Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:83

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
22-01-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
17/04531
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:338
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04531

Zitting: 22 januari 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 13 september 2017 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1 subsidiair “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd en die maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de tenuitvoerlegging gelast van een aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, het één en ander zoals nader in het arrest is bepaald. Tot slot heeft het hof op grond van art. 423, vierde lid, Sv de straf voor de – niet aan zijn oordeel onderworpen1 – in eerste aanleg onder 2, 3, 4 en 52 bewezen verklaarde feiten bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Het hof heeft daarnaast de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer gelast van voorwerpen zoals genoemd in het arrest.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst klachten over de strafoplegging. De strafoplegging is in de eerste plaats in strijd met het doel en de ratio van de wet aangezien het hof in twee wettelijke kaders een contactverbod heeft opgelegd, namelijk zowel in het kader van de bijzondere voorwaarde bij de aan de verdachte opgelegde (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf als in het kader van een vrijheidsbeperkende maatregel. Daarnaast behelst het middel de klacht dat het hof ten onrechte de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende dat de verdachte zich niet mag ophouden binnen één kilometer van het woonadres van onder meer [betrokkene 2] , dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard.

4. Ten laste van de verdachte is in de bestreden uitspraak onder 1 subsidiair bewezen verklaard dat:

“hij op 6 mei 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk op korte afstand een pistool op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht en de trekker van het pistool overgehaald en kort hierna, telefonisch via de moeder van voornoemde [slachtoffer 1] , dreigend de woorden toegevoegd: "Moeders ik krijg die kans nog wel hoor" en "het is nu niet gelukt maar een volgende keer gaat het me wel lukken".

5. Het hof heeft onder de aanhef “Oplegging van straf of maatregel” het volgende overwogen:

“De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest, alsmede een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende een contact- en locatieverbod ten aanzien van met [slachtoffer 1] en haar moeder voor de duur van 2 jaren.

De raadsman heeft verzocht de door de rechtbank opgelegde strafte matigen aangezien de verdachte vanwege het door het openbaar ministerie ingestelde appel niet in aanmerking is gekomen voor detentiefasering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige bedreiging van zijn ex-partner en haar vriend door vanaf zeer korte afstand een vuurwapen met geluidsdemper op hen te richten en vervolgens de trekker over te halen. Beide slachtoffers vreesden op dat moment voor hun leven en zijn enorm geschrokken. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan, temeer daar de bedreiging is geschied in het bijzijn van zijn zesjarige zoon en aan deze bedreiging een jarenlange periode van belaging en bedreigingen van zijn ex-partner is voorafgegaan. Bovendien heeft de verdachte de ernst van de bedreiging nog versterkt door de eerdergenoemde uitlatingen tegen de moeder en de zus van zijn ex- partner.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 augustus 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld wegens misdrijven, waaronder belaging. De omstandigheid dat de verdachte hieruit geen lering heeft getrokken, weegt in zijn nadeel.

De ernst van het bewezen verklaarde rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van serieus te nemen omvang. Nu uit de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot matiging van de op te leggen straf aanleiding geven en het hof geen inzicht heeft gekregen in de geestvermogens van de verdachte, omdat hij, ondanks zijn toezegging aan de rechter-commissaris, niet of nauwelijks heeft meegewerkt aan reclasseringsrapportages en onderzoek in het Pieter Baan Centrum, is het hof - alles overwegende en mede gelet op de noodzaak van generale en speciale preventie - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarbij wordt afgeweken van de door de advocaat-generaal gevorderde straf, omdat het hof tot een (veel) beperktere bewezenverklaring komt.

Daarnaast is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat het noodzakelijk is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer, [slachtoffer 1] haar moeder [betrokkene 1] en haar zus [betrokkene 2] , alsmede een verbod zich te begeven binnen een straal van één kilometer van de woonadressen [van] het slachtoffer en haar moeder, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan het plegen van (soortgelijke) strafbare feiten.

