Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:832

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
18/04547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Beslag en beklag. Nadat het hof bij onherroepelijke uitspraak de bewaring van een op de voet van art. 94 Sv inbeslaggenomen geldbedrag heeft gelast, klaagt een ander dan de beslagene over het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. Het toepasselijke criterium is in dit geval of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333). De A-G bespreekt de vraag hoe zwaar in gevallen als de onderhavige de bewijslast mag zijn die op de schouders van de klager wordt gelegd om aannemelijk te maken dat hij of zij de rechthebbende is. Hij wijst er daarbij op dat het stellen van hoge eisen op dit punt er gemakkelijk toe kan leiden dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbende ontaardt in een verkapte confiscatie. Het een en ander breng de A-G tot het standpunt dat de ongegrondverklaring van het beklag van de klaagster niet zonder meer begrijpelijk is en dat de Hoge Raad de bestreden beschikking daarom moet vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04547

Zitting 3 september 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[klaagster] ,

gevestigd te ,

hierna: de klaagster.

  1. Het gerechtshof Amsterdam heeft, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij beschikking van 24 januari 2017, het klaagschrift van de klaagster bij beschikking van 27 juli 2018 ongegrond verklaard. Dit klaagschrift strekte tot teruggave aan de klaagster van een geldbedrag van € 1.024.500,00 dat onder een ander in beslag is genomen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 Waarom het in deze zaak gaat

3.1

Het procesverloop in deze zaak is door het hof weergegeven in de bestreden beschikking onder 2. Daaruit blijkt onder meer dat onder [beslagene] (hierna: de beslagene) op 9 oktober 2005 op Schiphol ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het onder 1. genoemde geldbedrag en dat de beslagene een dag later afstand heeft gedaan van dit geldbedrag.1 Tegen de beslagene is een strafvervolging ingesteld ter zake van heling en/of witwassen. Die vervolging is geëindigd in een – naar ik meen te mogen begrijpen onherroepelijke – vrijspraak. Het hof sprak de beslagene bij arrest van 7 december 2009 vrij van het hem ten laste gelegde witwassen van het geldbedrag dat hij op Schiphol voorhanden had. Het hof heeft in dit arrest voorts gelast dat het geldbedrag ten behoeve van ‘de rechthebbende’ wordt bewaard. Dat het geldbedrag intussen is teruggegeven, is mij niet gebleken.

3.2

Kort na de inbeslagneming van het geldbedrag, op 5 december 2005, werd namens de klaagster bij het openbaar ministerie een verzoek ingediend tot opheffing van het beslag. Daarbij werd een brief van 31 oktober 2005 overgelegd van wijlen [betrokkene 1] , die destijds een van de twee directeuren van klaagster was. In die brief stelde [betrokkene 1] dat hij – naar het hof heeft begrepen als directeur van klaagster – eigenaar was van het geldbedrag. Hij zou het geld aan de beslagene hebben meegegeven voor de aanschaf in Europa van vries- en koelinstallaties ten behoeve van klaagster, die zich wilde gaan toeleggen op de uitvoer van vis naar Europa.

3.3

Het klaagschrift waarop deze zaak betrekking heeft, is enkele maanden na de vrijspraak van de beslagene, op 19 maart 2010 ingediend. Namens de klaagster is onder meer aangevoerd dat klaagster in ernstige liquiditeitsproblemen was gekomen en dat zij daarom in september 2005 aan de beslagene had verzocht het geld terug te brengen naar Suriname. Toen de beslagene werd aangehouden, zou hij om die reden op weg naar Suriname zijn geweest.

