Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:86

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
05-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
17/03711
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:436
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Beklag en beslag. Anderbeslag ex art. 94a lid 4/5 Sv. De klacht dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan die duiden op verhaalsfrustratie en de wetenschap van de klaagster daaromtrent, is volgens de A-G terecht voorgesteld. Uit de wetgeschiedenis volgt dat witwassen en het frustreren van verhaal twee te onderscheiden zaken zijn. Noodzakelijk is dat de “ander” wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat verhaalsfrustratie het doel was. Wetenschap van witwassen volstaat dus niet. De A-G stelt zich daarom op het standpunt dat de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank moet vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03711 B

Zitting: 5 februari 2019

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 14 juli 2017 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op onroerende zaken die aan de klaagster toebehoren, ongegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

3 Beschrijving van de zaak

3.1.

De klaagster is een Hongaars rechtspersoon die een wellness centrum in Hongarije exploiteert. Onder de klaagster is op de voet van art. 94a Sv beslag gelegd op een zestal onroerende zaken die haar eigendom zijn. Dit beslag dient tot bewaring van het recht op verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [betrokkene 1] is medeaandeelhouder en mede bestuurder van de klaagster.

3.2.

De beslagen onroerende zaken worden als volgt omschreven in de beslissing van de Hongaarse arrondissementsrechtbank Komló van 29 november 2013, waarin zij ter uitvoering van een daartoe strekkend Nederlands rechtshulpverzoek de inbeslagneming van de zaken heeft verordend:1

“- perceelnummer 105/10, 3602 m2 onbebouwd terrein naast het pension;

- perceelnummer 105/7, 1911 m2 pension;

- perceelnummer 105/6, 1362 m2 parkeerplaats;

- perceelnummer 105/4, 4740 m2 onbebouwd terrein naast het pension;

- perceelnummer 2/13, 150 m2, perceelnummer 2/17, 10648 m2, perceelnummer 2/18, 314 m2, perceelnummer 2/19 15194 m2, perceelnummer 2/20, 844 m2, perceelnummer 2/21, 338 m2, perceelnummer 2/22, 3048 m2 bad”

3.3.

Als ik het goed zie treft het beslag percelen en daarop aanwezige bouwsels die dienen voor de exploitatie van het wellness centrum. Een en ander vindt steun in een brief van het Spaarcoöperatief Szigetvár van 13 oktober 2016 die aan [betrokkene 1] is gericht. Deze brief, die als bijlage 6 aan het klaagschrift van de klaagster is gehecht, houdt onder meer in:

“Namens de Coöperatieve Spaarbank Szigetvár als kredietverlener van [klaagster] . wenden wij ons tot u. Volgens het uittreksel uit het bedrijvenregister bent u voor 49 % eigenaar en één van de beheerders van het

bad en volgens het register van [klaagster] . beschikt u over 142.055.253 Forint krediet in de vennootschap.

[klaagster] . bevindt zich naar ons oordeel in een bijzonder moeilijke situatie.

Het door de Coöperatieve Spaarbank Szigetvár sinds 2008 voor de inrichting van het bad ter beschikking gestelde krediet heeft op dit moment een omvang van 235.585.000 Forint.

(…)

Op het terrein van het thermaal bad in Magyarhertelend, waar vroeger één bassin was, heeft de vennootschap met de aanzienlijke investering een overdekt belevenispark met vier bassins gerealiseerd. Het zwembadgebouw van twee verdiepingen met sauna en restaurant, omzoomd door oerbomen op een groengebied van 1385 m2 vraagt om voortdurende verbeteringen en investeringen, waarvoor naast de bovenstaande betalingsverplichtingen

niet voldoende financiële bronnen zijn. (…)

De Hongaarse staat heeft op 04-06-2015 een strafrechtelijke beslaglegging verordent op de eigendomsdocumenten van alle gebouwen van [klaagster] . [klaagster] . heeft hiertegen beroep aangetekend; er is in die zaak nog geen progressie.

3.4.

De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard, nu naar het oordeel van de rechtbank aan de in art. 94a lid 4 en 5 Sv gestelde eisen is voldaan voor de inbeslagneming van de aan de klaagster toebehorende onroerende zaken. Tegen dit oordeel komt het middel op.

