Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:851

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
18/02509
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1808
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Schuldheling van kentekenplaten, art. 417bis Sr. Middel tegen bewijsvoering en de door het hof aangenomen onderzoeksplicht naar de herkomst van de kentekenplaten. Plv. AG: met als uitgangspunt de wettelijke verplichting ex art. 160.1 WVW 1994 jo. art. 22.1.a Kentekenreglement voor de bestuurder van een mottorijtuig op de eerste vordering van een opsporingsambtenaar, dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de kentekenpapieren behoorlijk ter inzage af te geven, heeft het hof mogen aannemen dat op de verdachte de plicht rustte, bij het onderzoek naar de herkomst van de auto, tevens een onderzoek in te stellen naar de herkomst van de kentekenplaten. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02509

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 30 mei 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “schuldheling, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest.

  2. Er bestaat samenhang met een andere zaak tegen de verdachte die onder nummer 18/02508 aanhangig is waarbij de verdachte is veroordeeld wegens schuldheling van een caravan. Die zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld op dezelfde terechtzitting als waar de onderhavige zaak is behandeld. In de samenhangende zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel heeft betrekking op de bewijsvoering van de schuldheling van kentekenplaten. Uit de bewijsvoering kan volgens de steller van het middel niet, althans niet zonder meer, volgen dat de verdachte redelijkerwijs heeft moeten vermoeden dat de kentekenplaten afkomstig waren van enig misdrijf. Het middel stelt de plicht aan de orde die naar het oordeel van het hof op de verdachte rustte om onderzoek te doen naar de herkomst van de kentekenplaten.

  5. De verdachte is veroordeeld wegens schuldheling van zowel een personenauto als van de kentekenplaten die daarop waren bevestigd. De kentekenplaten waren gestolen van een andere Volkswagen en bevestigd op de (eveneens op 5/6 maart 2017 gestolen) Volkswagen waarin de verdachte reed.

  6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 22 maart 2017 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a., een personenauto en kentekenplaten voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

7. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:1

1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 7 maart 2017 (pg, 45-48), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene ] namens [slachtoffer 1] :

(pg. 45-46)

Ik doe aangifte van diefstal van mijn auto. Op 5 maart 2017 om 22.30 uur zag ik mijn auto van het merk Volkswagen 1.2 TSI Style Bluemotion in de kleur grijs en voorzien van [kenteken 1] geparkeerd staan. Op 6 maart 2017 omstreeks 4.45 uur zag ik dat onze auto niet meer op de oprit stond. Onze auto bleek te zijn weggenomen.

(pg. 48 Bijlage goederen)

Merk/type: Volkswagen

Golf Kleur: grijs

Chassisnummer: [001]

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 7 maart 2017 (pg. 49-50), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben eigenaar van een Volkswagen Golf met [kenteken 2] , chassisnummer [002] . Mijn auto stond op 5 maart 2017 om 20.00 uur geparkeerd op de [a-straat 1] te [plaats] . Op 6 maart 2017 om 8.00 uur zag ik dat van mijn auto 2 gele kentekenplaten waren weggenomen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2017 (pg. 43-44), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 22 maart 2017 reden wij over de Gerwenseweg te Nuenen. In tegengestelde richting reed een grijze Volkswagen Golf met [kenteken 2] . Wij zagen in ons politiesysteem dat op 7 maart 2017 aangifte was gedaan van diefstal van kentekenplaten van een Volkswagen Golf tussen 5 maart 2017 om 20.00 uur en 6 maart 2017 om 8.00 uur.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de bestuurder van het voertuig [verdachte] betrof. Wij hebben de bestuurder van het voertuig een stopteken gegeven. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , ben naar de voorzijde van het voertuig gelopen. Ik zag op mijn diensttelefoon dat het chassisnummer van het voertuig waarvoor de kentekenplaten met het [kenteken 2] zijn afgegeven [002] betrof. Ik zag onderin de voorruit een chassisnummer zitten. Ik zag dat dit chassisnummer [001] betrof. Ik heb vervolgens het chassisnummer [001] in de politiesystemen opgevraagd en zag dat het voertuig als gestolen stond gesignaleerd. Ik zag dat het kenteken voor dit voertuig [kenteken 1] betrof.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb aan [verdachte] gevraagd waar de autosleutels van het voertuig waren. Ik zag dat hij uit zijn broekzak twee sleutels pakte die aan een sleutelring zaten. Ik zag dat [verdachte] een van de twee sleutels van de sleutelring probeerde te halen. Ik zei tegen [verdachte] dat hij de sleutels aan de sleutelring moest laten zitten omdat deze in beslag waren genomen. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen: “Dat is mijn huissleutel”. [verdachte] overhandigde beide sleutels aan mij. Ik zag dat dit geen originele Volkswagen sleutel betrof.”

