Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:864

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-08-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
19/03380
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1612, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Machtiging tot voortgezet verblijf; art. 15 Wet Bopz. Was de rechtbank verplicht de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andere maatregel te verzoeken? Art. 8a Wet Bopz. Samenhang met zaak 19/03093.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03380

Zitting 16 augustus 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

tegen

de Officier van Justitie bij het arrondissements-

parketp parket Oost-Nederland, locatie Arnhem,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Deze Bopz-zaak hangt deels samen met zaak 19/03093. In die zaak is cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van 10 april 2019, waarin ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging is verleend. Op het moment dat de beschikking werd gegeven had betrokkene geen bekende woon- of verblijfplaats. In zaak 19/03093 wordt geklaagd dat betrokkene niet voor de mondelinge behandeling is opgeroepen. In de onderhavige zaak wordt opgekomen tegen een opvolgende beschikking van 26 juni 2019, waarin een machtiging tot voortgezet verblijf is verleend. Het middel betoogt onder meer dat, als het cassatieberoep tegen de beschikking van 10 april 2019 slaagt, ook de beschikking van 26 juni 2019 niet in stand kan blijven, omdat betrokkene ten tijde van die beslissing niet meer geacht kan worden krachtens de voorlopige machtiging in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven en de machtiging tot voortgezet verblijf daarom nooit had mogen worden verleend.

1 Procesverloop

1.1

Bij beschikking van 10 april 2019 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, een voorlopige machtiging verleend tot opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 9 juni 2019.1 Betrokkene was niet aanwezig ter zitting van 10 april 2019 en hij had op dat moment geen bekende woon- of verblijfplaats. Uit het in cassatie overgelegde procesdossier kan worden afgeleid dat betrokkene ná de beschikking van 10 april 2019 op basis van die beschikking is opgenomen in psychiatrisch ziekenhuis Pro Persona te Wolfheze (afdeling Octaaf).

1.2

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 4 juni 2019 ingekomen ter griffie van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in psychiatrisch ziekenhuis Pro Persona te Wolfheze (afdeling Octaaf) of enig ander ziekenhuis (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd, op 28 mei 2019 ondertekend door geneesheer-directeur [betrokkene 1]2 en opgesteld door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] , die betrokkene daartoe heeft onderzocht.

1.3

Op 26 juni 2019 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Zij heeft daarbij gehoord betrokkene, bijgestaan door advocaat mr. C. Libosan-Besjes, en de aan Pro Persona verbonden psychiater [betrokkene 3] .

1.4

Bij mondelinge beschikking van 26 juni 20193 heeft de rechtbank een machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 9 december 2019. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat bij betrokkene sprake is van stoornissen4 die hem gevaar5 doen veroorzaken en dat die gevaren niet op een andere manier dan door een gedwongen opname kunnen worden afgewend. De rechtbank heeft aanleiding gezien om te machtiging te verkorten tot een periode van zes maanden, omdat betrokkene op de zitting voorafgaand aan de beschikking van 10 april 2019 waarbij ten aanzien van betrokkene een voorlopige machtiging tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis is afgegeven, “niet gehoord heeft kunnen worden”.

1.5

Namens betrokkene is op 17 juli 2019 en daarmee tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. In het verzoekschrift tot cassatie wordt het recht voorbehouden om naar aanleiding van de inhoud van het opgevraagde proces-verbaal het cassatiemiddel te wijzigen dan wel aan te vullen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 valt uiteen in drie klachten (a tot en met c).

2.2

Onderdeel 1a neemt tot uitgangspunt dat het namens betrokkene ingestelde cassatieberoep tegen de beschikking van 10 april 2019 waarbij een voorlopige machtiging is verleend (procedure met zaaknummer 19/03093) slaagt en tot vernietiging van die beslissing leidt. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank in dat geval in de onderhavige zaak ten onrechte het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf heeft toegewezen, omdat betrokkene dan niet meer kan worden geacht ten tijde van de beslissing van de rechtbank “ingevolge een (rechtsgeldige) voorlopige machtiging” in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven. Het onderdeel betoogt dat vernietiging van de beschikking van 10 april 2019 met terugwerkende kracht meebrengt dat de voorlopige machtiging niet geldig is verleend en rechtskracht mist, en dat betrokkene bij gebreke van een geldige titel wordt verondersteld ten tijde van de beslissing van de rechtbank ‘vrijwillig’ in de instelling te verblijven. Volgens het onderdeel kon daardoor de machtiging tot voortgezet verblijf niet (meer) worden verleend en moet het inleidend verzoek na de onderhavige cassatieprocedure alsnog worden afgewezen. Volgens het onderdeel doet aan het voorgaande niet af dat de rechtbank de geldigheidsduur van de verleende machtiging tot voortgezet verblijf heeft verkort tot een periode van zes maanden, welke duur ten hoogste voor een voorlopige machtiging had kunnen worden verleend. Voor deze machtigingen gelden, zo besluit het onderdeel, ingevolge de artikelen 2 en 5 Wet Bopz respectievelijk de artikelen 15 en 16 Wet Bopz afwijkende voorschriften, toetsingscriteria en vervolgtermijnen, zodat de machtigingen niet enkel bij gelijke duur aan elkaar kunnen worden gelijkgesteld.