3.5.

De rechtbank stelt in haar beschikking dat het klaagschrift ook betrekking heeft op een vordering van [betrokkene 1] op de klaagster, groot 142.055.253 Hongaarse forint. Ik zou het ervoor willen houden dat dit een kennelijke misslag betreft. In het klaagschrift wordt over het beslag op de bedoelde vordering niet geklaagd, tijdens de behandeling in raadkamer zijn evenmin bezwaren tegen dit beslag geuit, terwijl de rechtbank verder geen woorden aan dat beslag heeft gewijd en de cassatieschriftuur zich beperkt tot het beslag op de onroerende zaken. Ik ga er dus vanuit dat de bestreden beschikking enkel betrekking heeft op de inbeslaggenomen onroerende zaken.

4 Het middel

4.1.

Het middel behelst de klacht dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat – kort gezegd – er voldoende aanwijzingen bestaan die duiden op verhaalsfrustratie en de wetenschap van de klaagster daaromtrent.

4.2.

De bestreden beschikking, waarin met “de beslagene” kennelijk [betrokkene 1] wordt bedoeld, houdt het volgende in:

“(…)

Op grond van de stukken in het dossier kan klaagster naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel als rechthebbende van de voorwerpen worden aangemerkt. Tevens is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de voorwerpen aan klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel om de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. Hierbij acht de rechtbank de volgende uit het dossier blijkende feiten en/of omstandigheden van belang.

Beslagene is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 juni 2014 in de hoofdzaak veroordeeld ter zake van een viertal misdrijven verband houdend met de Opiumwet. Bij vonnis van deze rechtbank van 19 april 2016 is beslagene in de ontnemingszaak de verplichting tot betaling aan de Staat opgelegd van een bedrag van € 496.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Klaagster is een rechtspersoon naar Hongaars recht, van wie beslagene een van de oprichters is en sindsdien een van de aandeelhouders en bestuurders is. Mede-oprichter, aandeelhouder en bestuurder is [betrokkene 2] . Beslagene heeft in klaagster een bedrag van (in ieder geval) € 528.000 geïnvesteerd. Beslagene heeft gesteld dat deze investeringen mogelijk zijn gemaakt doordat hij van diverse personen geld heeft geleend. Het bestaan van deze leningen is echter voor een aanmerkelijk deel (€ 297.000) niet aannemelijk geworden (zie ook pagina 18 van voormeld vonnis van 19 april 2016). Bij beslagene is in de desbetreffende periode behoudens de wel aannemelijk geachte leningen voorts niet gebleken van een bron van legale inkomsten waaruit deze stortingen kunnen worden verklaard. Van het onverklaarde deel is aannemelijk dat dit uit misdrijf afkomstige inkomsten zijn.

Bij de vraag of klaagster wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de voorwerpen aan haar zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel om uitwinning van de voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, is relevant om te bezien wie feitelijke zeggenschap over de rechtspersoon had. Uit de stukken blijkt dat onder meer beslagene aandeelhouder en bestuurder is en zelfstandig is bevoegd om de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Voorts wordt uit bijlage 6 en bijlage 7 bij het verweerschrift van het Openbaar Ministerie d.d. 15 juni 2017 aannemelijk dat beslagene actief zeggenschap had binnen de rechtspersoon, hetgeen ook blijkt uit de brieven van de Szigetvár Spaarbank d.d. 13 oktober 2016 en 3 mei 2017 (productie 6 bij het klaagschrift c.q. per e-mail nagezonden), waarin beslagene wordt verzocht met een oplossing te komen voor de financiële problemen die klaagster heeft. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de wetenschap van beslagene, onder meer met betrekking tot de inhoud van voormeld arrest van 3 juni 2014 en vonnis van 19 april 2016, kan worden toegerekend aan de rechtspersoon. Voorts is relevant dat klaagster een vennootschap is naar buitenlands recht en dat aannemelijk is dat investeringen van beslagene in klaagster voor een deel zijn geschied met contant geld (dat al dan niet eerst bij een bank is gestort, zie vonnis van 19 april 2016, p. 17, alsmede bijlage 8 bij het verweerschrift).

