pachtkamer van de rechtbank Gelderland, kamer voor kantonzaken, locatie Zutphen (hierna: de pachtkamer). Torcksveen heeft daarbij – samengevat3 – de beëindiging van de pachtovereenkomst gevorderd alsmede de ontruiming van het verpachte op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Aan deze vorderingen heeft Torcksveen ten grondslag gelegd dat [eiser] een patroon heeft laten zien waaruit volgt dat hij tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de pachtovereenkomst.4

1.6 [eiser] heeft verweer gevoerd.

1.7 De pachtkamer heeft bij tussenvonnis van 20 juli 2016 een comparitie van partijen bepaald. Deze heeft op 20 oktober 2016 plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.8 Vervolgens heeft de pachtkamer bij tussenvonnis van 7 december 2016 [eiser] opgedragen bij akte nadere gegevens over te leggen die een indruk kunnen geven van de onderlinge samenhang tussen de diverse bedrijfsactiviteiten, de gedane investeringen en het ondernemingsrendement over de afgelopen jaren5, en de zaak daartoe naar de rol verwezen.

1.9 Na aktewisseling heeft de pachtkamer bij eindvonnis van 15 februari 2017 (verbeterd op 1 maart 2017) – samengevat – (i) bepaald dat de pachtovereenkomst per 21 februari 2017 is geëindigd, (ii) het tijdstip van de ontruiming vastgesteld op 7 maart 2017 en (iii) [eiser] veroordeeld om uiterlijk op de ontruimingsdatum, na betekening van het vonnis, het gepachte met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag, met een maximum van € 10.000,-. Verder heeft de pachtkamer het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.10 [eiser] is, onder aanvoering van tien grieven, van de vonnissen van 20 juli 2016, 7 december 2016 en 15 februari 2017 (zoals verbeterd op 1 maart 2017) in hoger beroep gekomen bij de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem. Hij heeft bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd, een incidentele vordering op grond van art. 351 Rv ingesteld en, kort gezegd, geconcludeerd dat het hof de gemelde vonnissen vernietigt en alle vorderingen van Torcksveen alsnog afwijst, een datum bepaalt waarop Torcksveen de gronden ontruimt en weer ter beschikking stelt aan [eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom en tot slot Torcksveen veroordeelt tot betaling van bijkomende schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

1.11 Torcksveen heeft bij “antwoord conclusie in het incident” de gevorderde schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad bestreden.

Vervolgens heeft Torcksveen bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd, verkort weergegeven, tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in het hoger beroep, althans afwijzing van het ingestelde beroep. Daarnaast heeft Torcksveen, onder aanvoering van twee grieven, voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot vernietiging van het tussenvonnis van 7 december 2016 met instandhouding van het (verbeterde) eindvonnis.

1.12 Het hof heeft bij arrest van 31 oktober 2017 in het incident de tenuitvoerlegging van het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2017 (zoals hersteld op 1 maart 2017) geschorst en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep.

1.13 [eiser] heeft de grieven in het incidentele appel bestreden en geconcludeerd, verkort weergegeven, tot niet-ontvankelijkheid van Torcksveen, althans afwijzing van het incidenteel appel.

1.14 Vervolgens heeft het hof bij tussenarrest van 16 januari 2018 een comparitie van partijen bepaald en [eiser] verzocht om over te leggen, voor zover deze stukken niet al zijn overgelegd, de opgave gewaspercelen behorende tot de gecombineerde opgave over de jaren 2015, 2016 en 2017 en de boekhoudrapporten van de onderneming over de laatste drie jaren.6

De comparitie van partijen heeft op 21 juni 2018 plaatsgevonden. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.15 Bij eindarrest van 10 juli 2018 (hierna: het eindarrest) heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van de pachtkamer van 20 juli 2016 en de vonnissen van 7 december 2016 en 15 februari 2017 bekrachtigd. Daarnaast heeft het hof het tijdstip van de ontruiming van de gepachte percelen vastgesteld op 1 november 2018 en [eiser] veroordeeld om uiterlijk op de ontruimingsdatum, na betekening van het arrest, het gepachte met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden.

