Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:849

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-09-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
18/02508
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1807
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 417bis Sr. Schuldheling. Falende klacht over de aangenomen onderzoeksplicht die op de verdachte rustte naar de herkomst van een caravan. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02508

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 30 mei 2018 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

  2. Er bestaat samenhang met een andere zaak tegen de verdachte die onder nummer 18/02509 aanhangig is waarin de verdachte is veroordeeld wegens schuldheling van een personenauto en kentekenplaten. Die zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld op dezelfde terechtzitting als waar de onderhavige zaak is behandeld. In de samenhangende zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Het middel keert zich tegen de door het hof aangenomen onderzoekplicht die op de verdachte rustte naar de herkomst van de caravan.

  5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op 12 februari 2015 in Nederland een goed, te weten een caravan, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

6. Met betrekking tot de onderzoekplicht waarop het middel betrekking heeft, houden de bewijsoverwegingen van het hof het volgende in:

“De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen deskundige is op het gebied van caravans en dat hij op basis van vertrouwen in een vriend heeft gehandeld en dat daarom geen sprake is van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 12 februari 2015 een nog geen 2 jaar oude caravan heeft gekocht die van diefstal afkomstig bleek te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij van een man van wie hij de naam niet wil noemen een adres had gekregen om een caravan te kopen voor € 8.000,00. Hij mocht de caravan meenemen na een aanbetaling van € 500,00, heeft ter zake geen contract en heeft ook geen afspraken gemaakt over afbetaling van het overige bedrag. Ook is van de aankoop van de caravan geen factuur of kwitantie. De papieren die bij de caravan hoorden zou hij nog krijgen.

Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de caravan van diefstal afkomstig was. Door op een dergelijk zeer ongebruikelijke wijze een relatief nieuwe caravan met een aanzienlijke waarde voor een relatief lage prijs van een hem tot dan onbekend persoon te kopen, is naar het oordeel van het hof sprake van bezwarende omstandigheden, ook voor iemand die mogelijk weinig kennis heeft van caravans. Verdachte had naar het oordeel van het hof onder die omstandigheden nader onderzoek naar de herkomst van de caravan moeten doen, te meer nu hij ook geen kentekenplaten van de caravan ontving. Verdachte heeft bij de politie zelf ook verklaard dat hij wellicht impulsief heeft gehandeld en er niet zo bij heeft stilgestaan dat hij bij de aanschaf van de caravan geen papieren meekreeg. Bij enig nadenken, wat van verdachte gelet op voornoemde omstandigheden mocht worden gevergd, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de caravan een door misdrijf verkregen goed betrof.

Door dit niet te doen is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.”

7. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat:

a) de verdachte een nog geen twee jaar oude caravan heeft gekocht voor een prijs van € 8.000, terwijl de caravan een veel hogere waarde had;

b) de verdachte de verkoper vooraf niet kende;

c) de verdachte, zonder dat hij een contract had of dat er afspraken met de verkoper waren gemaakt over de verdere afbetaling, de caravan mocht meenemen na een aanbetaling van € 500;

d) van de aankoop geen factuur of kwitantie is;

e) de verdachte pas later de papieren die bij de caravan hoorden, zou verkrijgen, en

f) de verdachte van de verkoper geen kentekenplaten van de caravan ontving.

8. Op grond van voormelde vaststellingen heeft het hof aangenomen dat op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van de caravan.

9. Tegen de motivering die het hof aan de onderzoekplicht ten grondslag heeft gelegd, wordt door de steller van het middel aangevoerd dat “van een caravan die in 2014 is ontvreemd en waarvan uit de bewijsmiddelen niet blijkt wat de staat van onderhoud is, [niet], althans niet zonder meer, [kan] worden gesteld dat in 2015 een verkoopprijs van € 8.000,-- dusdanig aanzienlijk lager is [dan] de marktwaarde, dat verdachte ten tijde van het verwerven/voorhanden krijgen van de caravan redelijkerwijs moest vermoeden dat de caravan door misdrijf was verkregen. Dit klemt te meer nu het hof ook heeft vastgesteld dat de caravan opgehaald is vanaf een locatie waarop meerdere kampeerwagens waren gestald.”