De rechtbank is gelet op voorgaande dan ook van oordeel dat er sprake is van een situatie als omschreven in artikel 94a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en dat klaagster dit ook wist of redelijkerwijs moest vermoeden.

De rechtbank zal het klaagschrift daarom ongegrond verklaren.”

4.3.

Volgens de stellers van het middel is het allereerst onbegrijpelijk dat – zoals de rechtbank heeft geoordeeld – de inbeslaggenomen onroerende zaken aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van de voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. Immers blijkt uit het verhandelende in raadkamer dat de klaagster de onroerende zaken in 2008 heeft verworven, terwijl de leningen en betalingen van [betrokkene 1] aan de klaagster meestal pas jaren nadien zijn verstrekt.

4.4.

De rechtbank heeft aan haar oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de inbeslaggenomen onroerende zaken aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel om de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen, ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] een van de oprichters is van de klaagster en sindsdien ook een van haar aandeelhouders en bestuurders. Ook heeft [betrokkene 1] in de klaagster geïnvesteerd (een bedrag van in ieder geval € 528.000) en is er voor een aanmerkelijk deel van die investering (€ 297.000) niet van een legale bron van inkomsten gebleken. Dit terwijl [betrokkene 1] is veroordeeld ter zake van misdrijven die verband houden met de Opiumwet en is gebleken dat hij wederrechtelijk voordeel (€ 496.000) heeft genoten.

4.5.

Voor zover het middel berust op de stelling dat de klaagster de inbeslaggenomen onroerende zaken heeft verworven al voordat [betrokkene 1] leningen en betalingen aan de klaagster heeft verstrekt, lijkt het grotendeels feitelijke grondslag te missen. Bijlage 7 van het verweerschrift van het openbaar ministerie bestaat uit een getuigenverklaring van [betrokkene 2] , die ook een mede-oprichter, aandeelhouder en bestuurder is van de klaagster. Uit deze verklaring zou kunnen worden afgeleid dat [betrokkene 1] al bij de oprichting van de klaagster in 2006 tot voor het laatst in 2010 geldbedragen ter beschikking heeft gesteld aan de klaagster voor de aankoop van het wellness centrum en de verbouwing en vernieuwing ervan, welk bouwproject van 2008 tot december 2011 liep. Het ging daarbij met name om de bouw van een overdekt deel met daarin 4 baden, 9 sauna’s en een massageafdeling. Wat daarvan echter ook zij, op het moment waarop de klaagster de onroerende zaken verwierf, komt het mijns inziens niet aan. De rechtbank overweegt dat sprake is van een situatie als omschreven in art. 94a lid 3 Sv, waarmee zij kennelijk art. 94a lid 4 Sv bedoelt.2 De rechtbank heeft echter kennelijk geoordeeld dat tevens sprake is van de situatie bedoeld in art. 94a lid 5 Sv. De onroerende zaken waarop het beslag is gelegd, zijn niet voorwerpen die aan [betrokkene 1] toebehoorden en die, om uitwinning van die voorwerpen te voorkomen, aan de klaagster zijn gaan toebehoren. De aan [betrokkene 1] toebehorende voorwerpen die aan klaagster zijn gaan toebehoren, zijn de geldbedragen die [betrokkene 1] in de klaagster heeft geïnvesteerd. Als er voldoende aanwijzingen zijn dat die investeringen zijn gedaan om uitwinning van het vermogen van [betrokkene 1] te bemoeilijken of te verhinderen, kan, zo bepaalt art. 94a lid 5 Sv, het beslag ook op andere voorwerpen (zoals de aan de klaagster toebehorende onroerende zaken) worden gelegd tot ten hoogste het bedrag van de investeringen. Hoe en wanneer die onroerende zaken aan de klaagster zijn gaan toebehoren, doet dus niet ter zake.

4.6.