4 Het oordeel van het hof

De bestreden beschikking houdt als oordeel en motivering van het hof in:

“Het hof stelt vervolgens het volgende voorop. Indien het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en een derde - tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt (HR 28 september 2010, NJ 2010/654, r.o. 2.11)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Allereerst merkt het hof op dat [beslagene] na zijn aanhouding wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst en bestemming van het geld. Hij heeft gezwegen en hij heeft verklaard het geld kort tevoren (voorafgaand aan zijn aanhouding en het beslag) van iemand te hebben meegekregen om het aan iemand in Suriname te overhandigen. In deze verklaringen is klaagster en/of de thans namens klaagster aangevoerde gang van zaken ter verklaring van de bij [beslagene] aangetroffen hoeveelheid contanten, door [beslagene] nimmer genoemd. Eerst ongeveer anderhalf jaar na zijn aanhouding heeft [beslagene] - overeenkomstig hetgeen inmiddels namens klaagster aan het openbaar ministerie was bericht - verklaard dat hij het geld in Nederland zou gebruiken voor de aanschaf van koelinstallaties en/of de aanbetaling op koelinstallaties. Deze verklaring is toen door hem echter op geen enkele wijze onderbouwd. Een en ander weegt het hof, in weerwil van hetgeen de advocaat daaromtrent heeft aangevoerd, mee in de beoordeling van de geloofwaardigheid van deze verklaring.

Ook de aanvullende stukken die de advocaat, met name voorafgaand aan de behandeling in raadkamer van 29 juni 2018, heeft ingebracht bieden onvoldoende steun voor deze verklaring. Daarbij betrekt het hof dat uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat het doen van contante aanbetalingen op dergelijke koelinstallaties ongebruikelijk is in deze branche. Daarnaast betreft het in beslaggenomen geldbedrag niet alleen bijna een vijfde deel van de totale verkopen (omzet) van het voorafgaande boekjaar (2004) van klaagster maar staat de hoeveelheid geld die [beslagene] bij zich had ook niet in verhouding tot gebruikelijke aanbetalingen, uitgaande van een voorgenomen investering van circa 1,25 miljoen euro. Tot slot is het hof niet gebleken van enige (pogingen tot) contacten met leveranciers van koelinstallaties in Europa, terwijl [beslagene] ondertussen - volgens het scenario van klaagster - enkele maanden in het bezit is geweest van het geldbedrag.

Uit de door de advocaat overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof weliswaar aannemelijk geworden dat klaagster een succesvolle onderneming was met aanzienlijke activiteiten en navenante omzet en dat het betalingsverkeer in Suriname destijds niet zelden contant plaatsvond, maar dat levert naar het oordeel van het hof nog steeds geen overtuigende onderbouwing op voor de stelling dat klaagster redelijkerwijs als rechthebbende moet worden aangemerkt van het onder [beslagene] in beslag genomen geld. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de gestelde overdracht van het geld van [betrokkene 1] aan [beslagene] niet wordt onderbouwd door het overleggen van enige vorm van overeenkomst of kwitantie betreffende dat bedrag, noch door het overleggen van een specifieke verwerking in een boekhouding of in overzichten van betalingsverkeer van het betreffende bedrag. De namens de klaagster aangevoerde omstandigheid dat het in Suriname gebruikelijk is om met contant geld te betalen is in dit verband ontoereikend als verklaring waarom zo’n enorm bedrag aan contant geld naar Nederland zou moeten worden vervoerd op het moment dat er nog niet eens contacten waren gelegd met (potentiële) leveranciers.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de door de advocaat overgelegde schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Het hof merkt op dat deze verklaringen in essentie niet meer of anders inhouden dan wat deze personen van [betrokkene 1] hebben gehoord over het reilen en zeilen van zijn bedrijf en diens plannen om de activiteiten van zijn bedrijf uit te breiden naar Europa, waarover ook [betrokkene 1] zelf heeft verklaard. Zij bieden aldus geen onafhankelijke bevestiging van de belangrijkste stellingen van klaagster en bieden in het bijzonder onvoldoende steun voor de stelling dat het inbeslaggenomen geldbedrag toebehoorde en toebehoort aan klaagster.

