Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:844

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
30-08-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
18/04257
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1840, Gevolgd
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Procesrecht. Veroordeling tot medewerking aan verkoop en levering van woning, met bepaling dat vonnis in plaats van de akte kan komen. Hoger beroep niet-ontvankelijk omdat rechtsmiddel niet tijdig is ingeschreven in rechtsmiddelenregister? Art. 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW. Uitleg veroordelend vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/318
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04257

Zitting 30 augustus 2019

CONCLUSIE

E.B. Rank-Berenschot

In de zaak

[eiser] ,

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt

tegen

1. [verweerster 1]

2. [verweerster 2] ,

verweersters in cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen

Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) en verweersters in cassatie (hierna: [verweersters]) zijn broer en zusters. Partijen zijn samen met nog twee andere broers (hierna ook: de twee broers) gerechtigd tot de woning van hun overleden moeder. [verweersters] en de twee broers willen de woning verkopen aan een potentiële koper, maar [eiser] weigert daaraan mee te werken. Hij wenst de woning zelf te verwerven. In een door [verweersters] aangespannen kort geding veroordeelt de voorzieningenrechter [eiser] tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning en bepaalt hij dat het kortgedingvonnis voor de medewerking en/of toestemming van [eiser] in de plaats kan komen. In het door [eiser] ingestelde hoger beroep legt het hof het dictum van het bestreden kortgedingvonnis aldus uit dat sprake is van een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW en verklaart het [eiser] bij gebreke van tijdige inschrijving van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister niet-ontvankelijk (art. 3:301 lid 2 BW jo. art. 433 Rv). Tegen die beslissing richt zich het cassatieberoep van [eiser] .

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1

(i) [eiser] en [verweersters] zijn samen met hun twee andere broers erfgenamen in de nalatenschap van hun overleden ouders.

(ii) Tot de nalatenschap van de moeder behoort de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning).

(iii) [eiser] is huurder van de woning.

(iv) De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft bij vonnis van 4 maart 2015 geoordeeld dat de woning aan een derde moet worden verkocht.

(v) De woning is medio februari 2018 door makelaar Brecheisen in de verkoop geplaatst. In de bijlage bij de opdracht tot dienstverlening is een document gevoegd, getiteld “verkoopprocedure bij de opdracht tot dienstverlening tot verkoop van het perceel [de woning] ”. Artikel 10 daarvan luidt:

ieder der verkopers heeft het recht om binnen 24 uur na het sluiten van de inschrijving of na ontvangst van een uiterst voorstel zelf eenmalig een uiterst voorstel te doen in een gesloten envelop bij de notaris, onder vermelding van condities, voorwaarden zoals financiering wel of niet en datum van overdracht. Na 24 uur zullen de enveloppen geopend worden. En zullen verkopers binnen 24 uur beslissen aan welke partij het object wordt gegund.

(vi) Op 26 februari 2018 heeft [betrokkene 1] een bod van € 230.000,- uitgebracht op de woning. [verweersters] en de twee broers hebben het bod van [betrokkene 1] geaccepteerd en op 21 maart 2018 hebben zij de koopovereenkomst ondertekend. [betrokkene 1] heeft op 23 maart 2018 getekend. De geplande datum van overdracht was 1 mei 2018.

(vii) [betrokkene 1] heeft afgezien van de ontbindende voorwaarde van financiering. [betrokkene 1] heeft verkopers gevrijwaard van alle aansprakelijkheid omtrent het wel of niet aanwezig zijn van elke vorm van bodemvervuiling in het perceel. [betrokkene 1] heeft verkopers voorts gevrijwaard voor alle aansprakelijkheid die uit de aanwezigheid van enig asbest in de onroerende zaak kan voortvloeien.

(viii) De koopovereenkomst bevat in artikel 19 een ontbindende voorwaarde, inhoudende dat als [eiser] de koopovereenkomst niet ondertekent en toestemming dan wel machtiging van de rechter om tot verkoop en levering aan [betrokkene 1] te komen, niet wordt verkregen, [verweersters] en de twee broers de overeenkomst uiterlijk 1 mei 2018 kunnen ontbinden, zonder dat een boete verschuldigd is.

