Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:805

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-08-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
19/00202
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 19/00202. In geschil is of belanghebbende uitgaven voor de aanschaf van een traplift kan aftrekken als uitgaven voor specifieke zorgkosten, terwijl hij hier geen recht op zou hebben indien hij een Wmo-voorziening zou hebben aangevraagd.

De belanghebbende in deze zaak heeft in 2013 een traplift aangeschaft. Voor deze kosten kon belanghebbende in beginsel een Wmo-voorziening aanvragen bij zijn gemeente. Belanghebbende heeft echter geen Wmo-voorziening bij de gemeente aangevraagd. De eigen bijdrage die hij voor de tegemoetkoming zou moeten betalen zou, vanwege de hoogte van zijn inkomen en vermogen, gelijk zijn aan het bedrag van de tegemoetkoming.

Belanghebbende heeft de kosten voor de aanschaf van de traplift als uitgaven voor specifieke zorgkosten in zijn aangifte IB/PVV 2013 opgenomen. De inspecteur heeft aftrek van deze kosten echter niet toegestaan, omdat hij meende dat de kosten voor de aanschaf van de traplift als een krachtens de Wmo verschuldigde bijdrage moesten worden beschouwd. De Rechtbank was het met de inspecteur eens, het Hof niet. De Staatssecretaris heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

In de conclusie wordt onderzocht op welke wijze de term ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’ van artikel 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 moet worden verstaan. De Advocaat-Generaal (A-G) Niessen merkt op dat in beginsel twee uitkomsten mogelijk zijn (i) het betreft alleen verschuldigde bijdragen die daadwerkelijk door een persoon voldaan moeten worden, en (ii) het betreft de bijdragen die een persoon zou moeten betalen ongeacht of hij een aanvraag voor een Wmo-voorziening zou hebben gedaan. Volgens de A-G verdient de tweede uitkomst de voorkeur. Deze uitkomst is het meest in lijn met het doel en de strekking van de specifieke zorgkostenregeling als vangnet voor kosten van chronisch zieken en gehandicapten. Ook doet de tweede uitkomst het meeste recht aan de onderlinge samenhang tussen de Wmo en de specifieke zorgkostenregeling. Het door de Staatssecretaris voorgestelde middel slaagt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-09-2019
FutD 2019-2315 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2019/2310 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
V-N Vandaag 2019/2053
V-N 2019/44.5 met annotatie van Redactie
NLF 2019/2148 met annotatie van Edwin Thomas
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/00202

Datum 8 augustus 2019

Afdeling B

CONCLUSIE

R.E.C.M. Niessen

Inzake:

Staatssecretaris van Financiën

tegen

[X]

In geschil is of belanghebbende uitgaven voor de aanschaf van een traplift kan aftrekken als uitgaven voor specifieke zorgkosten, terwijl hij hier geen recht op zou hebben indien hij een Wmo-voorziening zou hebben aangevraagd.

1 Procesverloop

1.1

Belanghebbende, de heer [X] , wonende te [Z] , heeft voor het jaar 2013 aangifte IB/PVV1 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.770. Hierbij heeft hij onder meer een bedrag van € 10.089,50 voor de aanschaf van een traplift als uitgaven voor specifieke zorgkosten vermeld. In afwijking van de aangifte, heeft de Inspecteur (ook na bezwaar) deze kosten niet in aftrek toegestaan en een aanslag IB/PVV 2013 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.695.

1.2

De Inspecteur heeft de aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.345.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan bij de Rechtbank2. De Rechtbank heeft het beroep over 2013 ongegrond verklaard.3

1.4

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof4. Het Hof heeft de uitspraak van het Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent proceskostenvergoeding en het griffierecht, vernietigd. Het Hof heeft geoordeeld dat de de kosten voor de traplift wel voor aftrek in aanmerking kwamen en de aanslag IB/PVV 2013 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 11.819.5

1.5

De Staatssecretaris6 heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft daarop gerepliceerd. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek genomen. Voorts heeft belanghebbende voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie beantwoord.

2 De feiten en het geschil

De feiten

2.1

De door het Hof vastgestelde feiten luiden als volgt:7

2.6

Belanghebbende heeft op 12 juli 2013 een bedrag van € 10.089,50 betaald voor (de aanleg van) een traplift in zijn eigen woning.

2.7

Belanghebbende komt in 2013, gelet op zijn inkomen en vermogen, niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming, voortvloeiende uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

2.8

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een bedrag van € 16.116 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten vermeld. De inspecteur heeft een aantal uitgaven niet geaccepteerd en wel als volgt (na de bezwaarfase):


De Rechtbank

2.2

De Rechtbank heeft overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven voor de aanschaf van de traplift op hem hebben gedrukt in de zin van artikel 6.1 Wet IB 20018. De uitgaven kwamen naar het oordeel van de Rechtbank niet voor aftrek in aanmerking:

14. Eiser9 heeft verklaard dat hij geen aanvraag voor een financiële tegemoetkoming heeft ingediend bij de gemeente van zijn woonplaats. Reden hiervoor was dat hij wist dat de aanvraag zou worden afgewezen, omdat het inkomen van eiser en zijn partner boven de inkomensnorm uitkwam. Nu eiser geen aanvraag voor een financiële tegemoetkoming bij de gemeente heeft ingediend en ook niet op andere wijze met stukken zijn stelling heeft onderbouwd dat hij niet in aanmerking zou komen voor een financiële tegemoetkoming middels de Wmo, is niet duidelijk of en in hoeverre hij een vergoeding voor de kosten van de traplift zou hebben ontvangen. Dat hij dit heeft nagelaten dient voor rekening en risico van eiser te komen. Dit betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitgaven op hem hebben gedrukt in de zin van artikel 6.1 van de Wet IB 2001. Reeds hierom kan niet met succes aanspraak worden gemaakt op de gevraagde aftrek in verband met woningaanpassing.