Mede gelet op het vorenstaande en ook overigens gelet op de onderbouwing van het verzoek is het hof van oordeel dat het (voorwaardelijke) verzoek om de door de advocaat genoemde personen als getuigen te (doen) horen moet worden afgewezen. Dat horen komt het hof thans niet relevant en derhalve overbodig voor bij de beantwoording van de vraag of klaagster redelijkerwijs als rechthebbende van het onder [beslagene] in beslag genomen geld moet worden aangemerkt. Ook ten aanzien van het herhaalde voorwaardelijke verzoek om [beslagene] als getuige te horen overweegt het hof dat dat verzoek mede gelet op hetgeen daartoe bij de behandeling in raadkamer op 29 juni 2018 ter onderbouwing is aangevoerd moet worden afgewezen omdat niet valt in te zien dat het horen van die getuige, in aanmerking genomen hetgeen de getuige reeds heeft verklaard en overigens uit de stukken blijkt, relevant is voor de vraag of klaagster als rechthebbende moet worden aangemerkt.

Al het bovenstaande in aanmerking genomen zal het hof het klaagschrift ongegrond verklaren.”

5 Het eerste middel

5.1

Het middel klaagt dat het hof een te strenge en daarom onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift, althans dat het zijn oordeel dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken, onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

5.2

In HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333, oordeelde de Hoge Raad dat, als de strafrechter op de voet van art. 353 Sv de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast en als die beslissing onherroepelijk is geworden, de beklagrechter moet beoordelen of de klager redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende ten behoeve van wie de strafrechter de bewaring heeft gelast. Dat geldt zelfs als de klager de beslagene is.2 Het hof heeft dus, nu het ervoor moet worden gehouden dat het arrest waarbij de bewaring ten behoeve van de rechthebbende werd gelast in kracht van gewijsde is gegaan, met juistheid vooropgesteld dat de aan te leggen maatstaf is of de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, wat er verder ook zij van het beroep dat het hof daarbij deed op rov. 2.11 van HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.3

5.3

De steller van het middel onderschrijft dat de maatstaf voor de beoordeling van klaagsters klaagschrift is of zij redelijkerwijs als rechthebbende op het geldbedrag kan worden aangemerkt. Zij stelt echter dat het hof zich niet aan deze maatstaf heeft gehouden doordat het in de bestreden beschikking diverse keren spreekt van de stelling dat, dan wel de vraag of, de klaagster “redelijkerwijs als rechthebbende (…) moet worden aangemerkt”. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat niet gezegd kan worden dat ’s hofs grammaticale keuze voor de hulpwerkwoorden ‘moet worden’ in plaats van ‘kan worden’, blijk geeft van de toepassing door het hof van een strengere dan de aan te leggen maatstaf. De stelling van de klaagster was en is dat zij de rechthebbende op het geldbedrag is en dat zij dus als zodanig moet worden aangemerkt. Het is die stelling die het hof bespreekt. Ik merk daarbij nog op dat het oordeel dat de klaagster als rechthebbende kan worden aangemerkt, meebrengt dat zij ook als zodanig moet worden aangemerkt.4

5.4

Uit de bedoelde woordkeus van het hof kan dus niet worden afgeleid dat het een te strenge maatstaf heeft gehanteerd. Daarmee is niet gezegd dat daarvan in feite geen sprake is geweest. Mogelijk heeft het hof, door van de klaagster “een overtuigende onderbouwing” van haar stelling te eisen, een te zware bewijslast op de schouders van de klaagster gelegd. Die enkele mogelijkheid is in cassatie echter onvoldoende om van het hanteren van een onjuiste maatstaf te spreken. Dat hanteren moet blijken. Iets anders is dat het hanteren van een te strenge maatstaf waarvan niet expliciet blijkt, zijn weerslag kan hebben op de begrijpelijkheid van de gegeven beslissing. Bij de beoordeling van de subsidiaire klacht van het middel, namelijk dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, speelt de vraag naar de aan te leggen maatstaf dus indirect een rol. Daarover het volgende.

5.5

De gedachte achter de hoofdregel dat het inbeslaggenomen voorwerp moet worden teruggegeven aan de beslagene als het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vergt, lijkt mij te zijn dat de inbeslagneming – die plaatsvindt in het belang van de strafvordering – de bestaande eigendoms- en bezitsverhoudingen niet dient te veranderen. De civielrechtelijke aanspraken die burgers ten tijde van de inbeslagneming op het voorwerp menen te hebben, zijn geen zaak van de justitiële autoriteiten en de inbeslagneming van het voorwerp brengt daarin geen verandering. Door die inbeslagneming worden de justitiële autoriteiten niet verantwoordelijk voor de juistheid van de bestaande verhoudingen. Vandaar dat de oude toestand na beëindiging van de inbeslagneming in beginsel weer moet worden hersteld: het voorwerp moet teruggegeven worden aan de beslagene. Die teruggave laat daarbij ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet, zoals art. 116 lid 6 uitdrukkelijk bepaalt.