1.16 [eiser] heeft tegen het eindarrest tijdig7 beroep in cassatie ingesteld.8

Torcksveen heeft geconcludeerd tot verwerping.

Torcksveen heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen.

2.2

Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 4.9, 4.11 en 4.13, waarin het hof het volgende heeft geoordeeld:

“4.9 Uit de boekhoudrapporten van de onderneming blijkt de gestelde primaire bedrijfsactiviteit echter onvoldoende. Torcksveen heeft een kopie van de website van het bedrijf overgelegd (d.d.18 april 2016) waarin is te lezen dat merries kunnen worden aangeboden voor natuurlijk dekken door eigen hengsten. Er is ook omzet verbonden aan het verblijf van merries van derden opgenomen in de boekhouding (omzet dekking, weidegeld en stalling, gemiddeld jaarlijks € 15.000) waaruit de gestelde bedrijfsactiviteiten voor derden zouden kunnen blijken. Van eigen merries rept de website niet. Eigen opbrengsten van gefokte veulens dan wel de aankoop of verkoop van hengsten en/of fokmerries zijn in de jaarstukken niet of nauwelijks verantwoord. Voor zover opbrengsten van aan- en verkoop paarden zijn opgenomen, zijn die dermate laag (2013 € 0, 2014 € 9.750, 2015 € 0, en 2016 € 1.500) dat daaruit geen bedrijfsmatige exploitatie door het fokken van dieren kan volgen. Ook de waardemutatie van de paarden in die periode van per saldo € 3.500 (3900 – 400) is bepaald weinig. Hoe een en ander zich verhoudt tot de in eerste aanleg overgelegde registratie op 7 juli 2016 van 6 veulens op naam van fokker/eigenaar [eiser] en de mededelingen dat in 2014 en 2016 hengsten zijn bijgekocht, is niet toegelicht. Volgens de stukken ontvangt [eiser] tevens mestvergoedingen, waarbij Torcksveen terecht vraagtekens heeft gezet. Voor directe en andere kosten staat telkens een bedrag van ruim € 30.000 in de jaarstukken. Van door [eiser] gestelde investeringen blijkt in de boekhoudstukken niets. De onderneming heeft door de jaren heen een fors negatief eigen vermogen en de vaste activa hebben een beperkte waarde (ongeveer € 25.000).

4.11

Het komt erop neer dat op basis van de door [eiser] verstrekte bedrijfsgegevens niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van een agrarische onderneming als bedoeld in artikel 7:312 BW. Dat [eiser] jaarlijks ongeveer € 10.000 aan landbouwsubsidies ontvangt, legt onvoldoende gewicht in de schaal.

4.13

Het hof oordeelt dat de toelichting ter zitting geen genoegzame onderbouwing heeft die de verpachter de benodigde aanknopingspunten voor bewijslevering kan leveren. In elk geval sporen de door [eiser] genoemde aantallen en cijfers niet met de van het bedrijf opgemaakte stukken. Op grond van een en ander heeft [eiser] dus niet voldaan aan zijn gehoudenheid ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Daarmee is de stelling van de verpachter niet genoegzaam weerlegd en dient het hof als vaststaand aan te nemen dat [eiser] geen agrarische onderneming drijft die voldoet aan de eisen van bedrijfsmatig gebruik. Aan (nadere) bewijslevering wordt niet toegekomen.”

2.3

Subonderdeel 1.3 (de subonderdelen 1.1 en 1.2 bevatten geen klachten) klaagt dat uit de zeer beknopte motivering die het hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd niet, althans onvoldoende, blijkt waarom [eiser] niet is toegelaten tot het aangeboden getuigen-deskundigenbewijs9 ten aanzien van (de uitleg van) de door het hof in het tussenvonnis van 16 januari 2018 verzochte en door [eiser] tijdig overgelegde stukken enerzijds en de feitelijke gang van zaken op het gepachte anderzijds. Evenmin blijkt volgens het subonderdeel uit het oordeel van het hof dat het de belangen van [eiser] heeft betrokken bij zijn oordeel het bewijsaanbod te passeren.

