Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:852

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
18/02023
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1589
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Het hof hoort op de terechtzitting op initiatief van de verdediging telefonisch de secretaresse van de zorginstelling waarbij de verdachte werd behandeld. Strijd met art. 131a Sv? Strijd met art. 290 lid 4 Sv? De A-G stelt zich op het standpunt dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij de klacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02023

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

  1. Bij arrest van 2 mei 2018 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, bevestigd, voor zover de verdachte daarbij wegens kort gezegd overtredingen van de Wet wapens en munitie, dierenmishandeling en wederspannigheid is veroordeeld en voorts de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd en onder voorwaarden als in het arrest weergegeven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, advocaten te Rotterdam, hebben tweemiddelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel

3.1

Het middel klaagt dat het hof ter terechtzitting in hoger beroep een persoon door middel van een telefonische verbinding heeft gehoord zonder dat die persoon als getuige is beëdigd.

3.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Omtrent zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de verdachte:

(…)

Het gaat goed met mij. Ik gebruik geen drugs en drank meer. Ik ben daarvoor onder behandeling geweest bij [A] vanaf 2015, toen de huiselijk geweld zaak speelde, tot een paar weken geleden. Toen is de behandeling positief afgerond. Ik heb daar geleerd dat ik tot tien moet tellen, om te leren omgaan met mijn opvliegerigheid. Ik krijg geen medicatie. Ik moet vooral mijzelf rustig maken en eerder weglopen.

Ik heb ook weer goed contact met de buurtbewoners. Laatst hebben wij nog een buurt-BBQ gehad. Mijn buurvrouw was daar ook.

(…)

De oudste raadsheer deelt mede:

Verdachte is onder behandeling geweest bij [A] in 2015, na de huiselijk geweld zaak. Dat zou betekenen dat verdachte reeds onder behandeling was tijdens de onderhavige zaak. Het vonnis stamt uit 2016.

De raadsvrouwe deelt mede:

Cliënt is daar zelfstandig naartoe gegaan.

De verdachte verklaart:

Na de zaak met de hond heb ik er spoed achter gezet. Het was geen bijzondere voorwaarde bij dat vonnis, ik heb dat vrijwillig gedaan.

De raadsvrouwe deelt desgevraagd mede dat zij geen stuk kan overleggen waaruit volgt dat verdachte de behandeling bij [A] positief heeft afgerond, maar dat verdachte wellicht beschikt over een e-mailbericht daarover.

De verdachte verklaart:

Ik kan even kijken in mijn e-mails, maar de behandeling is pas recentelijk afgerond. Er zou een afhandelingsrapport naar de huisarts worden gestuurd. Ik zou naar [A] kunnen bellen. Ik ben daar een paar weken geleden voor het laatst geweest. Ik heb de telefoonnummers van medewerkers van [A] .

De raadsvrouwe deelt mede:

Ik begrijp dat het hof dit relevant vindt. De financiële dingen heb ik wel op schrift staan. Ik probeer mee te denken. Als er een rapport beschikbaar was, dan had ik het overgelegd. Cliënt beschrijft hoe het is gegaan. Ik vraag om een korte schorsing van de behandeling, zodat cliënt wellicht vanuit zijn e-mails iets kan aantonen. Ik hoop dat u begrijpt dat cliënt u geen koekje wil voorhouden. Ik zou het prettig vinden als we het kunnen aantonen.

(…)

Hierop onderbreekt het hof het onderzoek korte tijd.

Na hervatting van het onderzoek, deelt de raadsvrouwe mede:

Ik heb momenteel [betrokkene 1] , secretaresse van [A] , aan de telefoon (opmerking griffier: de raadsvrouwe zet haar mobiele telefoon op luidspreker zodat alle aanwezigen kunnen meeluisteren met het gesprek). Zij kan bevestigen dat cliënt van 13 april 2017 tot 6 maart 2018 onder behandeling is geweest bij [A] . Zij kan dat ook nog per e-mail bevestigen.

