Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:810

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-07-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
19/02241
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1948, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Art. 349a lid 2 Fw. Rechter-commissaris wijst verzoek af van de bewindvoerder tot verkorting van de termijn van de schuldsaneringsregeling. Terughoudende toetsing in hoger beroep? Mag de rechter-commissaris in hoger beroep zijn zienswijze geven? Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr: 19/02241 mr. G.R.B. van Peursem

Zitting: 8 juli 2019 Conclusie inzake:

[verzoekster]

verzoekster tot cassatie

(hierna: [verzoekster] )

adv. mr. J. van Weerden

Deze zaak ziet op een verzoek tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van [verzoekster] (art. 349a lid 2 Fw), nu tijdens een voorafgaand faillissement al aan de boedel is afgedragen. [verzoekster] doet daarvoor beroep op uitspraken in vier andere zaken waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling om die reden is verkort.

De rechter-commissaris (“r-c”) heeft het verzoek afgewezen. [verzoekster] heeft daar beroep tegen ingesteld en de r-c heeft schriftelijk zijn zienswijze gegeven. De rechtbank oordeelt dat de r-c in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen. De vier andere uitspraken acht de rechtbank niet vergelijkbaar, omdat de schuldenlast in deze zaken aanmerkelijk lager is en er soms geen afdrachtplicht is.

In cassatie wordt volgens mij tevergeefs geklaagd over de maatstaf en de begrijpelijkheid van de motivering. De klacht over het toelaten van de zienswijze van de r-c lijkt mij belang in cassatie te missen, omdat niet blijkt dat de zienswijze van invloed is geweest op het oordeel van de rechtbank. Wel slaagt in mijn ogen het betoog dat [verzoekster] de gelegenheid had moeten krijgen om zich uit te laten over de schuldenlast in de vier andere zaken, zodat het cassatieberoep in die zin terecht is voorgesteld.

1. Feiten en procesverloop 1

1.1 [verzoekster] is op 14 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is bij vonnis van 13 juni 2017 opgeheven, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, met benoeming van mr. B.R.M. de Bruijn tot r-c en A.T.M. Brekelmans tot bewindvoerder. Daartoe heeft de rechtbank overwogen:2

“2.2. De curator voert aan dat verzoeker [ [verzoekster] , A-G] goed heeft meegewerkt aan de afwikkeling van het faillissement en haar de nodige informatie heeft verschaft. Verwijtbaar is wel de gang van zaken rondom de verkoop door verzoekster van een verpande softijsmachine van de voormalige onderneming. De bedrijfsactiva zijn namelijk verpand aan de voormalige eigenaar. De reden voor verkoop zou zijn gelegen in de moeilijke financiële omstandigheden waaronder het bedrijf diende te opereren alsmede de slechte gezondheidstoestand van haar toenmalige partner. De opbrengst van de softijsmachine van € 3.000,00 is in de bedrijfsvoering gevloeid om betalingsachterstanden te voldoen. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat in voldoende mate sprake is (geweest) van goed ondernemerschap. Er zijn echter verzachtende omstandigheden. Er zijn geen verdere frauduleuze handelingen bekend en de curator heeft alle mogelijke medewerking gekregen. Er is inmiddels betaalde arbeid en het ontvangen bedrag voor de softijsmachine is aangewend ter voldoening van bedrijfsmatige schulden.

De rechtbank zal dan ook het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, gelet op artikel 288 lid 3 Faillissementswet (hardheidsclausule), [dan ook] toewijzen.”

1.2 Uit een (vervolg)verslag van de bewindvoerder van 12 februari 20193 blijkt dat de preferente vorderingen € 7.041,01 bedragen en dat de concurrente vorderingen € 103.485,59 belopen. Verder vermeldt het verslag dat aan de schuldenaren een saldo van € 12.756,98 toekomt4. In dit verslag heeft de bewindvoerder op de volgende gronden aan de r-c voorgesteld om de looptijd van de schuldsanering te verkorten:

“Schuldenaar is op 14 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard. Bij het einde van het faillissement is zij op 13 juni 2017 toegelaten tot de WSNP. Bij aanvang faillissement is aan schuldenaar de verplichting opgelegd zoals die ook voor haar zouden gelden tijdens een opvolgende WSNP. Schuldenaar is haar informatieplicht zeer correct nagekomen. Schuldenaar heeft een sollicitatieplicht waaraan zij op zeer correcte wijze voldoet. Vanaf aanvang faillissement is een afdrachtplicht opgelegd welke door schuldenaar correct wordt nagekomen. Er is een boedeloverschot. Door de curator is positief geadviseerd voor de omzetting van faillissement in WSNP. De bewindvoerder verzoekt de rechter-commissaris thans om de reguliere looptijd van de WSNP vanwege het voorafgaande faillissement te verkorten met een termijn die de rechter-commissaris juist voorkomt.”