Volgens subonderdeel 1.4 klemt een en ander temeer, omdat de uitkomst van dit aangeboden getuigen-deskundigenbewijs bepalend zou zijn geweest voor uitkomst in de onderhavige procedure.

2.4

De klachten falen.

Het hof heeft – in cassatie niet bestreden – in rov. 4.5 tot uitgangspunt genomen dat op de verpachter die beëindiging van de pachtovereenkomst vordert, de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast rust van zijn stelling dat de pachter tekortschiet door geen bedrijfsmatig gebruik te maken van het gepachte.

Vervolgens heeft het hof, onbestreden, geoordeeld dat deze regel niet wegneemt dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog bedrijfsmatig exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verstrekken, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven.

2.5

Het hof heeft de stukken waarover het beschikte (opgesomd in rov. 4.7) en het verhandelde ter zitting (weergegeven in rov. 4.12) beoordeeld in het licht van de vraag of [eiser] zijn betwisting van de stelling van de verpachter dat hij als pachter geen bedrijfsmatig gebruik maakt van het gepachte, voldoende heeft geadstrueerd.

Een dergelijke beoordeling is feitelijk en daarom in cassatie zeer beperkt toetsbaar.

Voor zover de subonderdelen klagen dat deze beoordeling onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, voldoen zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv nu daarin niet, aan de hand van vindplaatsen, wordt uitgelegd waarom de beoordeling door het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

2.6

Voor het overige stuiten de klachten af op de regel dat indien niet aan de stelplicht wordt voldaan, aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Die regel geldt ook met betrekking tot de plicht tot voldoende motivering van een betwisting.

2.7

Onderdeel 1 faalt mitsdien.

2.8

Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.2, die als volgt luidt:

“Bij de vordering tot het ontruimd weer ter beschikking stellen van de gronden door Torcksveen heeft [eiser] geen belang, nu hij sedert het arrest in het incident zelf de gronden weer in gebruik heeft genomen. De vordering zal worden afgewezen. De vordering tot schadevergoeding kan in dit geding niet aan de orde komen. Het betreft een zelfstandige vordering die niet voortvloeit uit ongedaanmakingsverbintenissen uit een eventueel te vernietigen vonnis. Een vordering in reconventie kan niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld. In zoverre is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.”

2.9

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd omdat uit de gedingstukken10 blijkt dat de door [eiser] ingestelde schadevergoedingsvordering ziet op schade die voortvloeit uit de beëindiging van de pachtovereenkomst tussen partijen door de pachtkamer van de rechtbank Gelderland in het vonnis van 15 februari 2017 met beslissing van 1 maart 2017 – en de (ingeval van vernietiging daarvan onrechtmatige) executie daarvan door Torcksveen –, zodat vernietiging van dat vonnis een titel zou hebben opgeleverd of zou hebben moeten opleveren voor de door [eiser] ingestelde schadevergoedingsvordering.

2.10

In subonderdeel 2.2 wordt naar voren gebracht dat daaraan niet afdoet dat ten aanzien van de schade in geval van een voor [eiser] gunstig arrest naar verwachting nog een schadestaatprocedure zou moeten worden gevoerd. Anders dan het hof heeft geoordeeld is er volgens het subonderdeel geen sprake van een ongerelateerde/zelfstandige schadevergoedingsvordering, die als reconventionele vordering moet worden aangemerkt.

2.11

De rechtbank heeft in de procedure in eerste aanleg, waarin [eiser] de verwerende partij was, bij (verbeterd) eindvonnis – verkort weergegeven – (i) bepaald dat de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst eindigt; (ii) het tijdstip van de ontruiming vastgesteld; (iii) [eiser] veroordeeld het gepachte te ontruimen en ontruimd te houden en (iv) [eiser] in de kosten veroordeeld.