(ix) Op 12 maart 2018 heeft [eiser] een bod gedaan op de woning van € 235.000,- zonder enig voorbehoud. [eiser] heeft voorts geweigerd de koopovereenkomst met [betrokkene 1] te ondertekenen.

1.2

Bij inleidende dagvaarding van 11 april 2018 zijn [verweersters] een kortgedingprocedure gestart tegen [eiser] teneinde zijn medewerking af te dwingen aan de verkoop en levering van de woning aan [betrokkene 1] . Zij vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. gedaagde te gelasten onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van [de woning] door:

vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis, steeds op eerste verzoek binnen 24 uur mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan de koper, door de koopovereenkomst te ondertekenen alsmede de akte van overdracht en alle eventuele overige stukken die voor verkoop en levering nodig zijn;

B. te bepalen dat als gedaagde niet aan het gevorderde onder A. voldoet, het te wijzen vonnis in kort geding voor de medewerking en/of toestemming van gedaagde in de plaats komt;

C. te bepalen dat als gedaagde niet aan het gevorderde onder A. voldoet, hij per keer dat hij zijn medewerking niet verleent, een dwangsom verschuldigd is van € 10.000, te voldoen aan eisers, ieder voor een bedrag van € 5.000 afzonderlijk;

D. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.2

1.3

[eiser] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [verweersters] dan wel afwijzing van hun vorderingen.

Hij vordert in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad:

A. om eisers te gelasten in de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van partijen onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan toescheiding van het perceel [de woning] aan gedaagde, een en ander krachtens de bieding van gedaagde van een bedrag van € 235.000,00 op grond van de door partijen getroffen regeling in artikel 10 van de verkoopprocedure zoals opgenomen in de medio februari 2018 aan makelaar Brecheisen door partijen verstrekte opdracht tot dienstverlening;

B. om eisers te gelasten binnen 2 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst met koper [betrokkene 1] in te roepen, bij gebreke waarvan eisers een direct voor gedaagde opeisbare dwangsom zullen verbeuren van € 125.000,00 en € 1.000,00 voor elke dag dat eisers nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;

C. om eisers te gelasten vanaf betekening van het ten deze te wijzen vonnis af te zien van elk initiatief tot verkoop van het perceel [de woning] aan een derde, bij gebreke waarvan eisers een direct voor gedaagde opeisbare dwangsom zullen verbeuren van € 125.000,00 en € 1.000,00 voor elke dag dat eisers nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;

D. om eisers te gelasten de ten deze aan makelaar Brecheisen verstrekte verkoopopdracht binnen 2 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis in te trekken, een en ander met vergoeding van de tot dan toe aan deze makelaar verschuldigde kosten, bij gebreke waarvan eisers een direct voor gedaagde opeisbare dwangsom zullen verbeuren van € 25.000,00 en € 1.000,00 voor elke dag dat eisers nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen;

E. met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.3

1.4

[verweersters] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de reconventionele vorderingen van [eiser] .

1.5

Op 16 april 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

1.6

Bij vonnis in kort geding van 25 april 2018 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen in conventie en in reconventie, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk behandeld (rov. 4.1) en is hij na een belangenafweging tot het oordeel gekomen dat de woning aan [betrokkene 1] moet worden overgedragen (rov. 4.2 en 4.5). Daarop heeft de voorzieningenrechter overwogen:

“4.6. Op grond van het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vorderingen van eisers toewijzen zoals hierna in het dictum vermeld. Gedaagde heeft gesteld dat de vordering onder b niet toegewezen kan worden (…) in kort geding. Ook een vonnis in kort geding kan echter in de plaats treden van de medewerking van een partij aan een akte volgens het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De voorzieningenrechter zal daarnaast echter geen dwangsom opleggen. Omdat dit vonnis bij gebreke aan medewerking van gedaagde daarvoor in de plaats treedt, is een dwangsom om tot uitvoering van dit vonnis te komen, niet noodzakelijk.”

