Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:857

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
18/00994
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1806
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over een ex art. 38v Sr opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in het licht van art. 8 EVRM. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht van zijn ex-vrouw, de moeder van zijn minderjarige kinderen die bij haar verblijven. Het hof heeft de verdachte een maatregel opgelegd die inhoudt dat hij gedurende vijf jaar geen contact zal hebben met zijn kinderen, tenzij in het kader van een omgangsregeling en met betrokkenheid van de gezinsvoogd. De AG is van mening dat het oordeel van het hof uit oogpunt van de subsidiariteit en proportionaliteit van de maatregel niet tekort schiet en stelt zich op het standpunt dat de opgelegde maatregel niet in strijd is met het recht op familieleven als gewaarborgd in art. 8 EVRM. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00994

Zitting 1 oktober 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

De verdachte is bij arrest van 21 februari 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 89 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr, en een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte (hierna nader te omschrijven) vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd en deze dadelijk uitvoerbaar verklaard. Ook heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp verbeurd verklaard en beslist op een vordering benadeelde partij en aan de verdachte dienovereenkomstig een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest is vermeld.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld1 namens de verdachte en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat zich richt tegen een van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen ex art. 38v Sr.

1.3

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. In cassatie wordt niet bestreden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van zijn ex-vrouw – tevens de moeder van zijn kinderen – met een misdrijf tegen het leven gericht. Hij deed dat door ’s nachts naar haar huis te gaan, waar op dat moment ook twee van de drie minderjarige kinderen sliepen, haar in haar slaapkamer te bedreigen met een aardappelschilmes en tegen haar te zeggen “Ik steek je dood!”, “ik ga 30 jaar zitten”, “ik heb alle deuren op slot gedaan” en “ik heb hier een mes, ik maak je dood!”. Het hof heeft naast de straf aan de verdachte twee vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, die inhouden dat hij gedurende vijf jaren zich niet in de buurt van woning van zijn ex-vrouw mag begeven en geen contact mag hebben met zijn ex-vrouw en hun drie kinderen, anders dan in het kader van een omgangsregeling en onder toezicht van de gezinsvoogd.

2 Het middel

2.1

Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans op ontoelaatbare wijze, een inbreuk heeft gemaakt op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op privé, familie- en gezinsleven door een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr op te leggen, voor zover deze inhoudt dat de verdachte geen contact mag hebben met zijn kinderen. Het middel ziet niet op de vrijheidsbeperkende maatregelen voor zover die zijn opgelegd ten behoeve van de ex-vrouw van de verdachte.

2.2

Voordat ik over ga tot een bespreking van het middel, geef ik bepaling van art. 8 EVRM weer en die van art. 38v Sr, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde feit2:

Art. 8 EVRM luidt:

“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

Art. 38v Sr luidt:

“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:

1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;

2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.

2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:

a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,

b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,

c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,

d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.

3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.

4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.”

2.3

Het dictum van het hof houdt ten aanzien van de opgelegde maatregel waartegen in cassatie wordt opgekomen het volgende in:

“Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

(…)

- [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

- [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] en

- [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,

tenzij een dergelijk contact noodzakelijk is in het kader van afspraken die over de omgang met voornoemde [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] worden gemaakt en voor zover de gezinsvoogd daarbij betrokken is.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 5 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.”

2.4

Onder het kopje ‘Oplegging van straffen en maatregel’ heeft het hof de volgende overwegingen in het bestreden arrest opgenomen:

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van zijn ex, tevens de moeder van zijn kinderen, met een misdrijf tegen het leven gericht. Hij deed dat ’s nachts in haar huis waar op dat moment ook twee van de drie minderjarige kinderen van het slachtoffer en de verdachte sliepen. De zeer bedreigende situatie die de verdachte voor het slachtoffer heeft geschapen, door haar te verrassen in haar eigen slaapkamer en de door hem geuite uiterst bedreigende taal kracht bij te zetten door met een steekwapen op het slachtoffer af te lopen, maakt dat sprake is van een buitengewoon ernstige bedreiging. Het hof neemt de verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij zich niet van dit gedrag heeft laten weerhouden door de gevoelens van angst en onveiligheid die hij daarmee teweegbracht bij het slachtoffer en zijn kinderen. Naar het oordeel van het hof doet de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht aan de ernst en de impact van de bedreiging.

