Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:866

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/01503
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1699
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Belastingfraude door facturen voor verbouwing privéwoning in de bedrijfsadministratie op te nemen. Cassatiemiddelen over o.m. het beroep op de inkeerregeling van art. 69 lid 3 AWR dienen volgens de AG te worden verworpen. Wel strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/01503

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 14 februari 2018 door het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon”, 2. “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 300.000.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/01504. Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.

  3. In deze zaak gaat het om het volgende. In de periode van 25 augustus 2009 t/m 25 januari 2011 is een strafrechtelijk onderzoek onder de naam ‘08Rome’ uitgevoerd. Dit betrof een onderzoek naar de familie [A] die zich onder meer schuldig gemaakt zou hebben aan overtredingen van de Opiumwet en witwassen. In de woning van de hoofdverdachte in dat onderzoek en die van zijn moeder was voor een groot geldbedrag geïnvesteerd in keukens, Bang & Olufsen‑apparatuur en een badkamer. De facturen voor die aankopen waren gericht aan de verdachte in de onderhavige zaak, [verdachte] (hierna: [verdachte] ). Volgens de omschrijving op die facturen zouden de geleverde goederen zich bevinden aan boord van diverse schepen die door [verdachte] zijn afgebouwd. In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek heeft op 30 augustus 2011 een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand van [verdachte] aan de [a-straat 1] in [vestigingsplaats] . Tijdens die doorzoeking zijn digitale gegevensdragers in beslag genomen, waaronder auditfiles. [betrokkene 1] , feitelijk bestuurder van [verdachte] en ook medeverdachte in de onderhavige zaak, is als (mede)verdachte gehoord en gevraagd of de Bang & Olufsen-apparatuur genoemd in de factuur in zijn woning, in zijn bedrijf of elders is geïnstalleerd en hem is gevraagd naar andere facturen. [betrokkene 1] is naar aanleiding van dit onderzoek een transactie aangeboden, inhoudende een taakstraf voor de duur van zestig uren en betaling van een geldsom van € 20.000, waaraan hij heeft voldaan. Naar aanleiding van dit strafrechtelijk onderzoek zijn door controlerend ambtenaren van de belastingdienst open bronnen geraadpleegd, waarbij zij publicaties aantroffen over onder meer de bouw en inrichting van de privéwoning van [betrokkene 1] aan de [b-straat 1] in [plaats] . In een artikel werd een aantal bedrijven genoemd, waaronder Bang & Olufsen, die hebben gewerkt aan de woning of goederen en/of diensten daarvoor hebben geleverd. Daarop heeft de belastingdienst in de periode 20 december 2011 t/m 30 januari 2012 derdenonderzoeken bij die bedrijven ingesteld. Verschillende leveranciers hebben verklaard dat er contact is geweest met [betrokkene 1] over die bezoeken van de belastingdienst. Op 30 januari 2012 heeft [betrokkene 1] een eerste inkeerbrief aan de belastingdienst gestuurd, gevolgd door een aanvulling op 27 februari 2012.

  4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. G.J.M.E. de Bont en mr. A.B. Vissers, advocaten te Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.

5 Het eerste middel

5.1

Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet sprake is van een tijdige inkeer in de zin van art. 69 lid 3 AWR.

5.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“1. [verdachte] (KvK-nummer [001] ),

in of omstreeks de periode van 25 januari 2008 tot en met 18 oktober 2012, in [vestigingsplaats] , althans in de gemeente Lingewaard en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

de (bedrijfs)administratie - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken, zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door een of meer andere(n) te doen gebruiken,

immers heeft zij, verdachte,

- een groot aantal, althans een of meer valse en/of vervalste factu(u)r(en) in die (bedrijfs)administratie opgenomen en/of doen opnemen, waaronder:

I. Een factuur afkomstig van [B] en gericht aan [verdachte] d.d. 3 oktober 2008 (vindplaats: D-4-007); en/of

II. Een factuur afkomstig van [C] en gericht aan [verdachte] d.d. 22 mei 2010 (vindplaats: D-9-019); en/of

III. Een factuur afkomstig van [D] en gericht aan [verdachte] d.d. 11 december 2008 (vindplaats: D-14-010); en/of

IV. Een factuur afkomstig van [E] en gericht aan [verdachte] d.d. 12 augustus 2011 (vindplaats: D-15-001); en/of

V. Een factuur afkomstig van [F] en gericht aan [G] d.d. 29 augustus 2012 (vindplaats: D-19-001); en/of

VI. Een factuur afkomstig van [H] en gericht aan [verdachte] d.d. 11 oktober 2012 (vindplaats: D-20-001),

waarop in strijd met de waarheid was vermeld:

- dat het/de goed(eren) en/of dienst(en) was/waren geleverd/verricht aan

[verdachte] , en/of

- I. MPS Avalon Affinity 2008037; en/of

- II. Project, nr. 2008.144; Levering en plaatsen van schermen in het

restaurant, de lounge en filmruimte op MPS 'Excellence Queen'; en/of

- III. (meerwerk leveren jaloezieën) tbv MTS Jowi, projectnummer 2007089; en/of

- IV. (Meubilair aft-lounge) van MPS Antonio Belucci, projectnummer 2010.131;

en/of

- V. T.a.v. MCS Semper FI, projectnummer 2011.103; en/of

- VI. Verbouwingswerkzaamheden bedrijfshal pand [a-straat 1] te [vestigingsplaats] ;

2. zij

( [verdachte] , KvK-nummer [001] ) en/of [I] (thans: [J] , KvK-nummer [003] ), ,

in of omstreeks de periode van 26 februari 2008 tot en met 24 januari 2013, in [vestigingsplaats] althans in de gemeente Lingewaard en/of de gemeente(n) Arnhem en/of Heerlen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke (perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

als ondernemer in de zin van de wet op de omzetbelasting 1968,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld

in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een of meerdere (maand)aangifte(n) omzetbelasting te naam gesteld van de Fiscale Eenheid [I] ; [verdachte] ; C.S. (sofinummer: [002] ), betreffende het/de ja(a)r(en) 2008 en/of 2009 en/of 2010 en/of 2011 en/of 2012, waaronder (zie AH-1-018 en 019):