In het dictum heeft de voorzieningenrechter op de vordering in conventie van [verweersters] als volgt beslist:

In conventie

5.1.

veroordeelt gedaagde onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van [de woning] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie [001] , door:

Vanaf de datum van dit vonnis steeds op eerste verzoek binnen 24 uur mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan de koper [betrokkene 1] , door de koopovereenkomst te ondertekenen alsmede de akte van overdracht en alle eventuele overige stukken die voor verkoop en levering nodig zijn, met de bepaling dat als gedaagde zijn medewerking niet verleent, dit vonnis voor de medewerking en/of toestemming van gedaagde in de plaats komt;”

De vorderingen van [eiser] in reconventie zijn afgewezen.

1.7

[eiser] is bij appeldagvaarding van 23 mei 2018 op nader aan te voeren gronden in hoger beroep gekomen van het kortgedingvonnis van 25 april 2018 met conclusie dat het hof, na vernietiging, de vorderingen van [verweersters] in conventie alsnog afwijst en de vorderingen van [eiser] in reconventie alsnog toewijst.

1.8

Gelet op het dictum in verband met het bepaalde in de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW zag het hof zich gehouden ambtshalve te beoordelen of [eiser] ontvankelijk was in zijn hoger beroep. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over de ontvankelijkheid bij akte uit te laten.4

1.9

Bij akte houdende reactie op rolopdracht van het hof van 19 juni 2018 heeft [eiser] (een kopie van) een akte van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht in het geding gebracht, waarin de griffier van de rechtbank verklaart dat op 11 juni 2018 in het daartoe bestemde register als bedoeld in artikel 433 Rv aantekening is gemaakt dat tegen het bestreden vonnis hoger beroep is ingesteld.5 Hij heeft zich daarbij echter op het standpunt gesteld dat het kortgedingvonnis van 25 april 2018 geen uitspraak is die in de plaats treedt van (een deel van) een akte zoals bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW, zodat de termijnoverschrijding geen rechtsgevolgen heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep.

[verweersters] hebben op 3 juli 2018 een antwoordakte genomen.

1.10

Bij arrest in kort geding van 14 augustus 2018 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van het vonnis van 25 april 2018.

Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:

“3.6 Om te kunnen vaststellen of sprake is van een uitspraak als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW is uitleg nodig van de beslissing van de voorzieningenrechter zoals weergegeven in rov. 3.2 [het dictum onder 5.1, A-G]. Deze beslissing is een letterlijke toewijzing van hetgeen [verweersters] heeft gevorderd. Anders dan in artikel 3:300 lid 2 BW is in de tekst van de beslissing niet met zoveel woorden opgenomen dat het vonnis in de plaats treedt van de akte die [eiser] samen met [verweersters] en de andere deelgenoten moet opmaken. Er is sprake van medewerking/toestemming die kennelijk nodig is voor verkoop en levering van de woning.

Voor de uitleg van het dictum van het bestreden vonnis zijn ook de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen van belang. In rov. 4.6 overweegt de voorzieningenrechter: “Ook een vonnis in kort geding kan echter in de plaats treden van de medewerking van een partij aan een akte volgens het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). (...) Omdat dit vonnis bij gebreke aan medewerking van gedaagde daarvoor in de plaats treedt, is een dwangsom om tot uitvoering van dit vonnis te komen, niet noodzakelijk.” Nu de voorzieningenrechter expliciet overweegt dat dit vonnis bij gebreke van medewerking van gedaagde daarvoor (bedoeld is: voor de akte) in de plaats treedt, is het hof van oordeel dat het dictum van het bestreden vonnis zo moet worden uitgelegd en gelezen dat met de zinsnede dat het vonnis voor de medewerking en/of toestemming van gedaagde in de plaats komt bedoeld is dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW en de medewerking daaraan van gedaagde. Partijen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die voornoemd oordeel anders maken.