De verdachte bagatelliseert zijn gedrag en plaatst de schuld volledig buiten zichzelf. Alles ligt aan zijn ex-vrouw, zo heeft de verdachte de reclassering verteld, blijkens het reclasseringsrapport van 13 april 2017. Dat rapport houdt ook in dat de verdachte behandeling niet nodig vindt, hij op dit moment niet leerbaar overkomt en geen medewerking verleent aan behandelingen en interventies die wel nodig zijn. Het recidiverisico wordt tegen deze achtergrond als hoog ingeschat. In dit licht acht het hof het verbinden van bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke straf, zoals de verplichting medewerking te verlenen aan een diagnostisch onderzoek - één en ander met het oog op een mogelijke behandeling bij een instelling - zoals in eerste aanleg is gebeurd, niet opportuun, nu dit in de praktijk vrijwel zeker uit zal monden in het executeren van het op te leggen voorwaardelijke deel van gevangenisstraf.

Ter bescherming van het slachtoffer en haar kinderen zal het hof overgaan tot oplegging van de maatregel uit artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in de vorm van een hieronder nader te omschrijven gebieds- alsmede contactverbod voor de duur van vijf jaar. Het hof zal bij het opleggen van deze maatregel rekening houden met de mogelijkheid tot begeleid contact tussen de kinderen van het slachtoffer en de verdachte enerzijds en de verdachte anderzijds, indien dat contact in overleg met én onder begeleiding van de gezinsvoogd gewenst en uitvoerbaar is. Gelet op de uit het reclasseringsrapport sprekende houding van de verdachte, de overwegingen van de reclassering betreffende het recidiverisico zoals hierboven vermeld en het ontbreken van serieuze aanwijzingen dat de verdachte sindsdien op dit vlak een wezenlijke verandering heeft doorgemaakt, acht het hof oplegging van dergelijke maatregelen voor genoemde duur in de gegeven omstandigheden proportioneel en noodzakelijk. Om diezelfde redenen zal het hof de onderhavige maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er ernstig rekening mee gehouden dient te worden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen, dan wel zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer of hun kinderen.

Voorts acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf strekt ertoe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.”

2.5

In de toelichting op het middel wordt in de kern aangevoerd dat het hof door aan de verdachte een contactverbod van vijf jaren met zijn drie kinderen op te leggen, een ontoelaatbare inbreuk heeft gemaakt op art. 8 EVRM omdat deze maatregel niet noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van zijn kinderen. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat voor een dergelijke ingrijpende inmenging sprake moet zijn van omstandigheden die de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigen en dat daarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Uit de bewijsvoering blijkt volgens de steller van het middel namelijk niet dat de kinderen op enige wijze van de bewezen verklaarde bedreiging jegens hun moeder op de hoogte zijn geraakt en dat van één van de kinderen zelfs vast staat dat zij op dat moment kennelijk niet thuis was. Het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn handelen bij zijn drie kinderen ‘gevoelens van angst en onveiligheid’ heeft teweeggebracht en dat om die reden inmenging is toegestaan, is volgens de steller van het middel dan ook onbegrijpelijk. Daarnaast wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel van minder lange duur en deze maatregel noodzakelijk is, onbegrijpelijk is gelet op hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen. Daar bleek immers uit het requisitoir van de advocaat-generaal dat er geen nieuwe meldingen waren binnengekomen van ongewenst gedrag van de verdachte. Gelet op het voorgaande, geeft de motivering van het hof er volgens de steller van het middel onvoldoende blijk van of door het hof is onderzocht of er minder ingrijpende alternatieven voorhanden waren, waardoor enerzijds aan de belangen van de kinderen bij contact met hun vader wordt tegemoetgekomen en anderzijds wordt belet dat de ontstane relatie tussen de verdachte en zijn ex-vrouw uitmondt in een situatie die de minderjarigen in hun persoonlijke- en identiteitsontwikkeling bedreigt.