- de aangifte omzetbelasting over de maand januari 2008; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand januari 2009; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand januari 2010; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand januari 2011; en/of

- de aangifte omzetbelasting over de maand januari 2012,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of door een ander heeft doen doen,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting

wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te hoog bedrag aan voorbelasting in aftrek werd gebracht; en/of

(daardoor)

- een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting werd aangegeven,;

3.

zij

( [verdachte] , KvK-nummer [001] ) en/of [I] (thans: [J] , KvK-nummer [003] ), in of omstreeks de periode van 23 juni 2009 tot en met 16 augustus 2013,

in [vestigingsplaats] althans in de gemeente Lingewaard en/of de gemeente(n) Arnhem en/of Heerlen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met elkaar en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of

rechtsperso(o)n(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

als belastingplichtige in de zin van de wet op de vennootschapsbelasting 1969,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld

in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een of meerdere (jaar)aangifte(n) vennootschapsbelasting te naam

gesteld van [I] (fiscaal nummer: [004] ),

waaronder (zie AH-1-021 en -022):

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2008; en/of

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2009; en/of

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2010; en/of

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2011, en/of

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2012,

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of door een ander heeft doen doen,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting

wordt geheven,

hebbende die onjuistheid of onvolledigheid hierin bestaan dat in die

aangifte(n) (telkens)

- een te laag belastbaar bedrag werd aangegeven,”.

5.3

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof een beroep gedaan op de inkeerregeling, zoals neergelegd in art. 69 lid 3 AWR. Met een geslaagd beroep op die bepaling vervalt het recht tot strafvervolging. Het hof heeft het beroep van de verdediging op de inkeerregeling als volgt weergegeven en verworpen:1

2.1 Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte voor de feiten 1 en 2.2 Hiertoe is het volgende betoogd.

Primair dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging van verdachte inzake de ten laste gelegde belastingfeiten, op basis van artikel 69 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

- Er is sprake van een vrijwillige, tijdige en volledige inkeer. Verdachte speelde al langer met het idee om in te keren ten aanzien van de facturen en de aangiften rondom de bouw en de inrichting van zijn woonhuis. Dat idee werd versterkt door de doorzoeking in augustus 2011 in het onderzoek Rome (dat niets te maken had met de bouw en inrichting van het woonhuis). Verdachte heeft hierover gesproken met zijn advocaten en op 30 januari 2012 is aan de Belastingdienst bericht dat er onvolledigheden waren geconstateerd met betrekking tot de aangiften omzetbelasting (OB), vennootschapsbelasting (VPB) en inkomstenbelasting (IB). Daarin zijn de op dat moment aan verdachte bekende feiten en omstandigheden opgenomen en is vermeld dat intern onderzoek plaatsvond om een compleet beeld te krijgen van alle betrokken facturen en de boekingen in de verschillende vennootschappen. Dat onderzoek heeft plaats gevonden en bij brief van 27 februari 2012 is een aanvulling op het inkeerverzoek gedaan. Een gefaseerde inkeer is toegestaan. Er is niet bewust informatie achtergehouden. Verdachte heeft op voldoende voortvarende wijze uitvoering gegeven aan zijn voornemen tot verbetering. Bij de eerste inkeer heeft verdachte veel uit zijn geheugen moeten putten en daarna is nog uitvoerig onderzoek gedaan. Op 30 januari 2012 wist verdachte niet dat de Belastingdienst of de FIOD reeds van onjuistheden/onvolledigheden op de hoogte was of zou komen noch had hij reden te vermoeden dat dat zo was. Deze conclusie kan ook niet getrokken worden uit verklaringen van getuigen en/of medeverdachten.

- Bovendien moet sprake zijn, op grond van artikel 96 lid 3 juncto artikel 80 lid 1 Awr, van wetenschap of het redelijk vermoeden aan de kant van verdachte dat ambtenaren met opsporingsbevoegdheid van de onvolledigheden/onjuistheden op de hoogte zouden zijn of zouden komen. Dat valt uit het dossier niet af te leiden.

- In elk geval is sprake van tijdige partiële inkeer, in die zin dat inzake de facturen van Ambiance en [L] niet tijdig is ingekeerd, maar ten aanzien van de overige facturen wel.

(…)

2.2

Het standpunt van de advocaat-generaal

(…)

2.3

Beoordeling door het hof

Het hof verwerpt de verweren van verdachte en merkt hiertoe in het bijzonder het volgende op.

2.3.1

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis met betrekking tot het beroep op de inkeer heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

Op grond van artikel 69 lid 3 Awr vervalt het recht tot strafvervolging op grond van dit artikel, als de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Volgens artikel 80 lid 1 Awr zijn met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bedoelde personen (opsporingsambtenaren, zoals ambtenaren van de politie en van de FIOD), de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.

Niet beslissend is of de belastingplichtige - subjectief gezien - ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat de ambtenaren op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van de aangifte, maar of hij - objectief gezien - op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden.

Uit de Ambtshandelingen AH-001 (proces-verbaal aanvang onderzoek) en AH‑1‑002 (proces-verbaal aanvraag strafrechtelijk financieel onderzoek) volgt dat in de periode van 25 augustus 2009 tot en met 25 januari 2011 een strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd onder de naam ‘08Rome’. Dit betrof een strafrechtelijk onderzoek tegen de familie [A] die zich onder andere schuldig gemaakt zou hebben aan overtredingen van de Opiumwet en witwassen. In dat onderzoek is gebleken dat in de woning van de hoofdverdachte en die van zijn moeder voor een groot geldbedrag is geïnvesteerd in keukens, Bang en Olufsen (B&O) apparatuur en een badkamer. Facturen voor deze aankopen zijn aangetroffen in de woningen van de familie [A] . Die facturen waren gericht aan [verdachte] en volgens de omschrijving op die facturen zouden de geleverde goederen zich bevinden aan boord van diverse schepen die door [verdachte] zijn afgebouwd. De aankopen zijn door [verdachte] betaald. Het betrof vier facturen, waarvan twee van 2004, één van 2005 en één van 2007. Eén van de facturen is van B&O en betreft de levering van geluid en beeldapparatuur. In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek heeft op 30 augustus 2011 een doorzoekingplaats gevonden in het bedrijfspand van [verdachte] aan de [a-straat 1] in [vestigingsplaats] . Tijdens deze doorzoeking zijn ook digitale gegevensdragers in beslag genomen waaronder de audit-files van [verdachte] .