1.3 Bij e-mailbericht van 26 februari 2019 is dit verzoek tot verkorting van de looptijd namens de r-c afgewezen. Het bericht vermeldt – voor zover relevant – het volgende:

“T.a.v. uw verzoek verkorting van de looptijd het volgende. Gelet op de notitie verkorte looptijd schuldsanering van de Recofa is de rechter-commissaris niet akkoord nu er afloscapaciteit is.”

1.4 [verzoekster] heeft op 1 maart 2019 een beroepschrift met producties ingediend bij de rechtbank Limburg. [verzoekster] legt aan haar beroep ten grondslag dat de e-mail van 26 februari 2019 niet voldoet aan de eisen waaraan een beschikking moet voldoen. Verder wordt betoogd dat de termijn van de schuldsaneringsregeling kan worden verkort nu [verzoekster] voldoet aan de voorwaarden die in art. 1.2 sub b (voorheen: art. 1.7 sub b) van de Recofa-richtlijn5 worden gesteld. Ook wordt aangevoerd dat de r-c in vergelijkbare gevallen wel de termijn van de schuldsaneringsregeling heeft verkort.

1.5 Bij brief van 15 maart 2019 heeft de r-c zijn zienswijze gegeven. Van een verkorting van de termijn kan volgens hem geen sprake zijn omdat niet is voldaan aan de eis dat er geen aflossingscapaciteit is – laat staan dat te voorzien is dat deze ook niet meer ontstaat – terwijl evenmin ontheffing is verleend voor de sollicitatieverplichting.

1.6 Op 15 april 2019 heeft de advocaat van [verzoekster] gereageerd op de brief van de r-c. Hierbij zijn uitspraken in vier andere zaken overgelegd waarin de looptijd van de schuldsaneringsregeling vanwege een voorafgaand faillissement is verkort. In drie van die zaken was, zo blijkt uit een mail van de bewindvoerder, nog een afdrachtplicht.

1.7 De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2019 plaatsgevonden. De advocaat van [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat hetgeen hij naar voren heeft gebracht in de vergelijkbare zaak met zaaknummer C/03/261092 HA RK 19-48 ook betrekking heeft op deze zaak. Op zijn verzoek heeft de rechtbank een kopie van de notities van de griffier bij deze zaak gevoegd (zie rov. 3.1). De bewindvoerder heeft op de zitting meegedeeld dat [verzoekster] altijd goed heeft meegewerkt. [verzoekster] werkt weliswaar parttime, maar haar salaris ligt gelijk aan een fulltime baan. Daarnaast worden al haar inkomsten uit overwerk afgedragen en is zij zeer stipt met solliciteren. Zij draagt zelfs meer af dan verplicht, waardoor een boedeloverschot is ontstaan (hetgeen echter niet betekent dat alle schulden voldaan kunnen worden, zie hiervoor 1.2). Op 2 april 2019 is geverifieerd. De bewindvoerder heeft de verificatielijst op 18 april 2019 overgelegd.

1.8 Bij beschikking van 25 april 2019 heeft de rechtbank Limburg het beroep tegen de beslissing van de r-c afgewezen. De rechtbank overweegt eerst dat beslissingen die de r-c in het kader van de uitoefening van zijn taak neemt, dienen te worden aangemerkt als beschikkingen, tenzij het gaat om een door de wet voorgeschreven beslissing, een mededeling van informatieve aard of een maatregel van orde. De vorm waarin de beslissing wordt genomen is niet relevant. Uit het e-mailbericht van 26 februari 2019 blijkt dat de r-c een beslissing heeft genomen op het verzoek ex art. 349a lid 2 Fw. Het bericht heeft voor [verzoekster] materiële rechtsgevolgen en kan niet worden afgedaan als een mededeling van informatieve aard en/of een ordemaatregel. Het e-mailbericht is dus een voor beroep vatbare beschikking in de zin van art. 67 Fw.