2.6

Wat mij in de formulering van het middel opvalt, is, dat daarin het contactverbod zoals het hof dat heeft opgelegd wordt geciteerd, echter met weglating van de toevoeging “tenzij een dergelijk contact noodzakelijk is in het kader van afspraken die over omgang met voornoemde [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] worden gemaakt en voor zover de gezinsvoogd daarbij betrokken is.” Weliswaar wordt deze passage in de toelichting op het middel in de citaten van de betreffende onderdelen van het arrest wel weergegeven maar in de nadere formulering van de klacht onder punt 9 van de schriftuur wordt gesteld dat het hof de verdachte een maatregel heeft opgelegd “dat hij - kort weergegeven - met zijn drie kinderen gedurende 5 jaren geen contact mag opnemen (verder: (het) contactverbod)”. Op het gegeven dat het hof zowel bij de oplegging van de maatregel als in de strafmaatoverweging rekening heeft gehouden “met de mogelijkheid tot begeleid contact tussen de kinderen van het slachtoffer en de verdachte enerzijds en de verdachte anderzijds, indien dat contact in overleg met én onder begeleiding van de gezinsvoogd gewenst en uitvoerbaar is” wordt in het middel en de toelichting daarop niet ingegaan. Naar mijn mening is de door het hof geformuleerde uitzondering op het contactverbod wel van wezenlijke betekenis voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel. Ik kom hier later nog op terug, nadat ik eerst een aantal algemene uitgangspunten die ten grondslag liggen aan art. 38v Sr zal weergeven.

2.7

Een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in art. 38v Sr kan slechts worden opgelegd indien dit strekt tot de beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van het – opnieuw – begaan van strafbare feiten. De wet kent geen bijzondere voorschriften voor de motivering van de oplegging van de maatregel. Uit de (schaarse) rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 38v Sr volgt dat voldoende is dat de rechter motiveert dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend naar personen toe zal gedragen.3 De wetgever heeft de maatregel niet willen beperken tot bepaalde in de wet omschreven gevallen maar deze algemeen toepasbaar willen maken, waarbij het aan de strafrechter wordt overgelaten te oordelen in welke concrete gevallen een maatregel passend wordt geacht.4 De in de parlementaire stukken gegeven voorbeelden zien vooral op de bescherming van concrete slachtoffers of getuigen. Een straat- of contactverbod kan zowel strekken tot het voorkomen van recidive als dienen ter bevordering van de rust van het slachtoffer na het begane feit.5 Inherent aan de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel is dat de verdachte in zijn rechten en vrijheden wordt beperkt. De rechter zal zich daarom rekenschap moeten geven van de proportionaliteit en de subsidiariteit van de maatregel.6

2.8

In het onderhavige geval wordt gesteld dat de verdachte door de oplegging van het contactverbod wordt beperkt in zijn in art. 8 EVRM gewaarborgde recht op familieleven, met name het contact met zijn kinderen. Voor een toetsing aan art. 8 EVRM geldt het toetsingsschema dat het EHRM gebruikt bij de beoordeling van een op art. 8 EVRM gebaseerde klacht. Dit schema bestaat uit de volgende stappen7:

(i) in de eerste plaats moet worden vastgesteld of sprake is van een recht dat binnen de reikwijdte van art. 8 lid 1 EVRM valt

(ii) als dat het geval is, dan moet worden bekeken of sprake is van een inbreuk op dat recht

(iii) als dat het geval is, is de volgende stap of de inbreuk voldoet aan de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde rechtvaardigingsgronden, namelijk:

- is de inbreuk in overeenstemming met de wet of is daarvoor een wettelijke grondslag?

- Dient zij een legitiem doel?

- En ten slotte, is zij noodzakelijk in het kader van een democratische samenleving (ook wel geformuleerd als pressing social need) waarbij wordt getoetst aan de specifiek in art. 8 lid 2 EVRM genoemde belangen, het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel.

2.9

Naar mijn mening mag wel als vaststaand worden aangenomen dat tussen de verdachte en zijn drie kinderen ten tijde van het bewezen verklaarde feit family life als bedoeld in art. 8 EVRM bestond, zoals de steller van het middel betoogt.8 Dat de maatregel een inbreuk maakt op het familieleven tussen de verdachte en zijn kinderen, spreekt mijns inziens ook voor zich.9 Wat in het middel ter discussie wordt gesteld is niet zo zeer of het aan de verdachte opgelegde verbod om contact te hebben met zijn kinderen een inbreuk op art. 8 EVRM vormt, maar of de beperkingen die de verdachte in dit verband worden opgelegd de toets van art. 8 lid 2 EVRM kunnen doorstaan. En dan zijn we aanbeland bij de derde stap van het hierboven aangehaalde toetsingsschema.