Ter voorkoming van uitlegperikelen als de onderhavige verdient het sterk aanbeveling dat partijen in hun vordering en de rechter in zijn beslissing duidelijk vermelden dat de gevorderde reële executie is gebaseerd op artikel 3:300 lid 2 BW en dat zij met zoveel woorden vermelden dat het vonnis in de plaats treedt van de akte of een gedeelte daarvan.

3.7

[eiser] was, gelet op het bepaalde in artikel 3:301 lid 2 BW, gehouden het hoger beroep tijdig – binnen de wettelijke termijn van acht dagen na het instellen van hoger beroep – in te schrijven in het rechtsmiddelenregister van de rechtbank (voorzieningenrechter) die het vonnis heeft gewezen. [eiser] heeft erkend dat het hoger beroep niet tijdig is ingeschreven. Vanwege deze niet tijdige inschrijving kan [eiser] niet worden ontvangen in zijn hoger beroep, voor zover dat zich richt tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat blijkens het dictum in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen. De vorderingen in conventie en reconventie zijn alle onlosmakelijk met elkaar en met de levering van de woning verbonden, waardoor [eiser] ook niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit beroep zich zou richten tegen de afwijzing van de vordering in reconventie. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.”

1.11

[eiser] heeft bij procesinleiding van 9 oktober 2018 (en dus tijdig6) cassatieberoep ingesteld tegen (i) voor zoveel nodig de (rol)beslissing waaraan het hof in rov. 3.5 refereert7, en (ii) het arrest van 14 augustus 2018. [verweersters] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep en hun standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring (dictum) en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen (rov. 3.6 en 3.7). Het bestaat uit twee onderdelen (2.1 en 2.2).

2.2.1

Onderdeel 2.1 klaagt in de kern dat het hof heeft miskend dat (de inschrijvingseis van) art. 3:301 lid 2 BW een beperkte strekking heeft en slechts van toepassing is op een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel van een zodanige akte (procesinleiding onder 2.1.1).

2.2.2

Deze hoofdklacht wordt als volgt toegelicht en uitgewerkt.

(i) Zoals [eiser] in zijn akte houdende reactie rolopdracht heeft aangevoerd, is het onderhavige vonnis waarvan wordt geappelleerd niet een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte, maar een uitspraak die slechts in de plaats treedt van medewerking aan en/of toestemming tot noodzakelijk te verrichten rechtshandelingen (ondertekening van een nog door de notaris op te stellen notariële akte). Het hof heeft de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW ten onrechte toegepast op een geval waarvoor deze niet geschreven zijn (onder 2.1.2).

(ii) Het hof heeft miskend dat de uitspraak van de voorzieningenrechter niet door ‘uitleg’ van het dictum alsnog onder het bereik van de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW kan worden gebracht. Dit is in strijd met de beperkte strekking van die bepalingen en levert, gelet op de rechtspraak, een ontoelaatbare verrassingsbeslissing op (onder 2.1.3).

(iii) De inschrijvingseis van art. 3:301 lid 2 BW geldt slechts indien de rechter expliciet heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte. De reële executie waarin het onderhavige vonnis voorziet heeft echter slechts betrekking op vervangende toestemming voor het verlijden van die akte. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (onder 2.1.4).

(iv) Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een vonnis waarin is bepaald dat het in de plaats kan treden van de ontbrekende medewerking aan een notariële leveringsakte voor de toepassing van art. 3:301 lid 2 BW op één lijn moet worden gesteld met een (deel van een) leveringsakte, heeft het hof de beperkte strekking van art. 3:301 lid 2 BW miskend, althans geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (onder 2.1.5).

