Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:815

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
27-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
18/02750
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1548
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie A-G. Onttrekking aan het verkeer van boksbeugel op grond van art. 36d Sr. Nu de verdachte is veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet, is de vraag of die boksbeugel kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. De A-G stelt zich op het standpunt dat de Hoge Raad de beslissing tot onttrekking aan het verkeer dient te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02750

Zitting 27 augustus 2019 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 9 maart 2018 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een in beslag genomen en nog niet teruggeven boksbeugel.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

“hij op of omstreeks 28 maart 2016 te [plaats] , [gemeente] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 426 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II”

4. Bespreking van het eerste middel

4.1

Het middel bevat de klacht dat het hof met zijn oordeel dat het opleggen van een enkele taakstraf niet mogelijk is, de eis van art. 22b lid 2 aanhef en onder 2 Sr heeft miskend, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

4.2

Het hof heeft omtrent de strafoplegging het volgende overwogen:

Op te leggen straf of maatregel

(…)

Omdat aan verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane feiten wegens soortgelijke misdrijven taakstraffen zijn opgelegd (bij arrest van dit hof van 25 februari 2014, parketnummer 20-001204-13) en verdachte deze taakstraf, blijkens de door de advocaat-generaal ter terechtzitting overhandigde mededeling van de reclassering d.d. 28 januari 2016, niet heeft verricht, is enkel een taakstraf op grond van artikel 22b, tweede lid, aanhef en onder a en b, Wetboek van Strafrecht niet mogelijk. Verdachte heeft niet in voorarrest gezeten, zodat naleving van de wettelijke bepaling in ieder geval vrijheidsbenemende straf met zich moet meebrengen.

Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

(…).”

4.3

Art. 22b lid 2 Sr luidt:

“Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:

1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en

2° de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 22g de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.”

4.4

Deze bepaling voorziet dus in het uitsluiten van een (kale) taakstraf in geval van recidive. Vereist is dat de eerder opgelegde taakstraf is verricht of dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen in verband met het niet (naar behoren) verrichten van de taakstraf. Het stellen van deze eis dient ertoe een tweede (kale) taakstraf uit te sluiten in gevallen waarin het opleggen van de taakstraf kennelijk niet het effect heeft gehad dat daarmee werd beoogd. Daaronder valt ook het geval waarin de veroordeelde de eerder opgelegde taakstraf niet heeft verricht en dat aanleiding is geweest om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te bevelen. Indien het niet verrichten van de taakstraf er niet toe heeft geleid dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen, kan wel een nieuwe taakstraf worden opgelegd. De gedachte is dan dat de eerder opgelegde taakstraf niet is verricht buiten de schuld van de veroordeelde.1

4.5

De overwegingen van het hof houden in dat een enkele taakstraf niet mogelijk is omdat de verdachte een eerder opgelegde taakstraf – blijkens de door de advocaat-generaal ter terechtzitting overhandigde mededeling van de reclassering – niet heeft verricht. Het hof heeft daarbij niet uitdrukkelijk overwogen dat dit gegeven ertoe heeft geleid dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen. De steller van het middel heeft in zoverre een punt.