Naar het oordeel van het hof moet - gelet op de inhoud van het dossier waaruit naar voren komt dat de verdachte langdurig op verontrustende en misdadige wijze het slachtoffer en haar omgeving is blijven lastig vallen, hetgeen hem op een civielrechtelijk contact- en gebiedsgebod is komen te staan waarbij de omgangsregeling met zijn zoontje is opgeschort, en hij ook na zijn veroordeling in eerste aanleg contact heeft gezocht met de moeder van het slachtoffer - ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte wederom contact zal opnemen met het slachtoffer of met de moeder en zus van het slachtoffer en hij wederom jegens het slachtoffer of personen in haar omgeving een misdrijf zal plegen of zich belastend zal gedragen. Om deze redenen, en voorts ter beveiliging van de maatschappij, beveelt het hof de oplegging van de maatregel voor de duur van vijf jaar met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan en bepaalt het de vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt. Afwegend het belang van de verdachte zich vrijelijk te kunnen bewegen op de openbare weg tegen het belang van [slachtoffer 1] en haar familie gevrijwaard te zijn van (ernstig) inbreuken op hun privacy en persoonlijke vrijheid door gedragingen van de verdachte, is het hof van oordeel dat het belang van laatstgenoemden zwaarder weegt dan het belang van de verdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en na te noemen vrijheidsbeperkende maatregel passend en geboden.”

6. Het dictum van de bestreden uitspraak van het hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“BESLISSING
Het hof:

(…)

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde

heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.


Verklaart (…) bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair

tenlastegelegde heeft begaan.

(…)
Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde op:

Gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren met aftrek van de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarvan een gedeelte groot één jaar van deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders wordt gelast, met een proeftijd van drie jaren
- met als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

(…)
- met als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde tot het einde van de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze, direct noch indirect, contact mag opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , thans wonende [a-straat 1] te [plaats] ;

- met bevel dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

(…)
Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat wordt bevolen dat de veroordeelde voor de duur van vijf (5) jaren
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ;

- zich niet zal ophouden binnen een straal van 1 (één) kilometer van de woonadressen van [slachtoffer 1] (thans [a-straat 1] , [plaats] ), [betrokkene 1] (thans [b-straat 1] [plaats] ) en [betrokkene 2] (adres thans onbekend).

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 30 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

(…)”

7. Met een beroep op de parlementaire geschiedenis bij de invoering van de vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr, huldigen de stellers van het middel allereerst het standpunt dat deze maatregel in het leven is geroepen voor die gevallen waarin de rechter niet toekomt aan de toepassing van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf, maar de rechter het toch noodzakelijk acht dat een contact- en/of gebiedsverbod wordt opgelegd. Door aan de verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde een contactverbod op te leggen ten aanzien van [slachtoffer 1] , terwijl de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel onder meer datzelfde contactverbod inhoudt ten aanzien van [slachtoffer 1] , heeft het hof geoordeeld in strijd met het doel en de ratio van de wet, aldus de stellers van het middel.

8. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft de Hoge Raad over dit standpunt nog nooit eerder uitspraak gedaan.3

9. De vrijheidsbeperkende maatregel is opgenomen in art. 38v Sr. Die bepaling luidt als volgt:

“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare

feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:

1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;

2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.

2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:

a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,

b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,

c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,

d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.

3. De maatregel kan voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden opgelegd.
4. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.

5. Het bevel, bedoeld in het vierde lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.

6. De maatregel kan tezamen met straffen en andere maatregelen worden opgelegd.”

10. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546, in werking getreden op 1 april 2012, houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“1. Inleiding

(…)
Dit wetsvoorstel moet worden bezien in de reeks van (wettelijke) inspanningen die nodig zijn om Nederland veiliger te maken. Een relatief kleine groep van personen recidiveert veelvuldig en is daarmee verantwoordelijk voor een groot aandeel van de criminaliteit en overlast. Veel nieuwe maatregelen hebben mede daarom betrekking op preventie, waarbij regelmatig gebruik wordt gemaakt van het bestuursrechtelijke instrumentarium. Dit is echter niet voldoende. Ook het strafrechtelijke instrumentarium dient zo volledig mogelijk te zijn, opdat de rechter optimaal is toegerust om gepleegde strafbare feiten effectief en voortvarend af te doen. (…) Bovendien is de rechter in staat sancties en de daarmee gepaard gaande beperking van grondrechten goed af te wegen en toe te snijden op de persoon van de dader en de omstandigheden van het geval. De persoonsgerichte aanpak staat hierbij centraal. Dat geldt voor dit wetsvoorstel evenals voor het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Kamerstukken 32 319). De wijze waarop dit plaatsvindt, verschilt evenwel.