(v) Het hof heeft miskend dat art. 3:300 lid 2 BW (en dus ook art. 3:301 lid 2 BW) slechts van toepassing is indien alle bij de transactie betrokkenen (de overige deelgenoten/verkopers (de twee broers) en de koper ( [betrokkene 1] )) in het geding als eiser zijn betrokken. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (onder 2.1.6).

(vi) Het slagen van een of meer van de voorgaande klachten vitieert ook de (rol)beslissing waaraan het hof in rov. 3.5 refereert, de laatste alinea van rov. 3.6 (de overweging ten overvloede), rov. 3.7 (waaronder de proceskostenveroordeling) en het dictum (onder 2.1.7).

2.3

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.4

Daarbij staat het volgende voorop.

2.5

Levering van een onroerende zaak geschiedt door inschrijving van ‘een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte’ (art. 3:89 lid 1 BW).8

2.6

Indien een van partijen weigert mee te werken aan het verlijden van de akte van levering, heeft de rechter op grond van art. 3:300 BW in theorie drie mogelijkheden om een veroordeling tot overdracht voor reële executie vatbaar te maken, kort samengevat: (i) uitspraak vervangt wilsverklaring (lid 1), (ii) dwangvertegenwoordiging (lid 1) en (iii) uitspraak vervangt (deel van) akte (lid 2).9

De mogelijkheid tot dwangvertegenwoordiging blijft hierna buiten beschouwing.

2.7

Theoretisch zou de rechter dus kunnen bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling (in casu: meewerken aan levering) gehouden is (art. 3:300 lid 1 BW). Gaat het om een weigerachtige vervreemder, dan vervangt de uitspraak slechts de verklaring van de vervreemder dat hij levert. De verkrijger zal nog een notariële akte moeten doen opmaken waarin hij verklaart de levering te aanvaarden; inschrijving van de uitspraak en de akte bewerkstelligt de levering.10

2.8

Zoals in de literatuur wordt opgemerkt, is het de vraag of het eerste lid van art. 3:300 BW wel geschreven is voor gevallen waarin, zoals bij levering van registergoederen, de gedaagde samen met de eiser een akte moet opmaken.11 Meer daarop toegesneden lijkt het tweede lid van art. 3:300 BW, luidende:

“2. Is de gedaagde gehouden om tezamen met de eiser een akte op te maken, dan kan de rechter bepalen dat zijn uitspraak in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden.”

2.9

De rechter kan dus op grond van art. 3:300 lid 2 BW bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van de gehele akte. Daarvoor is vereist dat het vonnis alle relevante gegevens met betrekking tot het te leveren goed bevat, alsmede de titel van overdracht (art. 3:89 lid 2 BW).12

2.10

De rechter kan op grond van art. 3:300 lid 2 BW ook bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een deel van de akte. Volgens de toelichting maakt dit mogelijk dat voor wat betreft de verklaring van de eiser een akte wordt opgemaakt en dat de rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van de verklaring van de gedaagde.13 Anders gezegd: de uitspraak vervangt de verklaring van de vervreemder dat hij levert. Voor de verklaring van de verkrijger zal een notariële akte moeten worden opgemaakt, waarna door inschrijving van de uitspraak en de laatstgenoemde akte levering plaatsvindt. Hier bestaat gelijkenis met de in lid 1 gegeven mogelijkheid.14

2.11

In de rechtspraak wordt art. 3:300 lid 2 BW niet alleen toegepast in situaties waarin eiser en gedaagde als verkrijger en vervreemder tegenover elkaar staan, maar ook indien eiser en gedaagde beiden aan ‘vervreemderszijde’ staan, zoals in geval van een vordering van de ene ex-echtgenoot jegens de andere tot medewerking aan verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning aan een derde.15 De tekst van de bepaling (‘tezamen een akte op te maken’) lijkt aan deze toepassing niet in de weg te staan.

2.12

Een belangrijk verschil tussen de toepassing van het eerste en het tweede lid van art. 3:300 BW in geval van levering van een registergoed is dat in het laatste geval (‘uitspraak vervangt (deel van) akte’) tevens de regeling van art. 3:301 BW van toepassing is.