[betrokkene 1] is tijdens dit strafrechtelijk onderzoek ‘08Rome’ als (mede)verdachte verhoord. Uit de in het onderhavige dossier gevoegde processen-verbaal van verhoor inzake het onderzoek '08Rome’ volgt dat [betrokkene 1] van 21 juni tot en met 23 juni 2011 verhoord is en dat het ging om de verdenking, ten aanzien van [betrokkene 1] en zijn onderneming [verdachte] , van witwassen en valsheid in geschrift. Daarbij is [betrokkene 1] onder meer gevraagd of de apparatuur genoemd in de factuur van B&O, bij [betrokkene 1] in de woning, zijn bedrijf of elders is geïnstalleerd en is hem gevraagd naar de andere facturen.

[betrokkene 1] is bevraagd over de routing van de facturatie ten aanzien van [verdachte] en hoe de betaling van de facturen en de administratie plaatsvond."

Aan [betrokkene 1] is naar aanleiding van dit onderzoek door het openbaar ministerie een transactie aangeboden, inhoudende een taakstraf van 60 uren en betaling van een geldsom van € 20.000. [betrokkene 1] heeft aan deze transactie voldaan.

"Naar aanleiding van hetgeen in het strafrechtelijk onderzoek ‘08Rome’ bekend is geworden met betrekking tot de vier facturen, zijn door de controlerend ambtenaren van de Belastingdienst open bronnen geraadpleegd. Daarbij is een aantal publicaties over [betrokkene 1] aangetroffen. Eén daarvan betrof de bouw en inrichting van de privéwoning van [betrokkene 1] aan de [b-straat 1] in [plaats] . In dat artikel (in ‘The Art of Living’ van september 2009) werd een aantal bedrijven genoemd (waaronder B&O) die hebben gewerkt aan de bouw van de woning of goederen en/of diensten daarvoor hebben geleverd.

De Belastingdienst heeft derden-onderzoeken bij deze bedrijven ingesteld. Zo is op 20 december 2011 en op 13 januari 2012 een derden-onderzoek ingesteld bij [K] in Ede. [betrokkene 2] van [K] heeft verklaard (p. 344) dat [betrokkene 1] hem in de eerste week van januari 2012 heeft gebeld met de vraag ‘zijn ze bij jullie geweest’, waarop [betrokkene 2] heeft geantwoord dat de Belastingdienst bij hem is geweest voor derden‑onderzoek en dat ze kopieën hebben gemaakt.

Op 4 januari 2012 is een derden-onderzoek ingesteld bij [L] . in Waalre. [betrokkene 3] van [L] . heeft verklaard (p. 327, 328) dat het bezoek van de Belastingdienst voor [betrokkene 3] aanleiding was om contact op te nemen met [betrokkene 1] . [betrokkene 3] heeft [betrokkene 1] verteld dat hij het vermoeden had dat de Belastingdienst een boekenonderzoek had uitgevoerd naar aanleiding van de onjuiste facturen die [L] aan een van de ondernemingen van [betrokkene 1] had gestuurd. Dit telefoongesprek heeft volgens [betrokkene 3] binnen een week na het boekenonderzoek plaats gevonden.

Op 11 en 30 januari 2012 is een derden-onderzoek ingesteld bij [M] in Ede. In het gespreksverslag van het bezoek op 30 januari 2012 (zoals toegezonden per e-mailbericht van de officier van justitie op 23 mei 2016) staat vermeld dat [betrokkene 4] contact heeft gehad met [betrokkene 1] na het eerste bezoek van de Belastingdienst en dat hij is uitgehoord door [betrokkene 1] .

Op 12 en 18 januari 2012 is een derden-onderzoek ingesteld bij [N] in Bemmel. In het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 5] van [N] (p. 390) staat opgenomen dat hij tegenover de belastingambtenaren heeft verklaard dat hij na het eerste derden‑onderzoek contact heeft gehad met [betrokkene 1] . Op de vraag of [betrokkene 5] contact met [betrokkene 1] heeft opgenomen of dat dit andersom is geweest en waarover is gesproken, heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij dat zo niet meer durft te zeggen.

[betrokkene 6] , controleambtenaar bij de Belastingdienst, heeft verklaard (p. 459, 460) dat hij, samen met zijn collega [betrokkene 7] , derden-onderzoeken heeft ingesteld bij leveranciers en afnemers van [betrokkene 1] . Hij verklaart dat zij tijdens de derden-onderzoeken hoorden van een aantal leveranciers van [betrokkene 1] dat ze [betrokkene 1] op de hoogte hadden gesteld van het bezoek van de Belastingdienst en aan [betrokkene 1] hadden verteld wat de reden voor het onderzoek van de Belastingdienst was. De reden was dat de Belastingdienst het vermoeden had dat [betrokkene 1] kosten voor zijn woning op de zaak had laten factureren. Onder meer [betrokkene 5] heeft hen in januari 2012 verteld dat hij naar aanleiding van het eerste bezoek van de Belastingdienst contact had gehad met [betrokkene 1] , waarbij door [betrokkene 5] aan [betrokkene 1] was verteld dat de Belastingdienst daar een boekenonderzoek had ingesteld. [betrokkene 4] heeft hen verteld bij het vervolgonderzoek op 30 januari 2012 dat [betrokkene 4] kort na hun eerste bezoek op 11 januari 2012 contact had gehad met [betrokkene 1] .