5.6

Aan de gedachte dat de overheid zich niet dient te mengen in de bestaande civielrechtelijke verhoudingen is niet onverkort vastgehouden. Art. 116 Sv biedt in bepaalde gevallen de mogelijkheid om het voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven. Die mogelijkheid is in het leven geroepen in het bijzonder om te “voorkomen dat aan de beslagene moet worden teruggegeven, hoewel moet worden aangenomen dat deze daarop geen valide aanspraak heeft.” De wetgever heeft hierbij in het bijzonder gedacht aan die situaties waarin teruggave aan de beslagene uiterst onbevredigend kan zijn en zou kunnen bijdragen aan het gevoel dat de strafrechtspleging onvoldoende voorziet in bescherming van de belangen van degene, die slachtoffer is geworden van een strafbaar feit.5 Men moet echter niet uit het oog verliezen dat de in het leven geroepen mogelijkheid tot teruggave aan een ander (waarvoor overigens ook geldt dat zij iedere rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laat), een uitzondering vormt op de hoofdregel dat het voorwerp teruggegeven wordt aan de beslagene. Voor het maken van die uitzondering moet daarom goede grond bestaan. Dat maakt dat niet al te lichtvaardig kan worden aangenomen dat een ander “redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt”. Aan de onderbouwing van de aanspraak die een derde (niet-beslagene) op het voorwerp stelt te hebben, moeten zo gezien bepaaldelijk eisen worden gesteld.

5.7

Waar het mij om gaat, is dat er ook gevallen zijn waarin de genoemde hoofdregel toepassing mist of geen toepassing kan vinden. Dat is in de eerste plaats het geval waarin de beslagene afstand heeft gedaan van het betrokken voorwerp. Tegenover de aanspraak van de derde op het voorwerp staat dan geen aanspraak van de beslagene op herstel van de oude toestand. In de tweede plaats kan het geval worden genoemd waarin de strafrechter bij onherroepelijke uitspraak de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast. Zoals wij zagen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de beslagene door die beslissing zijn op de oude toestand gebaseerde aanspraak verliest. Voor beide typen gevallen – die zoals deze zaak leert ook samen kunnen gaan – geldt dat het stellen van hoge eisen aan de onderbouwing van de aanspraak op het voorwerp er niet toe leidt dat voorrang wordt gegeven aan het herstel van de oude toestand. Integendeel, het effect daarvan is dat het voorwerp in handen blijft van de overheid en dat aldus een toestand ontstaat die zeker niet in overeenstemming is met de civielrechtelijke verhoudingen zoals die ten tijde van de inbeslagneming waren of hadden moeten zijn. Dat roept de vraag op of in dit type gevallen niet andere, minder zware, eisen moeten worden gesteld aan de onderbouwing van de aanspraak die iemand op het voorwerp maakt. Het is tenslotte in veel gevallen voor een eigenaar verre van eenvoudig om aan te tonen dat het voorwerp in kwestie hem inderdaad toebehoort. Dat is zeker het geval als het om een geldbedrag gaat.

5.8

Ik zou de gestelde vraag bevestigend willen beantwoorden in die zin dat de gepretendeerde rechthebbende sneller het voordeel van de twijfel krijgt. Dat voordeel zou hem met name gegund moeten worden in gevallen waarin (1) er geen anderen zijn die aanspraak op het voorwerp hebben gemaakt en er ook geen aanwijzingen zijn dat anderen aanspraken op het voorwerp zullen maken en (2) er geen aanwijzingen zijn dat het voorwerp aan onbekende anderen toebehoort.6 In die gevallen zou voor teruggave aan de gepretendeerde rechthebbende voldoende moeten zijn dat zijn claim niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven. Niet geëist kan dus worden dat de gepretendeerde rechthebbende aannemelijk maakt dat het voorwerp hem toebehoort.7 Daarbij blijft uiteraard gelden dat die teruggave ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laat.