2.10

Dat de vrijheidsbeperkende maatregel in overeenstemming is met de wet, staat wel vast. Art. 38v Sr biedt de grondslag en de wetgever laat zoals gezegd bij de oplegging daarvan veel vrijheid aan de strafrechter. De maatregel wordt ook geacht een legitiem doel te dienen, te weten het bieden van meer mogelijkheden aan de strafrechter om effectieve en op de situatie toegesneden maatregelen te treffen in reactie op een strafbaar feit. De rechter heeft ten behoeve van het voorkomen van herhaling van strafbare feiten of belastend gedrag jegens bepaalde personen, de mogelijkheid om (onder meer) een contactverbod op te leggen.10

2.11

Waar het dus op neerkomt is of de onderhavige specifieke vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk is in het kader van een democratische samenleving of dat – zoals de steller van het middel beargumenteert – het oordeel van het hof met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit tekort schiet.

2.12

Onderhavige zaak is vergelijkbaar met de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 201611 waarbij het onder andere ging om het opleggen van een contactverbod als bijzondere voorwaarde ex art. 14c Sr (in het kader van een voorwaardelijke veroordeling) met de kinderen van de verdachte. In deze zaak had de verdachte zijn ex-echtgenote bedreigd ten overstaan van Bureau Jeugdzorg omdat hij zijn kinderen te zien wilde krijgen. Geklaagd werd dat niet duidelijk was waarom de kinderen in het contactverbod werden betrokken omdat de bewezenverklaarde feiten alleen jegens hun moeder waren gepleegd.

In mijn aan dat arrest voorafgaande conclusie heb ik gesteld dat ten aanzien van de subsidiariteit geldt dat de maatregel in zeker verband moet staan tot de strafzaak waarin die maatregel wordt opgelegd en dat in casu het hof niet alleen de ex-echtgenote in het contactverbod kon betrekken maar ook hun gezamenlijke kinderen.12 De Hoge Raad liet dit oordeel van het hof in stand, zonder daar verdere overwegingen aan te wijden.

2.13

In dit geval kan uit de bewijsvoering worden afgeleid dat de verdachte ’s nachts het huis van zijn ex-vrouw is binnengegaan en dat hij haar daar heeft bedreigd. Daarnaast heeft het hof bij de motivering van de straf- en maatregeloplegging vastgesteld dat daar op dat moment ook twee van hun drie minderjarige kinderen lagen te slapen. In dat licht neemt het hof het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij zich niet van dit gedrag heeft laten weerhouden door de gevoelens van angst en onveiligheid die hij daarmee teweegbracht bij het slachtoffer en zijn kinderen. Dat oordeel acht ik – gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit – niet onbegrijpelijk. Ook al heeft het hof dat niet met zoveel woorden overwogen, uit het dossier kan worden opgemaakt dat het slachtoffer op een alarmknop op haar telefoon heeft kunnen drukken en dat politieagenten toen zij aankwamen kinderen zagen lopen in het huis en er sprake was van een bedreigende situatie omdat de verdachte de deur op slot had gedaan en dat de politieagenten uiteindelijk de deur hebben moeten forceren omdat werd gevreesd voor de veiligheid van de mensen in de woning.13 Dat de kinderen het voorval hebben meegekregen acht ik zeer waarschijnlijk. Maar zelfs indien de kinderen niet op welke manier dan ook op de hoogte zijn geraakt van deze bedreiging door hun vader jegens hun moeder in hun eigen huis, staat dit het opleggen van de maatregel mijns inziens niet in de weg. Het contactverbod ten aanzien van de kinderen staat immers in voldoende verband met het bewezen verklaarde feit. In zoverre is aan de eis van subsidiariteit voldaan.

2.14

Ten aanzien van de proportionaliteit moet de maatregel in de mate en de duur waarin de verdachte in zijn rechten wordt beperkt, in verhouding zijn met het gepleegde feit en de omstandigheden van het specifieke geval.

