Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:862

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
10-09-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
18/00695
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1636
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de ontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van art. 416, tweede lid, Sv. Bevat de inhoud van de handgeschreven brief van de verdachte ‘grieven’ tegen het vonnis als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv? De AG adviseert de bestreden uitspraak te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00695

Zitting 10 september 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,

hierna: de verdachte.

  1. Bij arrest van 31 januari 2018 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard het door de verdachte ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 april 2017, waarbij de verdachte wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 15 uren, subsidiair 7 dagen, hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week, met een proeftijd van twee jaren.

  2. Namens de verdachte heeft mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel komt, in de bewoordingen van de steller van het middel, op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep1 en behelst de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof is van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, op de voet van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden.”

5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2018 houdt onder meer in:

“De verdachte […]
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting aanwezig.

De voorzitter deelt het volgende mede.
De dagvaarding in hoger beroep is aan de verdachte in persoon betekend op 15 december 2017. De verdachte was dus op de hoogte van de zitting. Er is appel ingesteld namens de verdachte door mr. C.E.J.E. Kouijzer, maar zij heeft zich niet gesteld als raadsvrouw.
In het dossier bevindt zich voorts een handgeschreven brief van de verdachte, binnengekomen op 11 januari 2018, gericht aan het Ressortsparket te ’s-Hertogenbosch, waarin de verdachte verschillende parketnummers noemt en schrijft “Ik ben van mening dat dit niet klopt, met deze parketnummers en dat het hof de juiste toetsing niet gebruikt dat komt neer op niet ontvankelijk”.

Na beraad deelt de voorzitter mede dat het hof deze brief niet aanmerkt als een brief die grieven bevat.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.

De advocaat-generaal deelt het volgende mede.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van de verdachte in haar hoger beroep. De verdachte heeft geen grieven ingediend, is niet ter terechtzitting verschenen en heeft geen raadsman of raadsvrouw gemachtigd namens haar de verdediging te voeren.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten [...].”

6. De in het proces-verbaal van de terechtzitting genoemde handgeschreven brief van de verdachte bevindt zich onder de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Deze brief is blijkens een daarop geplaatst stempel bij het hof ingekomen op 11 januari 2018 en houdt het volgende in:

“Aan Ressortsparket, Vestiging ‘s-Hertogenbosch
8-1-2018
17 januari 2018 te 13.30 moet ik verschijnen over parketn. 20-001295-17 onder parketn 96-258190-15
Ik ben veroordeeld over 3 parketn bij de politierechter.
Ik ben van mening dat dit niet klopt met deze parketnummers en dat het hof de juiste toesting niet gebruikt
dat komt neer op niet ontvankelijk.

[verdachte]
[…]”

7. Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de voet van art. 416, tweede lid, Sv. Ingevolge die bepaling kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv is ingediend en evenmin mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven. De wetgever heeft aan de appelschriftuur geen nadere inhoudelijke eisen gesteld dan dat deze “grieven” dient te bevatten.2 Mede omdat ook de verdachte zelf een appelschriftuur kan indienen, respectievelijk mondeling bezwaren kan opgeven, moeten aan de inhoud van deze grieven (en de mondelinge bezwaren) geen hoge eisen worden gesteld.3 De Hoge Raad legt het begrip “grieven” als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv en het begrip “bezwaren tegen het vonnis” als bedoeld in art. 416, eerste en tweede lid, Sv dan ook zó uit dat daaronder zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg, als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen worden verstaan.4 Onder meer de enkele opgave van één of meer getuigen,5 de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheid dat de strafzaak tegen de verdachte verweven is met de tegen een medeverdachte lopende strafzaak waarin appel is ingesteld,6 en de opgave van de verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg,7 zijn aan te merken als grief of bezwaar in voormelde zin.

8. Dat wil niet zeggen dat iedere tot de appelrechter gerichte opmerking een grief of bezwaar oplevert. Een ondergrens is ook aanwijsbaar. In HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0079 had het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het namens het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep, omdat de appelschriftuur twee maanden te laat was binnengekomen. In cassatie werd namens het openbaar ministerie betoogd dat het hof een aan de appelakte gehecht formulier getiteld “opgave van bezwaren” als appelschriftuur had dienen aan te merken. Voor zover hier van belang hield dit formulier niet meer in dan dat “[h]et hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het ten laste gelegde feit”. Gezien deze inhoud was het impliciete oordeel van het hof dat het formulier niet kon worden aangemerkt als een appelschriftuur in de zin van art. 410 Sv niet onbegrijpelijk. Recenter oordeelde de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat is aangevoerd dat de verdachte uitstel van het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden, wenselijk vindt, evenmin een grief of bezwaar oplevert.8 Ook door de verdachte geuite bezwaren tegen de wijze van tenuitvoerlegging van in andere strafzaken opgelegde sancties en bezwaren over het vervoer naar de terechtzitting in hoger beroep, staan naar mijn inzicht aan niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 416, tweede lid, Sv niet in de weg.9