In het door hem ingestelde appel heeft [eiser] , samengevat, naast vernietiging van dit vonnis en afwijzing van alle vorderingen van Torcksveen, gevorderd dat het hof een datum bepaalt waarop Torcksveen de gronden ontruimt en weer aan hem ter beschikking stelt. Verder heeft [eiser] gevorderd dat het hof Torcksveen veroordeelt tot betaling van bijkomende schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

2.12

De vraag die hier aan de orde is, is of de door [eiser] gevorderde schadevergoeding een voor het eerst in hoger beroep gedane eis in reconventie betreft (waarvoor in hoger beroep geen ruimte meer is ingevolge art. 353 lid 1, slot Rv11) of dat sprake is van een met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis verbonden vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie (hetgeen strokend met de eisen van een goede rechtspleging wel mogelijk is12). Laatstbedoelde vordering tot ongedaanmaking wordt niet gezien als een (verboden) nieuwe eis in reconventie omdat de vordering eigenlijk niet veel anders is dan het spiegelbeeld van de oorspronkelijke ingestelde en in eerste aanleg toegewezen eis.13 Deze vordering kan zelfs nog eerst ter gelegenheid van het pleidooi worden ingediend indien dit geen strijd met de goede procesorde oplevert.14

2.13

De vordering tot ongedaanmaking kan bijvoorbeeld bestaan uit de terugbetaling van hetgeen op grond van het vonnis in eerste aanleg is betaald of het terugdraaien van een bepaalde situatie.15

2.14

In de huurzaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 200416 had de kantonrechter op vordering van de verhuurder de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden, de huurder veroordeeld tot ontruiming van de woning en de huurder veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van de verschuldigde huur over de tijd dat hij de woning na beëindiging van de huur nog in gebruik heeft. De huurder vorderde in hoger beroep, naast vernietiging van dit vonnis, dat de rechtbank (a) zou bepalen dat de huurder het huurgenot herkrijgt van de woning, althans (b) de verhuurder zou veroordelen een vervangende gelijkwaardige woonruimte met een gelijkwaardige huur aan te bieden, (c) zou beslissen dat de huurder een maandelijkse huur van ƒ 565,01 per maand dan wel een in goede justitie te bepalen huurprijs, dient te voldoen, en (d) de verhuurder zou veroordelen om aan de huurder een vergoeding in de verhuis- en herinrichtingskosten te betalen.

De rechtbank verklaarde de huurder niet-ontvankelijk in zijn "reconventionele vorderingen" en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.

2.15

De huurder stelde vervolgens cassatieberoep in.

De Hoge Raad overwoog als volgt:

“3.3 Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 4.1 van het vonnis van de rechtbank, waarin zij heeft overwogen dat [huurder], die in eerste aanleg slechts heeft verzocht [verhuurder] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, in hoger beroep geen vordering in reconventie – waarmee de rechtbank klaarblijkelijk het oog heeft op de hiervoor in 3.2, voorlaatste alinea, onder (a) - (d) weergegeven vorderingen – meer kan instellen, zodat hij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en derhalve uitsluitend nog aan de orde is of de beslissingen van de kantonrechter met betrekking tot de vorderingen van [verhuurder] in stand kunnen blijven.