2.13

Op grond van het eerste lid van art. 3:301 BW is een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van ‘een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte’ slechts inschrijfbaar onder de in lid 1 genoemde voorwaarden.

2.14

Verder geldt voor deze in lid 1 genoemde categorie uitspraken de procesrechtelijke regeling van art. 3:301 lid 2 BW.16 Deze luidt, voor zover hier van belang:

“Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (…)”

2.15

Volgens vaste rechtspraak strekt het bepaalde bij art. 3:301 lid 2 BW ertoe de betrouwbaarheid van de openbare registers zoveel mogelijk te waarborgen met het oog op de rechtszekerheid die ten aanzien van de verkrijging van registergoederen is vereist. Dit brengt mee dat de rechter ambtshalve dient na te gaan of aan het voorschrift is voldaan. Het bepaalde strekt niet ter bescherming van het belang van de wederpartij van degene die het rechtsmiddel heeft ingesteld.17

2.16

Het is verder vaste rechtspraak dat art. 3:301 lid 2 BW, (mede) gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid, een beperkte strekking heeft.18

Die beperkte strekking brengt mee dat niet-tijdige inschrijving van het rechtsmiddel in de registers slechts leidt tot niet-ontvankelijkheid voor zover wordt opgekomen tegen oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte en daarmee onlosmakelijk verbonden oordelen.19

Die beperkte strekking brengt tevens mee dat art. 3:301 lid 2 BW niet van toepassing is op gevallen die niet door de wettekst worden bestreken.20

2.17

Blijkens de rechtspraak komt het regelmatig voor dat partijen in hun petitum en de rechter in zijn beslissing niet aansluiten bij de tekst van art. 3:300 BW, zodat onduidelijk is welke vorm van reële executie precies wordt bedoeld (zie ook de verzuchting van het hof in rov. 3.6, slot). In dat geval zal het dictum moeten worden uitgelegd.21 In dat verband is vaste rechtspraak dat de uitleg van het dictum dient te geschieden in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid.22 Daarom kan in geval van tegenstrijdigheid tussen het dictum en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen niet op voorhand worden gezegd dat aan de tekst van het dictum voorrang toekomt. 23

2.18

Tegen de achtergrond van dit juridisch kader bespreek ik de klachten.

2.19

In het kortgedingvonnis waarvan appel heeft de voorzieningenrechter – overeenkomstig de letterlijke tekst van hetgeen door [verweersters] was gevorderd – [eiser] veroordeeld tot het verlenen van onvoorwaardelijke ‘medewerking’ aan ‘de verkoop en levering’ van de woning (door ondertekening van de koopovereenkomst en de akte van overdracht en alle eventuele overige daarvoor benodigde stukken), met de bepaling dat als [eiser] zijn medewerking niet verleent, het vonnis voor ‘de medewerking en/of toestemming’ van [eiser] in de plaats komt. De voorzieningenrechter heeft dus – gebonden aan het niet bestreden petitum24 – het dictum niet geformuleerd overeenkomstig één van de in art. 3:300 lid leden 1 en 2 BW geboden modaliteiten van reële executie.

2.20

Niet bestreden is het oordeel van het hof dat het, gelet op dit dictum in verband met de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW, gehouden is ambtshalve te beoordelen of [eiser] ontvankelijk is in het hoger beroep (rov. 3.4).

2.21

Evenmin als zodanig bestreden is het oordeel dat om te kunnen vaststellen of sprake is van een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW, uitleg nodig is van het dictum (rov. 3.6, eerste volzin).

2.22

Gelet op bovengenoemde vaste rechtspraak van uw Raad heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het dictum uit te leggen in het licht van de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen (rov. 3.6).

