Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:854

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
18/02417
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1585
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Verstek en aanwezigheidsrecht. Mocht het hof zonder nader onderzoek op de terechtzitting verstek verlenen tegen de niet verschenen verdachte, terwijl zijn niet-gemachtigde raadsman om een "VIP-controle" heeft verzocht? De plv. AG gaat in op de beperkte betekenis van SKDB (Strafrechtsketendatabank) voor de beantwoording van de vraag of de verdachte ten tijde van de terechtzitting rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02417

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 23 februari 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het verstekvonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingslocatie ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2017, waarbij hij wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof zonder nader onderzoek op de terechtzitting verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, waarbij het heeft aangenomen dat de verdachte zijn aanwezigheidsrecht heeft willen prijsgeven, en de zaak inhoudelijk heeft afgedaan.

  4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 februari 2018 is de verdachte aldaar, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. De raadsman van de verdachte, mr. F.E.J. Janzing, was wel aanwezig en heeft desgevraagd medegedeeld dat hij door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Verder heeft de raadsman medegedeeld dat zijn cliënt op de hoogte is van de zitting en dat zij een afspraak hadden. Het hof heeft vervolgens verstek verleend tegen de verdachte en bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan. De raadsman heeft daarop verzocht de gelegenheid te krijgen om contact op te nemen met zijn cliënt. De voorzitter heeft die gelegenheid geboden door de behandeling van de zaak voor vijftien minuten te onderbreken. Na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de raadsman mee dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met zijn cliënt. Hij vraagt of de advocaat-generaal een “VIP-controle” kan uitvoeren. De advocaat-generaal antwoordt hiertoe bereid te zijn. Het hof beslist echter dat aan het verzoek van de raadsman om te laten controleren of de verdachte mogelijk is gedetineerd, geen uitvoering behoeft te worden gegeven omdat dit verzoek ‘louter [is] ingegeven door speculatie over een mogelijke detentie van de verdachte’. Daarop wordt het onderzoek ter terechtzitting voortgezet.

  5. Alvorens over te gaan tot de bespreking van het middel sta ik eerst kort stil bij de beperkte betekenis van de door de raadsman gevraagde “VIP-controle”, waarbij “VIP” staat voor “Verwijs Index Personen”, een systeem waarin voorheen administratieve persoonsgegevens van justitiabelen werden opgeslagen voor een uniek strafrechtsketennummer.1 Met de “VIP-controle” zal zijn bedoeld, te controleren of de verdachte op de dag van de terechtzitting (voor de raadsman van de verdachte: onverwacht) rechtens van zijn vrijheid was beroofd. De betekenis van die controle is echter beperkt. Daarbij merk ik eerst op dat sinds een aantal jaren in de strafrechtsketen in plaats van VIP, gebruik wordt gemaakt van zijn opvolger, de strafrechtsketendatabank (SKDB), die op 1 oktober 2010 is ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet op de identiteitsvaststelling.2 Een print uit de SKDB, aangeduid als “Informatiestaat SKDB”, bevat onder meer de personalia, verblijfsgegevens, gegevens over het huidige GBA-adres, gegevens over het detentie-adres indien de betrokkene in een penitentiaire inrichting verblijft, alsmede de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats. Uit een dergelijke informatiestaat kan dus blijken dat de verdachte in verband met een andere zaak is gedetineerd in een penitentiaire inrichting,3 maar niet of hij inmiddels in verzekering is gesteld en in verband daarmee op een politiebureau verblijft. In zoverre verschilt de beperkte betekenis van de “Informatiestaat SKDB” inhoudelijk niet van een “VIP-controle”, waarbij het ook voorkwam dat daaruit niet bleek dat de verdachte op de dag van de terechtzitting in verzekering was gesteld en in verband daarmee op een politiebureau verbleef.4 In de onderhavige zaak vroeg de raadsman abusievelijk nog om een “VIP-controle” in plaats van een controle op basis van SKDB-gegevens, maar de strekking was duidelijk. Het hof heeft het verzoek van de raadsman kennelijk daarom opgevat als een verzoek om een controle op basis van SKDB-gegevens. In het vervolg van deze conclusie wordt, in navolging van het hof, onder “VIP-controle” een controle aan de hand van een informatiestaat SKDB verstaan.

6. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de Basisregistratie Personen, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn (gemachtigde) raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.5 Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich onder meer voordoen indien de verdachte kort voor en tijdens de behandeling van zijn zaak was ingesloten op het politiebureau zonder dat dit de rechter bekend was.6 In dat geval is de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist en dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.7

7. In de voorliggende zaak is de verdachte niet verschenen, maar wel zijn niet-gemachtigde raadsman. De raadsman lijkt min of meer te zijn overvallen door de afwezigheid van de verdachte ter terechtzitting en verzoekt, nadat hij tijdens een door hem verzochte onderbreking van de zitting telefonisch geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen, niet om aanhouding van de zaak ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279, eerste lid, Sv, bedoelde machtiging, maar om een “VIPS-controle”, kennelijk met de bedoeling om na te gaan of de verdachte inmiddels uit andere hoofde is gedetineerd nu hij − anders dan onderling was afgesproken − niet ter terechtzitting is verschenen. Indien de verdachte op dat moment uit andere hoofde was gedetineerd, zou het onderzoek ter terechtzitting immers in beginsel dienen te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn.8

8. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich zowel een informatiestaat SKDB d.d. 22 januari 2018, die is vervaardigd ten tijde van het dagvaarden van de verdachte in hoger beroep, alsmede een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte d.d. 7 februari 2018. Uit beide stukken valt af te leiden dat de verdachte op de betreffende data, en dus betrekkelijk kort voor de terechtzitting van 23 februari 2018, niet was gedetineerd. Bij gebrek aan duidelijke aanwijzingen van vrijheidsbeneming van de verdachte ten tijde van de behandeling ter terechtzitting heeft het hof het verzoek van de raadsman om een “VIP-controle” niet toegestaan. Deze beslissing geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.

9. Voorts wijs ik erop dat in de schriftuur niet is aangevoerd dat de beslissing van het hof tot verstekverlening tegen de verdachte achteraf bezien onjuist was omdat de verdachte zich ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting daadwerkelijk in detentie zou hebben bevonden. Ambtshalve heb ik desalniettemin de detentiegegevens van de verdachte opgevraagd, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep niet gedetineerd was. Er zijn daarmee ook thans geen aanwijzingen dat de beslissing van het hof om verstek te verlenen en de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte te behandelen, achteraf bezien onjuist is.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie Stb. 2005, 175 en Kamerstukken II, 2004/05, 29 805, nr. 3, p. 9-10.

2 Stb. 2009, 317, artikelen 27a en 27b.

3 Zie HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:561.

4 Vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1660.

5 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002AD5163, NJ 2002/317, m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.33.

6 Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128, NJ 2017/279. Dit ligt weer anders indien de verdachte reeds enkele weken voordat de terechtzitting plaatsvindt gedetineerd is geraakt, omdat dan kan worden aangenomen dat de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om een aanhoudingsverzoek te (doen) indienen (HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486, m.nt T. Kooijmans).

7 Vgl. o.a. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, NJ 2013/72.

8 HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. T.M. Schalken, r.o. 3.33-3.34.