Voorts klaagt het middel dat de rechtbank onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de wetenschap van [betrokkene 1] , onder meer met betrekking tot de inhoud van het arrest van 3 juni 2014 en het vonnis van 19 april 2016, aan de klaagster kan worden toegerekend. Inderdaad is niet helder wat de rechtbank hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen. Waarop het aankomt, is of de investeringen zijn gedaan met het kennelijke doel om uitwinning van het daarmee gemoeide vermogen te bemoeilijken of te verhinderen. Dat doel moet er ten tijde van de investeringen zijn geweest en de klaagster moet van dat doel op dat moment hebben geweten of dat doel redelijkerwijs hebben kunnen vermoeden. Kennis die zij later heeft verworven, is dus in principe niet relevant. Bovendien kan het feit dat aan [betrokkene 1] geruime tijd na de gedane investeringen een betalingsverplichting is opgelegd, niet met terugwerkende kracht maken dat het doel van de investeringen was om de executie van die verplichting te frustreren. Mogelijk was de oplegging van een ontnemingsmaatregel gezien de criminele activiteiten van [betrokkene 1] al ten tijde van de investeringen voor de klaagster voorzienbaar, maar of dat de redenering van de rechtbank is geweest, is niet duidelijk. Feiten en omstandigheden waarop die redenering kan worden gebaseerd, zijn door de rechtbank in elk geval niet vastgesteld.

4.7.

Hoewel de klacht dus hout snijdt, gaat zij naar mijn mening aan de kern van de zaak voorbij. De rechtbank heeft haar oordeel dat sprake is geweest van kort gezegd verhaalsfrustratie als ik het goed begrijp vooral gebaseerd op haar vaststelling dat de aankoop, de renovatie en/of de (verdere) bouw van de beslagen onroerende zaken die aan de klaagster toebehoren mede is geschied met door [betrokkene 1] ter beschikking gestelde geldbedragen die voor een aanmerkelijk deel niet verklaarbaar bleken te zijn uit een legale bron van inkomsten. Dat vind ik niet zonder meer begrijpelijk. De (criminele) herkomst van het geld moet onderscheiden worden van het doel waarmee het wordt besteed. Om dat te verduidelijken het volgende.

4.8.

De mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de (potentiële) schuldenaar (de verdachte of de veroordeelde) is in 2003 in de wet gekomen.3 De leden 3 en 4 van art. 94a Sv kwamen toen als volgt te luiden:

“3. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien:

a. die voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee de geldboete kan worden opgelegd onderscheidenlijk het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, en

b. voldoende aanwijzingen bestaan dat die voorwerpen aan die ander zijn gaan toebehoren met het doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en

c. die ander ten tijde van dat gaan toebehoren wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat die voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.”

In het derde lid onder a en b stonden aldus twee voorwaarden naast elkaar. Er moest sprake zijn van witwassen, waarbij gold dat de voorwerpen afkomstig zijn van het misdrijf waarop de op te leggen betalingsverplichting betrekking had. Naast dit “afkomstvereiste” stond het vereiste van verhaalsfrustratie. De MvT sprak van “schijnconstructies”.4 De onder c genoemde subjectieve voorwaarde aan de zijde van de ‘ander’ had daarbij alleen betrekking op het witwassen: de ‘ander’ moest op het moment van verkrijgen van de voorwerpen geweten hebben of redelijkerwijs hebben kunnen vermoeden dat de voorwerpen van enig misdrijf afkomstig waren.

4.9.

In 2011 kwam de afkomstvoorwaarde te vervallen.5 De leden 3 en 4 van art. 94a Sv kwamen toen als volgt te luiden:

“3. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het derde lid bedoelde voorwerpen.”

Deze wijziging werd in de MvT als volgt toegelicht.6

“Voorgesteld wordt het hiervoor genoemde afkomstvereiste te laten vervallen. Aldus worden de mogelijkheden tot het leggen van «anderbeslag» verruimd, zodat ook beslag kan worden gelegd op voorwerpen waarvan niet behoeft te worden aangetoond dat zij van misdrijf afkomstig zijn. Het vereiste van verhaalsfrustratie blijft van kracht en ook het wetenschapsvereiste blijft gehandhaafd, zij het in aangepaste vorm. De bestaande regeling schiet in het bijzonder met het hiervoor genoemde afkomstvereiste aan haar doel voorbij. Dit vereiste staat aan het leggen van beslag in de weg, in het geval dat een voorwerp op naam van een ander werd gesteld, voordat het misdrijf in verband waarmee het voordeel wordt ontnomen is gepleegd. Zoals ook in de totstandkomingsgeschiedenis bij artikel 94a, derde lid, Sv tot uitdrukking is gebracht, is de toepasselijkheid van het «anderbeslag» zo beperkt tot die gevallen waarin aan de delictomschrijving van het delict witwassen welhaast geheel is voldaan. Het is deze achtergrond waartegen het «afkomstvereiste» kan worden begrepen. Het conservatoir beslag, ook in de vorm van het «anderbeslag», kan echter evenzeer worden begrepen als een verhaalsbeslag waarbij ook legale vermogenscomponenten onderwerp van verhaal kunnen zijn. Ook de RHC wijst hierop in zijn advies. Zo bezien hoeft het vereiste dat het beslagen voorwerp middellijk of onmiddellijk