2.23

Het hof heeft in dit verband in aanmerking genomen dat:

(i) de voorzieningenrechter in rov. 4.6 overweegt dat ook een vonnis in kort geding in de plaats kan treden van ‘de medewerking van een partij aan een akte volgens het bepaalde in art. 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek’;

(ii) de voorzieningenrechter in rov. 4.6 overweegt dat een dwangsom niet noodzakelijk is omdat het vonnis ‘bij gebreke aan medewerking van gedaagde daarvoor in de plaats treedt’;

(iii) waarmee de voorzieningenrechter volgens het hof expliciet overweegt dat het vonnis bij gebreke van medewerking van gedaagde voor de akte in de plaats treedt.

Het hof is tot het oordeel gekomen dat op die gronden het dictum aldus moet worden uitgelegd dat het vonnis in de plaats treedt van ‘een tot levering bestemde akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW en de medewerking daaraan van gedaagde, terwijl partijen geen feiten of omstandigheden hebben gesteld die tot een andere uitleg leiden.

Ik meen dat deze uitleg niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft.

2.24

Het oordeel van het hof is temeer begrijpelijk nu, zoals hiervoor onder 2.10 werd vastgesteld, naar de bedoeling van de wetgever het door de uitspraak in de plaats treden van ‘een deel van de akte’ in de zin van art. 3:300 lid 2 BW – waarvan volgens het hof kennelijk sprake is – moet worden begrepen als het in de plaats treden van de in die akte op te nemen (leverings)verklaring van de gedaagde25, of, anders gezegd, diens ‘medewerking en/of toestemming’.

2.25

Op het voorgaande stuiten de hoofdklacht en alle subklachten van onderdeel 1 af. Ik licht dat als volgt nader toe.

2.26

Het hof heeft niet miskend dat (de inschrijvingseis van) art. 3:301 lid 2 BW een beperkte strekking heeft en slechts van toepassing is op een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of een deel daarvan (zie procesinleiding onder 2.1.1). Het heeft deze bepaling niet toegepast op een geval waarvoor zij niet geschreven is (onder 2.1.2). Het hof is immers door uitleg van het vonnis van de voorzieningenrechter tot het (begrijpelijke en toereikend gemotiveerde) oordeel gekomen dat sprake is van een uitspraak als bedoeld in art. 3:301 lid 1 BW. Daarmee heeft het de uitspraak van de voorzieningenrechter niet op oneigenlijke wijze alsnog onder het bereik van de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW gebracht, noch een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven (onder 2.1.3), noch de uitspraak voor de toepassing van art. 3:301 lid 2 BW op één lijn gesteld met een (deel van een) leveringsakte (onder 2.1.5).

De opvatting dat de inschrijvingseis van art. 3:301 lid 2 BW slechts geldt indien de rechter expliciet heeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte, vindt geen steun in het recht (onder 2.1.4).

Dat laatste geldt ook voor de opvatting (onder 2.1.6) dat art. 3:301 lid 2 BW slechts van toepassing is indien alle bij de transactie betrokkenen (deelgenoten/verkopers en koper) in het geding als procespartij zijn betrokken. De bepaling stelt dit vereiste niet.

Met het falen van bovengenoemde (sub)klachten faalt ook de daarop voortbouwende subklacht onder 2.1.7.

2.27

Onderdeel 2 klaagt dat het hof ten onrechte direct na de aktewisseling [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Onder verwijzing naar HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368 wordt betoogd dat de beperkte strekking van de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW meebrengt dat appellant de gelegenheid moet worden geboden om een memorie van grieven te nemen teneinde zo nodig zijn eis te kunnen wijzigen.

Verder wordt betoogd dat daarmee ook de reconventionele vordering nog niet vast stond, zodat het hof in rov. 3.7 niet zonder meer kon en mocht oordelen dat [eiser] ook in zijn (lees: hoger beroep tegen afwijzing van de) vordering in reconventie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat die onlosmakelijk is verbonden met de vordering in conventie.

2.28

Deze twee klachten falen.