[betrokkene 1] deelt, via de telefoon, mede:

In het omtrent betrokkene opgemaakte rapport staat bij de omschrijving van de problematiek: stemmingsklachten en stressklachten. Het advies is: medewerking verlenen aan de behandeling van zijn stiefzoon. Bij dreiging van agressie moet betrokkene zich opnieuw aanmelden en dan wordt opnieuw bekeken of hij in staat is om zijn mening bij te stellen. Inmiddels is de behandeling afgesloten.

U, voorzitter, vraagt mij waaruit de behandeling heeft bestaan. De module huiselijk geweld is doorlopen, het reguleren van spanning en de time-out. Ook is er aandacht geweest voor het bijstellen van de visie van betrokkene rondom het opvoeden van zijn stiefzoon en diens gedragsproblemen en heeft hij geleerd om een time-out toe te passen. Dat lukt niet in een spanningsvolle situatie en hij kan nog altijd verbaal explosief reageren op het gedrag van zijn stiefzoon. Het is niet gelukt om duidelijke afspraken te maken teneinde geweld te voorkomen. Tijdens het laatste contactmoment, samen met de partner van betrokkene, is daar aandacht voor geweest. Betrokkene realiseerde zich onvoldoende dat zijn stiefzoon nog een kind is. Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen gedrag.

Met betrekking tot de responsiviteit is de motivatie van betrokkene en het bagatelliseren een belemmering voor zijn behandeling.

Dat is de inhoud van de eindbrief, geschreven door de psychiater en behandelaar van betrokkene.

De voorzitter deelt mede:

De voorlezing uit de eindbrief is wat mij betreft voldoende. Een nader e-mailbericht is niet nodig dan.

Verdachte heeft vandaag verklaard dat hij zijn behandeling succesvol heeft afgesloten, maar we hebben net gehoord dat zijn motivatie en het bagatelliseren reden is om niet verder te gaan met de behandeling.

De verdachte verklaart:

Ik heb het er elke week over gehad, dus ik snap niet waarom dat nu zo is beschreven.

De raadsvrouwe deelt mede:

Cliënt wordt nu voor het eerst geconfronteerd met de inhoud van het rapport. Ik kan mij voorstellen dat hij hierover vragen heeft aan zijn behandelaar.

De oudste raadsheer deelt mede:

Stel dat het hof, in geval van een veroordeling, zou bepalen dat dient te worden voortgegaan met dit traject, op een net iets andere manier bijvoorbeeld, en dat het hof dit via de reclassering zou willen waarborgen. Is verdachte dan bereid daaraan zijn medewerking te verlenen?

De raadsvrouwe deelt mede dat zij zich kan voorstellen dat verdachte zijn medewerking daaraan wil verlenen.

De verdachte verklaart:

Jazeker, ik heb de behandeling zelf ook aangevraagd. Ik ben bereid om overal aan mee te werken.

(…)

De raadsvrouwe voert het woord tot verdediging:

Ik wil nog even inhaken op het telefoongesprek van zojuist. De begeleiders van cliënt kreeg ik helaas niet te pakken, derhalve spraken we net met de secretaresse.

Het eindrapport is nog niet met cliënt besproken. We vernamen onder meer iets over het bagatelliseren door cliënt en er zou geen motivatie zijn, maar we hebben ook gehoord dat hij een aantal onderdelen van de behandeling goed heeft afgerond. Voor de opvoeding van zijn stiefzoon is ook aandacht geweest. Bij die jongen speelt bepaalde problematiek. Jeugdzorg en de voogd zijn daarbij ook betrokken. Cliënt heeft ook stappen gezet in het kader van huiselijk geweld, op vrijwillige basis. Hij heeft daar veel over gesproken, ook met zijn partner. Cliënt wil dat niet meer laten gebeuren. Ik kan mij de bijzondere voorwaarden voorstellen en cliënt wil daaraan ook meewerken, maar ik meen dat die dan wel goed genoteerd moeten worden: dus waar nog mogelijk en indien nog nodig. Immers, niet precies duidelijk is hoe de afsluiting van de behandeling is gegaan.

