Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:821

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
18/04737
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Derdenbeslag ex art. 94 Sv op personenauto van klaagster. Beklag ex art. 552a Sv. (On)waarschijnlijkheid dat de auto zal worden verbeurdverklaard op grond van art. 33a Sr. Klaagster stelt eigenaar te zijn van de in beslag genomen auto. In de vaststelling van de rechtbank dat de auto op naam van klaagster staat, maar de beslagene eveneens gebruik heeft gemaakt van de auto, ligt niet besloten dat de auto (mede) aan de beslagene toebehoort. De rechtbank heeft het in art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr bepaalde miskend en het toetsingskader zoals uiteengezet in HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 niet goed toegepast. Het advies van de AG aan de Hoge Raad is de beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/04737

Zitting 27 augustus 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de klaagster.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 30 oktober 2018 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot teruggave aan haar van een onder een ander inbeslaggenomen auto, ongegrond verklaard.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. Mr. M.G. Cantarella en mr. D.J.G.J. Cornelissen, beiden advocaat te 's-Gravenhage, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel richt zich tegen de ongegrondverklaring van het namens klaagster ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift. Het middel behelst, als ik het goed zie, twee klachten:

(i) dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden vooruitgelopen op de vraag of de auto aan klaagster en/of de beslagene toebehoort in de zin van artikel 33a Sr, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd;

(ii) dat het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voertuig verbeurd zal verklaren, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, omdat de rechtbank heeft nagelaten de in art. 33a, lid 2 aanhef onder a, Sr (kort gezegd bekendheid bij de rechthebbende met het gebruik voor het strafbare feit) in haar beoordeling te betrekken.

2.2

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Beschikking van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klaagster] ,

(…)

blijkens een daarvan opgemaakte akte op 24 juli 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend, strekkende tot teruggave van een personenauto van het merk Seat, type Ibiza, voorzien van kenteken [kenteken] aan klaagster.

(…)

Beoordeling van het beklag.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het beklag.

Het klaagschrift is tijdig ingediend.

Vast staat dat bedoelde personenauto op 16 mei 2018 onder [betrokkene 1] in beslag is genomen.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt en dat van de rechter niet gevergd kan worden ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden (ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of binnen het summiere karakter van deze procedure antwoord kan worden gegeven op de vraag aan wie de auto toebehoort in de zin van artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Daarbij is het van belang dat de uitleg van het begrip “toebehoren (aan een ander)” is voorbehouden aan de rechter en sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard.

In deze zaak staat de auto op naam van klaagster, maar uit het klaagschrift van klaagster volgt dat [betrokkene 1] eveneens gebruik maakte van de auto. Daar komt bij dat uit de inhoud van het strafdossier volgt dat op [betrokkene 1] de verdenking rust dat hij (in elk geval) op 16 augustus 2017, 20 augustus 2017, 16 oktober 2017, 17 oktober 2017, 12 november 2017, 26 maart 2018, 29 maart 2018 en 30 maart 2018 gebruik heeft gemaakt van de auto. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich mee dat het onder deze omstandigheden niet mogelijk is om in het kader van deze klaagschriftprocedure vooruit te lopen op de vraag of de personenauto aan klaagster en/of [betrokkene 1] toebehoort in de zin van artikel 33a Sr.

Nu daarbij uit het dossier volgt dat er een verdenking bestaat dat [betrokkene 1] met behulp van die auto strafbare feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank het niet hoogst onwaarschijnlijk, dat de strafrechter, later oordelend, deze auto verbeurd zal verklaren. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve tegen opheffing van het beslag, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

(…)”

2.3

Het proces-verbaal van de terechtzitting van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken van 16 oktober 2018 houdt onder meer het volgende in:

“De rechter geeft een korte samenvatting van het verloop van de zaak.

De raadsman van klaagster voert het woord en brengt - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren:

De auto staat op naam van klaagster. Klaagster gebruikte de auto overdag en die auto is ’s avonds buiten medeweten van klaagster gebruikt door haar vriend. Het is gelet hierop de vraag of verbeurdverklaring zal volgen. Het is bovendien geen object waarmee het misdrijf is gepleegd.

Het is een auto die voor ruim € 6.000,- is gekocht. De auto is nu nog veel meer waard dan de in het dossier genoemde € 1.400,-.