van misdrijf afkomstig is, niet te worden gesteld. Indien blijkt dat de verdachte vermogen bij een ander heeft ondergebracht met het kennelijke doel om toekomstig verhaal daarop te frustreren, moet het mogelijk zijn en is het naar mijn mening redelijk, om dit vermogen bij het verhaal te betrekken. Daarmee wint deze beslagmodaliteit duidelijk aan effectiviteit.”

In 2014 werden de bedoelde artikelleden vernummerd tot lid 4 en lid 5, maar inhoudelijk bleef de regeling ongewijzigd.7

4.10.

Deze wetgeschiedenis onderstreept dat witwassen en het frustreren van verhaal twee te onderscheiden zaken zijn. Ook volkomen legaal geld kan weggesluisd worden met het doel eventueel verhaal te frustreren. Omgekeerd geldt dat uit het enkele feit dat sprake is van witwassen niet volgt dat zich een schijnconstructie voordoet. Crimineel geld kan in de bovenwereld geïnvesteerd worden zonder dat verhaalsfrustratie daarvan het doel is. Dergelijke investeringen hoeven er niet toe te leiden dat het vermogen van de betrokkene aan een ander gaat toebehoren met als gevolg dat er bij hem niets meer te halen valt. In dit verband verdient aandacht dat wat in de MvT het “wetenschapsvereiste” wordt genoemd, “in aangepaste vorm” terugkeerde. In feite kreeg dat vereiste een geheel andere inhoud. De vereiste wetenschap heeft daardoor niet langer betrekking op het witwassen, maar op de verhaalsfrustratie. Dat betekent dat voldoende, maar ook noodzakelijk is dat de “ander” wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat verhaalsfrustratie het doel was. Wetenschap van witwassen volstaat dus niet.

4.11.

Van belang is dat de wetgever aan het wetenschapsvereiste een belangrijke rol toekende bij de bescherming van het vermogen en de rechtspositie van derden. In de MvT wordt over die bescherming opgemerkt:8

“Ook artikel 1, eerste lid, eerste volzin, van het Eerste Protocol bij het EVRM vereist zorgvuldigheid in dit verband. In het voorgestelde artikel 94a, derde lid, Sv wordt daarom, naast het vereiste van verhaalsfrustratie, als voorwaarde gesteld dat de ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat voorwerpen aan hem zijn gaan toebehoren met het doel het verhaal bij degene die deze voorwerpen aan hem heeft vervreemd, te frustreren. Hiermee is een wetenschapsvereiste verwoord, waarmee wordt voorkomen dat een derde die te goeder trouw een voorwerp van de verdachte verkrijgt, ten onrechte wordt geconfronteerd met een onder hem gelegd beslag.”