2.3

In de procedure met zaaknummer 19/03093 concludeer ik vandaag tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 april 2019, en tot terugwijzing. Dit betekent evenwel nog niet dat daardoor - achteraf gezien - ook de grondslag is komen te ontvallen aan de machtiging tot voortgezet verblijf die de rechtbank in de thans in cassatie bestreden beschikking heeft verleend. Ik merk in dat verband het volgende op.

2.4

Art. 15 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat een machtiging tot voortgezet verblijf mogelijk is “met betrekking tot een persoon die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft”. De rechtbank is ervan uitgegaan dat dit zowel juridisch als feitelijk de rechtstoestand was op 26 juni 2019, toen de thans bestreden beschikking werd gegeven. Art. 419 lid 2 Rv bepaalt dat de feitelijke grondslag van een cassatiemiddel alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding.6 Een feit van later datum, ook al betreft dat feit een uitspraak van de Hoge Raad zelf, kan niet aan het cassatiemiddel ten grondslag worden gelegd. De omstandigheid dat de advocaat van betrokkene tijdens de mondelinge behandeling op 26 juni 2019 heeft verklaard dat tegen de beschikking van 10 april 2019 cassatieberoep “zal worden ingesteld” maakt dit niet anders.7 Het onderdeel stuit hierop af.

2.5

Ten overvloede merk ik het volgende op. In de systematiek van de Wet Bopz is het niet mogelijk een machtiging tot voortgezet verblijf met een door de rechter te bepalen geldigheidsduur van, in beginsel, ten hoogste een jaar na dagtekening te verlenen zonder dat daaraan een voorlopige machtiging (met een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden) of een eerdere machtiging tot voortgezet verblijf vooraf is gegaan. In dat opzicht was, naar de toestand op 26 juni 2019, voldaan aan de wettelijke vereisten: aan de verleende machtiging tot voortgezet verblijf was een voorlopige machtiging voorafgegaan.8 Wie een beschikking van de burgerlijke rechter wil bestrijden, dient het rechtsmiddel aan te wenden dat volgens de wet tegen die beschikking open staat. Het is niet mogelijk, althans zinloos, bezwaren in te brengen tegen de voorafgaande rechterlijke machtiging. Dijkers formuleert het als volgt (onderstreping mijnerzijds, A-G):9

“De rechter die tot taak heeft te beslissen of hij tot (continuering van) een dwangopneming of tot ambulante drang machtigt zal moeten beoordelen of – op het tijdstip van zijn beslissing – nog steeds aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan (stoornis, hieruit voortvloeiend gevaar, en dergelijke). Die beoordeling vindt in beginsel plaats onafhankelijk van de formele en materiële aspecten van de voorafgaande beschikking(en).”

Een beschikking machtiging voortgezet verblijf heeft dus zelfstandige betekenis en verliest haar rechtskracht niet in geval van vernietiging van de voorafgaande beschikking.

2.6

Onderdeel 1b klaagt dat de rechtbank op grond van het verhandelde op de mondelinge behandeling van 26 juni 2019 ten onrechte niet, na een daartoe strekkend verweer van de advocaat, de behandeling van het verzoek tot verlening van de machtiging tot voortgezet verblijf heeft aangehouden “totdat op het beroep in cassatie was beslist over de geldigheid van de voorlopige machtiging”.

2.7

Indien een volgens de wet openstaand rechtsmiddel is aangewend tegen de voorafgaande machtiging, kan een betrokkene de rechtbank verzoeken de behandeling van het nieuwe verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf aan te houden totdat een beslissing is genomen over het beroep tegen de voorafgaande machtiging. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, dat ik ambtshalve bij de rechtbank heb opgevraagd en dat op 8 augustus 2019 ter griffie is ingekomen, blijkt niet expliciet dat een verzoek tot aanhouding van de behandeling is gedaan in afwachting van het een beslissing van Uw Raad over de geldigheid van de voorlopige machtiging. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Blijkens blz. 1 van het proces-verbaal heeft de advocaat van betrokkene ter zitting het volgende verklaard: “Indien er toch verlengd gaat worden, dan verzoek ik dat voor een periode van een halfjaar of een aanhouding voor een voorwaardelijke machtiging.” Op blz. 2 van het proces-verbaal staat dat de advocaat van betrokkene voorts het volgende heeft aangevoerd: “(…) Primair verzoek ik u af te wijzen. Subsidiair verzoek ik u een andere rechterlijke machtiging of een aanhouding. Ik persisteer.” Niet duidelijk is of het gedane verzoek om aanhouding in de tweede verklaring op zichzelf staat of, evenals de verklaring op blz. 1, is gerelateerd aan het verlenen van een voorwaardelijke aanhouding. Overigens zijn de mogelijkheden voor de Bopz-rechter om de behandeling aan te houden tamelijk beperkt. Wanneer een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht, is hij namelijk gebonden aan een beslistermijn van vier weken (art. 17 lid 2 Wet Bopz). De rechtbank was rechtens niet gehouden om een (eventueel gedaan) verzoek tot aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van een aangewend rechtsmiddel te honoreren. De slotsom is dat het onderdeel faalt.