8. De bewijsoverwegingen houden het volgende in:

“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.


De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat slechts kan worden vastgesteld dat verdachte op 22 maart 2017 in de personenauto reed en dat dit nog geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het begrip voorhanden hebben van een goed feitelijke zeggenschap ten aanzien van het goed veronderstelt. Daarvoor kan voldoende zijn dat verdachte het goed (letterlijk) onder zich heeft. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 maart 2017 als bestuurder rijdend in een gestolen personenauto met gestolen kentekenplaten is aangetroffen. Daaruit leidt het hof af dat verdachte op 22 maart 2017 een gestolen personenauto met gestolen kentekenplaten voorhanden heeft gehad.

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte slechts over één autosleutel beschikte en dat dit geen originele autosleutel was van de Volkswagen waarin hij reed. Verdachte heeft niet verklaard hoe hij aan de auto is gekomen en heeft geen autopapieren overgelegd.

Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto waarin hij reed van diefstal afkomstig was evenals de daarop gemonteerde kentekenplaten. Verdachte had bij het ontbreken van een originele autosleutel naar het oordeel van het hof nader onderzoek naar de herkomst van de personenauto moeten doen. Hij heeft dat kennelijk niet gedaan. In dat geval immers had hij in de kentekenpapieren van de auto kunnen zien dat er niet bij de auto behorende kentekenplaten op die auto waren bevestigd.

Door onder voornoemde omstandigheden geen onderzoek te doen naar de herkomst van de personenauto en de kentekenplaten is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn in deze geldende onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.”

9. Tegen de bewijsvoering worden drie deelklachten aangevoerd die alle betrekking hebben op de begrijpelijkheid van de bewijsoverwegingen. De eerste deelklacht houdt in dat de verdachte niet de beschikking had over de kentekenpapieren zodat hij ook niet heeft kunnen controleren of de kentekenplaten bij de auto behoorden. De tweede deelklacht houdt in dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de auto, niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat de verdachte ook redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaten van misdrijf afkomstig zijn. De derde deelklacht ligt in het verlengde van de tweede en houdt in dat het hof niet heeft vastgesteld dat er aanwijzingen waren dat ook de kentekenplaten mogelijk van misdrijf afkomstig zouden zijn, bijvoorbeeld omdat de kentekenplaten van elkaar verschillen, de kentekenplaten amateuristisch waren bevestigd of beschadigd waren.

10. Het middel is gericht tegen de bewijsvoering, maar stelt uiteindelijk de door het hof vastgestelde onderzoeksplicht aan de orde die op de verdachte rustte naar de herkomst van de kentekenplaten. Het heeft geen betrekking op de schuldheling van de personenauto waarop deze kentekenplaten bevestigd waren.

11. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte "ten tijde van" bijvoorbeeld het voorhanden "krijgen" redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een "door misdrijf verkregen goed" betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden hebben van het voorwerp.2

12. In de bewijsvoering van schuldheling zijn veelal de navolgende twee stappen te onderscheiden die van belang zijn voor de beoordeling van het middel.3