[betrokkene 1] heeft ter terechtzitting bij de rechtbank van 8 september 2016 verklaard dat, toen de audit-files in beslag zijn genomen op 30 augustus 2011 in het onderzoek ‘08Rome’, hij meteen gedacht heeft over de fouten die hij gemaakt had ten aanzien van de bestedingen aan zijn woonhuis en dat het risico van uitkomen toen groot was. [betrokkene 1] heeft erkend, mede in de inkeerbrieven en in de fiscale standpuntbepaling dat er facturen zijn uit 2008 tot en met 2011 afkomstig van verschillende leveranciers, waaronder de leveranciers waarbij de hiervoor genoemde derdenonderzoeken hebben plaatsgevonden, die vermelden dat er goederen en/of diensten zijn geleverd aan [verdachte] en, voorheen, [J] (hierna: [J] ), terwijl deze goederen en/of diensten in werkelijkheid geleverd zijn ten behoeve van de privéwoning van [betrokkene 1] aan de [b-straat 1] in [plaats] . [betrokkene 1] was zich daar tijdens het onderzoek ’08Rome ’ ook al bewust van. Erkend is ook dat die, vervalste, facturen zijn opgenomen in de administraties van [verdachte] en [J] en dat die administraties ten grondslag hebben gelegen aan de, daarmee onjuiste, aangiften omzetbelasting (OB) en vennootschapsbelasting (VPB) hetgeen weer mede tot gevolg heeft gehad dat ook de aangiften inkomstenbelasting (IB) van [betrokkene 1] onjuist zijn gedaan. [betrokkene 1] heeft ook toegegeven dat hij er financieel voordeel van heeft gehad.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene 1] op het moment van de doorzoeking op 30 augustus 2011, toen onder meer de auditfiles van [verdachte] in beslag zijn genomen, redelijkerwijs moest vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren (belastingambtenaren en/of opsporingsambtenaren) met de onjuistheid of onvolledigheid van de belastingaangiften genoemd in de tenlastelegging bekend zouden worden. Op 30 augustus 2011 was [betrokkene 1] immers al bevraagd over de vier vermeende valse facturen gericht aan [verdachte] en had [betrokkene 1] zich al een tijd lang schuldig gemaakt aan het (laten) opnemen van vervalste facturen in de (bedrijfs)administratie van [verdachte] , welke administratie ten grondslag heeft gelegen aan belastingaangiften genoemd in de tenlastelegging. Daarmee was de kans - objectief gezien - groot dat dit bij een onderzoek aan de auditfiles aan het licht zou komen bij de belastingambtenaren of opsporingsambtenaren. [betrokkene 1] heeft zelf ook verklaard dat hij het risico op uitkomen toen als hoog inschatte.

Daarnaast wist [betrokkene 1] in ieder geval al vóór het moment van indiening van de eerste inkeerbrief op 30 januari 2012, dat één of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren (belastingambtenaren en/of opsporingsambtenaren) de onjuistheid of onvolledigheid van de belastingaangiften bekend was of bekend zou worden, of moest hij dit redelijkerwijs vermoeden. Dat leidt de rechtbank af uit de hiervoor weergegeven verklaringen van leveranciers en [betrokkene 6] betreffende de derden-onderzoeken. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen, nu deze over en weer ondersteuning vinden in elkaar. Het verweer dat niet de in artikel 80 Awr bedoelde ambtenaren op dat moment reeds op de hoogte waren van de onjuistheid of onvolledigheid van de aangiften gaat niet op, nu het op zijn minst in de lijn der verwachting lag dat ambtenaren met opsporingsbevoegdheid hiervan op de hoogte zouden komen.

De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een tijdige inkeer als bedoeld in artikel 69 lid 3 Awr. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op die grond wordt verworpen.

Het verweer dat in elk geval partieel tijdig is ingekeerd gaat evenmin op, nu een inkeer betrekking moet hebben op een volledige belastingaangifte en er niet per vals opgemaakte factuur kan worden ingekeerd.”

5.4

Het middel keert zich tegen de overwegingen van het hof met de volgende argumenten. Er moet sprake zijn van een objectief vermoeden dat één of meer opsporingsambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van de aangiften bekend zou worden, dus de verklaring van de verdachte dat het risico van uitkomen groot was toen de audit-files in beslag zijn genomen op 30 augustus 2011 in het onderzoek ‘08Rome’, kan – aldus de toelichting op het middel – niet doorslaggevend zijn. Volgens de steller van het middel wordt in de (fiscale) rechtspraak een ruimere uitleg gegeven aan art. 67n AWR. Tot slot wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat alleen per volledige belastingaangifte kan worden ingekeerd, onjuist is.

5.5

In art. 69 lid 3 AWR is de strafrechtelijke inkeerregeling opgenomen. Het artikellid luidt voorzover in de onderhavige zaak van belang als volgt:3

“Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. (…).”4

5.6

De inkeerregeling in het fiscale strafrecht is bijzonder, omdat – anders dan bij de poging – ook kan worden ingekeerd na voltooiing van het delict. De reden daarvan is om te voorkomen dat degene die eenmaal is begonnen met belastingontduiking zich genoopt zou kunnen voelen daarmee door te gaan.5 De niet of te weinig betaalde belasting blijft uiteraard nog steeds verschuldigd na een ‘geldige’ inkeer.

5.7

In de toelichting op het middel is het standpunt ingenomen dat de belastingrechter een ruimere uitleg geeft aan art. 67n AWR dan de strafrechter aan art. 69 AWR.

5.8

Dat standpunt lijkt mij – in ieder geval voorzover het gaat om de hoogste belasting- en strafrechter, dus de Hoge Raad, onjuist. Op grond van zowel art. 67n AWR als art. 69 lid 3 AWR is volgens ons hoogste rechtscollege voor een geslaagde inkeer vereist dat de schuldige dat deed voordat hij – objectief gezien – wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat een of meer opsporingsambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte bekend was of bekend zou worden.6 In HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6922, NJ 2010, 199 heeft de strafkamer verwezen naar een arrest van de belastingkamer van de Hoge Raad waarin bovengenoemd criterium werd geformuleerd.7 Daaruit kan worden afgeleid dat de beide kamers geen andere uitleg aan dit criterium wensen te geven.8 Het hof Amsterdam heeft in de door de steller van het middel aangehaalde zaak9 ook geen ander criterium aangelegd. De feiten en omstandigheden van dat geval (het Zwitserse bankgeheim en het feit dat op de bankafschriften geen naam of rekeningnummer van de uiteindelijk opdrachtgever en begunstigde stond) maakte dat het hof tot het oordeel kwam dat een serieuze (reële) mogelijkheid bestond dat de Zwitserse bankrekening van de belastingplichtige bij het onderzoek van justitie en de belastingdienst niet zou worden achterhaald of met hem in verband zou worden gebracht.

