Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:874

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
09-08-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
19/00615
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1608, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Personen- en familierecht. Uithuisplaatsing; art. 1:265b lid 1 BW. Art. 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00615

Zitting 9 augustus 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[de moeder]

tegen

Jeugdbescherming Regio Amsterdam

In deze jeugdzaak wordt de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing in cassatie bestreden met een reeks op art. 8 EVRM gebaseerde klachten.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Uit de inmiddels verbroken relatie van de verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) en [betrokkene 1] is op [geboortedatum] 2010 [betrokkene 2] geboren. De moeder oefent alleen het gezag uit over [betrokkene 2] .

(ii) [betrokkene 2] staat sinds 21 januari 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 januari 2019.

(iii) [betrokkene 2] is op grond van daartoe strekkende machtigingen sinds 7 januari 2016 gedurende dag en nacht uit huis geplaatst.

(iv) [betrokkene 2] heeft sinds 8 januari 2016 bij de vader en vanaf 8 maart 2016 bij verschillende pleeggezinnen van de Bascule verbleven. Vanaf 8 mei 2018 heeft zij in een leefgezinshuis van Intermetzo verbleven. Sinds 2018 verblijft zij bij [betrokkene 3] en [betrokkene 4] die sindsdien eveneens als leefgezinshuis aan Intermetzo verbonden zijn.

1.2

Bij verzoekschrift van 21 november 2017 heeft verweerster in cassatie, hierna aan te duiden als de Gecertificeerde Instelling (GI), aan de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [betrokkene 2] te verlengen voor de duur van een jaar2. Bij verzoekschrift van 21 december 2017 heeft de GI de kinderrechter tevens verzocht vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van [betrokkene 2] , bestaande uit behandeling binnen het gezinshuis van Intermetzo.

1.3

De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel heeft zij bezwaren aangevoerd tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De plaatsing van [betrokkene 2] in een leefgezinshuis kan volgens de moeder inhouden dat [betrokkene 2] niet meer thuis kan worden geplaatst. De moeder heeft als alternatief twee gezinnen voorgesteld die als pleeggezin zouden kunnen optreden. Volgens de moeder zou ook moeten worden gekeken naar alternatieve behandelingen die niet binnen een leefgezinshuis plaatsvinden.

1.4

Na een behandeling ter zitting heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 januari 2018 de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar, tot 21 januari 2019. Het verzoek tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter zo opgevat dat primair verzocht is de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een pleeggezin te verlengen, en subsidiair machtiging te verlenen voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging tot plaatsing van [betrokkene 2] in een pleeggezin heeft de kinderrechter voor drie maanden verlengd. Binnen deze termijn diende onderzocht te worden wat de alternatieven zijn voor een leef- en gezinshuis en of een ambulante behandeling mogelijk is. Het verzoek tot plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en het verzoek tot vervangende toestemming voor medische behandeling zijn daarom aangehouden.

1.5

Naar aanleiding van deze beschikking heeft de GI op 5 april 2018 een aanvullende rapportage ingediend. Vervolgens is de behandeling ter zitting van 12 april 2018 voortgezet. Op dezelfde datum heeft de kinderrechter bij mondelinge uitspraak de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf van [betrokkene 2] in een pleeggezin dan wel voor verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpverlener verlengd tot 21 januari 2019. Voorts heeft de kinderrechter bij mondelinge uitspraak vervangende toestemming verleend voor de medische behandeling van [betrokkene 2] , inhoudende: het verrichten van diagnostiek en behandeling van [betrokkene 2] met het oog op de voorgenomen doorplaatsing naar een leefgezinshuis van Intermetzo Jeugdzorg. Deze uitspraken zijn vastgelegd in twee afzonderlijke processen-verbaal. Daarin overwoog de kinderrechter dat [betrokkene 2] kampt met forse gedragsproblematiek en dat zij intensieve intramurale behandeling nodig heeft van een therapeutisch pleeggezin. Die behandeling en diagnostiek kunnen plaatsvinden in het leefgezinshuis van Intermetzo.