2.15

Het hof heeft in dat kader overwogen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen, dan wel zich belastend zal gedragen jegens het slachtoffer of hun kinderen en dat daarom een contactverbod voor de duur van vijf jaren14 passend en geboden is. Het hof baseert dat oordeel op het ten behoeve van de verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 13 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte behandeling niet nodig vindt, hij niet leerbaar overkomt, geen medewerking verleent aan behandelingen en interventies die wel nodig zijn en het recidiverisico hierom als hoog wordt ingeschat. Dat, zoals door de steller van het middel wordt betoogd, uit het requisitoir van de advocaat-generaal blijkt dat er geen nieuwe meldingen waren binnengekomen van ongewenst gedrag van de verdachte, lijkt mij dan ook niet van doorslaggevend belang.

2.16

Belangrijker in dit verband is, zoals ik reeds onder 2.6. hiervoor heb opgemerkt, dat het hof bij de oplegging van de maatregel rekening heeft gehouden met de mogelijkheid tot begeleid contact tussen de kinderen en de verdachte, indien dat contact in overleg met én onder begeleiding van de gezinsvoogd gewenst en uitvoerbaar is. In de cassatieschriftuur wordt hieraan geen aandacht besteed, terwijl deze uitzondering op het contactverbod naar mijn mening wezenlijk is en de maatregel proportioneel maakt.

2.17

Dat het hof verder geen expliciete afweging maakt tussen het belang van de verdachte op onbegeleid contact met zijn kinderen enerzijds en het belang van het slachtoffer respectievelijk de kinderen zelf anderzijds is naar mijn mening geen motiveringsgebrek. Kennelijk heeft het hof deze afweging overgelaten aan de civiele rechter en de maatregel laat ook voldoende ruimte om langs de civiele weg een omgangsregeling vast te stellen.15

2.18

Daarbij wil ik nog opmerken dat het vaste rechtspraak van het EHRM is dat in een geval van een conflict tussen de belangen van de ouder(s) en die van het kind, het recht van de ouder(s) op het gezinsleven geen recht geeft op maatregelen die de gezondheid of ontwikkeling van het kind zouden schaden.16 In gevallen waarin de familie bijzonder ongeschikt is gebleken en de ontwikkeling van het kind in een veilige omgeving in gevaar dreigt te komen, kan het in het belang van het kind zijn contact met de ouders aan voorwaarden te verbinden.17

2.19

Namens de verdachte is door zijn raadsman ten aanzien van het gevorderde contactverbod met zijn kinderen ten overstaan van het hof enkel aangevoerd dat een contact- en locatieverbod volgens de verdachte overbodig is en het alleen maar nog moeilijker zal maken om contact te hebben met zijn kinderen (zie pleitnotities, p. 3). Het proces-verbaal van de zitting bij het hof van 7 februari 2018 houdt verder in dat volgens de raadsman van de verdachte het contact tussen de verdachte en zijn kinderen een groot probleem is, er geen omgangsregeling is en de verdachte weigert onder begeleiding zijn eigen kinderen te zien, waarbij hij zelfs opmerkt dat het klopt dat de belangen van de kinderen wellicht onvoldoende meewegen. Ook blijkt uit het door het hof aangehaalde reclasseringsrapport van 13 april 2017 dat de kinderen getraumatiseerd zijn, bang zijn voor hun vader, bang zijn dat hun moeder geslagen zal worden door hun vader en dat een omgang nu te belastend is voor de kinderen.18 Hoewel het hof deze laatste omstandigheden niet uitdrukkelijk heeft meegewogen in zijn beslissing, kunnen de overwegingen van het hof dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen (ook) jegens zijn kinderen in dit licht worden bezien.

2.20

Tot slot was het hof niet gehouden tot een uitgebreidere motivering zoals door de steller van het middel wordt betoogd, omdat een contactverbod reeds kan worden opgelegd ten behoeve van rust voor het slachtoffer c.q. ter voorkoming van recidive en omdat ook de veiligheid van het slachtoffer zwaarder kan wegen dan het belang van de verdachte bij onbegeleid contact met zijn kinderen. Anders dan de steller van het middel betoogt, gaat het om de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving (pressing social need) en niet of deze noodzakelijk is ter bescherming van de kinderen. Ook in dat licht bezien schiet mijns inziens het oordeel van het hof met betrekking tot de proportionaliteit niet tekort. Dat in dit geval de veiligheid van de ex-vrouw en de kinderen zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij onbegeleid contact met zijn kinderen, vind ik in het kader van de proportionaliteit niet onbegrijpelijk.