2.8

Onderdeel 1c klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet (ambtshalve) de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld zijn verzoek in te trekken of te wijzigen naar een verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging, althans dat de rechtbank na een daartoe strekkend verweer van de advocaat van betrokkene ten onrechte niet op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie het gevoelen kenbaar heeft gemaakt dat in de gegeven omstandigheden een andere maatregel zoals een verzoek om een voorwaardelijke machtiging passender zou (kunnen) zijn, in aanmerking nemende dat betrokkene toen in het ziekenhuis op een ‘open afdeling’ verbleef.

2.9

De eerste klacht van het onderdeel, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte niet de officier van justitie in de gelegenheid heeft gesteld zijn verzoek in te trekken of te wijzigen naar een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging, faalt in het licht van het voorgaande. De rechtbank diende immers van de geldigheid van de eerder verleende voorlopige machtiging uit te gaan. Het systeem van de Wet Bopz staat in de weg aan het verstrekken van een aansluitende nieuwe voorlopige machtiging.

2.10

Ook de tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. De rechtbank is bevoegd, maar niet verplicht om gebruik te maken van de mogelijkheden die art. 8a Wet Bopz biedt om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een andersoortig verzoek in te dienen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat het door de advocaat van betrokkene gedane verzoek om aanhouding voor een voorwaardelijke machtiging niet is uitgewerkt. Zij heeft in dat verband slechts verklaard dat betrokkene “op een open afdeling hoort waar hij naar buiten kan wanneer hij dat zou willen.”10 De rechtbank heeft overwogen dat de vastgestelde stoornis en het vastgestelde gevaar ook nog zullen bestaan na afloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging en dat een machtiging noodzakelijk is. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene een floride toestandsbeeld vertoont, dat uit hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht blijkt dat hij grootse waanideeën heeft en dat hij geen blijk geeft van ziektebesef. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het gevaar niet op een andere manier kan worden afgewend dan door een gedwongen opname. Indien de verzochte machtiging niet wordt verleend moet, zo oordeelt de rechtbank, worden gevreesd dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken en de instelling zal verlaten, en dat in dat geval het risico bestaat dat het gevaar zich daadwerkelijk zal voordoen. In dit oordeel ligt besloten dat de rechtbank van oordeel was dat het te duchten gevaar niet kon worden afgewend door het stellen van voorwaarden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

2.11

Onderdeel 2 bouwt geheel voort op de klachten van onderdeel 1 en bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.

2.12

Nu geen van de onderdelen slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Tegen die beschikking is cassatieberoep ingesteld onder zaaknummer 19/03093. In die zaak wordt heden eveneens een Conclusie genomen.

2 Onder de handtekening aan het slot van de geneeskundige verklaring staat: [betrokkene 1] . Op blz. 1 van de geneeskundige verklaring staat (evenwel) dat de verklaring wordt afgegeven door geneesheer-directeur [betrokkene 4] .

3 De beschikking is op 3 juli 2019 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

4 De rechtbank heeft op blz. 1 vastgesteld dat is gebleken dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie van het gedesorganiseerde type met grootheidswanen, en mogelijk cannabisgebruik.

5 De rechtbank heeft vastgesteld dat gevaar bestaat: (i) dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat; (ii) dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen, en (iii) voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

6 Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes en Groen, 7, 2015, nrs. 207 en 208.

7 Zie een soortgelijke beslissing in HR 5 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9031, NJ 1988/418 (onder de vroegere Krankzinnigenwet: de stelling dat een gebrek in het bevel tot inbewaringstelling moet leiden tot afwijzing van de daarop volgende vordering tot voortzetting van de inbewaringstelling, vindt geen steun in het recht). Zie in gelijke zin: HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0278, NJ 1991/507; HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1112, NJ 1994/66 in een zaak over uithuisplaatsing van een minderjarige (“Een beschikking tot verlenging van de termijn van uithuisplaatsing heeft derhalve zelfstandige betekenis en verliest haar rechtskracht niet in geval van vernietiging van de voorafgaande beschikking”) en HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2017, NJ 2007/261.

8 Zie art. 17 lid 3 en lid 4 Wet Bopz.

9 W. Dijkers, SDU commentaar Wet Bopz, aant. C.II.6.9.

10 Proces-verbaal, blz. 1.