Met de toepassing van bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke bestraffing wordt – anders dan met de thans voorgestelde maatregel – beoogd om in een proeftijd van enkele jaren te komen tot doorbreking van criminele gedragspatronen. Bij niet-naleving van de voorwaarden dreigt de tenuitvoerlegging van het resterend deel van de straf. Alleen indien deze strafdreiging zwaar genoeg is, is er een prikkel voor de veroordeelde om de voorwaarden na te leven. Om die reden komt een rechter bij de berechting van minder ernstige feiten niet altijd toe aan de toepassing van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf. Ook bij ernstige feiten komt de rechter daar niet altijd aan toe, namelijk indien hij blijvende gedragsbeïnvloeding door het stellen van een bijzondere voorwaarde voor een langere duur niet noodzakelijk of haalbaar acht, bijvoorbeeld bij personen die niet bereid zijn mee te werken aan een traject van gedragsverandering dan wel bij personen bij wie slechts een onvoorwaardelijke straf passend is, gelet op de aard van het gepleegde delict of eerder gepleegde delicten. Met de thans voorgestelde zelfstandig op te leggen maatregel kan de rechter ook in deze gevallen een passende sanctie opleggen, zonder dat hij daarbij gebonden is aan het kader van de voorwaardelijke strafoplegging. (…)


7. Verhouding van de maatregel tot andere vrijheidsbeperkende interventies
(…)

7.1. Vrijheidsbeperkende interventies na de berechting

Bij het opleggen van (bijzondere) voorwaarden bij voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c Sr) en bij de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 15 Sr) kunnen gebiedsverboden, contactverboden en meldingsge-boden als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. De regering bevordert de toepassing van bijzondere voorwaarden in het kader van de persoonsgerichte aanpak. Hiermee wordt gedragsverandering bij veroordeelden beoogd. Veel veroordeelden zitten korter dan twee maanden in detentie. Dit is te kort om een blijvende gedragsverandering te bereiken. Op meerdere plekken in deze toelichting is beschreven hoe een voorwaardelijke straf daarvoor meer ruimte biedt door de proeftijd van meerdere jaren en door de toepassing van op de persoon van de veroordeelde afgestemde bijzondere voorwaarden. Dit is het belangrijkste verschil in karakter tussen de bijzondere voorwaarde en de thans voorgestelde maatregel die niet gericht is op blijvende gedragsbeïnvloeding, maar op herstel van de geschonden rechtsorde. Van de acties ter bevordering van de toepassing van bijzondere voorwaarden maakt ook deel uit een wijziging van de wettelijke regeling van de voorwaardelijke veroordeling. Met die wetswijziging (Kamerstukken 32 319) wordt onder meer de wettelijke verankering van de bijzondere voorwaarden uitgebreid door een lijst met mogelijke bijzondere voorwaarden vast te leggen, en wordt een mogelijkheid gecreëerd voor snel ingrijpen indien de voorwaarden niet worden nageleefd. Met het onderhavige wetsvoorstel worden de sanctiemogelijkheden van de rechter verruimd, doordat de rechter zich bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende sanctie in de vorm van een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht, niet langer hoeft te beperken tot het kader van de voorwaardelijke veroordeling. Zoals aangegeven, wordt met de toepassing van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke bestraffing beoogd om onder begeleiding en toezicht van de reclassering tot structurele gedragsverandering, dat wil zeggen doorbreking van criminele gedragspatronen, te komen. De proeftijd van enkele jaren biedt daarvoor de gelegenheid. Dit veronderstelt wel dat er sprake is van ernstiger strafbare feiten, die de toepassing van ook ingrijpende bijzondere voorwaarden gericht op gedragsverandering gedurende langere tijd rechtvaardigen. Bij toepassing van de voorwaardelijke strafmodaliteiten dient de zwaarte van de interventie om die reden in verhouding te staan tot de hoogte van de voorwaardelijke straf en daarmee tot de ernst van het feit, hetgeen de mogelijkheden bij lichtere strafbare feiten beperkt. Bovendien is er alleen indien de strafdreiging zwaar genoeg is een prikkel voor de veroordeelde om de voorwaarde na te leven. De maatregel als thans voorgesteld, is bedoeld voor al die gevallen waarin de rechter niet met een voorwaardelijke sanctie een blijvende gedragsverandering van de veroordeelde kan of wil bereiken, maar wel met een gerichte vrijheidsbeperking de geschonden rechtsorde wil herstellen. Dit kan het geval zijn bij «lichte feiten» of lichte gevallen van «zware feiten» waarbij voorwaardelijke veroordeling geen indruk maakt omdat de straf die er achter dreigt te laag is.