5.9

Het hof heeft blijkens zijn hierboven onder 5.3 weergegeven overwegingen getoetst of de verdachte ten tijde van het verzenden van de eerste inkeerbrief – objectief gezien – redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden. Dat is, gelet op de hierboven aangehaalde maatstaf van de Hoge Raad het juiste vertrekpunt. Van het hanteren van een onjuiste rechtsopvatting door het hof is dus geen sprake. Dan resteert in cassatie slechts de vraag of het oordeel dat dit – objectieve – vermoeden ten tijde van de ‘inkeer’ al bestond of redelijkerwijs moest bestaan niet onbegrijpelijk is.

5.10

Het hof heeft vastgesteld dat

(i) op 30 augustus 2011 een doorzoeking in het bedrijfspand van [verdachte] aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] heeft plaatsgevonden waarbij digitale gegevensdragers in beslag zijn genomen, waaronder auditfiles van [verdachte] ;

(ii) [betrokkene 1] in de periode van 21 juni t/m 23 juni 2011 is verhoord, waarbij het ging om verdenkingen – ten aanzien van [betrokkene 1] en zijn onderneming [verdachte] – van witwassen en valsheid in geschrift en daarbij aan hem is gevraagd of de Bang & Olufsen-apparatuur genoemd in de factuur in zijn woning, in zijn bedrijf of elders is geïnstalleerd en is hem gevraagd naar andere facturen;

(iii) in de – vrij toegankelijke – publicatie in ‘The Art of Living’ van september 2009 een aantal bedrijven (waaronder Bang & Olufsen) werd genoemd die hebben gewerkt aan de bouw van de privéwoning van [betrokkene 1] aan de [b-straat 1] in [plaats] of goederen en/of diensten daarvoor hebben geleverd;

(iv) de belastingdienst derdenonderzoek bij in dat artikel genoemde bedrijven heeft ingesteld, te weten:

o op 20 december 2011 en op 13 januari 2012 bij [K] te Ede;

o op 4 januari 2012 bij [L] te Waarle;

o op 11 en 30 januari 2012 bij [M] te Ede; en

o op 12 en 18 januari 2012 bij [N] te Bemmel;

(v) leveranciers hebben verklaard dat er contact is geweest met [betrokkene 1] over die bezoeken van de belastingdienst:

o volgens [betrokkene 2] van [K] in de eerste week van januari 2012;

o volgens [betrokkene 3] van [L] binnen een week na het boekenonderzoek (dat plaatsvond op 4 januari 2012);

o volgens [betrokkene 4] van [M] na het eerste bezoek van de belastingdienst; en

o volgens [betrokkene 5] van [N] na het eerste derdenonderzoek;

(vi) [betrokkene 6] , controleambtenaar bij de belastingdienst, heeft verklaard dat hij tijdens de derdenonderzoeken van een aantal leveranciers van [betrokkene 1] hoorde dat ze [betrokkene 1] op de hoogte hadden gesteld van het bezoek van de belastingdienst en aan hem hadden verteld wat de reden van dat bezoek was, namelijk, dat de belastingdienst het vermoeden had dat [betrokkene 1] kosten voor zijn woning ‘op de zaak’ had laten factureren; en

(vii) op 30 januari 2012 de eerste inkeerbrief is verstuurd.

5.11

Naar het oordeel van het hof moest [betrokkene 1] op het moment van de doorzoeking en inbeslagname van auditfiles op 30 augustus 2011, maar in ieder geval vóór het moment van indiening van de eerste inkeerbrief, redelijkerwijs vermoeden dat een of meer opsporingsambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van de belastingaangiften bekend zou worden. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof vervolgens geoordeeld dat dit redelijkerwijze vermoeden dat bij [betrokkene 1] aanwezig was kon worden toegerekend aan de verdachte, te weten [verdachte] , van wie [betrokkene 1] (feitelijk) de bestuurder was. Gelet op bovenstaande omstandigheden is het oordeel van het hof dat de verdachte haar inkeerverzoek heeft gedaan nádat zij – objectief gezien – redelijkerwijs moest vermoeden dat een of meer opsporingsambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte bekend was of bekend zou worden niet onbegrijpelijk.

5.12

De steller van het middel voert in dit verband nog aan dat het hof ten onrechte ook nog de verklaring van [betrokkene 1] , te weten dat hij zelf ook het risico op uitkomen toen als hoog inschatte, in zijn oordeel heeft betrokken. Inderdaad mag, aldus de Hoge Raad in zijn arrest uit 2010, niet beslissend zijn of de schuldige – subjectief gezien – vermoedde dat een of meer opsporingsambtenaren met de onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte bekend was of bekend zou worden.10 Uit het feit dat het hof bij zijn oordeel ook nog de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank van 8 september 2016 in zijn oordeel betrokken, valt niet af te leiden dat die verklaring beslissend was voor dat oordeel. Het objectieve vermoeden kan zonder meer volgen uit de verklaringen van leveranciers en [betrokkene 6] betreffende de derdenonderzoeken.

5.13

Tenslotte wil het middel nog klagen over de overweging van het hof dat partiële inkeer niet mogelijk is.

5.14

Gelet op de tekst van art. 69 lid 3 AWR (“indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet”) acht ik partiële inkeer, in dit geval dus ten aanzien van een (beperkt) aantal van de valse facturen, niet mogelijk. Immers, een aangifte is nog steeds niet juist dan wel onvolledig als niet alle onjuistheden/onvolledigheden zijn gecorrigeerd. De overweging van het hof, die er op neer komt dat een partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet mogelijk is, geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Weliswaar kan de opstelling van de verdachte en de mate waarin hij eigenhandig een aantal zaken in fiscale zin heeft opgebiecht een rol spelen bij de bepaling van de straf, maar dat is een andere kwestie.

5.15

De slotsom is dat de verwerping door het hof van het beroep op de inkeerbepaling niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

5.16

Het middel faalt derhalve.

6 Het tweede en derde middel

6.1

Het tweede en derde middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte stukken – die ten nadele van de verdachte in de beoordeling zijn betrokken – niet heeft voorgehouden, waardoor de verdachte in zijn belangen is geschaad. Het gaat om de facturen uit het controlerapport, die volgens de toelichting op het middel niet integraal deel uitmaken van het dossier. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, het verzoek tot aanhouding van de behandeling heeft afgewezen.