1.9 Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verkorting van de duur van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 349a lid 2 Fw een discretionaire bevoegdheid van de r-c is. Dit komt volgens de rechtbank tot uitdrukking in art. 1.2 sub b van de Recofa-richtlijn. De rechtbank toetst daarom of de r-c in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen (rov. 4.3). In rov. 4.4 citeert de rechtbank art. 2.1-2.4 van de notitie verkorte looptijd schuldsaneringsregeling van Recofa6 en art. 1.7 onder b van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen. De rechtbank oordeelt op de volgende gronden dat de r-c in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen:

“4.5. De rechtbank stelt vast dat aan de cumulatieve voorwaarden 2.1 tot en met 2.4. van de notitie in deze schuldsaneringsregeling niet is voldaan: [verzoekster] werkt nog steeds niet fulltime en aan haar is geen vrijstelling verleend van de sollicitatieplicht. De bewindvoerder heeft weliswaar meegedeeld dat [verzoekster] een inkomen heeft vergelijkbaar met een fulltimer, maar zij heeft dat niet onderbouwd. [verzoekster] draagt maandelijks nog af aan de boedel waardoor de schuldeisers bij een normale looptijd zijn gebaat. De door [verzoekster] aangedragen beslissingen in andere faillissementen die zijn omgezet in schuldsaneringsregelingen zijn ook niet vergelijkbaar, zo is alleen al de geverifieerde schuldenlast telkens aanmerkelijk lager dan in deze schuldsaneringsregeling en soms is er geen afdrachtplicht. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de rechter-commissaris niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.”

1.10 Tegen deze uitspraak richt zich het op 3 mei 2019, dus binnen de termijn van 10 dagen7, ingediende cassatieberoep. Er is geen verweerschrift ingekomen. Op 31 mei 2019 heeft de advocaat van [verzoekster] bericht dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling geen aanleiding geeft om aanvullende cassatieklachten te formuleren.

1.11 In het gefourneerde dossier ontbreken de notities van de griffier in de zaak C/03/261092 HA RK 19-48 en de verificatielijst. Deze stukken zijn opgevraagd bij de rechtbank Limburg. De verificatielijst is ontvangen en in afschrift aan de advocaat van [verzoekster] gezonden. Ambtshalve zijn inlichtingen ingewonnen over de genoemde notities van de griffier. De griffier heeft aangegeven dat deze notities, voor zover van belang voor onze zaak, inhoudelijk niet afwijken van het proces-verbaal in onze zaak8.

2 Bespreking van het cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit drie klachten die zijn voorzien van een toelichting.

2.2

De eerste klacht is gericht tegen het oordeel in rov. 4.3 dat de rechtbank, gelet op de discretionaire bevoegdheid van de r-c, dient te toetsen of de r-c in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. In de toelichting wordt betoogd dat de rechtbank de beslissing in volle omvang diende te beoordelen. De terughoudende toets zou alleen gelden indien de r-c als toezichthouder optreedt en niet als rechter/geschilbeslechter. Een andere opvatting zou de herkansingsfunctie van het hoger beroep miskennen.

2.3

De termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt drie jaar. Met deze termijn is beoogd een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldeisers en die van de schuldenaar9. Op grond van art. 349a lid 2 Fw kan de r-c deze termijn ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar of een schuldeiser wijzigen. Dit is een discretionaire bevoegdheid10. Bij de mogelijkheid van termijnverkorting noemde de toenmalig Minister als voorbeeld de situatie dat de schuldenaar zich netjes gedraagt en er geen nadere inkomsten te verwachten zijn waaruit de schuldeisers kunnen worden voldaan11. Tegen een beslissing op de voet van art. 349a lid 2 Fw staat hoger beroep open bij de rechtbank (art. 315 lid 1 Fw )12.

2.4

De klacht stelt de vraag aan de orde welk toetsingskader de rechtbank bij zo’n hoger beroep dient te hanteren. In dat verband verdient de beschikking van Uw Raad in de zaak […] c.s./mr. Franken q.q. c.s.13 onze aandacht. In die zaak ging het om de taak van de rechter in een hoger beroep op basis van art. 67 lid 1 Fw (de pendant van art. 315 lid 1 Fw voor faillissementen). Uw Raad oordeelde in die zaak dat het de rechter in hoger beroep vrij staat om rekening te houden met de ruime bevoegdheid van de r-c waar het gaat om een onderdeel van het toezicht door de r-c als bedoeld in art. 64 Fw14. Ik meen dat deze regel van (overeenkomstige) toepassing is in een hoger beroep tegen een beslissing op de voet van art. 349a lid 2 Fw. Ook bij een beslissing uit hoofde van art. 349a lid 2 Fw gaat het om een ruime (discretionaire) bevoegdheid en kent de zaak geen contradictoir karakter. In onze zaak heeft de rechtbank naar mijn mening in rov. 4.3 tot uitdrukking gebracht dat zij bij haar beslissing rekening houdt met de ruime bevoegdheid van de r-c. Uit rov. 4.5 blijkt verder dat de rechtbank zelfstandig heeft beoordeeld of de r-c voldoende reden had om het verzoek tot termijnverkorting op grond van art. 349a lid 2 Fw af te wijzen. Van miskenning van de herkansingsfunctie van het hoger beroep is dus geen sprake.

2.5

De eerste klacht lijkt mij daarom tevergeefs voorgesteld.