2.21

Mijn slotsom is dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel voor zover deze inhoudt dat de verdachte voor de duur van vijf jaren geen contact zal hebben met zijn kinderen, tenzij dit geschiedt in het kader van afspraken over een omgangsregeling en betrokkenheid van de gezinsvoogd daarbij, niet in strijd is met het recht op familieleven als gewaarborgd in art. 8 EVRM.

3 Conclusie

3.1

Het middel faalt.

3.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het cassatieberoep is bij akte van 21 september 2018 partieel ingetrokken, te weten voor zover dat is gericht tegen de beslissing de benadeelde partij, [betrokkene 4] , in haar vordering “voor het overige” niet-ontvankelijk te verklaren.

2 In werking getreden op 1 april 2012 bij Stb. 2011, 546. Het artikel is tussentijds gewijzigd op 1 juli 2015 bij Stb. 2015, 255; op deze datum is lid 2 onderdeel d ingevoegd en is de periode waarvoor de maatregel kan worden opgelegd verhoogd van twee jaren naar vijf jaren.

3 Vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, NJ 2015/432 (waarin het ging om een gebiedsverbod voor een Ajax-supporter en waarbij het hof acht had geslagen op een eerdere veroordeling voor hetzelfde delict) en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt Vellinga-Schootstra (waarin elke motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ontbrak).

4 Kamerstukken II 2010/2011, 32 551, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 6 en 7.

5 F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, tweede druk, Deventer: Kluwer 2016, p. 42.

6 Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 6, o.m. p. 7 (nota naar aanleiding van het verslag). Vgl. ook H.J.B. Sackers, ‘De nieuwe maatregel van het rechterlijk gebieds- of contactverbod’, Sancties 2012/18.

7 Vgl. mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:671 voorafgaand aan HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338, NJ 2015/278 m.nt. Mevis. Zie ook Harris, O’Boyle and Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, vierde druk, Oxford: 2018, p. 502-503.

8 Vgl. Harris, O’Boyle and Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, vierde druk, Oxford: 2018, vanaf p. 505, EHRM 21 juni 1988, Berrehab t. Nederland (application nr. 10730/84). en Van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, vijfde druk, Intersentia 2018, p. 703-704.

9 Vgl. Van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, vijfde druk, Intersentia 2018, p. 706-707 onder verwijzing naar Schneider v. Germany, supra n. 225, para. 90.

10 Kamerstukken II 2010/2011, 32 551, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 1.

11 HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400.

12 ECLI:NL:PHR:2016:590, onder 5.4.3.

13 Zie het stamproces-verbaal op p. 3 van het politiedossier.

14 De advocaat-generaal had overigens vrijheidsbeperkende maatregelen voor de duur van twee jaren gevorderd (de reden hiervoor wordt niet duidelijk).

15 Uit Rb Noord-Holland, 26 juni 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:5668 blijkt dat de verdachte zich na het arrest van het hof tot de civiele rechter heeft gewend en dat de rechtbank het verzoek tot onbegeleid contact heeft afgewezen omdat de verdachte niet bereid bleek mee te werken aan een begeleide omgangsregeling.

16 Van Dijk e.a., Theory and Practice of the European Convention of Human Rights, vijfde druk, Intersentia 2018, p. 703 onder verwijzing naar EHRM 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland (application nr. 12738/10). Vgl. ook EHRM 13 juli 2000, Elsholz t. Duitsland (application nr. 25735/94).

17 Harris, O’Boyle and Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, vierde druk, Oxford: 2018, p. 548-549 onder verwijzing naar EHRM 31 mei 2011, R. & H t. Verenigd Koninkrijk (application nr. 35348/06). Vgl. ook EHRM 6 juli 2010, Neulinger & Shuruk t. Zwitserland (application nr. 41615/07).

18 Dat de kinderen bang zijn voor hun vader is overigens ook door de jongste raadsheer ter terechtzitting bij het hof van 7 februari 2018 aan de raadsman van de verdachte voorgehouden.