4.6

Reden voor cassatie is dit echter – anders dan de steller van het middel betoogt – niet, omdat uit de stukken van het geding genoegzaam blijkt dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen. De desbetreffende mededeling van de reclassering waarnaar het hof verwijst en welke zich in het dossier bevindt, houdt namelijk in dat de verdachte tweemaal is uitgenodigd voor een intakegesprek ter uitvoering van zijn werkstraf, dat hij tweemaal niet is verschenen en dat daarom de werkstraf van 180 uur als zijnde onuitvoerbaar retour wordt gezonden. Ook houdt het aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 februari 2018 gehechte requisitoir van de advocaat-generaal in dat (i) is gebleken dat de eerder opgelegde werkstraf niet naar tevredenheid is uitgevoerd en dat deze is omgezet naar de vervangende hechtenis, (ii) dat uit het verslag van de reclassering blijkt dat er eind januari 2016 nog contact is geweest over de uit te voeren werkstraf en het retourneren daarvan en (iii) een bezwaarschrift tegen deze omzetting op 31 maart 2016 door het hof is afgewezen. Deze mededelingen vinden steun in een door de advocaat-generaal overgelegd en aan het proces-verbaal van de zitting gehecht afschrift uit het registratiesysteem “Registreren strafgegevens ( […] )” waaruit blijkt dat de executie van de werkstraf op 29 januari 2016 is geëindigd en dat de omzetting op 10 februari 2016 heeft plaatsgevonden.2 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt voorts niet dat de mededelingen van de advocaat-generaal door de raadsvrouw van de niet verschenen verdachte zijn betwist, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Gelet op dit alles moet mijns inziens worden geoordeeld dat de verdachte bij vernietiging van de bestreden uitspraak op grond van het geconstateerde motiveringsgebrek – dat enkel hieruit bestaat dat het hof niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen – onvoldoende belang heeft.3

4.7

Het middel faalt.

5. Bespreking van het tweede middel

5.1

Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd de onttrekking aan het verkeer van een boksbeugel heeft bevolen.

5.2

Het hof heeft ten aanzien van het beslag het volgende overwogen:

Beslag

De hierna nader aan te duiden in beslag genomen en nog niet teruggegeven boksbeugel is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf is aangetroffen, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.”

5.3

De bepaling van art. 36d Sr luidt:

“Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn bovendien de aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, dan wel het feit waarvan hij wordt verdacht, zijn aangetroffen, doch alleen indien de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan.”

5.4

Onder soortgelijke feiten in de zin van deze bepaling dienen te worden verstaan feiten die tot dezelfde categorie behoren als de door de verdachte begane feiten dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht.4

5.5

In aanmerking genomen dat is bewezen verklaard dat de verdachte ongeveer 426 hennepplanten heeft geteeld, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien hoe de onder de verdachte in beslag genomen boksbeugel kan dienen tot het telen van hennep of soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan. Het middel klaagt daarover terecht.5

5.6

Ik geef de Hoge Raad in overweging om, om redenen van doelmatigheid, te volstaan met het vernietigen van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de boksbeugel.6 Ik merk daarbij op dat die beslissing weliswaar meebrengt dat het belang van de strafvordering dat met het gelegde beslag is gemoeid, zich niet langer tegen een bevel tot teruggave verzet, maar dat dit in dit geval – nu het voorhanden hebben van een boksbeugel een strafbaar feit oplevert – niet in de weg staat aan een voortzetting van het gelegde beslag op een andere grond. Onttrekking van de boksbeugel aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking op de voet van art. 36b lid 1 onder 4e jo. art. 36c onder 2e Sr lijkt immers tot de mogelijkheden te behoren. Voor het overige geldt dat de verdachte zich over het uitblijven van een last tot teruggave ex art. 552a Sv kan beklagen.

6. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de boksbeugel betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3539, waarin wordt verwezen naar Kamerstukken II 2009-2010, 32 169, nr. 3, p. 10.

2 Uit het afschrift blijkt niet dat bezwaar is gemaakt tegen de omzetting, en dus ook niet dat dit bezwaar door het hof is afgewezen.

3 De onderhavige zaak verschilt van de zaak waarop het in de schriftuur aangehaalde arrest van 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2480 betrekking heeft, omdat in die zaak uit de gedingstukken juist geen aanknopingspunten waren te vinden dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis was bevolen.

4 HR 6 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9322, NJ 1997/655.

5 Vgl. o.m. HR 7 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9859 (alarmpistolen bij bewezen verklaarde ontuchtige handelingen), HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5709 (zakjes weed bij bewezen verklaarde (poging) gekwalificeerde diefstal en schuldheling van een scooter), HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:197 (verlammingsapparaat bij bewezen verklaarde hennephandel) en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1410 (mes bij bewezen verklaarde winkeldiefstal).

6 Vgl. HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3046; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3060 en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2644.