13. De eerste stap bestaat uit de vaststelling van feiten en omstandigheden waaronder de verdachte een voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gekregen, die voor de verdachte een onderzoeksplicht hebben doen ontstaan. Daarmee wordt van hem doorvragen of nader onderzoek geëist. In Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht merkt Fokkens op dat een onderzoeksplicht naar de herkomst van een goed, niet te snel moet worden aangenomen.4 De Hoge Raad eist niet van een ieder die een “goed verwerft, voorhanden heeft of overdraagt, dan wel een persoonlijk recht op of zakelijk recht ten aanzien van een goed vestigt of overdraagt”, een onderzoek in te stellen naar de herkomst van dat voorwerp.5 De feiten en omstandigheden moeten dusdanig zijn dat bij een redelijk denkend mens het vermoeden zou ontstaan dat aan de legale herkomst van het goed moet worden getwijfeld.6 Als maatstaven heeft de Hoge Raad gewezen op feiten en omstandigheden die “van dien aard zijn, dat eenig nadenken voldoende zou zijn om het vermoeden te kunnen doen ontstaan, dat het goed zou zijn gestolen” of die “noopten een bijzondere voorzichtigheid in acht te nemen”.7 Onder dergelijke feiten en omstandigheden rust op de verdachte de plicht een onderzoek in te stellen naar de herkomst van het goed. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 11 juli 1944:

“dat de norm van het in art. 417bis Sr. omschreven strafbaar feit medebrengt, dat in het algemeen iemand alvorens een partij goederen te koopen, gehouden is, zich rekenschap te geven van de herkomst van het goed en de betrouwbaarheid van den verkooper en ingeval, dat de hem bekende feitelijke omstandigheden van dien aard zijn, dat eenig nadenken voldoende zou zijn om het vermoeden te kunnen doen ontstaan, dat het goed zou zijn gestolen, zich van een koopen zonder nader onderzoek omtrent de herkomst te onthouden, wil hij niet, voor het geval het goed inderdaad van diefstal afkomstig is het in genoemd artikel omschreven schulddelict plegen”.

14. De tweede stap betreft het daaraan verbinden van de gevolgtrekking dat de verdachte heeft gehandeld met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Het tekortschieten in de onderzoekplicht vormt de schakel tussen de feiten en omstandigheden en de bewezenverklaring dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het voorwerp “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof”.8 In dat geval heeft de verdachte niet alleen “de mogelijkheid van de misdadige herkomst van het voorwerp […] kunnen en moeten voorzien”, maar heeft de verdachte ook “redelijkerwijs het verwezenlijkt zijn van die mogelijkheid […] aannemelijk […] moeten achten”, zoals de voorgestelde strafbaarstelling van schuldheling is uitgelegd in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat resulteerde in de wet waarbij art. 417bis Sr werd ingevoegd. Het strafbare verwijt dat aan de verdachte dan wordt gemaakt is dat hij door zijn onvoorzichtigheid misdrijven begunstigt of bevordert.9

15. In de onderhavige zaak had de verdachte op 22 maart 2017 een gestolen auto met de daarop bevestigde gestolen kentekenplaten voorhanden. De feiten en omstandigheden die in de bewijsvoering zijn vastgesteld en die volgens het hof voor de verdachte tot een onderzoeksplicht hebben geleid, zijn achtereenvolgens dat de verdachte “slechts over één autosleutel beschikte en dat dit geen originele autosleutel was van de Volkswagen waarin hij reed”, dat de verdachte niet heeft verklaard hoe hij aan de auto is gekomen en dat de verdachte geen autopapieren heeft overgelegd. Onder deze omstandigheden had de verdachte volgens het hof nader onderzoek naar de herkomst van de auto dienen te verrichten, dat, gelet op hetgeen hierna volgt, tevens een onderzoek naar de daarop bevestigde kentekenplaten meebracht (de eerste stap). Het hof heeft voorts overwogen dat de verdachte na het raadplegen van de kentekenpapieren van de auto had kunnen zien dat er niet bij de auto behorende kentekenplaten op die auto waren bevestigd. Aan het feit dat de verdachte dit kennelijk niet heeft gedaan, heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat de verdachte heeft gehandeld met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid (de tweede stap).10

16. De drie deelklachten van het middel hebben betrekking op de door het hof in de bewijsoverwegingen vastgestelde feiten en omstandigheden waaronder op de verdachte, naar het oordeel van het hof, een onderzoekplicht rustte naar de herkomst van de kentekenplaten en de inhoud van die onderzoeksplicht, die bestaat uit het raadplegen van de kentekenpapieren.

17. Voordat ik inga op de onderzoeksplicht als zodanig, bespreek ik de eerste en derde deelklacht omdat beide falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, zodat vervolgens beter kan worden ingegaan op wat ik zie als de essentie van het middel: de grondslag en inhoud van door het hof vastgestelde onderzoeksplicht naar de herkomst van de kentekenplaten.