(…)

Ik verzoek het hof derhalve om, in geval van een veroordeling, aan cliënt een taakstraf van forse duur op te leggen als dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ik kan mij vinden in de oplegging van bijzondere voorwaarden, maar ik vraag het hof wel om die voorwaarden ruim op te schrijven, zodat er geen onduidelijkheden zijn richting de reclassering, dit om problemen te voorkomen. Het gaat om de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en voor zover nodig een voortzetting van de behandeling bij [A] .”

3.3

Het hof heeft de verdachte zoals onder 1 reeds is gesteld veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken, waarvan 12 weken voorwaardelijk. Aan die strafoplegging heeft het hof de volgende bijzondere voorwaarde verbonden:

“Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als de aanwijzingen inhouden het ambulant voortzetten of vervolgen van de door verdachte gevolgde behandeling/training bij [A] dan wel bij een soortgelijke instelling.”

Met betrekking tot de strafoplegging heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, ziet het hof wel aanleiding om een deel van die gevangenisstraf voorwaardelijk aan verdachte op te leggen en daaraan de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te verbinden. Hoewel het te prijzen is dat verdachte vrijwillig een behandeling bij [A] heeft ondergaan, is gebleken dat die behandeling nog niet op alle onderdelen positief is afgerond. Het hof ziet derhalve - met het oog op het voorkomen van recidive - meerwaarde in het voortzetten of vervolgen van de behandeling.”

3.4

Art. 131a lid 1 Sv bepaalt dat waar in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van personen, daaronder (bij algemene maatregel van bestuur te maken uitzonderingen daargelaten) mede begrepen wordt horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen.1 Om een videoconferentie gaat het in de onderhavige zaak niet. Er is immers enkel een geluidsverbinding tot stand gebracht, en geen beeld- en geluidsverbinding, laat staan een beeld- en geluidsverbinding die voldoet aan de door art. 131a lid 4 Sv vereiste, bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen.2

3.5

Art. 131a lid 1 Sv is geformuleerd als een uitbreiding van de bevoegdheid tot het horen, verhoren en ondervragen van personen. Die uitbreiding beperkt zich tot horen per videoconferentie. Daaruit kan afgeleid worden dat de verhorende ambtenaar onbevoegd is om personen door middel van enkel een geluidsverbinding te ondervragen. Ik merk daarbij op dat de wetgever niet voor niets voor de combinatie van beeld en geluid lijkt te hebben gekozen. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat tot de invoeging van art. 131a Sv heeft geleid, wordt melding gemaakt van de binnengekomen adviezen. Daaruit blijkt van terughoudendheid. De Raad voor de Rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak gaven aan “dat videoconferentie ten opzichte van een directe confrontatie een geringere communicatiewaarde heeft” en dat “in gevallen waarop het aankomt op de toetsing van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring, terug moet kunnen worden gegrepen op directe confrontatie”. Het College van procureurs-generaal stelde dat, “hoezeer de techniek tegenwoordig ook bij een videoconferentie de belangen van de procesdeelnemers kan waarborgen, het feit blijft dat een videoconferentie anders is dan fysiek horen”. De NOvA drong erop aan de videoconferentie te beperken tot in de wet aangegeven gevallen.3 De regering ontkende niet dat er gevallen waren waarin fysiek horen de voorkeur verdiende (een rechter die dat noodzakelijk oordeelde kon daartoe besluiten), maar zette omstandig uiteen dat een videoconferentie niet in strijd hoefde te komen met art. 5 en art. 6 EVRM, “mits aan bepaalde kwaliteitseisen wordt voldaan”.4 Zij wees daarbij op de gehouden experimenten, die positief waren uitgevallen mede doordat de videoconferentie zowel in technisch als in psychologisch opzicht een aanvaardbaar alternatief bleek te vormen voor een vis á vis-verhoor.5 Een verhoor door middel van enkel een geluidsverbinding levert, zo ligt daarin besloten, niet een dergelijk alternatief op.