1.6

Op het hoger beroep van de moeder tegen beide uitspraken heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 6 november 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4085) de uitspraken bekrachtigd voor zover in hoger beroep aan de orde. Het hof overwoog met betrekking tot de verlenging van de uithuisplaatsing:

“5.6 Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.7

[betrokkene 2] is 7 januari 2016 uithuisgeplaatst nadat al lange tijd zorgen bestonden rondom de veiligheid, stabiliteit en zorg bij de moeder thuis in samenhang met de persoonlijke problematiek van de moeder en haar (ex)partners. Uit een diagnostisch onderzoek van de Bascule is gebleken dat bij [betrokkene 2] sprake is van een posttraumatische stressstoornis, een reactieve hechtingsstoornis en sibling rivaliteit. [betrokkene 2] is in december 2016 aangemeld voor een MTP programma van de Bascule omdat er zorgen bestonden over haar psychosociale ontwikkeling en haar gedragsproblemen.

5.8

De moeder kan de opvoedomgeving die [betrokkene 2] nodig heeft niet bieden. Temeer nu er geen zicht is op de huidige situatie van de moeder. Reeds sinds 2007 is de GI betrokken bij de moeder en heeft zij terugvallen in haar problematiek laten zien. Derhalve kan worden gesproken van een structureel probleem. Daarnaast zorgt zij thans voor twee kinderen, wat de nodige belasting met zich meebrengt. Een en ander vormt een kwetsbaar geheel. De problematiek van [betrokkene 2] is te zwaar om (net als twee van haar broers) bij de moeder te kunnen wonen.

5.9

Uit de overgelegde rapporten en uit hetgeen de GI heeft aangevoerd is voldoende gebleken dat het voor [betrokkene 2] noodzakelijk is dat diagnostiek wordt verricht en dagelijkse behandeling wordt gegeven in een therapeutische gezinssetting waarin rust, stabiliteit en een toekomstperspectief kunnen worden geboden. [betrokkene 2] doet door de verstoring in haar (hechtings)ontwikkeling, de verdere bij haar vastgestelde problematiek en de daaruit voortvloeiende kwetsbaarheden een extra beroep op haar opvoedomgeving en opvoeders.

Dat betekent dat een plaatsing bij het door de moeder voorgestelde pleeggezin - nog los van het feit dat het hof geen beslissing kan nemen over de wijze waarop de uithuisplaatsing wordt ten uitvoer gelegd - dan wel bij de moeder zelf, aan [betrokkene 2] niet de opvoedomgeving en de behandelings- en ontwikkelingsmogelijkheden kan bieden die thans voor haar noodzakelijk is. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de problematiek van [betrokkene 2] zo complex is dat eerdere pleeggezinnen waar zij in het verleden heeft verbleven haar niet konden bieden wat zij nodig heeft.

Inmiddels is het leefgezinshuis van Intermetzo een perspectief biedend gezin gebleken. [betrokkene 2] bevindt zich daar in een zeer specialistische opvoedomgeving. Hier zal zij de behandelingen kunnen genieten die zij nodig heeft. Het hof is derhalve van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [betrokkene 2] voor haar opvoeding en verzorging noodzakelijk was ten tijde van de bestreden uitspraak en ook thans nog aanwezig is. Het hof zal de bestreden uitspraak inzake de machtiging tot uithuisplaatsing bekrachtigen.”

Vervolgens overwoog het hof met betrekking tot de vervangende toestemming:

“5.10 Ingevolge het eerste lid van artikel 1:265h BW kan de kinderrechter vervangende toestemming verlenen, indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert.

5.11

Uit het voorgaande, de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat observatie en behandeling van [betrokkene 2] nodig was en is. Daarvoor is vervangende toestemming van de rechter noodzakelijk, nu de moeder geen toestemming geeft om [betrokkene 2] bij Intermetzo te plaatsen. Er zal nader geobserveerd en gediagnosticeerd moeten worden welke verdere behandeling [betrokkene 2] nodig heeft binnen het leefgezinshuis. De psychische gezondheid van [betrokkene 2] is in ernstig gevaar. Nadere diagnostiek is vereist zodat de gedragswetenschapper met het leefgezinshuis kan werken aan de ernstige problematiek die [betrokkene 2] de afgelopen jaren heeft laten zien. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is tevens gebleken dat Intermetzo daartoe het meest geëigend is. Het hof is dan ook van oordeel dat aan de gronden voor het verlenen van vervangende toestemming is voldaan.

5.12

In het voorgaande ligt besloten dat de machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming voor medische behandeling geen schending van artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK opleveren.”