Klaagster verklaart hierop -verkort en zakelijk weergegeven- het volgende:

Het is mijn auto. Ik heb er ook voor gespaard omdat ik zwanger was geworden. Er zat een peilbaken onder de auto en daarom kan worden gezien dat ik er ook gebruik van maakte.

De officier van justitie voert het woord en brengt - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren:

Het is niet eenduidig vast te stellen wie de gebruiker is. In het dossier is te zien dat de auto 11 keer ’s nachts door [betrokkene 1] is gebruikt en 4 keer naar de plek van een inbraak is gereden. Als ik zie wat er verder in het dossier zit dan is het op dit moment niet onaannemelijk dat de rechter vaststelt dat de auto werd gebruikt door [betrokkene 1] en dat de auto daarop verbeurd wordt verklaard.

De raadsman voert andermaal het woord en brengt - verkort en zakelijk weergegeven - naar voren:

Ik kom niet verder dan 10 keer dat de auto zou zijn gebruikt door [betrokkene 1] . Overdag maakte klaagster gebruik van de auto. Dat [betrokkene 1] er ’s avonds gebruik van maakte over een heel ruime periode moet leiden tot de conclusie dat klaagster de gebruikster van de auto was. Omdat hij er een paar keer ’s nachts gebruik van heeft gemaakt maakt niet dat [betrokkene 1] kan worden aangemerkt als de gebruiker. Dan is het dus maar de vraag of de rechter de auto later verbeurd zal verklaren.”

2.4

Met het middel wordt aangevoerd dat het antwoord op de vraag of de auto aan de klaagster of aan [betrokkene 1] toebehoort in de zin van art. 33a Sr weldegelijk een te beantwoorden vraag is in de klaagschriftprocedure. Daarbij wordt gewezen op de voorwaarden die zijn opgenomen in art. 33a, lid 2 aanhef onder a, Sr. Tegen die achtergrond bevat het middel tevens de klacht dat de rechtbank de in die bepaling opgenomen maatstaf in haar beoordeling had dienen te betrekken.

2.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de auto in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar verschillende inbraken tegen de beslagene ( [betrokkene 1] ) in beslag is genomen. Daarin ligt tevens besloten dat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv. De klaagster, [klaagster] , stelt eigenaar te zijn van de auto. Hier doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat de inbeslaggenomen auto haar in eigendom toebehoort, zich bij de rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar.

2.6

In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen.1

2.7

De verbeurdverklaring van een voorwerp waarmee het feit is begaan of voorbereid is in beginsel alleen mogelijk als dat voorwerp aan de veroordeelde toebehoort. Op dit beginsel maakt art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr een uitzondering voor het geval de rechthebbende – kort samengevat – te kwader trouw was. Dat betekent dat bij de vraag of de wet verbeurdverklaring toelaat, niet in het midden kan worden gelaten of een ander dan de veroordeelde de rechthebbende is op het desbetreffende voorwerp en, als dit het geval is, evenmin of die ander onbekend was met het criminele gebruik dat de veroordeelde daarvan maakte en dat gebruik ook niet redelijkerwijze had kunnen vermoeden.2

2.8

Uit de motivering van de rechtbank blijkt dat zij heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering (de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat) zich tegen de opheffing van het beslag (en dus tegen teruggave van de auto) verzet, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto zal bevelen. Daarmee heeft de rechtbank het juiste toetsingskader vooropgesteld.

2.9

In de toepassing daarvan gaat het echter mis. Verbeurdverklaring is immers, zoals hiervoor reeds gezegd, in beginsel alleen mogelijk als het in beslag genomen voorwerp aan de veroordeelde toebehoort. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat de auto op naam van klaagster staat, maar dat de beslagene eveneens gebruik heeft gemaakt van de auto. Hierin ligt echter niet besloten dat de auto (mede) aan de beslagene toebehoort.

2.10

De rechtbank heeft daardoor ten onrechte in het midden gelaten of een ander dan de veroordeelde, namelijk de klaagster, de rechthebbende is op de auto en, bij een bevestigende beantwoording, of zij onbekend was met het criminele gebruik dat de beslagene van die auto maakte en dat gebruik ook niet redelijkerwijze had kunnen vermoeden. Daarmee heeft de rechtbank het in art. 33a, lid 2 aanhef en onder a, Sr bepaalde miskend.

2.11

Het middel slaagt.

3 Conclusie

3.1

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

3.2

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. o.a. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19, HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8 en 2.9

2 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1452 onder 3.4.