2.6

De tweede klacht betoogt dat de rechtbank ten onrechte, in strijd met art. 24 Rv, niet de stelling van [verzoekster] heeft besproken dat de verkorting van de looptijd kan worden gebaseerd op art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen (thans art. 1.2 sub b, eerste volzin, van de op 1 januari 2018 geldende versie). De klacht bevat drie onderdelen.

2.7

Over de Recofa-richtlijnen eerst het volgende. De indiening en behandeling van verzoekschriften tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vindt plaats volgens het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. De Recofa-richtlijnen bevatten regels voor de verdere behandeling van schuldsaneringsregelingen. De rechtbank of de rechter-commissaris kan, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van de richtlijnen15. De richtlijnen zijn opgesteld door het Landelijk overleg rechters-commissarissen in insolventies. De Recofa-richtlijnen zijn dus niet afkomstig van een orgaan van openbaar bestuur en vormen naar mijn mening om die reden geen recht in de zin van art. 79 RO16.

2.8

Onderdeel A van de tweede klacht verwijst naar de stelling van [verzoekster] dat verkorting van de looptijd kan worden gebaseerd op art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen. Het onderdeel is geformuleerd voor het geval de rechtbank meende dat geen betekenis toekomt aan deze stelling. De rechtbank miskent dan volgens [verzoekster] dat afdracht aan de boedel in een voorafgaand faillissement op grond van deze bepaling tot verkorting van de wettelijke termijn van de schuldsaneringsregeling kan leiden.

2.9

Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. In rov. 4.4 heeft de rechtbank art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen weergegeven. Vervolgens bespreekt de rechtbank in rov. 4.5 het beroep van [verzoekster] op vier beslissingen waarin vanwege een voorafgaande faillissement een termijnverkorting is uitgesproken. Hieruit volgt dat de rechtbank de stelling van [verzoekster] over termijnverkorting op grond van art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen wel in haar beoordeling heeft betrokken.

2.10

Onderdeel B is geformuleerd voor het geval de rechtbank heeft geoordeeld dat de stelling over art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen hier niet relevant is of niet tot toewijzing van het verkortingsverzoek kan leiden. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank dan onvoldoende inzicht gegeven in de aan haar beslissing ten grondslag liggende gedachtegang om deze voor partijen en derden aanvaardbaar te maken.

2.11

Het onderdeel gaat er terecht vanuit dat iedere rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval hogere voorzieningen openstaan: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken17. Aan de motivering van beslissingen die op een discretionaire bevoegdheid van de rechter berusten, kunnen geen hoge eisen worden gesteld18. Bij een discretionaire bevoegdheid moet de rechter, indien het debat van partijen daartoe aanleiding geeft, in zijn uitspraak rekenschap afleggen van de wijze waarop hij van die vrijheid gebruik heeft gemaakt19.

2.12

De rechtbank heeft overwogen dat de door [verzoekster] aangehaalde beslissingen over termijnverkorting vanwege een voorafgaand faillissement niet vergelijkbaar zijn met deze zaak (rov. 4.5). Volgens de rechtbank is de geverifieerde schuldenlast in die zaken telkens aanmerkelijk lager dan in deze schuldsaneringsregeling en is er soms geen afdrachtplicht. Verder heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat [verzoekster] nog steeds niet fulltime werkt en dat [verzoekster] maandelijks afdraagt aan de boedel waardoor de schuldeisers bij een normale looptijd zijn gebaat. Het oordeel berust dus op (1) de hoogte van de geverifieerde schuldenlast, (2) het feit dat [verzoekster] niet fulltime werkt en (3) het belang van de schuldeisers bij een normale looptijd. Met deze drie overwegingen heeft de rechtbank inzichtelijk gemaakt waarom zij, ondanks de stelling over art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen, geen gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid om de termijn van de schuldsaneringsregeling van [verzoekster] te verkorten.

2.13

In punten 2.7-2.12 van de toelichting op het onderdeel wordt er verder op gewezen dat [verzoekster] op 14 oktober 2014 is gefailleerd, dat de bewindvoerder heeft opgemerkt dat [verzoekster] haar afdrachtplicht correct is nagekomen en dat sprake is van een boedeloverschot. Daaruit had de rechtbank, zo vervolgt de toelichting op het onderdeel, moeten begrijpen dat [verzoekster] al ruim vier jaar ‘onder WSNP-condities’ leeft, terwijl het uitgangspunt is dat die situatie niet langer dan drie jaar duurt. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat daarmee per saldo sprake is van een termijnverlenging die nadere motivering behoeft en waarover zij door de r-c diende te worden gehoord.