6.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 10 januari 2018 houdt, voor zover dit het verzoek om de facturen aan de verdachte voor te houden en het verzoek tot aanhouding betreft, het volgende in:11

“De advocaat-generaal en de raadslieden geven aan geen behoefte te hebben aan het nader voorhouden van enig stuk uit het dossier.

Voordat de advocaat-generaal met haar requisitoir kan aanvangen vraagt mr. De Bont het woord en merkt op:

Voorzitter u hebt de facturen opgesomd die deel uitmaken van het beraad.

De voorzitter merkt op dat hij de posten en niet de facturen heeft opgesomd.

Mr. De Bont:

Het hof verwacht toch niet vandaag een reactie van het de verdediging?

De voorzitter:

Ik heb gezegd dat de facturen in vaststellingsovereenkomst of in de notitie van Barmentlo erkend zijn of die op de tenlastelegging staan, per definitie onderdeel van het debat uitmaken. Hetgeen u al wist.

Mr De Bont merk[t] op:

Wij zijn, zoals u al hebt kunnen lezen in het benadelingspleidooi, uitgaan van de facturen in het FIOD dossier. In de tenlastelegging staan negen concrete facturen, niet meer en niet minder.

De voorzitter houdt mij voor dat er in de tenlastelegging staat 'waaronder' hetgeen inhoudt dat er meer facturen aan de orde zijn.

Dat is zo, maar ik wil graag de gelegenheid krijgen om mijn pleidooi in die zin aan te vullen ten aanzien van die posten die niet genoemd zijn.

Hetgeen Barmentlo als erkend heeft beschreven is geen schuldbekentenis in de zin van het strafrecht. Het was een positiebepaling teneinde verder te komen in de onderhandelingen met de fiscus. Ik verzoek uitdrukkelijk om een aanhouding van de behandeling van de zaak opdat het pleidooi op een andere dag gehouden kan worden.

Op een daartoe strekkende vraag van mr. Vissers antwoordt de advocaat‑generaal:

In het dossier van de FIOD zijn alleen de facturen opgenomen die in bijlage AH-1- 24 worden genoemd en niet de andere door de verdediging genoemde facturen.

Na een korte onderbreking voor beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:

Het hof stelt vast dat de vaststellingsovereenkomst vanaf het begin van het proces onderdeel heeft uitgemaakt van het strafdossier. Daarnaast maakt ook bijlage AH-1-24, met de mogelijke nadeelberekening, vanaf het begin onderdeel uit van het dossier. Op 11 oktober 2017 is de behandeling van de zaak aangehouden onder meer om de aansluiting te bekijken van de posten die in de vaststellingsovereenkomst naar voren komen en de bijlage AH-1-24. Dat kun je eigenlijk alleen beoordelen als je de controlerapporten ziet en de correspondentie die daarover is gevoerd. Die hebben wij dus opgevraagd.

De controlerapporten en de correspondentie moeten verdachte bekend zijn, gelet op de discussie die er is gevoerd met de fiscus.

Het moet voor de verdediging dan ook duidelijk zijn geweest dat die facturen voor het hof van belang zijn om te beoordelen wat er precies aan de hand is geweest. Het hof wilde een totaal plaatje hebben.

Het is dus duidelijk dat het over die facturen zou kunnen gaan. Of wij er ook belang aan hechten is een tweede. En de verdediging heeft zich daar op buitengewone goede wijze op voorbereid. We hebben op voorhand een pleitnota waarin op bijna alle punten die in de vaststellingsovereenkomst en de controlerapporten aan de orde zijn geweest, opmerkingen zijn gemaakt.

Om op dit moment weer om een aanhouding te verzoeken is tardief. Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.”

6.3

Onder de bewijsmiddelen heeft het hof onder meer het volgende opgenomen:

“ [betrokkene 1] , directeur van verdachte, heeft ter terechtzitting bij het hof op 10 januari 2018 bekend dat de feiten en omstandigheden als in de tenlastelegging zijn opgenomen door verdachte zijn begaan.

Anders dan door de rechtbank is gedaan, neemt het hof voor het bewijs van feit 112 als grondslag de Rapporten betreffende een ingesteld boekenonderzoek bij [I] en [betrokkene 1] [J] BV van 10 december 2014 en de brieven van mr. D.G. Barmentlo, advocaat-belastingkundige, van 13 juli 2015, gericht aan de Belastingdienst Arnhem en de brief van mr. D.G. Barmentlo van 8 september 2016 aan Sjöcrona Van Stigt Advocaten, in welke brieven de motivering van de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen en naheffingsaanslagen betreffende verdachte en de vennootschappen is opgenomen.”

6.4

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt tevens dat het hof de afzonderlijke correcties, zoals opgenomen in het boekenonderzoek aan de verdachte heeft voorgehouden.13

6.5

Art. 301 Sv is in art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op het rechtsgeding voor het hof. Het vierde lid van art. 301 Sv bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid14 is meegedeeld. Onder stukken in de zin van deze bepaling wordt verstaan “stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel”.15

6.6

Het doel van deze bepaling is dat de verdachte in de uitspraak niet wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn.16 Als het in art. 301 lid 4 Sv neergelegde voorschrift niet in acht wordt genomen, leidt dat in beginsel tot cassatie, tenzij de verdachte niet is geschonden in het belang dat de bepaling beoogt te beschermen. Een schending van dat belang wordt in het algemeen niet aangenomen indien de verdachte ‘uit anderen hoofde’ al geacht kan worden op de hoogte te zijn van de inhoud van het stuk. In HR 27 juni 1938, ECLI:NL:HR:1939:13, NJ 1939, 864 oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte niet in zijn belang was geschaad door het niet voorlezen van stukken ter terechtzitting of door mededeling van de inhoud daarvan, omdat zijn raadsman de betreffende stukken zelf ter staving van zijn verweer voor de rechtbank had overgelegd, hetgeen er blijk van gaf dat de verdachte daar de inhoud van kende.17 Een ander voorbeeld is HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7952, waar de Hoge Raad een cassatieberoep verwierp waarin een middel werd voorgesteld dat inhield dat het hof in strijd met art. 301 Sv ten bezware van de verdachte acht had geslagen op een proces‑verbaal van de politie, op de gronden die waren vermeld in de conclusie van A-G Vellinga. De A-G was van oordeel dat de verdachte niet in zijn belang was geschaad omdat het proces-verbaal – dat tot de gedingstukken behoorde – een bevestiging inhield van hetgeen de verdachte had bekend, namelijk dat hij op de in de bewezenverklaring genoemde tijd en plaats een motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat hij over een rijbewijs beschikte.18