5.9

Voor het hier bepleite verschil in benadering biedt het toepasselijke criterium naar mijn mening ruimte. Of iemand “redelijkerwijs” als rechthebbende kan worden aangemerkt, hangt af van de context waarin die vraag wordt gesteld. Als tegenover de aanspraak op teruggave geen aanspraak staat van de beslagene op herstel van de oude toestand is de context een andere dan wanneer dat wel het geval is. Dat verschil bepaalt mee wat redelijk is.

5.10

In aansluiting op het voorgaande merk ik nog het volgende op. Zoals onder punt 5.7 werd gesteld, leidt het stellen van hoge eisen aan de onderbouwing van de aanspraak op teruggave er in de bedoelde gevallen toe dat een nieuwe toestand ontstaat die zeker niet in overeenstemming is met de toestand zoals die ten tijde van de inbeslagneming was of had moeten zijn. Het gevaar bestaat zelfs dat de bewaring ten behoeve van de rechthebbende ontaardt in een verkapte confiscatie. Dat is in het bijzonder het geval als niet alleen als eis wordt gesteld dat degene die aanspraak maakt op het voorwerp onderbouwt dat het voorwerp hem toebehoort, maar ook dat hij het mogelijk bestaande vermoeden dat het voorwerp van misdrijf afkomstig is, ontzenuwt. Wat de justitie via de koninklijke weg van een strafvervolging bij gebrek aan bewijs niet lukt (verbeurdverklaring of voordeelsontneming), wordt dan onder het mom van bewaring ten behoeve van de rechthebbende alsnog bewerkstelligd. Ik wijs er daarbij op dat de mogelijkheid van bewaring ten behoeve van de rechthebbende uitsluitend in het leven is geroepen om de positie van de rechthebbende wiens identiteit niet bekend is, te versterken. 8 Om een instrument in het kader van de criminaliteitsbestrijding gaat het dus niet. Met de vraag of inbeslaggenomen geld van misdrijf afkomstig is, heeft de vraag aan wie dat geld toebehoort dan ook niet veel te maken.9 Ook zwart geld hoort aan iemand toe.

5.11

Ik kom, na deze inleidende beschouwing, toe aan de vraag of het oordeel van het hof dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Het begrijpelijkheidsoordeel hangt daarbij zoals gezegd mede af van de eisen die in een zaak als deze – waarin tegenover de aanspraak van de klaagster niet een aanspraak van de beslagene staat – aan de onderbouwing van de aanspraak van de gepretendeerde rechthebbende moeten worden gesteld.

5.1

In deze zaak heeft het hof geen feiten of omstandigheden vastgesteld die erop wijzen dat een ander dan de klaagster zich als rechthebbende op het geld heeft opgeworpen of nog zou kunnen opwerpen. Ook heeft het hof geen feiten en omstandigheden vastgesteld die erop wijzen dat het geld door een vermogensmisdrijf is verkregen van onbekende slachtoffers die als rechthebbende zijn aan te merken. Onder die omstandigheden dient, zo heb ik betoogd, de klaagster het voordeel van de twijfel te krijgen, zodat voor ongegrondverklaring van haar beklag alleen reden is als onaannemelijk is dat zij de rechthebbende op het geld is. De vraag is of hetgeen het hof aan feiten en omstandigheden heeft vastgesteld onaannemelijk maken dat het geld aan de klaagster toebehoort. De vraagtekens die het hof plaatst bij de stelling van de klaagster dat zij het geld aan de beslagene heeft meegegeven ten behoeve van de aanschaf van een koelinstallatie komen mij niet misplaatst voor, maar de twijfel die op grond daarvan mogelijk is, lijkt toch vooral betrekking te hebben op de vraag of het geld, in weerwil van de vrijspraak van de beslagene ter zake, niet toch van misdrijf afkomstig is. Uit het feit dat het geld mogelijk door (bijvoorbeeld) belastingontduiking is verkregen, volgt echter niet dat het onaannemelijk is dat het aan de klaagster toebehoort. De mogelijke illegale oorsprong van het geld zou daarbij juist de verklaring kunnen vormen voor het feit dat het geld contant met de beslagene werd meegegeven zonder kwitantie of schriftelijke overeenkomst en zonder dat de overdracht van het geld in de administratie werd verwerkt. Die omstandigheid maakt de aanspraak van de klaagster op het geld anders gezegd niet direct onaannemelijk.