3.6

De conclusie moet naar mijn mening dan ook zijn dat het hof aan de hem in art. 415 lid 1 Sv in verbinding met (kort gezegd) Titel IV van Boek 2 gegeven bevoegdheid om getuigen op de terechtzitting te horen, niet de bevoegdheid kan ontlenen om getuigen telefonisch te ondervragen.

3.7

Nu zou misschien verdedigd kunnen worden dat in de onderhavige zaak geen sprake was van een (onbevoegd) getuigenverhoor, maar van een op de terechtzitting gedane eigen waarneming door het hof. Als de raadsvrouw van de verdachte vóór de aanvang van de terechtzitting (of tijdens de onderbreking daarvan) telefonisch met de secretaresse van de zorginstelling had gesproken en dat gesprek had opgenomen, zou het op de terechtzitting ten gehore brengen van dat opgenomen gesprek een gebeuren zijn geweest dat via de eigen waarneming van de rechter in de oordeelsvorming had kunnen worden betrokken. Van het ten gehore brengen van een van te voren opgenomen gesprek was echter geen sprake. De secretaresse werd bij wijze van spreken live uitgezonden. Uit de weergave van het telefoongesprek in het proces-verbaal van de zitting blijkt niet of haar door de voorzitter, een van de andere rechters, de advocaat-generaal dan wel de raadsvrouw van de verdachte vragen zijn gesteld, maar de mogelijkheid daartoe heeft wel bestaan. Er lijkt in elk geval enige vorm van communicatie tussen de voorzitter en de secretaresse te zijn geweest. De voorzitter deelde immers mee dat de voorlezing van de eindbrief voldoende was en dat een emailbericht daarom niet nodig was. Aannemelijk is dat die mededeling op de terechtzitting aan de secretaresse is ‘geworden’.

3.8

Ik stel voorop dat de wettelijke regeling van het getuigenverhoor niet via de eigen waarneming van de rechter mag worden omzeild. Dat geldt ook voor de regeling van de videoconferentie. Zo zal de rechter in de gevallen waarin art. 2 Besluit videoconferentie het gebruik van deze vorm van horen verbiedt, de verdachte niet door middel van een beeld- en geluidsverbinding mogen ondervragen onder het mom dat slechts sprake is van eigen waarneming ter terechtzitting. Zo ook zal de rechter in gevallen waarin de wet een videoconferentie mogelijk heeft gemaakt en met de nodige waarborgen heeft omkleed, de persoon in kwestie niet door enkel een geluidsverbinding mogen horen met het argument dat het gesprokene hem via de eigen waarneming ter kennis wordt gebracht. De figuur van de eigen waarneming is kortom niet bedoeld voor gevallen waarin de facto sprake is van het horen, verhoren of ondervragen van een persoon op de terechtzitting , ongeacht of die persoon fysiek aanwezig is op de terechtzitting of niet. De vraag waarop het zo gezien aankomt, is wanneer gezegd kan worden dat de facto sprake is van (ver)horen op de terechtzitting. Ik zou menen dat een duidelijk criterium hier aangewezen is en dat daarom van een dergelijke situatie gesproken moet worden in alle gevallen waarin een persoon met kennelijk goedvinden van het rechterlijk college live een verklaring aflegt op de terechtzitting, dus ook als niet blijkt dat aan die persoon vragen zijn gesteld. Mijn conclusie is dan ook dat in de onderhavige zaak geen beroep gedaan kan worden op de eigen waarneming van de rechter. Er is sprake geweest van een vorm van getuigenverhoor waartoe het hof niet bevoegd was.