In de MvA aan de Eerste Kamer wordt daaraan nog het volgende toegevoegd:9

“Aan het advies van de Raad van State om het wetsvoorstel op het punt van het anderbeslag te heroverwegen, is gevolg gegeven door dit wetenschapsvereiste – zij het in aangepaste vorm – opnieuw op te nemen. Daarmee wordt de verenigbaarheid met artikel 1, eerste lid, eerste volzin, van het Eerste Protocol bij het EVRM, waarover deze leden een opmerking maakten, voldoende gewaarborgd. Op grond van artikel 94a, derde lid, (nieuw) Sv kunnen voorwerpen (conservatoir) in beslag worden genomen indien deze voorwerpen aan een ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. Daarbij geldt als eis dat die ander van deze kwalijke bedoeling wist of dit redelijkerwijze kon vermoeden. In dit wetenschapsvereiste ligt een belangrijke begrenzing besloten van de bevoegdheid tot het leggen van beslag. De rechter zal, wanneer de beslagene tegen het gelegde beslag opkomt, moeten beoordelen of sprake is van kwade trouw. Daarvoor is nu echter niet meer nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de voorwerpen ook zelf van misdrijf afkomstig zijn. Een nadeel van het stellen van die eis is bijvoorbeeld dat op voorwerpen die voordat de strafbare feiten werden begaan reeds aan een ander zijn gaan toebehoren, geen anderbeslag zou kunnen worden gelegd, terwijl ook dergelijke voorwerpen mede tot het verhaal van de ontnemingsmaatregel zouden kunnen strekken. (…) Van kwade trouw kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer voorwerpen tegen weinig zakelijke condities aan die ander zijn gaan toebehoren of wanneer de ander alleen het eigendom verkrijgt terwijl het gebruik van de voorwerpen volledig aan de betrokkene in de ontnemingsprocedure voorbehouden blijft.”

4.12.

Terug naar de onderhavige zaak. Tegenover de investeringen die [betrokkene 1] in de klaagster heeft gedaan, staan aandelen in en vorderingen op de klaagster. Op die vermogensbestanddelen van [betrokkene 1] kan conservatoir beslag gelegd worden.10 Van schijnconstructies blijkt niet. Het is dus nog maar de vraag of de verhaalsmogelijkheden zijn verkleind dan wel het verhaal is bemoeilijkt en zo dit het geval is, of dat het kennelijke doel van de investeringen was. In het verlengde daarvan ligt dat het feit dat de klaagster de criminele herkomst van een deel van het geld kende, nog niet betekent dat hij “te kwader trouw” was in de betekenis waarin die term in de wetsgeschiedenis wordt gebruikt. De vaststelling van de rechtbank lijkt een verdenking wegens witwassen te rechtvaardigen, maar voldoende aanwijzingen dat de klaagster wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het kennelijke doel van dit witwassen verhaalsfrustratie was, levert die verdenking niet op.

4.13.

Als het middel welwillend wordt gelezen, klaagt het ook over het zojuist gesignaleerde motiveringsgebrek. Ik meen dat voor die welwillende lezing reden is, mede gelet op art. 1 lid 1 Eerste Protocol EVRM, dat vraagt om een invulling van de beklagprocedure die daadwerkelijk rechtsbescherming biedt. In elk geval meen ik dat er onvoldoende grond is om het motiveringsgebrek waarover het middel wel expliciet klaagt, met de mantel der liefde te bedekken.

4.14.

Het voorgaande brengt mee dat het middel slaagt. Dat betekent dat de klacht die in de toelichting op het middel onder 1.13 wordt geformuleerd omtrent de proportionaliteit van het beslag geen bespreking behoeft. Ik merk slechts op dat, indien juist is dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan het vijfde lid van art. 94a (hiervoor, onder 4.5), zij heeft nagelaten vast te stellen dat het in dat lid bedoelde maximum niet is overschreden.

5. Het middel slaagt.

6. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden beschikking moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit vonnis is als bijlage 3 aan het klaagschrift van de klaagster gehecht.

2 Nadat het beslag is gelegd, is bij Wet van 26 juni 2013, Stb. 278, een nieuw derde lid in art. 94a Sv ingevoegd. De bestaande leden 3 en 4 zijn daarbij vernummerd tot 4 en 5. Ik zal die nummering aanhouden.

3 Wet van 8 mei 2003, Stb. 202.

4 Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 17.

5 Wet van 31 maart 2011, Stb. 171.

6 Kamerstukken II 2009/10, 32194, nr. 3, p. 10.

7 Wet van 26 juni 2013, Stb. 278.

8 Kamerstukken II 2009/10, 32194, nr. 3, p. 12

9 Kamerstukken I 2010/11, 32194, C, p. 10-11.

10 Zoals onder 3.5 is vermeld, is inderdaad op een vordering die [betrokkene 1] op de klaagster heeft, beslag gelegd. Dat lijkt dus dubbelop.