5.2

De klaagster heeft vrijwel direct na de inbeslagneming van het geld op 9 oktober 2005 stappen ondernomen om de teruggave van het geld aan haar te bewerkstelligen. De brief van haar directeur die op 5 december 2005 aan het openbaar ministerie werd overhandigd, was gedateerd op 31 oktober 2005. Die snelheid van handelen wijst erop dat er inderdaad een relatie bestond tussen de klaagster en de beslagene, en tussen de klaagster en het inbeslaggenomen geldbedrag. Ik acht namelijk een ander scenario – dat erop neerkomt dat een in Suriname gevestigd visbedrijf dat niets met het inbeslaggenomen geldbedrag te maken heeft, niet alleen kort nadat de inbeslagneming in Nederland plaatsvond met die inbeslagneming bekend is, maar vervolgens ook zo vermetel is om direct een geheel uit de duim gezogen claim op tafel te leggen – weinig waarschijnlijk.

5.3

De aanspraak die de klaagster maakt op het geld vindt steun in de verklaring van de beslagene. Hij heeft verklaard dat de klaagster de rechthebbende is van het geldbedrag dat onder hem in beslag is genomen. Op die verklaring is hij nimmer teruggekomen. Dat de beslagene - zoals het hof overweegt - na zijn aanhouding wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst en bestemming van het geld en eerst na anderhalf jaar heeft verklaard dat hij het van de klaagster gekregen geld zou gebruiken voor de aanschaf van koelinstallaties, levert mijns inziens geen overtuigend argument op om die verklaring in haar geheel ongeloofwaardig te achten, dus ook voor zover het gaat om de vraag aan wie het geld toebehoort. Ik wijs erop dat de beslagene destijds werd verdacht van witwassen – een omstandigheid die openhartigheid niet pleegt te bevorderen – en dat het er niet om gaat of het geld een legale oorsprong heeft, maar of dat geld aan de klaagster toebehoort.

5.4

Dat - zoals het hof verder overweegt - de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de gestelde overdracht van het geld door de directeur van de klaagster aan de beslagene niet onafhankelijk bevestigen, levert mijns inziens ook geen overtuigend argument op om aan die verklaringen geen waarde toe te kennen. Dat de directeur van de klaagster niet alleen tegenover de Nederlandse justitie heeft verklaard dat hij het geldbedrag aan de beslagene had meegegeven, maar dat ook – los van de op het geld gelegde claim – aan anderen heeft verteld, vormt een aanwijzing dat zijn bewering klopt. Ik merk daarbij op dat de verklaring van [betrokkene 4] – die zich bij de gedingstukken bevindt en waarop ten overstaan van het hof een beroep is gedaan – lijkt in te houden dat de directeur van de klaagster hem al geruime tijd voordat de beslagene met het geld op Schiphol werd aangehouden had verteld dat hij geld aan de beslagene had overhandigd voor de aankoop van koelcellen in Nederland.

5.5

In het bijzonder gelet op de omstandigheid dat zowel de beslagene als de klaagster heeft gesteld dat de klaagster de rechthebbende is op het geldbedrag, waarbij de stelling van de klaagster steun vindt in een drietal schriftelijke getuigenverklaringen, terwijl het hof geen feiten en omstandigheden heeft vastgesteld die aanleiding geven om te vermoeden dat het geld aan een ander toebehoort, acht ik het in de overwegingen van het hof tot uitdrukking gebrachte oordeel dat de klaagster niet redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken, niet zonder meer begrijpelijk. Dat de klaagster haar aansprak op het geldbedrag niet met schriftelijke stukken heeft onderbouwd, kan daaraan in dit geval niet afdoen, mede gelet op het voordeel van de twijfel dat de klaagster in deze zaak toekomt.