3.9

Nu klaagt het middel niet, althans niet direct, over dit gebrek aan bevoegdheid. De klacht is dat het hof de getuige niet heeft beëdigd. Die klacht lijkt mij aan de kern van de zaak voorbij te gaan. Want juist omdat het hof onbevoegd was om de getuige telefonisch te horen, was het hof naar het mij voorkomt ook onbevoegd om de getuige te beëdigen. Art. 290 lid 4 Sv, dat beëdiging van de getuige voorschrijft, kan alleen maar betrekking hebben op het verhoor van een getuige waartoe de rechter bevoegd is. Als het verhoor niet is toegelaten, moet ook beëdiging achterwege blijven. Ik merk daarbij op dat de rechter via enkel een geluidsverbinding niet kan nagaan of de getuige de eed op de bij de wet voorgeschreven wijze aflegt, tenminste niet als de getuige niet kiest voor de belofte, maar voor de eed. Stak de getuige wel de beide voorste vingers van zijn rechterhand in de lucht? Dat roept problemen op bij een eventuele vervolging wegens meineed (art. 207 Sr). Maar niet alleen dat. De vraag is ook of wel sprake is van een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert. Als juist is dat art. 290 lid 4 Sv niet voor het onbevoegde getuigenverhoor is geschreven, ontbreekt het aan het bedoelde wettelijke voorschrift. Een vervolging wegens meineed is dan tot mislukken gedoemd. Dat betekent dat ook als het hof in dit geval wel tot beëdiging van de telefonisch gehoorde secretaresse was overgegaan, het aan een belangrijke waarborg had ontbroken. De afgelegde eed was juridisch gezien van generlei waarde geweest.

3.10

Voor zover dus het middel berust op de opvatting dat art. 290 lid 4 Sv in dit geval de beëdiging van de telefonisch gehoorde secretaresse voorschreef, faalt het omdat die opvatting onjuist is. Ik meen echter dat het middel welwillend moet worden gelezen en wel zo dat het er ook over klaagt dat het in het onderhavige geval door de onreglementaire wijze van verhoren aan een waarborg heeft ontbroken waarmee het verhoor van getuigen ter terechtzitting naar het oordeel van de wetgever dient te zijn omringd. In zoverre is het middel gegrond. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat het middel tot cassatie moet leiden. De vraag is namelijk of de verdachte daarbij voldoende belang heeft. Daarover het volgende.

3.11

In HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:683 had de benadeelde partij vragen van de oudste raadsheer beantwoord die niet uitsluitend haar vordering betroffen. Haar verklaring kon daardoor ook van belang zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv. De Hoge Raad oordeelde dat de benadeelde partij als getuige had moeten worden beëdigd (hetgeen was nagelaten), maar oordeelde dat de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang had bij zijn klacht daarover. Volgens de Hoge Raad moest worden aangenomen “dat het Hof geen, dan wel zeer gering gewicht aan die verklaring heeft toegekend, nu het Hof de gedane uitlatingen van de benadeelde partij niet tot het bewijs heeft gebezigd en het Hof ook overigens in zijn arrest niet daaraan heeft gerefereerd”. Een verschil met de onderhavige zaak is dat het hof aan de verklaring die de secretaresse van de zorginstelling aflegde wel meer dan een zeer gering gewicht heeft toegekend, weliswaar niet met betrekking tot het bewijs, maar wel met betrekking tot de strafoplegging. Het hof legde immers een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte (kort gezegd) de behandeling bij de zorginstelling op aanwijzing van de reclassering zou voortzetten. Die strafoplegging motiveerde het hof met de overweging dat “gebleken” is dat de behandeling bij de zorginstelling niet op alle onderdelen positief was afgerond. Het moet ervoor worden gehouden dat het hof hier refereerde aan de door de secretaresse afgelegde verklaring.

3.12

De vraag is echter of het hof ten nadele van de verdachte gebruik heeft gemaakt van de bedoelde verklaring. Dat het hof een groot gedeelte (12 weken) van de gevangenisstraf van 16 weken voorwaardelijk oplegde, kan op zich moeilijk als een nadeel voor de verdachte worden gezien. De niet goed te beantwoorden vraag is wel of het hof een gevangenisstraf van in totaal 16 weken zou hebben opgelegd als het de verdachte niet had willen bewegen om de behandeling bij de zorginstelling voort te zetten. In dit verband merk ik op dat de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke straf van 3 maanden had opgelegd (omgerekend bijna 13 weken) en dat die drie maanden een stuk hoger was dan het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf waartoe het hof de verdachte veroordeelde. Wat de bijzondere voorwaarde zelf betreft, is van belang dat de verdachte bereid was aan een voortzetting van de behandeling mee te werken (hij verklaarde daar zelf al om te hebben gevraagd) en dat de raadsvrouw zich in de oplegging van de bijzondere voorwaarde kon vinden. De vraag is of de verdachte met de straf die de raadsvrouw bepleitte (een forse taakstraf al dan niet met een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarde) beter af was geweest.6