6.7

Begrijp ik het middel goed, dan is de klacht dat het hof slechts de correcties zoals opgenomen in het boekenonderzoek aan de verdachte heeft voorgehouden en niet de facturen afzonderlijk. Mij ontgaat het belang bij deze nuance. De correcties komen voort uit het als zakelijk bestempelen van bepaalde uitgaven door de verdachte. De verdachte heeft kunnen reageren op de door het hof voorgehouden correcties. Blijkens het rapport van het boekenonderzoek, dat onder 4. bij de bewijsmiddelen is opgenomen, vloeien die correcties grotendeels voort uit ‘onjuiste’ c.q. ‘valse’ facturen. Om de verdachte daar op te laten reageren is het voorhouden van de correcties niet minder geschikt dan het voorhouden van achterliggende facturen.

6.8

Voorts is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het voor de verdediging duidelijk had moeten zijn geweest dat ook de andere facturen van belang konden zijn en de controlerapporten en de correspondentie de verdachte bekend moesten zijn. Dat dit de verdediging ook daadwerkelijk duidelijk was, blijkt – zoals het hof in zijn proces-verbaal van de zitting vermeldde – uit een op voorhand aan het hof verstrekte pleitnota waarin op bijna alle punten die in de vaststellingsovereenkomst en de controlerapporten aan de orde zijn geweest, opmerkingen zijn gemaakt.

6.9

Voor zover de klacht over het niet-voorhouden van stukken uit het dossier al gegrond geacht zou kunnen worden is de verdachte daardoor geenszins in haar verdediging geschaad.

6.10

Het tweede middel faalt.

6.11

Het hof heeft tevens het aanhoudingsverzoek van de verdediging afgewezen. Daarover klaagt het derde middel.

6.12

Artikel 281 lid 1 Sv bepaalt dat de rechtbank schorsing van het onderzoek beveelt indien het belang van het onderzoek dit vordert. Dit artikel is in art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard op het rechtsgeding voor het hof. Het belang van de aanhouding was volgens de verdediging dat zij zich kon voorbereiden op de omstandigheid dat ook andere facturen dan de in de tenlastelegging opgesomde facturen onderdeel van het onderzoek uit konden maken.

6.13

Het is – afgezien van de gevallen waarin de wet daartoe verplicht – aan de feitenrechter om te beoordelen of het belang dat met de aanhouding is gediend, voorrang moet hebben boven het belang van een voortvarende afdoening van strafzaken.19 Dat oordeel kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.

6.14

Volgens het hof had het voor de verdediging duidelijk moeten zijn dat de facturen voor het hof van belang waren. Op 11 oktober 2017 is de behandeling van de zaak aangehouden, zodat de controlerapporten en correspondentie konden worden opgevraagd teneinde de posten in de vaststellingsovereenkomst beter te kunnen beoordelen. Zoals hierboven al bleek zijn in een op voorhand overgelegde pleitnotitie volgens het hof door de verdediging op bijna alle punten die in de vaststellingsovereenkomst en de controlerapporten aan de orde zijn geweest, opmerkingen gemaakt. Gelet daarop acht ik de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, kennelijk vanwege het ontbreken van de noodzaak daartoe, niet onbegrijpelijk.

6.15

Ook het derde middel faalt.

7 Het vierde middel

7.1

Het vierde middel klaagt erover dat het hof bij de oplegging van de boete het bedrag van de te weinig geheven belasting niet precies heeft vastgesteld, terwijl dit bedrag bepalend is voor het strafmaximum gesteld op het strafbare feit ex artikel 69 lid 2 AWR.

7.2

Het hof heeft het benadelingsbedrag en de hoogte van de geldboete als volgt vastgesteld:

10. Oplegging van straf en/of maatregel

(…)

10.1

Overweging hof

(…)

Uit de vaststellingsovereenkomst leidt het hof af dat de correctie vennootschapsbelasting voor de privé uitgaven en woning gesteld wordt op € 428.538. Door de verdediging is in dat kader betoogd dat niet alle posten die in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen onjuist waren, maar dat deze posten in de overeenkomst zijn opgenomen omdat door de Belastingdienst geen ruimte werd gegund voor wijzigingen ('take it or leave it') dan wel de omkering van de bewijslast van toepassing was.

Het hof houdt hiermee rekening in die zin dat het hof er vanuit gaat dat de benadeling voor de vennootschapsbelasting 50% van dat bedrag beloopt. Daarbij houdt het hof er ook rekening mee dat in die correctie een bedrag begrepen is ter zake van kunst, welke correctie betrekking heeft op een medeverdachte (de holding).

Daarnaast stelt het hof vast dat de BTW-correctie tenminste ruim € 140.000 bedroeg.

Gelet hierop stelt het hof vast dat het totale nadeelbedrag (vennootschapsbelasting en omzetbelasting) in de orde van grootte van ruim € 350.000 ligt.

Gelet op het bovenstaande acht het hof een geldboete van € 300.000 als strafafdoening passend en geboden.”

7.3

Volgens de toelichting op het middel kon het hof niet volstaan met het bij benadering vaststellen van het benadelingsbedrag en is de opgelegde straf daarom onvoldoende gemotiveerd. Het is niet uit te sluiten dat het hof een te hoge straf heeft opgelegd, aldus de steller van het middel. Dit brengt een schending van art. 69 AWR, art. 359 Sv en art. 7 EVRM met zich.

7.4

Art. 69 lid 2 AWR luidt:

“Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, (…) wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting, (…).”

7.5

De geldboete mag – indien het benadelingsbedrag hoger is dan een geldboete van de vijfde categorie – derhalve niet hoger zijn het benadelingsbedrag, waarbij het benadelingsbedrag is gesteld op het bedrag van de te weinig geheven belasting.