1.7

De moeder heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De GI heeft een verweerschrift in cassatie ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de machtiging tot uithuisplaatsing en de vervangende toestemming voor medische behandeling geen schending van art. 8 EVRM en art. 9 IVRK opleveren (rov. 5.12) en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd (rov. 5.6 t/m 5.11). Onder het kopje ‘Onderdeel’ wordt als algemene klacht aangevoerd dat het hof de in de rechtspraak van het EHRM gehanteerde toetsingsmaatstaf niet of onjuist heeft toegepast en dat in het licht van die maatstaf de gegeven motivering tekort schiet. In het vervolg van het onderdeel lees ik een uitwerking van deze klacht in de volgende (sub)klachten:

1) In de beoordeling van het hof ontbreken concrete feiten en omstandigheden waaruit een reëel gevaar voor het kind voortvloeit dat een verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk maakt (zie ook alinea 1.9 van de toelichting in de procesinleiding).

2) De door het hof vastgestelde grond voor de uithuisplaatsing, ‘het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige’ (art. 1:265b lid 1 BW), behoort niet tot de in art. 8 lid 2 EVRM limitatief opgesomde doelen die een inbreuk op het recht op family life kunnen rechtvaardigen (zie ook alinea’s 1.6.12 – 1.6.16, 1.9 van de toelichting).

3) Het hof is ten onrechte eraan voorbij gegaan dat aan de moeder geen serieuze hulpverlening is geboden om haar vaardigheden te verbeteren ondanks de positieve verplichting van de overheid resp. de GI om zich in te spannen voor hereniging van moeder en kind (zie ook alinea’s 1.6.22 – 1.6.24, 1.9 en 1.10 van de toelichting).

4) Het hof heeft vastgesteld dat er geen zicht is op de huidige situatie van de moeder, maar desondanks heeft het hof overwogen dat de moeder niet de opvoedomgeving kan bieden die [betrokkene 2] nodig heeft en dat bij de moeder sprake is van een structureel probleem (zie de toelichting in alinea 1.9).

5) Het hof heeft nagelaten de effectiviteit van minder ingrijpende alternatieven voldoende te onderzoeken (zie ook de toelichting in alinea’s 1.9 en 1.10).

2.2

Voordat ik deze klachten bespreek, schets ik daarvan eerst de juridische achtergrond. Een ondertoezichtstelling gecombineerd met een uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door art. 8 EVRM beschermde familie- en gezinsleven van de ouder. De inmenging is toegestaan indien ze aan de vereisten van art. 8 lid 2 EVRM voldoet. De inmenging moet voorzien zijn bij wet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het vereiste van noodzakelijkheid betekent volgens het EHRM dat de maatregel in het licht van de omstandigheden van het geval relevant en adequaat moet zijn voor de doelen die in art. 8 lid 2 EVRM worden genoemd. De inmenging moet een dringende maatschappelijke behoefte dienen en de maatregel moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel. In dat kader heeft het EHRM geoordeeld dat een uithuisplaatsing slechts als laatste redmiddel kan worden toegepast3. In principe moet voorrang worden gegeven aan het ondersteunen van de opvoedcapaciteiten van de ouders4. Uit de EHRM-rechtspraak volgt verder dat als minimum moet worden vastgesteld (a) dat voldoende aanleiding bestond om in te grijpen, (b) dat onderzoek is gedaan naar de impact van ingrijpen op het gezin, en (c) dat onderzoek is gedaan naar alternatieve maatregelen5. Een te beperkt onderzoek naar alternatieve maatregelen kan ook een schending van art. 8 EVRM opleveren6. De nationale rechter moet nauwkeurig motiveren waarom het niet mogelijk is om het kind op een minder ingrijpende wijze te beschermen7. De maatregel moet bovendien gebaseerd zijn op objectief bewijs8. Het voorgaande laat onverlet dat volgens het EHRM bij de beoordeling van de noodzaak tot uithuisplaatsing aan de nationale autoriteiten een ruime ‘margin of appreciation’ toekomt. Een strengere toetsing is echter geboden als, naast de uithuisplaatsing, het recht van de ouder op toegang tot het kind verder wordt beperkt9. Verder zijn de nationale autoriteiten, in het geval van een uithuisplaatsing, op grond van art. 8 EVRM verplicht tot het nemen van maatregelen gericht op hereniging van ouder en kind10. Deze verplichting is echter niet absoluut. Het komt aan op de vraag of de nationale autoriteiten alle noodzakelijke maatregelen hebben getroffen om hereniging te faciliteren die in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs verlangd konden worden. Daarbij komt bijzonder gewicht toe aan de belangen van het kind11. Een ouder kan niet aanspraak maken op herenigingsmaatregelen die de gezondheid en ontwikkeling van het kind zouden schaden12.