9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2018 heeft het hof zijn oordeel dat de verdachte geen appelschriftuur houdende grieven heeft ingediend, erop gebaseerd dat de handgeschreven brief van de verdachte niet kan worden aangemerkt als “een brief die grieven bevat”. Aldus heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de inhoud van de brief niet voldoet aan de aan “grieven” of “bezwaren” in de zin van art. 416, tweede lid, Sv te stellen eisen. In het licht van de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad acht ik dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Dat de brief betrekking heeft op de onderhavige zaak is onmiskenbaar; hij vermeldt het parketnummer van de rechtbank, het parketnummer van het hof en de zittingsdatum van de terechtzitting in hoger beroep. Ontegenzeggelijk missen de in de brief geformuleerde bezwaren scherpte en precisie. Maar met de in dit verband – in het bijzonder jegens een schrijven van de verdachte zelf – in acht te nemen welwillendheid zou in de brief wel kunnen worden gelezen dat de verdachte van mening is dat haar veroordeling door de politierechter in de onderhavige zaak “niet klopt”. In die zin bereidwillig gelezen, doet de ‘grief’ van de verdachte mijns inziens inhoudelijk niet of nauwelijks onder voor die in HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454, waarin de Hoge Raad het oordeel van het hof dat geen appelschriftuur was ingediend niet begrijpelijk achtte, omdat de verdachte op een voorgedrukt grievenformulier de hokjes had aangekruist waarbij de tekst stond “ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest” en “ik ben onschuldig”.10

10. Het oordeel van het hof in de onderhavige zaak dat de handgeschreven brief van de verdachte noch een direct tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg gericht bezwaar, noch een andersoortige grond voor het instellen van hoger beroep bevat, behoeft dan ook nadere motivering.

11. Voor zover het middel daarover klaagt, is zulks terecht.

12. Overigens merk ik nog het volgende op. Art. 410, eerste lid, Sv stelt naast de inhoudelijke eis van grieven ook twee eisen die betrekking hebben op de wijze waarop een appelschriftuur behoort te worden ingediend. De indiening dient te geschieden (i) op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen11 en (ii) binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep. Op welke wijze de handgeschreven brief van de verdachte het gerechtshof heeft bereikt, heeft het hof niet vastgesteld.12 Dat de brief niet binnen veertien dagen na het doen instellen van hoger beroep is ingediend, valt uit ’s hofs vaststellingen naar ik meen wel af te leiden.13 Voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat de handgeschreven brief niet als een appelschriftuur kan worden aangemerkt reeds omdat deze niet is ingediend binnen de in art. 410, eerste lid, Sv genoemde termijn, zou dat oordeel echter blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.14

13. Het middel is terecht voorgesteld.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het hof (en ook art. 416, tweede lid, Sv) verwoordt het iets anders; zie randnummers 1, 4 en 7.

2 Zo uitdrukkelijk: HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis; HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20; en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers.

3 HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers en HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis.

4 HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans en HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122, m.nt. Kooijmans.

5 Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Mevis, HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7088, NJ 2008/20 en HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 (rov. 2.40), m.nt. Borgers.

6 HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2002, NJ 2019/121, m.nt. Kooijmans.

7 HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17, NJ 2016/175, m.nt. Mevis. Vgl. voorts nog HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454, m.nt. Kooijmans.

8 HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:251, NJ 2019/122.

9 Zie mijn conclusie van 2 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:683.

10 HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1454.

11 De recent ingevoerde mogelijkheid de appelschriftuur met behulp van een elektronische voorziening langs elektronische weg in te dienen, kan hier onbesproken blijven.

12 Al geeft de aanhef van de brief – “Aan Ressortsparket, vestiging ‘s-Hertogenbosch” – en ’s hofs vaststelling dat de brief was ”gericht aan het Ressortsparket” reden voor twijfel of de brief op de voor een appelschriftuur voorgeschreven wijze was geadresseerd.

13 Dat kan in het bijzonder worden afgeleid uit de datering van de bedoelde brief door de auteur ervan in combinatie met de door het hof vastgestelde ontvangstdatum ter griffie van het gerechtshof.

14 HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:585, NJ 2013/441 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wet Stroomlijnen hoger beroep, waarin aan het door de verdachte te geven ‘weerwoord’ geen hoge eisen zijn gesteld en in het bijzonder is afgezien van de mogelijkheid de ontvankelijkheid afhankelijk te stellen van de aanwezigheid van de verdachte. De achterliggende gedachte van deze uitspraak wordt helder verwoord door A.L.J. van Strien, ‘Art. 410 Sv’, in: Melai/Groenhuijsen (red.), Het Wetboek van Strafvordering, losbl., aant. 9.1: “Bij een appel van de verdachte heeft een niet-tijdige indiening van de schriftuur geen consequenties voor de ontvankelijkheid van het appel. Het is immers zelfs [mijn cursivering, EH] mogelijk om pas ter terechtzitting mondeling bezwaren in te dienen (vgl. art. 416 lid 2).”