5.6

Het middel slaagt.

6 Het tweede middel

6.1

Het middel klaagt dat het hof het (voorwaardelijk) verzoek [beslagene] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

6.2

Ik stel voorop dat de rechter in een beklagprocedure als waarvan hier sprake is, grote vrijheid toekomt bij de beoordeling van de vraag of er reden is om getuigen te horen. Dat maakt dat de afwijzing van een gedaan getuigenverzoek in cassatie slechts in beperkte mate toetsbaar is. In de overwegingen van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat er onvoldoende reden is om het getuigenverzoek toe te wijzen aangezien het hof zich voldoende achtte voorgelicht. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de gevraagde getuigen al (schriftelijke) verklaringen hebben afgelegd. Ik acht dit oordeel gezien de beoordelingsvrijheid die het hof toekomt, niet onbegrijpelijk. Hetgeen aan de verzoeken ten grondslag is gelegd10, maakt dit niet anders.

6.3

Het middel faalt.

7. Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de beschikking aanleiding geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een door [beslagene] , op 10 oktober 2005 ondertekende verklaring dat hij afstand doet van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag.

2 De hoofdregel dat het beslaggoed moet worden teruggegeven aan de beslagene als het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert, geldt hier dus niet. Ten aanzien van de beslagene die verdachte was in de zaak valt dat misschien nog wel te verdedigen. De verdachte kan immers, als hij meent dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan deze in art. 353 lid 2 onder a Sv neergelegde hoofdregel, (partieel) cassatieberoep instellen tegen de beslissing van de strafrechter. Van een gebrek aan belang is daarbij geen sprake. De verdachte verliest immers de aanspraak die hij aan de hoofdregel kan ontlenen als hij niet in cassatie gaat. Ten aanzien van de beslagene die geen verdachte is in de strafzaak – en die dus geen cassatieberoep kon instellen tegen de beslissing van het hof – lijkt mij het standpunt van de Hoge Raad moeilijk te verdedigen. Deze beslagene verliest zijn aanspraak op teruggave immers ten gevolge van een mogelijk foutieve beslissing van het hof zonder dat hij daartegen iets kon ondernemen.

3 Ik merk daarbij nog op dat de Hoge Raad de bedoelde rechtsoverweging in HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:3 heeft bijgesteld in die zin dat zij gelezen moet worden zonder de daarin tussen gedachtestrepen gezette zinsnede (te weten: “tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht”), een zinsnede die door het hof nog wel is weergegeven.

4 Ik wijs er nog op dat de Hoge Raad in de genoemde beschikking van 18 december 2018, anders dan in de beschikking waarop het hof zich baseerde, spreekt van “moet” worden aangemerkt. Het komt mij vooralsnog voor dat dit verschil in woordkeus geen betekenis heeft.

5 Kamerstukken 1993-1994, 23 692, nr. 3, p 1-2.

6 Dit laatste kan zich voordoen als het vermoeden bestaat dat het om een gestolen voorwerp gaat, waarbij onbekend is wie van de diefstal het slachtoffer is. Dit lijkt het geval te zijn geweest in de eerder genoemde beschikking HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333.

7 Ik ben mij ervan bewust dat dit niet lijkt te sporen met HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2333, rov. 2.5, waarin de Hoge Raad overwoog dat het “Hof heeft geoordeeld dat de klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs moet worden aangemerkt als de rechthebbende”, welk oordeel de Hoge Raad vervolgens niet onbegrijpelijk noemde. De verklaring daarvoor kan echter zijn dat in de zaak waarop deze beschikking betrekking had wél sprake was van mogelijke onbekende rechthebbenden. Zie de vorige noot.

8 Kamerstukken 1993-1994, 23 692, nr. 3, p 1-2.

9 Dit is als gezegd anders als het vermoeden bestaat dat het inbeslaggenomen voorwerp gestolen is. De feiten waarop dat vermoeden is gebaseerd vormen dan een aanwijzing dat er een andere (mogelijk onbekende) rechthebbende is.

10 Zoals dit is weergegeven in de toelichting op het middel.