2.14

Dit betoog treft volgens mij ook geen doel. Op grond van art. 349a lid 1 Fw gaat de termijn van drie jaar in op de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling20. In onze zaak is de schuldsaneringsregeling uitgesproken op 13 juni 2017, zodat de termijn van drie jaar (pas) op 13 juni 2020 eindigt. De bestreden uitspraak behelst dan ook geen verlenging van deze termijn. Evenmin bestaat een (rechts)regel waaruit volgt dat een schuldenaar in beginsel niet langer dan drie jaar in condities mag verkeren die op één lijn zijn te stellen met de WSNP.

2.15

Onderdeel C is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.5 dat de door [verzoekster] aangedragen beslissingen in andere zaken niet vergelijkbaar zijn, omdat de geverifieerde schuldenlast aanmerkelijk lager is dan in deze schuldsaneringsregeling en er soms geen afdrachtplicht is. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank haar eindbeslissing aldus mede laten berusten op bescheiden en/of gegevens waarover [verzoekster] – de partij ten nadele van wie de beslissing is gegeven – zich niet heeft kunnen uitlaten. [verzoekster] betoogt dat de rechtbank daarmee art. 19 Rv heeft geschonden.

2.16

In de toelichting op het onderdeel is opgemerkt dat de overgelegde beslissingen geen informatie bevatten over de schuldenlast en dat [verzoekster] hierover ook niets heeft aangevoerd. [verzoekster] concludeert dat de rechtbank onderzoek in de dossiers moet hebben gedaan en haar beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op deze informatie zonder hoor en wederhoor toe te passen (toelichting onder 2.13-2.16 en 2.18-2.19).

2.17

Ik stel voorop dat het beginsel van hoor en wederhoor deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Het is een fundamenteel beginsel van het procesrecht en is in Nederland gecodificeerd in art. 19 Rv21. Op grond van art. 19 Rv mag de rechter zijn oordeel ten nadele van één van de partijen niet baseren op bescheiden of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten22.

2.18

Het beginsel van hoor en wederhoor geldt ook in insolventiezaken23 en ziet mede op gedingstukken die de rechter ambtshalve heeft geraadpleegd of hem ambtshalve ter kennis zijn gekomen24. In een zaak over beëindiging van een schuldsaneringsregeling oordeelde Uw Raad dat het hof geen recht mocht doen op een proces-verbaal dat ambtshalve was opgevraagd en niet in afschrift aan partijen was toegezonden25:

“3.2.3. (…) Het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak (…).

Hieruit volgt dat het voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag in beginsel niet van belang is of – en zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maar van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake.

3.2.4

Nu het hof het proces-verbaal ambtshalve heeft opgevraagd, had het, gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, moeten nagaan of de rechtbank daarvan tevens een afschrift aan partijen had toegezonden, of had het zelf een afschrift aan partijen moeten toezenden. Gelet op het voorgaande mocht het hof derhalve niet recht doen op het proces-verbaal.”

2.19

In onze zaak heeft de advocaat van [verzoekster] bij brief van 15 april 2019 uitspraken in vier andere zaken overgelegd waarin de termijn van de schuldsaneringsregeling is verkort. Noch uit deze uitspraken noch uit de gedingstukken in feitelijke instantie26 valt op te maken hoe hoog de geverifieerde schuldenlast in deze zaken was. De rechtbank heeft blijkens rov. 4.5 in haar beoordeling betrokken dat de geverifieerde schuldenlast in de door [verzoekster] aangedragen zaken aanmerkelijk lager is dan in deze schuldsaneringsregeling. Uit de beschikking en de gedingstukken blijkt niet dat de rechtbank [verzoekster] gelegenheid heeft gegeven om zich over de schuldenlast in de andere zaken uit te laten. Evenmin is gebleken dat [verzoekster] afstand heeft gedaan van de bescherming van het beginsel van hoor en wederhoor27. Dit betekent dat het oordeel op dit punt in strijd is met art. 19 Rv. In zoverre slaagt onderdeel C.

2.20

Tot slot wordt in de toelichting onder 2.17 betoogd dat het de rechtbank ook niet vrij zou hebben gestaan om gronden bijeen te brengen die weliswaar zijn af te leiden uit in het geding gebleken feiten, maar niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. [verzoekster] heeft daarbij het oog op de regel van art. 24 Rv.

2.21

In zoverre lijkt mij de klacht geen doel te treffen. Aangenomen moet worden dat art. 24 Rv niet onverkort geldt in faillissementszaken 28. In een zaak over de homologatie van een akkoord (art. 154 en 272 Fw) en in een zaak over de vraag of een schone lei kan worden verleend (art. 350 en 354 Fw) oordeelde Uw Raad dat de rechter niet is gebonden aan hetgeen naar voren is gebracht29. Uw Raad achtte hierbij onder meer van belang dat geen sprake is van geschilbeslechting. Dat geldt eveneens voor de beoordeling van een verzoek tot termijnverkorting op de voet van art. 349a lid 2 Fw. Ik meen dat bij een zodanig verzoek de regel van art. 24 Rv ook niet toepasselijk is.