2.3

Wat betreft klacht 1) is het volgende van belang. In zijn beschikking heeft het hof vastgesteld dat bij [betrokkene 2] sprake is van een posttraumatische stressstoornis, reactieve hechtingsstoornis en sibling rivaliteit (rov. 5.7), dat de psychische gezondheid van [betrokkene 2] ernstig in gevaar is (rov. 5.11), dat het voor haar noodzakelijk is dat diagnostiek wordt verricht en dagelijkse behandeling wordt gegeven in een therapeutische gezinssetting (rov. 5.9) en dat de problematiek van [betrokkene 2] te zwaar is om bij de moeder te kunnen wonen (rov. 5.8). Het hof baseerde zich daarbij onder meer op diagnostisch onderzoek van de Bascule, dat op zichzelf niet door de moeder is betwist13. Daarmee heeft het hof voldoende concreet en met bewijs onderbouwd vastgesteld dat nog steeds noodzaak bestaat tot uithuisplaatsing van [betrokkene 2]14. Hierop stuit de klacht af.

2.4

Ook klacht 2) faalt. Art. 1:265b lid 1 BW noemt twee gronden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing: “Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid”. Algemeen wordt aangenomen dat onder de eerstgenoemde grond moet worden verstaan dat redelijkerwijs enig opbouwend en nuttig gevolg van de maatregel te verwachten moet zijn en dat deze noodzakelijk is met het oog op het herstel van de gezinsband en de afweer van de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van het kind15. Aan zijn oordeel dat deze grond van toepassing is heeft het hof in rov. 5.9 ten grondslag gelegd dat het voor [betrokkene 2] noodzakelijk is dat diagnostiek en dagelijkse behandeling in een therapeutische gezinssetting worden verricht. Volgens art. 8 lid 2 EVRM is een inmenging in het recht op respect van familie- en gezinsleven onder meer toegestaan voor zover dit noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van anderen. De door het hof aanwezig geachte grond voor de uithuisplaatsing valt in ieder geval onder dit legitieme doel.

2.5

Klacht 3) faalt alleen al omdat de moeder in haar beroepschrift niet heeft aangevoerd dat haar onvoldoende hulp en trainingen met het oog op terugplaatsing van [betrokkene 2] zijn aangeboden; zie ook de weergave van de gronden van het hoger beroep van de moeder in rov. 5.1 (in cassatie niet bestreden)16. Het gevolg daarvan is dat dit punt niet behoorde tot de rechtsstrijd in hoger beroep waardoor het hof dit niet ambtshalve aan de orde kon stellen17. Overigens stuit de klacht ook af op de vaststelling door het hof in rov. 5.9 en 5.11 dat het voor [betrokkene 2] noodzakelijk is dat diagnostiek wordt verricht en dagelijkse behandeling wordt gegeven in een therapeutische gezinssetting18.

2.6

Verder is geen sprake van de door klacht 4) bedoelde innerlijke tegenstrijdigheid. Met de opmerking in rov. 5.8 dat er geen zicht is op de huidige situatie van de moeder doelde het hof blijkbaar op de verslavingsproblematiek van de moeder19. De opmerking is niet in tegenspraak met de vaststelling in rov. 5.8 dat de moeder terugvallen in haar problematiek heeft laten zien en dat daarom gesproken kan worden van een structureel probleem. Het hof kon zich daarbij baseren op informatie van de GI dat de moeder begin 2016 enkele dagen was verdwenen onder invloed van harddrugs, dat zij in oktober 2017 gedwongen was opgenomen in verband met een drugspsychose en dat in december 2017 haar vrijwillige opname in de Jellenik-kliniek is beëindigd wegens drugsgebruik20. Dat het hof geen aanleiding zag voor verder onderzoek naar de actuele stand van zaken van deze problematiek is niet onbegrijpelijk en leent zich niet voor een verdergaande toetsing in cassatie. De klacht faalt.