(…)
Het is goed om te benadrukken dat aan de rechter een algemene bevoegdheid wordt toegekend om deze maatregel op te leggen en dat het dus aan de rechter is om in concrete gevallen waar beperking van de vrijheid van de veroordeelde gewenst is te kiezen voor een vrijheidsbeperkende maatregel of een voorwaardelijke veroordeling.


Het wetsvoorstel sluit niet uit dat de rechter bij de veroordeling zowel een vrijheidsbeperkende maatregel als een voorwaarde bij een voorwaardelijke straf kan opleggen. Deze combinatie kan aan de orde zijn in een geval waarin de rechter het wenselijk acht dat ook indien de betrokkene hoger beroep instelt de ordemaatregel van het gebieds- of contactverbod direct ingaat, zonder dat de proeftijd voor de eveneens opgelegde gedragsveranderende bijzondere voorwaarde(n) op dat moment reeds ingaat. Dit kan worden bereikt door een direct uitvoerbare vrijheidsbeperkende maatregel en een bijzondere voorwaarde die ten uitvoer wordt gelegd op het moment dat het vonnis onherroepelijk wordt, op te leggen. In zo’n geval kan de combinatie gewenst zijn en stuit zij niet op bezwaren. In geval van een voorwaarde en een maatregel die dezelfde gedragsbeperking beogen en bovendien op hetzelfde moment uitvoerbaar zijn, zou een dergelijke combinatie (…) wel tot gecompliceerde situaties kunnen leiden indien bijvoorbeeld de maatregel niet wordt nageleefd én de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit pleegt waardoor de voorwaarde wordt overtreden. De betrokkene zou dan – in verschillende rechtsgangen – geconfronteerd kunnen worden met enerzijds een nieuwe straf voor het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf en anderzijds de vervangende hechtenis voor de opgelegde maatregel. Een dergelijke situatie zal zich evenwel, gelet op de afzonderlijke beslissingen die de rechter hierover neemt, niet voordoen.”

11. Met de stellers van het middel kan worden gezegd dat de regering er in de memorie van toelichting op heeft gewezen dat de rechter bij de berechting van minder ernstige feiten niet altijd toekomt aan de aanwending van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke straf. De strafdreiging moet immers zwaar genoeg zijn om een prikkel tot naleving van de voorwaarden te doen ontstaan. Dat is bij de berechting van minder ernstige feiten niet altijd het geval, aldus de minister.4 Uit die memorie van toelichting volgt eveneens dat de rechter daaraan ook bij ernstige feiten niet altijd toekomt, bijvoorbeeld indien een onvoorwaardelijke straf passend wordt geacht. Doordat in die gevallen de vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd, is de rechter niet gebonden aan het kader van de voorwaardelijke strafoplegging.5 Tot slot houdt de memorie van toelichting in dat de regering bij de vrijheidsbeperkende maatregel in het bijzonder heeft gedacht aan relatief lichte feiten.6