18. De eerste deelklacht houdt in dat “de enkele omstandigheid dat verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de auto niet zonder meer tot de conclusie [kan] leiden dat verdachte ook redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaten van misdrijf afkomstig zijn”. Deze deelklacht berust op een te beperkte en daarom ook onjuiste lezing van het arrest omdat het hof de bewezenverklaring van schuldheling van de kentekenplaten niet heeft gebaseerd op “de enkele omstandigheid dat verdachte zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van de auto”. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging een onderzoeksplicht naar de herkomst van de auto aangenomen, mede aan de hand van de kentekenpapieren, hetgeen kennelijk en niet onbegrijpelijk ook een vergelijking inhoudt tussen het in de kentekenpapieren vermelde kenteken en de op de auto bevestigde kentekenplaten. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de verdachte in deze onderzoeksplicht tekort is geschoten en op grond daarvan de verdachte veroordeeld wegens schuldheling van de kentekenplaten.

19. Ook de derde deelklacht berust op een onjuiste lezing van het arrest. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, voor zover dat inhoudt dat indien de verdachte in de kentekenpapieren had gekeken, hij had kunnen zien dat de kentekenplaten niet bij de auto behoorden, omdat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte niet de beschikking had over die kentekenpapieren, zodat hij ook niet heeft kunnen controleren of de kentekenplaten bij die auto behoorden. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging evenwel niet aangegeven dat de verdachte in de kentekenpapieren heeft kunnen kijken, maar dat hij dat had moeten doen (en – als hij ze niet had ontvangen - daarom kennelijk had moeten vragen), omdat hij dan aan de hand van de kentekenpapieren had kunnen controleren of de kentekenplaten behoorden bij de personenauto waarin hij ging rijden.11 Met de door de derde deelklacht bestreden overweging, heeft het hof, met andere woorden, de inhoud aangegeven van de onderzoeksplicht naar de herkomst van de kentekenplaten die naar het oordeel van het hof op de verdachte rustte in verband met zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van de auto.

20. De tweede deelklacht heeft in feite betrekking op de feiten en omstandigheden op grond waarvan naar het oordeel van het hof op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van de kentekenplaten. De bewoordingen die in de tweede deelklacht worden gebruikt, sluiten niet helemaal aan bij de wijze waarop ik hierboven onder 13-15 de bewijsvoering van het hof uiteen heb gezet, wat van belang is voor de beoordeling van de stappen die het hof in zijn bewijsvoering heeft gemaakt om te onderbouwen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen. De deelklacht wijst op “aanwijzingen” die ik heb aangemerkt als “feiten en omstandigheden”. Vanwege de uiteenlopende terminologie, zet ik eerst uiteen wat volgens mij de inhoud van de tweede deelklacht is.

21. De tweede deelklacht houdt woordelijk in dat “het hof niet heeft vastgesteld dat aanwijzingen aanwezig waren dat (ook) die kentekenplaten mogelijk van misdrijf afkomstig zouden zijn (bijv. omdat sprake is van verschillende kentekenplaten, de kentekenplaten amateuristisch waren bevestigd, de kentekenplaten beschadigd waren etc.).” Daarmee wordt geklaagd dat de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld onvoldoende zijn om daarop een onderzoeksplicht van de verdachte naar de herkomst van de kentekenplaten te mogen aannemen.

22. Deze deelklacht berust op de veronderstelling dat de feiten en omstandigheden die het hof in zijn bewijsmiddelen en bewijsoverweging heeft vastgesteld, specifiek betrekking moeten hebben op de kentekenplaten zelf om daarop een onderzoekplicht naar de herkomst van de kentekenplaten te mogen baseren. Die veronderstelling komt mij – zoals hierna nog zal blijken − niet juist voor.