2.7

Tot slot faalt ook klacht 5). In rov. 5.8 en 5.9 hééft het hof de door de moeder voorgestelde alternatieven van plaatsing in [het netwerkpleeggezin] of terugplaatsing bij de moeder in zijn beoordeling betrokken. Deze alternatieven had de kinderrechter in eerste aanleg al door de GI laten onderzoeken. In navolging van de kinderrechter, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming kwam het hof in rov. 5.9 tot de conclusie dat de alternatieven niet de opvoedomgeving en de behandelings- en ontwikkelingsmogelijkheden bieden die voor [betrokkene 2] noodzakelijk zijn. Diagnostiek en dagelijkse behandeling in een therapeutische gezinssetting met rust, stabiliteit en toekomstperspectief zijn voor [betrokkene 2] noodzakelijk en door haar problematiek doet zij een extra beroep op haar opvoedomgeving en opvoeders. In het voortijdig beëindigen van eerdere plaatsingen in pleeggezinnen zag het hof juist een bevestiging van dit laatste. Verder nam het hof in rov. 5.8 in aanmerking dat de moeder terugvallen in haar problematiek heeft laten zien en al belast is met de zorg voor twee broers van [betrokkene 2] . Daartegenover stelde het hof in rov. 5.9 dat het leefgezinshuis van Intermetzo met de huidige leefgezinshouders ( [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ) een perspectief biedend gezin is gebleken waar [betrokkene 2] zich in een zeer specialistische opvoedomgeving bevindt en zij de benodigde behandelingen kan ondergaan21. In het licht van hetgeen ik hiervoor onder 2.2 heb opgemerkt heeft het hof met zijn beoordeling in rov. 5.8 en 5.9 niet miskend dat een uithuisplaatsing een ‘laatste redmiddel’ dient te zijn. Evenmin was het hof verplicht tot het geven van een uitgebreidere motivering. Anders dan het middel in alinea’s 1.9 en 1.10 lijkt te veronderstellen, is in cassatie geen plaats voor een verdergaande toetsing van de afwijzing van alternatieven voor een uithuisplaatsing.

2.8

De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Toepassing van art. 81 lid 1 RO wordt in overweging gegeven.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de in cassatie bestreden beschikking onder 3.

2 Bij hetzelfde verzoekschrift is verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Deze verzoeken zijn door de kinderrechter afgewezen en hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.

3 EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen e.a. t. Duitsland), EHRC 2018/118 m.nt. S. Florescu, par. 84-85. Zie ook o.m. EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94 (K. en T. t. Finland), par. 166-167, EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04 (Wallová en Walla t. Tjechië), par. 73-74, EHRM 16 maart 2010, nr. 28680/06 (A.D. en O.D t. Verenigd Koninkrijk), par. 89. Zie ook de Case law guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights (versie 30 april 2019), blz. 62, te raadplegen op www.echr.coe.int.

4 C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, art. 8 EVRM, onderdeel C.1.2.7.1, M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 2.1.1.

5 C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, art. 8 EVRM, C.1.2.7.1, M.R. Bruning, GS Personen- en familierecht, art. 1:265b BW, aant. 2.1.3.

6 EHRM 21 september 2006, nr. 12643 (Moser t. Oostenrijk), EHRC 2006/129, par. 68-69.

7 EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen e.a. t. Duitsland), EHRC 2018/118 m.nt. S. Florescu, par. 85, en EHRM 22 maart 2018, nr. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak e.a. t. Duitsland), par. 98. In het verzoekschrift in cassatie wordt onder 1.6.21 betoogd dat kinderbeschermingsmaatregelen slechts door zeer uitzonderlijke omstandigheden (“very exceptional circumstances”) worden gerechtvaardigd, onder verwijzing naar EHRM 18 maart 2009, nr. 39948/06 (Saviny t. Oekraïne), par. 49.

8 C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, art. 8 EVRM, C.1.2.7.1, blz. 593.

9 EHRM 7 augustus 1996, nr. 17383/90 (Johansen t. Noorwegen) NJ 1998/324, par. 64, EHRM 13 juli 2000, nr. 25735/94 (Elsholz t. Duitsland), par. 48-49, EHRM 26 februari 2002, nr. 46544/99 (Kutzner t. Duitsland), par. 67. Zie ook de Case law guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights (versie 30 april 2019), blz. 62. Vgl. het verzoekschrift in cassatie onder 1.6.21, alwaar wordt betoogd dat kinderbeschermingsmaatregelen slechts door zeer uitzonderlijke omstandigheden (“very exceptional circumstances”) worden gerechtvaardigd, onder verwijzing naar EHRM 18 maart 2009, nr. 39948/06 (Saviny t. Oekraïne), par. 49.

10 EHRM 22 juni 1989, (Eriksson t. Zweden), NJ 1992/705 m.nt. E.A. Alkema, par 71, EHRM 25 februari 1992, nr. 12963/87 (Margareta en Roger Andersson t. Zweden), par. 91, EHRM 27 november 1992,nr. 13441/87 (Olsson t. Zweden no. 2), par. 90 en recent EHRM 18 juli 2019, ((R.V. tegen Italië), nr. 37748/13. Zie ook C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 – Materiële bepalingen, art. 8 EVRM, onderdeel C.1.2.1.1 en C.1.2.7.3.