12. Gelet op de tekst van art. 38v Sr is het toepassingsgebied van de vrijheidsbeperkende maatregel echter niet beperkt tot die relatief lichte feiten.7Van verschillende kanten is erop gewezen dat moet worden getwijfeld aan de toegevoegde waarde van de vrijheidsbeperkende maatregel ten opzichte van de voorwaardelijke veroordeling.8 De verhouding tussen de maatregel en de oplegging van (bijzondere) voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling speelt daarbij een belangrijke rol. De hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis wijst uit dat de regering de bijzondere voorwaarde met name aanmerkt als een middel om een blijvende gedragsverandering te bereiken in relatief zware zaken. De vrijheidsbeperkende maatregel is gericht op herstel van de geschonden rechtsorde in het geval van lichtere feiten. Hierbij kan echter worden opgemerkt dat in de praktijk ook de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden wordt aangewend om bepaalde controlerende voorwaarden te stellen zonder dat daarmee een blijvende gedragsverandering wordt beoogd. Voorts kan ook bij relatief lichte feiten een bijzondere voorwaarde passend zijn.9 Tot slot moet worden opgemerkt dat de memorie van toelichting op art. 38v Sr eveneens inhoudt dat het aan de rechter is om in het concrete geval te kiezen voor een vrijheidsbeperkende maatregel of een voorwaardelijke veroordeling en dat niet is uitgesloten dat de rechter bij een veroordeling zowel een vrijheidsbeperkende maatregel als een voorwaarde bij een voorwaardelijke straf oplegt.10

13. Het voorgaande brengt mee dat ik over de eerste deelklacht vrij kort kan zijn. Noch de tekst van de bepaling van art. 38v Sr, noch de memorie van toelichting biedt aanknopingspunten voor de stelling dat de vrijheidsbeperkende maatregel enkel in het leven is geroepen voor die gevallen waarin de rechter niet toekomt aan de toepassing van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf, maar de rechter wel een contact- en/of gebiedsverbod wil opleggen. In de parlementaire geschiedenis is immers expliciet opgemerkt dat het aan de rechter is om een keuze te maken tussen een vrijheidsbeperkende maatregel en een vrijheidsbeperkende voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling, terwijl niet is uitgesloten dat de rechter bij een(zelfde) veroordeling een combinatie van beide oplegt.

14. In de voorliggende zaak heeft het hof een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] opgenomen als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke gevangenisstraf die op de voet van art. 423, vierde lid, Sv is ‘bepaald’ ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde, terwijl de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contact- en gebiedsverbod is opgelegd ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde. Het contactverbod heeft onder meer betrekking op [slachtoffer 1] . Daarmee is geen sprake van een situatie waarin het hof voor dezelfde feiten zowel bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijk opgelegde straf als een vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgelegd.11 Wel beogen de bijzondere voorwaarde en de maatregel dezelfde gedragsbeperking terwijl zij daarnaast beide dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard. In de memorie van toelichting heeft de wetgever daarover opgemerkt dat die combinatie wel tot gecompliceerde situaties kan leiden indien de maatregel niet wordt nageleefd én de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit pleegt waardoor de voorwaarde wordt overtreden. Dan kan de betrokkene geconfronteerd worden met enerzijds een nieuwe straf voor het gepleegde strafbare feit en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf en anderzijds de vervangende hechtenis12 voor de opgelegde maatregel.13 Toch staat het voorgaande niet in de weg aan de (gelijktijdige) oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel en (een) gelijkluidende voorwaarde(n) bij een voorwaardelijke straf. Dat brengt mee dat het hof bij de strafoplegging niet heeft geoordeeld in strijd met het doel en de ratio van de wet, hetgeen de strafoplegging van het hof niet onbegrijpelijk maakt.

15. Het voorgaande brengt mee dat het middel in zoverre faalt.

16. Het middel behelst voorts de klacht dat het hof ten onrechte de vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende dat de verdachte zich niet mag ophouden binnen één kilometer van het woonadres van onder meer [betrokkene 2] , dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat in de bestreden uitspraak is opgenomen dat het woonadres van [betrokkene 2] ‘thans onbekend’ is, waardoor de verdachte zijn gedrag daarop niet kan afstemmen.