23. Op grond van het bepaalde in art. 160, eerste lid, WVW 1994 jo. art. 22, eerste lid aanhef en onder a, Kentekenreglement is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht op de eerste vordering van, kort gezegd, een opsporingsambtenaar, dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de kentekencard en het kentekenbewijs deel II, indien dat is uitgereikt, behoorlijk ter inzage af te geven.12 De verplichting tot het behoorlijk ter inzage afgeven van – kort gezegd – kentekenbewijzen, is ingevoerd met de Wet van 26 september 1974, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet (Kentekenplicht voor op de weg staande motorrijtuigen; registratie van kenteken)13. Deze als kentekenregeling aangeduide wet, werd opgesteld als middel tot bestrijding van “diefstal en verduistering van motorrijtuigen en de daarbij behorende kentekenbewijzen” waarin de toen bestaande regeling tekort schoot.14 Bij de parlementaire voorbereiding van de kentekenregeling werd opgemerkt dat het kenteken in het systeem van de Wegenverkeerswet een “identificatie-functie” heeft.15

24. Uit de wettelijke verplichting voor de bestuurder van een motorrijtuig om het kentekenbewijs op eerste vordering van een opsporingsambtenaar behoorlijk ter inzage af te geven, volgt dat de bestuurder van een motorrijtuig dat kentekenbewijs te allen tijde bij zich moet hebben. De bestuurder van een motorrijtuig moet zich ervan vergewissen dat hij de juiste papieren bij zich heeft en moet dat doen aan de hand van de kentekengegevens waarvan de wetgever heeft aangegeven dat die een identificatie-functie hebben. Met deze wettelijke verplichting als uitgangspunt heeft het hof mogen aannemen dat op de verdachte de plicht rustte, bij het onderzoek naar de herkomst van de auto, tevens een onderzoek in te stellen naar de herkomst van de kentekenplaten.16 De door het hof aangenomen onderzoeksplicht naar de herkomst van de kentekenplaten ligt in het verlengde van de door het hof aangenomen onderzoeksplicht van de herkomst van de auto. Daarbij speelt mee dat de verdachte niet heeft verklaard hoe hij aan de personenauto is gekomen. Hij heeft bijvoorbeeld niet verklaard dat hij de auto in een meer alledaagse situatie heeft geleend van een met naam en toenaam genoemde vriend, waarvan hij mocht aannemen dat hij die de auto rechtmatig heeft verkregen, hetgeen een minder grondig onderzoek zou kunnen rechtvaardigen.17

25. Het middel faalt in alle onderdelen.

26. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

27. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 De typografische accentueringen zijn zoals in het origineel. Een door het hof bij de bewijsmiddelen geplaatste voetnoot houdt het volgende in: “In de hierna genoemde bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindprocesverbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district Helmond, registratienummer PL2100- 2017059751, doorgenummerde dossierpagina’s 1-66. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.”

2 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652, NJ 2017/278 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.3.1.

3 Vgl. mijn conclusie van 15 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:435 onder 8.

4 Wetboek van Strafrecht – Noyon, Langemeijer, Remmelink, art. 417bis, aant. 2 (J.W. Fokkens, actueel t/m 1 oktober 2017) onder verwijzing naar achtereenvolgens HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4080, NJ 2009/212 (onderzoek van wat in de tas in de kofferbak zat), HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3745, NJ 2011/286 (betaling van schuld met 56 pakjes sigaretten), HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5625, NJ 2010/305 (schuldheling fiets gekocht van een particulier via marktplaats.nl) en HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1691, NJ 2014/459 m.nt. N. Rozemond (schuldheling fiets gekocht op de zwarte markt Vleuten).

5 Vgl. HR 14 februari 1921, ECLI:NL:HR:1921:232, NJ 1921, p. 415. Vgl. ‘Heling’, Weekblad van het recht 9856, p. 1 waar als maatstaf wordt genoemd “zonder dat de kooper zich naar zijn vermogen zekerheid heeft trachten te verschaffen, dat de verkoop geschiedde door den rechtmatigen houder”.

6 Kamerstukken II 1918/19, 305, 6, p. 12-13 (MvA) “omstandigheden [waaronder] redelijkerwijs van hem [mag] worden gevorderd, dat hij aan de mogelijkheid van misdadige herkomst denkt”. Hof van Cassatie 25 september 1973, Arresten van het Hof van Cassatie 1974, p. 87 e.v. op p. 88 “feitelijke omstandigheden welke noodzakelijk de argwaan […] moeten wekken”.