7.6

Het hof heeft het totale benadelingsbedrag vastgesteld als “in de orde van grootte van ruim € 350.000”. Ik lees dit zo, dat het hof heeft vastgesteld dat het benadelingsbedrag tenminste hoger is dan de opgelegde boete van € 300.000. De boete is derhalve niet hoger dan het benadelingsbedrag, zodat het hof geen zwaardere straf heeft opgelegd dan de wet toestaat. Van een schending van art. 7 EVRM is geen sprake.

7.7

Het vierde middel faalt aldus.

8 Het vijfde middel

8.1

Het vijfde middel bevat de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is.

8.2

Het hof had volgens de toelichting op het middel moeten motiveren waarom het een hogere straf heeft opgelegd dan was geëist door de advocaat-generaal. Daarnaast meent de steller van het middel dat onbegrijpelijk is dat het hof van oordeel is dat het benadelingsbedrag ten minste € 350.000 bedraagt.

8.3

Uit HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006/549 volgt dat de verdediging in het algemeen een rechtens de respecteren belang mist bij een klacht over de motivering van de afwijzing van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van het openbaar ministerie. De enkele, op de voet van art. 311 lid 1 Sv overgelegde vordering van het openbaar ministerie levert niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv op. Afwijking van die vordering behoeft dus niet nader te worden gemotiveerd. De Hoge Raad merkte wel op dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn.

8.4

In de onderhavige zaak had de advocaat-generaal een geldboete van € 250.000 gevorderd en heeft het hof een geldboete van € 300.000 opgelegd. Ik meen dat dit verschil – een verhoging van 20% ten opzichte van de vordering – niet zodanig is dat sprake is van een geval waarbij de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk is. Het hof hoefde deze afwijking dus niet nader te motiveren. Dit middelonderdeel faalt.

8.5

De feitenrechter is – voor zover wettelijk toegestaan – vrij in de keuze van de straf die hij oplegt en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht.20 De waardering van de feiten is voorbehouden aan de feitenrechter en kan slechts in beperkte mate in cassatie worden onderzocht.

8.6

Het hof heeft gemotiveerd waarom het afweek van het standpunt van de verdediging dat inhield dat niet alle in de vaststellingsovereenkomst (ter correctie van de aangiften) opgenomen posten onjuist waren. Het hof heeft uit de vaststellingsovereenkomst afgeleid dat de correctie vennootschapsbelasting in verband met de privéuitgaven, waaronder de kosten ter zake van de woning, € 428.538 bedroeg. Het hof heeft het totale benadelingsbedrag, dat zowel op de vennootschapsbelasting als de omzetbelasting betrekking heeft, vastgesteld op € 350.000. Het hof heeft het benadelingsbedrag lager vastgesteld omdat rekening is gehouden met het hiervoor genoemde argument van de verdediging en het feit dat in dat bedrag een bedrag is begrepen ter zake van kunst, welke correctie betrekking had op een andere medeverdachte, de holding. Het hof hoefde niet op iedere afzonderlijke correctie in te gaan.21

8.7

Voor zover het middel nog beoogt te klagen dat de vaststelling door het hof van het in het nadeel begrepen bedrag aan ontdoken omzetbelasting, vastgesteld op ruim € 140.000 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan blijken, faalt die klacht omdat die eis geen steun vindt in het recht. Overigens is die vaststelling door het hof niet onbegrijpelijk, gelet op de bedragen aan niet afgedragen omzetbelasting die genoemd zijn in de vaststellingsovereenkomst, waarnaar het hof verwijst.

8.8

Het vijfde middel faalt eveneens.

9 Het zesde middel

9.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 26 februari 2018 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezette stempel op 30 november 2018 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn, die acht maanden bedraagt, met ruim één maand is overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, behoort niet meer tot de mogelijkheden. Een en ander dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete.

9.2

Het middel slaagt.

10. De middelen een tot en met vijf falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het zesde middel slaagt en dient te leiden tot strafvermindering.

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Ik laat voetnoten achterwege.

2 Dat lijkt mij (AEH) een verschrijving van het hof. Ik neem aan dat de feiten 2 en 3 worden bedoeld. Feit 1 is immers de valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr) waarop art. 69 lid 3 AWR niet van toepassing is.

3 In art. 67n AWR is een inkeerregeling opgenomen die uitsluit dat een vergrijpboete wordt opgelegd. Anders dan art. 69 AWR, geldt art. 67n AWR formeel alleen voor aanslagbelastingen. Indien wordt ingekeerd na twee jaar nadat een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan of had moeten worden gedaan, kan wel een vergrijpboete worden opgelegd, maar dan is dat een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete. Er kan niet meer worden ingekeerd op grond van art. 67n AWR ter zake van inkomen uit sparen en beleggen dat in het buitenland is opgekomen.

4 Per 1 januari 2018 is aan art. 69 lid 3 AWR – kort gezegd - toegevoegd dat inkeer niet leidt tot verval van strafvervolging als die betrekking heeft op inkomen uit sparen en beleggen in het buitenland.

5 Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 28.

6 HR (belastingkamer) 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375, BNB 2001/319 m.nt. Feteris.

7 “2.5. De Hoge Raad stelt voorop dat, gezien de formulering van art. 69, derde lid, AWR, voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op die bepaling kan worden gedaan, niet beslissend is of de belastingplichtige — subjectief gezien — ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar of hij — objectief gezien — op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden (vgl. HR 2 mei 2001, LJN AB1375, BNB 2001/319).”

8 Vgl. W.E.C.A. Valkenburg en J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 77-78.

9 Hof Amsterdam 18 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2930.

10 HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6922, NJ 2010, 199.

11 P. 11-12.

12 Ik (AEH) neem aan dat feit 2 wordt bedoeld.

13 Zie proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 10 januari 2018, p. 13-16.

14 Het derde lid luidt: “De voorlezing van de stukken kan, tenzij de officier van justitie of de verdachte zich daar op redelijke gronden tegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.”

15 HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0403, NJ 2011, 607 m.nt. Borgers. Vgl. HR 26 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1050, NJ 1998, 713.

16 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 742.

17 Vgl. HR 28 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6012, NJ 1978, 437.

18 Vgl. conclusie A-G Vegter 31 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:541. De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 RO.

19 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 751-752.

20 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 264-265.

21 Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393.