17. De inhoud van de in het middel bedoelde bijzondere voorwaarde is opgenomen in het dictum van de bestreden uitspraak dat is weergegeven onder 6 van deze conclusie. De motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel is opgenomen onder 5 van de conclusie.

18. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546, in werking getreden op 1 april 2012, houdt, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het volgende in:

“3. Inhoud van de maatregel

(…)
De rechter zal bij het opleggen van de maatregel streven naar een zo gering mogelijke beperking van de grondrechten van de verdachte, in verhouding tot de belangen van beveiliging van de maatschappij of de voorkoming van strafbare feiten. Een gebiedsverbod, contactverbod of meldplicht beperkt de vrijheid van bewegen en handelen. (…) Een gebiedsverbod zal een exacte omschrijving bevatten van het gebied waarbinnen de veroordeelde zich niet mag bevinden. (…)

(…)


3.1 Gebiedsverbod

Een gebiedsverbod kan een verbod betreffen om zich in of in de omgeving van bepaalde gebouwen op te houden, dan wel een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van een wijk dan wel in bepaalde straten te bevinden. Het gebiedsverbod kan een algemeen verbod bevatten, dan wel een verbod voor bepaalde tijdstippen, dagen of data. Het kan bijvoorbeeld gaan om een verbod zich tijdens de avonduren waarin de veroordeelde, al dan niet in groepsverband, in een wijk of bij een publieke plaats zoals een station strafbare feiten heeft gepleegd gericht tegen voorbijgangers, bepaalde bewoners of winkeliers. In geval van voetbalvandalisme kan het bijvoorbeeld gaan om een stadionverbod tijdens alle wedstrijden van een bepaalde club. Het spreekt voor zich dat de rechter, in het kader van de proportionaliteit van de op te leggen maatregel, altijd eerst beziet of een verbod zich op bepaalde tijdstippen te bevinden in de omgeving van bepaalde gebouwen of locaties afdoende is. In veel gevallen zal dat zo zijn, zodat de veroordeelde niet onnodig in zijn vrijheid wordt beperkt. Als echter blijkt van zodanige feiten of omstandigheden dat een verdergaand verbod naar tijd of plaats noodzakelijk is, dan kan daartoe worden overgegaan.”

19. Het lijkt mij dat de stellers van het middel hier een punt hebben. Uit de memorie van toelichting volgt dat een gebiedsverbod een verbod kan betreffen om zich in of in de omgeving van bepaalde gebouwen op te houden, dan wel een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van een wijk dan wel in bepaalde straten te bevinden. Dat verbod zal een exacte omschrijving moeten bevatten van het gebied waarbinnen de veroordeelde zich niet mag bevinden. Daarmee wordt aan zowel de veroordeelde als de toezichthoudende instanties duidelijkheid geboden over de inhoud van de vrijheidsbeperkende maatregel.14 In art. 38v, tweede lid onder a, Sr is bepaald dat de vrijheidsbeperkende maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen zich niet op te houden in een bepaald gebied. Net als bij de oplegging van bijzondere voorwaarden in het kader van de voorwaardelijke veroordeling spreekt het vanzelf dat voor de veroordeelde duidelijk moet zijn in welk gebied hij zich niet mag begeven. De veroordeelde zal aan de hand van de omschrijving van de bij maatregel opgelegde verplichting in staat moeten zijn z’n gedrag daarop af te stemmen.15 Voor zover de bedoelde verplichting ook het verbod bevat zich op te houden binnen een straal van één kilometer van het woonadres van [betrokkene 2] , terwijl haar adres onbekend is, lijkt deze te ruim geformuleerd. Daarmee is immers geen exacte (en duidelijke) omschrijving gegeven van het gebied waarbinnen de veroordeelde zich niet mag bevinden. Ik wijs er daarbij nog op dat de motivering van de strafoplegging van het hof ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover inhoudende het gebiedsverbod enkel betrekking heeft op [slachtoffer 1] en haar moeder ( [betrokkene 1] ) en niet op haar zus ( [betrokkene 2] ).

20. Het voorgaande brengt mee dat het gebiedsverbod voor zover betrekking hebbend op de zus van [slachtoffer 1] ( [betrokkene 2] ) niet voldoet aan de in art. 38v, tweede lid onder a, Sr geformuleerde eis dat het gebiedsverbod betrekking moet hebben op een bepaald gebied.