Aldus overwegende heeft de rechtbank, voor zover het betreft de vordering het huurgenot van de ontruimde woning te herkrijgen, miskend dat in geval van vernietiging in hoger beroep van een vonnis de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van dit vonnis is verricht en dat dan op de voet van art. 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie ontstaat (vgl. HR 19 februari 1999, nr. 16664, NJ 1999, 367). Het strookt met de eisen van een goede rechtspleging de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden (vgl. HR 20 maart 1913, NJ 1913, blz. 636). Indien de ongedaanmaking inmiddels onmogelijk is geworden, kan de daartoe strekkende vordering niet worden toegewezen. De vraag of en in hoeverre dan plaats is voor schadevergoeding kan evenwel in hoger beroep niet tegelijk met de vordering tot vernietiging van het in eerste aanleg gewezen vonnis aan de orde worden gesteld, nu het daarbij in de woorden van het zojuist genoemde arrest niet gaat om een 'noodzakelijk en onafscheidelijk gevolg dier vernietiging' en het bij de vordering tot schadevergoeding kan gaan om vragen die tot ongewenste complicaties en vertraging van de procedure in hoger beroep kunnen leiden, zoals bijvoorbeeld de vragen of de onmogelijkheid van ongedaanmaking aan de geïntimeerde kan worden toegerekend, of oorzakelijk verband bestaat, en in welke vorm en in welke omvang schadevergoeding zou moeten worden toegekend.

Onderdeel 1 treft derhalve doel voor zover het betreft de vordering het huurgenot te herkrijgen.”17

2.16

De onder 2.11 genoemde vordering van [eiser] tot veroordeling van Torcksveen tot betaling van bijkomende schade nader op te maken bij staat, is door [eiser] in de memorie van grieven onder het kopje “Schade” als volgt toegelicht18:

“Tevens lijdt [eiser] schade doordat hij het gepachte voor onbepaalde tijd niet mag gebruiken voor zijn bedrijf. Denk aan gemiste voeropbrengsten, kosten paarden elders weiden, aan- en afvoer mest. Deze schade is ook aan de orde met betrekking tot gederfde SNL-subsidies [Subsidie Natuur en Landschap, toev. A-G]. Deze schade wordt gevorderd, op te maken bij staat, temeer nu geïntimeerde het gepachte ten onrechte in gebruik heeft genomen tegen de wil van de pachter.”

2.17

Zoals uit de memorie van grieven volgt en eveneens in subonderdeel 2.1 van de procesinleiding wordt herhaald, ziet de door [eiser] ingestelde schadevergoedingsvordering op schade die voortvloeit uit de beëindiging van de pachtovereenkomst tussen partijen door de pachtkamer van de rechtbank Gelderland en de (volgens het subonderdeel ingeval van vernietiging daarvan onrechtmatige) executie daarvan door Torcksveen.

Van een aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis in hoger beroep toegelaten verbonden vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie, is in onderhavige zaak wat betreft de door [eiser] ingestelde schadevergoedingsvordering dus geen sprake. Het hof heeft dan ook rechtens juist in de bestreden rov. 4.2 overwogen dat de door [eiser] ingestelde schadevergoedingsvordering een zelfstandige vordering betreft die niet voortvloeit uit ongedaanmakingsverbintenissen uit een eventueel te vernietigen vonnis en dat een dergelijke vordering in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld.

2.18

Onderdeel 2 faalt mitsdien eveneens.

Ten overvloede merk ik op dat zelfs als de door [eiser] in hoger beroep ingestelde schadevergoedingsvordering een vordering tot ongedaanmaking zou zijn, bij verwerping van de klachten van het eerste onderdeel het arrest van het hof (waarin de vonnissen van de pachtkamer worden bekrachtigd) in stand blijft. De rechtsgrond aan hetgeen reeds ter uitvoering van de vonnissen is verricht, komt dan niet te ontvallen en ontstaat dan dus geen vordering tot ongedaanmaking. In zoverre ontbreekt het belang bij de klachten van onderdeel 2.

2.19

Onderdeel 3 is een voortbouwklacht die in het lot van de onderdelen 1 en 2 deelt.

2.20

Uit het voorgaande volgt dat alle onderdelen falen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6293 (hierna: het eindarrest), rov. 2.1 tot en met 2.4.

2 Voor zover thans van belang. Zie voor het volledige procesverloop in eerste aanleg de tussenvonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland van 20 juli 2016 en 7 december 2016 en het eindvonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland van 15 februari 2017 (zoals verbeterd op 1 maart 2017), alle onder rov. 1. Zie voor het volledige procesverloop in hoger beroep het tussenarrest in het incident van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2017, onder het kopje ‘2. Het geding in hoger beroep’, het tussenarrest van het hof van 16 januari 2018, rov. 1 en het eindarrest van het hof, rov. 1.