2.29

Anders dan het middel impliceert, valt uit het genoemde arrest van uw Raad van 11 september 2015 niet af te leiden dat een appellant die op nader aan te geven gronden in appel is gekomen en door het hof ambtshalve in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over eventuele niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 3:301 lid 2 BW, er zonder meer aanspraak op heeft om een memorie van grieven te kunnen nemen teneinde zijn eis te kunnen wijzigen en aldus aan niet-ontvankelijkheid te ontkomen. Een dergelijke regel vindt ook anderszins geen steun in het recht.

2.30

[eiser] heeft in zijn appeldagvaarding gevorderd de conventionele vorderingen van [verweersters] alsnog af te wijzen en zijn eigen reconventionele vorderingen alsnog toe te wijzen. Nadat het hof partijen in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het beroep, heeft [eiser] zich bij akte houdende reactie op rolopdracht van het hof d.d. 19 juni 2018 uitsluitend op het standpunt gesteld dat het vonnis van de voorzieningenrechter geen uitspraak is in de zin van art. 3:301 lid 1 BW, zodat niet-ontvankelijkheid niet aan de orde is. Hij heeft niet aangegeven dat hij in geval van een eventueel andersluidend (voorlopig) oordeel van het hof in de gelegenheid wil worden gesteld om bij memorie van grieven zijn reconventionele eis te wijzigen. Gelet op deze gang van zaken stond voor het hof de reconventionele vordering voldoende vast om tot het oordeel te komen dat [eiser] ook in het tegen afwijzing van die vordering te richten appel niet-ontvankelijk is wegens onlosmakelijke verbondenheid met de conventionele vordering en met de levering.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 3.1 van het in cassatie bestreden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7369, en aan de (in appel onbestreden) rov. 2.1 t/m 2.8 van het vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2018, zaak-/rolnummer C/16/458219/KG ZA 18-193.

2 Vgl. rov. 3.1 van het vonnis van 25 april 2018.

3 Vgl. rov. 3.2 van het vonnis van 25 april 2018.

4 Zie rov. 3.4 en 3.5 van het bestreden arrest.

5 Zie rov. 3.5 van het bestreden arrest.

6 De cassatietermijn bedraagt acht weken, zie art. 402 lid 2 jo. art. 339 lid 2 Rv.

7 Hierbij zou het gaan om een (rol)beslissing van (waarschijnlijk) 5 juni 2018 waarbij [eiser] is verzocht bewijs te leveren van tijdige inschrijving en, indien dat niet zou zijn gebeurd, zich bij akte daarover uit te laten.

8 Zie over het schriftelijkheidsvereiste voor de koop van een woning: art. 7:2 lid 1 BW.

9 Zie over deze drie mogelijkheden en de verschillen daartussen: A.W. Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:300 BW, aant. 8-11; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/305-308.

10 Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/306.

11 Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/306. Volgens A.W. Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:300 BW, aant. 11, verdient het, indien partijen gezamenlijk een akte moeten op maken, de voorkeur dat de rechter bij toepassing van art. 3:300 BW zijn uitspraak baseert op lid 2, gelet op de toepasselijkheid van de waarborgen van art. 3:301 BW.

12 Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/308.

13 MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1399.

14 Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/308.

15 Zie bijv. Hof Den Haag 28 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:748; Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2762.

16 HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1468, NJ 2016/383.

17 Zie o.a.: HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders; HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743, NJ 2006/216 m.nt. H.J. Snijders; HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6711, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders; HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders; HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368, veelal met verwijzing naar MvT bij art. 3:301 BW, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1400-1402.

18 Zie o.m. HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6711, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders. Zie ook A.W. Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:301 BW, aant. 6.

19 Zie HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders; HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders, en HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368.

20 Zie HR 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4743, NJ 2006/216 (vernietiging van een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW); HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1468, NJ 2016/383 (verkrijging door verjaring).

21 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/110.

22 Zie o.a. HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 2000/544; HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6168; HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7084, RvdW 2010/1373; HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532, RvdW 2014/900, en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, RvdW 2016/369.

23 HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186.

24 Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2016/110.

25 MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1399.