7 HR 11 juli 1944, ECLI:NL:HR:1944:12, NJ 1944/45/580 (hierna in de hoofdtekst weergegeven). HR 4 april 1995, DD 95.280 r.o. 5 “Het middel is gegrond. Uit de gebezigde bewijs- middelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte met grove verwaarlozing van de ten deze geboden voorzichtigheid de in de bewezenverklaring bedoelde goederen heeft gekocht, nu uit die bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte die goederen heeft gekocht onder omstandigheden en op voorwaarden die er toe noopten een bijzondere voorzichtigheid in acht te nemen.” Kamerstukken II 1918/19, 305, 6, p. 12-13 (MvA) “omstandigheden [waaronder] redelijkerwijs van hem [mag] worden gevorderd, dat hij aan de mogelijkheid van misdadige herkomst denkt en dienovereenkomstig zijn maatregelen treft.”

8 HR 22 november 1943, ECLI:NL:HR:1943:198, NJ 1944/70 “dat het aan verdachte’s grove schuld is te wijten, te weten door het nalaten van een onderzoek, dat hij had behooren in te stellen, dat hij niet heeft begrepen, dat de door hem gekochte schoenen door diefstal waren verkregen”.

9 Vgl. Kamerstukken II 1918/19, 305, 3, p. 3.

10 Vgl. HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 r.o. 2.3; HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, NJ 1986/428 r.o. 6.1; HR 27 juni 1938, ECLI:NL:HR:1938:62, NJ 1939/124 m.n.t. W.P.J. Pompe. Wetboek van Strafrecht – Noyon, Langemeijer, Remmelink, art. 417bis, aant. 2 (J.W. Fokkens, actueel t/m 1 oktober 2017) verwijst naar HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702, NJ 2003/460 (onderzoekplicht creditcard en bankpas aangetroffen in op Waterlooplein gekochte laptop).

11 De bewijsoverweging houdt in (het gaat om de twee laatste volzinnen): “Verdachte had bij het ontbreken van een originele autosleutel naar het oordeel van het hof nader onderzoek naar de herkomst van de personenauto moeten doen. Hij heeft dat kennelijk niet gedaan. In dat geval immers had hij in de kentekenpapieren van de auto kunnen zien dat er niet bij de auto behorende kentekenplaten op die auto waren bevestigd.”

12 Indien voor het motorrijtuig nog geen kentekencard is afgegeven, geldt de verplichting voor kentekenbewijs deel I, zie Nota van toelichting, Stb. 2013, 523, p. 38.

13 Stb. 1974, 546; i.w.tr. 3 oktober 1974, Stb. 1974, 548 i.c.m. Stb. 1974, 547. Vgl. art. 13 lid 1 i.c.m. art. 9 lid1 onder 2e Wegenverkeerswet (oud). E.J.N.M. Bogaerts, Wegenverkeersrecht, Alphen aan den Rijn: N. Samsom 1955, 194 “een ‘persoonsbewijs’ van het motorrijtuig”.

14 Kamerstukken II 1973/74, 12637, 6, p. 9.

15 Kamerstukken II 1973/74, 12637, 3, p. 4.

16 C.D. Schaap, Heling getoetst. Studie naar het witwassen van geld en de strafbaarstelling door middel van de helingsbepalingen, diss. Rotterdam, SI-EUR proefschriftenreeks Sanders instituut, [z.p.]: Gouda Quint: 1999, p. 320: “Bij de beantwoording van de vraag of er in casu ten aanzien van een bepaald punt sprake is van een verificatie- dan wel onderzoeksplicht geldt in de eerste plaats als uitgangspunt hetgeen de ‘normale burger’ moet vermoeden (objectief criterium). Dit wordt bepaald door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Hiertoe worden bijvoorbeeld gerekend de uitzonderlijk lage prijs waartegen het goed gekocht kon worden en het ontbreken van geldige papieren bij het gekochte vervoermiddel.” (voetnoten weggelaten)

17 Vgl. Schaap, a.w., p. 319: “De Hoge Raad is met betrekking tot de vereisten duidelijk: […] in het algemeen dient men zich rekenschap te geven omtrent de betrouwbaarheid van de persoon van wie men verkrijgt”.