2.22

Onderdeel C acht ik dus gegrond voor zover wordt geklaagd over schending van hoor en wederhoor. De overige onderdelen van de tweede klacht acht ik ongegrond.

2.23

De derde klacht betoogt dat de rechtbank de r-c ten onrechte gelegenheid zou hebben geboden om zijn zienswijze omtrent het hoger beroep van [verzoekster] te geven. Daartoe wordt erop gewezen dat de r-c al in eerste aanleg over de zaak heeft beslist (toelichting onder 3.2-3.3). [verzoekster] stelt ter onderbouwing van de klacht dat het een rechter niet is toegestaan om zijn beslissing uit te leggen. In dat kader refereert zij aan drie uitspraken van Uw Raad van 6 maart 201330 (toelichting onder 3.4-3.7).

2.24

Het uitgangspunt van art. 65 Fw jo. 314 lid 2 Fw is dat de r-c dient te worden gehoord alvorens de rechtbank een beslissing geeft over beheer of vereffening van de boedel. In de praktijk gebeurt het vaker dat de rechtbank de r-c uitnodigt om zijn zienswijze te geven over een hoger beroep tegen diens beslissing ingevolge art. 349a lid 2 Fw31.

2.25

Het is naar mijn mening echter niet geïndiceerd dat de r-c wordt uitgenodigd om een zienswijze te geven over een hoger beroep tegen zijn eigen beschikking. A-G Wuisman merkte daarover treffend het volgende op32:

“2.1 In beide cassatieberoepen wordt als klacht aangevoerd dat de rechtbank in hoger beroep heeft beslist zonder de rechter-commissaris te horen. (…)

2.2

De klacht faalt. Zij rust op de onjuiste opvatting dat ook in een geval van hoger beroep op de voet van artikel 67 Fw van een (schriftelijke) beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 69 leden 1 en 2 Fw, artikel 65 Fw toepassing vindt. Dat is echter niet het geval. In artikel 65 Fw gaat het om aangelegenheden betreffende het beheer of de vereffening van de failliete boedel in verband waarmee de rechtbank rechtstreeks wordt benaderd en waarin het van belang is om kennis te nemen van de mening van de rechter-commissaris als toezichthouder op dat beheer en die vereffening van de failliete boedel krachtens artikel 64 Fw. In geval van een hoger beroep op de voet van artikel 67 Fw tegen een - op schrift vastgelegde - beschikking van de rechter-commissaris krachtens artikel 69 Fw neemt de rechtbank al kennis van de mening van de rechter-commissaris uit de in beroep aangevochten beslissing.”

2.26

De derde klacht betoogt volgens mij dus terecht dat een zienswijze van de r-c niet toelaatbaar is in een hoger beroep tegen zijn eigen beschikking. Desondanks meen ik dat de klacht niet tot cassatie kan leiden. De rechtbank heeft in haar beoordeling niet gerefereerd aan de zienswijze van de r-c. Het oordeel is gegrond op (1) de hoogte van de schuldenlast, (2) het feit dat [verzoekster] niet fulltime werkt en (3) het belang van de schuldeisers bij een normale looptijd. De omstandigheden (1) en (2) worden in de zienswijze van de r-c niet genoemd, terwijl voor omstandigheid (3) geldt dat de zienswijze geen andere strekking heeft dan de beschikking van de r-c33. Aldus kan volgens mij niet worden aangenomen dat de zienswijze van invloed is geweest op de beslissing van de rechtbank. De klacht faalt daarom bij gebrek aan belang34. Daarbij komt dat in de brief van 15 april 2019 namens [verzoekster] is ingegaan op de zienswijze van de r-c zonder de toelaatbaarheid van deze zienswijze aan de orde te stellen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt ook niet dat de toelaatbaarheid van deze zienswijze bij de zitting ter discussie is gesteld. De klacht vindt daarom geen grondslag in de gedingstukken in feitelijke instantie.

2.27

Ook het beroep op de regel dat het een rechter niet is toegestaan om zijn beslissing uit te leggen, slaagt naar mijn mening niet. De r-c is in de zienswijze ingegaan op het beroepschrift van [verzoekster] . In de klacht wordt niet aangegeven op welk punt de r-c zijn beschikking (nader) zou hebben uitgelegd. Dit gedeelte van de derde klacht mist daarom feitelijke grondslag. Dit geldt ook voor de verwijzing naar de drie uitspraken van 6 maart 2013. Overigens zijn deze uitspraken niet gewezen in het kader van een regulier cassatieberoep, maar in klachtprocedures op de voet van art. 13a RO35.