3.13

Bij het voorgaande moet niet uit het oog worden verloren dat het verzuim van het hof niet is dat het de secretaresse niet als getuige heeft beëdigd, maar dat het de secretaresse telefonisch als getuige heeft gehoord. Die onjuiste gang van zaken is geïnitieerd door de verdediging, die wilde aantonen dat de behandeling bij de zorginstelling succesvol was afgerond. Het hof is de verdediging daarin tegemoetgekomen. Dat de verklaring van de secretaresse anders uitpakte, kan geen reden zijn zich daarover te beklagen. Daar komt bij dat de verklaring van de secretaresse zich beperkte tot het voorlezen van een brief die ook per e-mail aan het hof had kunnen worden gezonden. Er is daarbij weinig reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring. De raadsvrouw van de verdachte heeft die twijfels in elk geval niet geuit. Zij ging er vanuit dat de inhoud van de brief correct was weergegeven. Ik merk daarbij op dat in cassatie niet is gesteld dat de weergave van de brief niet juist was, laat staan dat dit door middel van overlegging van een kopie van de brief is onderbouwd.

3.14

Ik merk ten slotte op dat zelfs als de inhoud van de brief incorrect was weergegeven, zodat de behandeling van de verdachte naar het oordeel van de zorginstelling wel succesvol was afgerond, het belang van de verdachte bij cassatie niet evident is. In dat geval is het namelijk hoogst onwaarschijnlijk dat de reclassering voortzetting van de behandeling aangewezen zal achten en dat, zo zij toch een aanwijzing van die strekking zou geven, de zorginstelling daaraan haar medewerking zou verlenen. Bovendien biedt art. 14f lid 2 Sr de veroordeelde de mogelijkheid om het hof te verzoeken de bijzondere voorwaarde te wijzigen. Voor die wijziging lijkt alle reden te zijn als de oplegging van de voorwaarde op gronden berust die feitelijk onjuist zijn.

3.15

Het middel faalt bij gebrek aan voldoende belang.

4. Het tweede middel

4.1

Het middel klaagt dat het hof geen beslissing heeft gegeven ten aanzien van de onder de verdachte inbeslaggenomen hond, althans dat niet duidelijk is welke beslissing dat is geweest.

4.2

Het onder 2 bewezenverklaarde feit betreft een overtreding van art. 2.1 lid 1 Wet dieren: de verdachte mishandelde zijn eigen hond. De rechtbank verklaarde die inbeslaggenomen en aan de verdachte toebehorende hond verbeurd nu dit feit met betrekking tot die hond was begaan. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“De voorzitter deelt mede:

De hond van verdachte is door de rechtbank verbeurd verklaard. Verdachte wil zijn hond graag terug. Leeft de hond nog?

De advocaat-generaal deelt mede:

Waarschijnlijk is de hond afgemaakt. Ik weet het niet zeker. Ik kan alleen in het systeem zien dat de ‘vervreemding is afgerond’.

De raadsvrouwe deelt mede:

Ik heb destijds begrepen dat het bedoeling was dat de hond van cliënt eerst naar het asiel zou worden gebracht en dat de hond dan van daaruit geadopteerd zou worden. Dat was althans de bedoeling toen. De hond is zelfs nog geopereerd. Dat is het laatste wat ik heb vernomen. Op de vorige zitting bestond hierover ook al onduidelijkheid. U, advocaat-generaal, deelt mede dat de hond niet meer voor teruggave beschikbaar is. Is ook niet bekend waar de hond naartoe is gegaan?

De voorzitter deelt mede dat dit niet uit de stukken volgt.”

De advocaat-generaal vorderde onder meer de verbeurdverklaring van de hond. De raadsvrouw van de verdachte ging in haar pleidooi niet in op de beslissing die het hof ten aanzien van de hond zou moeten nemen.