21. In zoverre slaagt het middel. De Hoge Raad kan de zaak om redenen van doelmatigheid zelf afdoen door vernietiging van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover die betrekking heeft op het gebiedsverbod ten aanzien van [betrokkene 2] en voor zover inhoudende “en [betrokkene 2] (adres thans onbekend)”.

22. De eerste deelklacht faalt. De tweede deelklacht slaagt.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat de “veroordeelde zich niet zal ophouden binnen een straal van 1 (één) kilometer van de woonadressen van [slachtoffer 1] (thans [a-straat 1] , [plaats] ), [betrokkene 1] (thans [b-straat 1] , [plaats] ) en [betrokkene 2] (adres thans onbekend)”, voor zover daarin is opgenomen “en [betrokkene 2] (adres thans onbekend)”, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de bestreden uitspraak (pag. 1) blijkt dat ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman en de advocaat-generaal is medegedeeld dat het door de verdediging, respectievelijk de officier van justitie ingestelde hoger beroep alleen is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Het hof heeft in dat licht geoordeeld dat de raadsman en de advocaat-generaal moeten worden geacht de eerdere, bij de verdachte en de officier van justitie levende, bezwaren tegen de beslissing in het vonnis waarvan beroep ten aanzien van deze feiten te hebben ingetrokken. De verdachte en de officier van justitie zijn daarop ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

2 Daarbij ging het om het voorhanden hebben van een pistool en munitie (feit 2), belaging, meermalen gepleegd (feit 3), bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (feit 4) en vernieling (feit 5).

3 In twee arresten stond de motivering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen centraal: HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916, en HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143 m.nt. F. Vellinga-Schootstra. Daarnaast stond in twee arresten de (on)mogelijkheid van de oplegging van deze maatregel centraal voor een delict begaan deels vóór de inwerkingtreding van art. 38v Sr: HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79, NJ 2018/75 en HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:80.

4 Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 2. In dit licht heeft Bleichrodt echter nog opgemerkt dat de stelling dat een bijzondere voorwaarde bij relatief lichte feiten niet zou afschrikken niet nader wordt onderbouwd. Zie F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’ in: F.W. Bleichrodt & S. de Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 48-50.

5 Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 2.

6 Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 19.

7 F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’ in: F.W. Bleichrodt & S. de Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 48-50. Volgens Vellinga-Schootstra heeft een verkenning van rechtspraak op rechtspraak.nl geleerd dat op het eerste gezicht niet veel terecht lijkt te komen van de bedoeling van de wetgever om art. 38v Sr met name toe te passen bij lichte feiten of bij lichte vormen van zware feiten en de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden bij zware feiten. Zie HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt. Vellinga-Schootstra onder 8.

8 Zie het advies van de Raad van State (Kamerstukken II, 2010/11, 32551, nr. 4, p. 3). Zie ook F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’ in: F.W. Bleichrodt & S. de Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 48-50.

9 F.W. Bleichrodt & P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Kluwer 2016, p. 323. Zie ook F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’ in: F.W. Bleichrodt & S. de Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 48-50.

10 Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 20.

11 Zie over die situatie mijn conclusie in de zaak 18/02544.

12 Die vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op, waarmee die vervangende hechtenis het karakter heeft van gijzeling. Zie ook HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143, m.nt. Vellinga-Schootstra onder 8.

13 Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 20. Ook Bleichrodt heeft daarover nog opgemerkt dat de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel in combinatie met een bijzondere voorwaarde het risico tot afstemmingsproblemen in zich bergt bij niet naleving van die voorwaarde c.q. die verplichting. Zie F.W. Bleichrodt, ‘Beperking van bewegingsvrijheid en beïnvloeding van gedrag in het Nederlands straf- en strafprocesrecht’ in: F.W. Bleichrodt & S. de Decker, Gedragsverboden en vrijheidsbeperkingen, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 50.

14 Vgl. ook Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 20.

15 Vgl. HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389 en de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt bij dat arrest onder 18. Zie ook HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667.