2.28

De derde klacht is dus vergeefs voorgesteld.

2.29

Nu het cassatieberoep deels terecht is voorgesteld, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven.

3 Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 2.1-2.2 van de bestreden uitspraak: Rb Limburg 25 april 2019, C/03/261243 / HA RK 19-54. Het procesverloop is gebaseerd op rov. 1.1 en 3.1-3.4 van deze uitspraak.

2 Bijlage 1 bij beroepschrift.

3 Bijlage 2 bij beroepschrift.

4 Het gaat hier om het saldo van de gemeenschappelijke periode c.q. het faillissement van € 10.157,98 en het saldo op de afgescheiden boedelrekening van € 2.599,- (p. 2, tweede tekstblok, van het verslag).

5 De Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen (versie 2018) zijn te vinden op www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/recofa-richtlijnen-schuldsaneringsregelingen-2018.pdf.

6 Deze notitie van 2 maart 2015 is te vinden op: www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Notitie-verkorte-looptijd-schuldsaneringsregeling.pdf.

7 Art. 315 lid 1 Fw jo. 426 lid 2 Rv.

8 De notities zijn om redenen van privacy niet verstrekt.

9 Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 33 (MvT bij herziening WSNP).

10 Wessels Insolventierecht IX (2017), nr. 9363b en conclusie A-G Timmerman voor HR 4 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:241, RvdW 2014/561, onder 2.4.

11 Kamerstukken II, 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 88-89 (Nota n.a.v. het Verslag bij herziening WSNP) en daarover Wessels Insolventierecht IX (2017), nr. 9363f.

12 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 349a Fw, aant. 6.3.

13 HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, JIN 2013/118 m.nt. L. Krieckaert.

14 Zie ook: Polak/Pannevis, Insolventierecht, 2017, nr. 7.2.2.4.

15 Art. 1.1 en 1.3 Recofa-richtlijnen (versie 2018) en Wessels Insolventierecht IX (2017), nr. 9004a.

16 Conclusie A-G Keus voor HR 26 juni 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI5908, RvdW 2009/800, punt 5. Uw Raad oordeelde over diverse richtlijnen die niet afkomstig zijn van een orgaan van openbaar bestuur dat geen sprake is van recht in de zin van art. 79 Wet RO. Ik heb dan het oog op het Rapport Alimentatienormen, de Tremanormen, het Liquidatietarief rechtbanken en hoven en het Rapport Voorwerk II, zie: HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0400, NJ 1992/30, HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2559, NJ 1998/365, HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571 (Lindeboom/Beusmans) en HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, NJ 2012/277, (Groenegeest/Proosdij). Hierover onder meer: Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, Cassatie, 2015/116 en K. Teuben, Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht, diss., 2004, nrs. 4.2.3-4.2.4.

17 HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7215, NJ 2007/407 (De Oorsprong/Gemeente Utrecht), HR 17 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9712, NJ 2006/621 (Karadirek/VTN), HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74, JBPr 2004/29 m.nt. R. Schellaars (Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd), HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI3066, NJ 2004/37, HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4364, NJ 2003/171 m.nt. M. Scheltema, Gst. 2003/40 m.nt. T.E.P.A. Lam, AB 2003/421 m.nt. P.J.J. van Buuren (Heeze-Leende/Lammers), HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2376, NJ 2001/495, HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2372, NJ 2001/494, HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2743, NJ 1999/7 (Finkenburgh/Van Mansum), HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1702, NJ 1997/21 m.nt. E.A. Alkema (Mobius), HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade, IER 1993/35 m.nt. S. de Wit (Vredo/Veenhuis), Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/455, Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, Cassatie, 2015/186 en V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, diss., 2006, nrs. 313-314.

18 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, Cassatie, 2015/194.

19 HR 6 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0538, NJ 1992/373 (Micherna Beheer/Kamerbeek).

20 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 349a Fw, aant. 4 en Wessels Insolventierecht IX (2017), nr. 9363a.

21 GS Burgerlijke Rechtsvordering (Tjong Tjin Tai), art. 19 Rv, aant. 1, Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2018, p. 8-9, Stein e.a., Compendium burgerlijk procesrecht 2018/2.3.1, Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/32, Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/308, B.J. Engberts, Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht 2015/2.3.2, Jongbloed & Ernes, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht 2014/1.2.2, V.C.A. Lindijer, De goede procesorde, 2006, nr. 303 en Kamerstukken II, 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 49-50 (MvT bij herziening burgerlijk procesrecht).