4.3

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging en deed in zoverre opnieuw recht. Het haalde als toepasselijke wetsartikelen onder meer de artikelen 33 en 33a Sr aan. In het arrest komt een beslissing tot verbeurdverklaring van de hond echter niet voor. Ook een beslissing ex art. 415 jo. 353 Sv ontbreekt.

4.4

Ik stel voorop dat, als de hond op de voet van art. 117 Sv is vervreemd, dit noch aan verbeurdverklaring, noch aan een bevel tot teruggave in de weg staat.7 Het hof was dus, ook als het op grond van de mededelingen van de advocaat-generaal van oordeel is geweest dat de vervreemding van de hond was ‘afgerond’, nog steeds gehouden een beslissing te geven over de inbeslaggenomen hond.

4.5

Het is mijns inziens, anders dan de stellers van het middel voor mogelijk houden, niet aan twijfel onderhevig dat het hof de hond niet heeft verbeurdverklaard. Die beslissing vereist een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige vermelding in het arrest, en die ontbreekt. Dat de artikelen 33 en 33a Sr zijn aangehaald, maakt dat niet anders. Het moet ervoor gehouden worden dat die artikelen ten onrechte zijn vermeld. Voor zover het middel op een andere lezing van ’s hofs arrest berust, faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.6

De strekking van het middel is als ik het goed begrijp niet om erover te klagen dat verbeurdverklaring van de hond achterwege is gebleven. In elk geval valt niet goed in te zien welk belang de verdachte bij die klacht zou hebben. Voor zover het middel bedoelt te klagen over het uitblijven van een last tot teruggave, ontbreekt eveneens voldoende belang. Nu de strafvervolging van de verdachte met de verwerping van het cassatieberoep eindigt, staat vast dat het belang van de strafvordering zich niet langer tegen de teruggave van de hond verzet, zodat het OM een daartoe strekkende last zal hebben te geven. Over het eventuele uitblijven van die last kan op de voet van art. 552a Sv worden geklaagd.8

4.7

Het middel faalt.

5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Art. 78a Sr bevat een gelijke bepaling met betrekking tot een bevoegdheid tot horen die op het Wetboek van Strafrecht is gebaseerd.

2 De bedoelde regels zijn neergelegd in art. 4 van het Besluit videoconferentie, Stb. 2006, 275. In het Besluit zijn ook andere regels te vinden met betrekking tot de videoconferentie. In art. 2 wordt een aantal gevallen opgesomd waarin verhoor per videoconferentie niet is toegestaan. In art. 3 worden, in aanvulling op het bepaalde in art. 131a lid 2 Sv, nadere procedurevoorschriften gegeven.

3 Kamerstukken II 2004-2005, 29828 nr. 3, p. 2.

4 Idem, p. 3/4. Ik teken daarbij aan dat de aandacht alleen uitging naar het telehoren van de verdachte, waarvoor het wetsvoorstel aanvankelijk alleen was bedoeld. Van de kwaliteit van de beeld- en geluidsverbinding hing af of de niet lijfelijk aanwezige verdachte actief deel kon nemen aan de zitting.

5 Idem, p. 4-6.

6 De advocaat-generaal vorderde (naast de verbeurdverklaring van een hond) een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met dezelfde bijzondere voorwaarde als het hof oplegde, en een taakstraf van 180 uur. Bij die vordering lijkt de raadsvrouw zich aan te sluiten. Bezwaar daartegen maakte zij in elk geval niet.

7 Zie met betrekking tot de verbeurdverklaring HR 10 maart 1992, NJ 1992/543. Uit art. 119 lid 2 Sv blijkt dat vervreemding om niet op de voet van art. 117 Sv niet afdoet aan de verplichting om teruggave te bevelen als het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. De bewaarder moet in dat geval overgaan tot uitbetaling van de prijs van het voorwerp. Bij vervreemding om baat komt het beslag te rusten op de opbrengst (art. 117 lid 4 Sv).

8 Zie o.m. HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3166.