3 Zie rov. 3.1 van het eindarrest.

4 Zie rov. 3.2 van het tussenvonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland van 7 december 2016. Hetgeen Torcksveen daartoe heeft gesteld, is door de pachtkamer genoemd en beoordeeld in de rov. 4.3-4.13.

5 Zie rov. 4.13 van het tussenvonnis van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland van 7 december 2016.

6 Zie rov. 2.1 en 2.2 van het tussenarrest van het hof van 16 januari 2018.

7 De procesinleiding is op 10 september 2018 ingediend in het portaal van de Hoge Raad en op 12 september 2018 heeft [eiser] de procesinleiding hersteld.

8 De procesdossiers in deze zaak stemmen niet geheel overeen. In het A-dossier ontbreken de spreekaantekeningen zijdens Torcksveen van 21 juni 2018 (zie stuknummers 17 en 19 in het B-dossier) en in het B-dossier ontbreekt het tussenarrest van het hof van 16 januari 2018 (zie stuknummer 16 in het A-dossier).

9 In de procesinleiding wordt verwezen naar de memorie van grieven onder 18 (bewijsaanbod getuigenbewijs accountant en andere personen) en naar productie 14 bij de memorie van grieven (schriftelijke verklaring van deskundige H. Heus).

10 Verwezen wordt in de procesinleiding naar de memorie van grieven onder 3 tot en met 6, grief 5 en 6 (met toelichting), de incidentele vordering én het petitum.

11 Zie (in verband met art. 250 Rv oud, thans art. 353 lid 1 Rv) o.a. HR 31 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9554, NJ 1987/207. Het hoger beroep dient zich alleen uit te strekken tot geschillen die ook de rechter in eerste aanleg zijn voorgelegd, behoudens de mogelijkheid van eiswijziging in hoger beroep, aldus W.H. Heemskerk, De eis in reconventie (diss. 1972), nr. 71.

12 Zie HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, NJ 2005/246, rov. 3.3. en HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1263, NJ 2018/71, rov. 3.4. Vgl. HR 20 maart 1913, NJ 1913, blz. 639.

13 Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, Tjong Tjin Tai, art. 136 Rv, aant. 8 (bijgewerkt tot en met 15 mei 2018). Zie ook GS Burgerlijke Rechtsvordering, Van Geuns & Jansen, art. 353 Rv, aant. 6 (bijgewerkt tot en met 11 juli 2012).

14 Zie HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140, rov. 3.4.2.

15 Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, Tjong Tjin Tai, art. 136 Rv, aant. 8 (bijgewerkt tot en met 15 mei 2018) en GS Burgerlijke Rechtsvordering, Van Geuns & Jansen, art. 353 Rv, aant. 6 (bijgewerkt tot en met 11 juli 2012).

16 HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, NJ 2005/246.

17 Zie ook HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1263, NJ 2018/71, rov. 3.4. In dat arrest hadden beide partijen in eerste aanleg vorderingen ingesteld zodat het hof volgens de Hoge Raad de vordering van appellant tot schadevergoeding wegens onrechtmatige executie van het vonnis in eerste aanleg kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft opgevat als een door art. 130 Rv toegelaten vermeerdering van diens eis.

18 Memorie van grieven onder 16. Zie tevens de toelichting op grief 6 in de memorie van grieven waarin wordt opgemerkt: “Voorts zal het duidelijk zijn dat appellant schade lijdt als gevolg van het feit dat hij het gepachte feitelijk niet meer in gebruik heeft. Geïntimeerde dient deze schade te vergoeden. Zo bestaat de mogelijkheid dat de SNL-subsidies komen te vervallen dan wel (zelfs) een teruggaveplicht van de reeds in het verleden verleende subsidies!”