22 HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:96, NJ 2019/58, JBPr 2019/18 m.nt. B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen, JIN 2019/50 m.nt. M.A.J.G. Janssen, HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:533, NJ 2018/292 m.nt. S.F.M. Wortmann, JPF 2018/76 m.nt. P. Vlaardingerbroek, HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6381, RvdW 2013/524, HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1654, NJ 2011/409 (Budgetbeheer Limburg), HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5612, NJ 2011/180, JHV 2011/98 m.nt. D. Briedé ([…] / […]), HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3128, NJ 2000/64 en GS Burgerlijke Rechtsvordering (Tjong Tjin Tai), art. 19 Rv, aant. 5-6.

23 GS Faillissementswet (B.J. Engberts) art. 362 Fw, aant. 7 en 7.1, conclusie A-G Timmerman vóór HR 13 juli 2018, ECLI:NL:PHR:2018:700, RvdW 2018/915, onder 3.3, conclusie A-G De Bock vóór HR 5 januari 2018, ECLI:NL:PHR:2017:1301, RvdW 2018/134, onder 3.3, HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:297, NJ 2016/139, JOR 2016/210 m.nt. A. Steneker (Crescendo Belgium), E.F. Groot, Kroniek insolventieprocesrecht, TCR 2017/1, p. 32, B.J. Engberts, Insolventieprocesrecht in de schijnwerpers, TvI 2016/10, p. 66-69 en J.C. van Apeldoorn, Insolventieprocedures en grondrechten, diss., 2009, p. 100-115.

24 HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5867, NJ 2012/485, HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032, NJ 2009/477 m.nt. H.J. Snijders (Van Wanrooij/Victory c.s.) en HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4571, NJ 2007/178, JBPr 2007/59 m.nt. A. Smeekens ([…] / […]).

25 HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637. Hierover: Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/312. In dezelfde zin: HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1195, NJ 2015/233 m. red. aant. en, in het kader van beschermingsbewind, HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0865, NJ 1993/596 m.nt. H.J. Snijders (Michielse/Michielse).

26 Punt 2.2 van het verzoekschrift tot cassatie vermeldt bij één van de vier zaken de schuldenlast.

27 Zie in dat verband: HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2006/29 m.nt. J.G.A. Linssen ([…] /NOB), HR 12 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC2494, NJ 1989/647 (Allart/Overweel) en GS Burgerlijke Rechtsvordering (Tjong Tjin Tai), art. 19 Rv, aant. 3.

28 GS Faillissementswet (B.J. Engberts), art. 362 Fw, aant. 8.2 en J.C. van Apeldoorn, Insolventieprocedures en grondrechten, diss., 2009, p. 104.

29 HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90 en HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9052, NJ 2001/262 m.nt. P. van Schilfgaarde (Radius Telecom/Callmax).

30 HR 6 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3450, NJ 2013/530 m.nt. E.A. Alkema, HR 6 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3458, NJ 2013/529 m.nt. E.A. Alkema en HR 6 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3462, NJ 2013/528 m.nt. E.A. Alkema, JPF 2013/122 m.nt. J.H. de Graaf.

31 Rb Limburg 12 maart 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:2261, rov. 1.1 (voorlaatste streepje), Rb Den Haag 27 mei 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:7671, rov. 1.1 (voorlaatste streepje) en conclusie A-G Timmerman voor HR 4 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:241, RvdW 2014/561, punt 1.3 (weergave procesverloop).

32 Conclusies A-G Wuisman voor HR 16 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3284, RvdW 2012/1437 en voor HR 16 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY3291, RvdW 2012/1436 met verwijzing naar HR 16 oktober 1942, ECLI:NL:HR:1942:94, NJ 1942/817 en HR 23 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:361 NJ 1933/660 (faillissement Nivard). Hierover voorts: GS Faillissementsrecht (F.M.J. Verstijlen), art. 65 Fw, aant. 1 en Wessels Insolventierecht IV 2015/4018.

33 De beschikking vermeldt: “(…) nu er aflossingscapaciteit is” en in de zienswijze staat: “Niet is immers voldaan aan de eis dat er geen aflossingscapaciteit is – laat staan dat te voorzien is dat deze ook niet meer ontstaat – terwijl evenmin een ontheffing is verleend voor de sollicitatieverplichting.”

34 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen, Cassatie, 2015/48 onder verwijzing naar HR 16 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6281, NJ 1978/566 (Stichting Drechtbouw/Bestuurskantoor OG) en HR 22 februari 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5414, NJ 1975/381 m.nt. A.R. Bloembergen (Roosendaal/Bisdom Breda).

35 Zie ook mijn conclusie voor HR 12 april 2019, ECLI:NL:PHR:2018:1516, RvdW 2019/489, JIN 2019/86 m.nt. A.J. Kok (Haeresteijn Holding c.s./mr. Dekker q.q. c.s.), punt 3.42.