10. Het hof heeft door de verklaring van de bestolen eigenaar van de caravan voor het bewijs te gebruiken (bewijsmiddel onder 1) de waarde van de caravan ten tijde van de diefstal vastgesteld op € 22.000. In de kern wordt geklaagd dat deze vaststelling onbegrijpelijk is omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen “niet blijkt wat de staat van onderhoud is”. In cassatie kan niet worden onderzocht of het hof terecht de door de eigenaar opgegeven waarde van de caravan voor het bewijs heeft gebruikt.1 In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de waardebepaling niet onbegrijpelijk is aangezien de caravan ongeveer een jaar oud en dus relatief nieuw was en ter terechtzitting van het hof niets is aangevoerd over de mogelijk slechte staat van onderhoud van de caravan die de waarde van de caravan aanmerkelijk zou verminderen. Ook ligt het niet voor de hand dat de caravan in deze betrekkelijk korte tijd zo slecht is onderhouden dat dit tot een aanmerkelijke waardevermindering zou hebben geleid. Het oordeel van het hof met betrekking tot de “relatief lage prijs” die de verdachte voor de caravan heeft betaald gelet op de “aanzienlijke waarde” die het hof aan de caravan heeft toegekend, acht ik niet onbegrijpelijk en dus ook geschikt als feit en omstandigheid waarop het hof de onderzoekplicht van de verdachte naar de herkomst van de caravan mede heeft gebaseerd.2

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 HR 30 oktober 1984, DD 85.110 r.o. 5: “ Het Hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte met grove verwaarlozing van de te dezen geboden voorzichtigheid een personenauto heeft gekocht, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijze had behoren te begrijpen, dat die personenauto door misdrijf was verkregen. Tot dat oordeel is het Hof in het bijzonder kunnen komen, voor zover uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang kan volgen dat de verdachte een auto ter waarde van ƒ 4.500,-- betrekkelijk kort nadat deze door de eigenaar werd vermist, voor ƒ 300,- heeft gekocht zonder dat de verdachte naar de herkomst van die auto heeft gevraagd of de bij dat voertuig behorende bescheiden heeft ontvangen. Of het Hof terecht de door de eigenaar van de auto […] aan de verbalisant [..] gedane opgave van de waarde van die auto, […], tot het bewijs heeft doen medewerken, kan in cassatie niet worden onderzocht.”

2 Vgl. HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, DD 86.197, NJ 1986/428 r.o. 6.1: “Het hof heeft de ten laste gelegde verwaarlozing van de te dezen geboden voorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van de caravan kunnen afleiden uit de onder 4.3 weergegeven bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, dat twee hem onbekende zigeuners hem de caravan te koop aanboden, dat hij gezegd heeft die caravan niet te willen kopen als er geen geldige papieren bij waren en dat hij die caravan heeft gekocht, hoewel er geen papieren, zoals een registratiebewijs, bij waren. Hieraan vermag hetgeen de verdachte volgens het middel voorts nog ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard niet af te doen.” Het middel waarnaar de laatste volzin van de rechtsoverweging verwijst, houdt het volgende in: “Blijkens de pleitnota van rekwirants raadsman is immers aangevoerd: De caravan had volgens de opgave van de eigenaar blijkens het p.-v. aangifte diefstal een waarde van 10 a 12 duizend gulden. Verdachte zou er 9 duizend gulden voor betalen, de papieren zouden worden nagebracht waartoe een bedrag van 1 1/2 duizend gulden tot zo lang werd ingehouden, vraagprijs derhalve 9 1/2 duizend gulden. Niet irreëel.”