11 EHRM 27 november 1992, nr. 13441/87 (Olsson t. Zweden no. 2), par. 90, EHRM 23 september 1994, nr. 19823/92 (Hokkanen t. Finland), par. 58. EHRM 18 juli 2019, ((R.V. tegen Italië), nr. 37748/13, par. 91: “When a considerable period of time has passed since the child was first placed in care, the child’s interests in not undergoing further de facto changes to its family situation may prevail over the parents interest in seeing the family reunited.”

12 EHRM 7 augustus 1996, nr. 17383/90 (Johansen t. Noorwegen) NJ 1998/324, par. 78, EHRM 16 november 1999, nr. 31127/96 (E.P. t. Italië), par. 62, EHRM 22 juni 2004, nr. 78028/01 (Pini, Bertani, Manera en Atripaldi t. Roemenië), NJ 2005/507 m.nt. De Boer, par. 155.

13 Zie het evaluatieverslag van De Bascule van 29 juni 2017 (prod. B bij het verweerschrift in hoger beroep) en het advies van De Bascule van 30 januari 2018 (prod. D bij het verweerschrift in hoger beroep en prod. 1 bij de aanvullende rapportage van de GI van 5 april 2018).

14 Overigens vermeldt het verweerschrift in cassatie in alinea 1.8 dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 18 december 2018 zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing van [betrokkene 2] heeft verlengd tot 21 januari 2020.

15 Asser/De Boer 1* 2010, nr. 856, M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:265b BW, aant. 3.

16 Het beroepschrift moet alle gronden van het hoger beroep bevatten, die kunnen als regel niet meer worden aangevuld tijdens de mondelinge behandeling; zie daarover: Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (2017), nr. 36, Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/106 en 236.

17 Vgl. EHRM 15 november 1996, nr. 18877/91 (Sadik t. Griekenland), par. 31, Asser/Hartkamp 2-I 2019/202, en A.C. Schaick, De billijkheidsrechter, in: “In verbondenheid” Opstellen aangeboden aan Professor mr. Paul Vlaardingerbroek ter gelegenheid van zijn emiraat (2017), red. V. Smits, e.a., blz. 544-545, Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/205.

18 In het verweerschrift in hoger beroep heeft de GI op blz. 6 aangevoerd: “Een therapeutische gezinssetting vraagt van de opvoedouders dat zij geschoold zijn om kinderen met ernstige trauma’s en hechtingsproblematiek te kunnen opvoeden. Het vraagt een specifieke opvoedomgeving waarin de opvoedouders de ‘tools’ zijn van de gedragswetenschapper die aan het kind is verbonden.” Op dezelfde bladzijde heeft de GI opgemerkt dat [betrokkene 3] mogelijk is vrijgesteld van trainingen voor het optreden als leefgezinouder omdat zij is afgestudeerd in klinische ontwikkelingspsychologie en relevante werkervaring heeft met het geven van trainingen aan kinderen van 8 tot 13 jaar met dezelfde problematiek als [betrokkene 2] .

19 De GI had in de aanvullende rapportage van 5 april 2018 (zie hiervoor in alinea 1.5) op blz. 6 aangevoerd dat de moeder geen openheid geeft over haar drugsgebruik. In het oorspronkelijk verzoekschrift van 21 november 2017 had de GI aangevoerd dat de moeder bij haar opname voor een verslavingsbehandeling bij de Jellinek-kliniek geen toestemming had gegeven voor het uitwisselen van gegevens met de GI. Hierdoor had de GI geen zicht op de veiligheid bij de moeder (blz. 2 van het verzoekschrift).

20 Zie het verzoekschrift van 21 november 2017, blz. 2 en de aanvullende rapportage van 5 april 2018, blz. 5-6.

21 Tijdens de op 1 oktober 2018 gehouden mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vertegenwoordiger van de GI opgemerkt: “De pleegmoeder en de gezinshuiswerker laten mij weten dat [betrokkene 2] zich op haar gemak voelt bij hen. (…) Het gaat nu heel goed met [betrokkene 2] . Er is sinds de plaatsing bij [betrokkene 3] en [betrokkene 4] geen sprake meer van speciaal onderwijs voor [betrokkene 2] . Voor de zomervakantie zou zij daarheen gaan, maar dat is niet meer nodig”; zie blz. 4 van het proces-verbaal.