2.3

Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat in het geval belanghebbende een aanvraag voor een tegemoetkoming voor de aanschaf van de traplift zou hebben gedaan – die vanwege een te hoog inkomen zou zijn afgewezen10– de uitgaven voor de traplift evenmin voor aftrek in aanmerking zouden komen. Deze uitgaven zouden in dat geval een verschuldigde eigen bijdrage krachtens de Wmo inhouden, die, op grond van artikel 6.18, lid 1, onderdelen d en g, Wet IB 200111 van aftrek is uitgesloten.

Het Hof

2.4

Het Hof is er in hoger beroep van uitgegaan dat tussen partijen niet meer in geschil is:

dat de kosten van de traplift drukken als bedoeld in artikel 6.1, lid 1, onderdeel a, van de Wet IB 2001, en dat de traplift een ander hulpmiddel is in de zin van artikel 6.17, lid 1, onderdeel d, van de Wet IB 2001.12

2.5

In afwijking van de Rechtbank oordeelde het Hof dat de kosten van de traplift wel voor aftrek in aanmerking kwamen:

4.5

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten van de traplift op grond van artikel 6.18, lid 1, onderdelen d en i van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar zijn.


(…)

4.7

Het Hof is van oordeel dat – nu belanghebbende zelf de kosten van de traplift aan de leverancier heeft betaald (zie 2.6) en niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, voortvloeiende uit de Wmo (zie 2.7) – de kosten van de traplift niet kunnen worden aangemerkt als een bijdrage in het kader van de Wmo. De stelling van de Inspecteur dat belanghebbende in wezen recht heeft op een vergoeding ingevolge de Wmo, doch daartegenover een evengrote eigen bijdrage is verschuldigd (namelijk € 10.089,50) die vervolgens op de voet van artikel 6.18, lid 1, onderdeel i, van de Wet IB 2001, niet voor aftrek in aanmerking komt, wordt door het Hof verworpen.

4.8

Het Hof komt tot de conclusie dat de kosten van de traplift als uitgaven voor specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel behoeft geen behandeling meer.

Het principale cassatieberoep

2.6

De Staatssecretaris komt in cassatie op tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een verschuldigde eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 in het geval geen aanvraag voor een Wmo-voorziening wordt gedaan bij de gemeente omdat de verwachte tegemoetkoming (na aftrek van de verschuldigde eigen bijdrage) nihil zal bedragen.13

2.7

Hij stelt zich op het standpunt dat het Hof heeft miskend dat:

voor de toets in hoeverre een Wmo voorziening in aftrek kan worden gebracht als hulpmiddel, onderzocht dient te worden in hoeverre de zelf bekostigde voorziening in beginsel in aanmerking zou komen voor een tegemoetkoming dan wel verstrekking. Indien dat het geval is, dient het bedrag dat voor eigen rekening blijft, los van de vraag of een aanvraag is ingediend of niet, aangemerkt te worden als eigen bijdrage in de zin van artikel 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB.

2.8

Voorts voert de Staatssecretaris aan dat het oordeel van het Hof zou leiden tot een ongelijke fiscale behandeling tussen aanvragers en niet-aanvragers van Wmo-voorzieningen, die de wetgever niet kan hebben bedoeld.

Voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie

2.9

Belanghebbende heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Hij voert daarbij de navolgende klachten aan. Allereerst betoogt belanghebbende dat de door hem aangevoerde bewijsstukken niet aan de orde zijn gekomen en dat ten onrechte voorbij is gegaan aan een door hem gedaan bewijsaanbod. Voorts meent belanghebbende dat ten onrechte is geweigerd om getuigen, respectievelijk toenmalig staatssecretaris van Financiën Wiebes, en de Kamerleden Pieter Omtzigt en Mona Keijzer, te horen.

3 De behandeling van het principale beroep in cassatie

Inleiding

3.1

Voor de compensatie van kosten voor de aanschaf van een traplift bestaan – in 2013 – in beginsel twee regelingen: (i) de Wmo14 en (ii) de regeling voor specifieke zorgkosten in de Wet IB 2001. Deze regelingen kennen een onderlinge samenhang.15

3.2

Hierna zal ik achtereenvolgens op beide regelingen ingaan.

Wmo

3.3

De Wmo is een participatiewet die wordt uitgevoerd door gemeenten.16 Gemeenten verstrekken op grond van deze wet onder meer voorzieningen aan personen die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie.17 Bij het verstrekken van deze voorzieningen wordt rekening gehouden met de draagkracht van de aanvrager om zelf in de maatregelen te voorzien. Voor het bepalen van de draagkracht wordt de eigenbijdrageregeling van de Wmo als richtsnoer genomen.18 Deze regeling is opgenomen in artikel 15 Wmo:

1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.


alsook in artikel 19 Wmo:

1. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.


en in artikel 7 Verordening19:

Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De omvang van deze eigen bijdrage of financiële tegemoetkoming wordt vastgelegd in het Wmo besluit.

Regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten 20

3.4

Belanghebbende heeft in 2013 een traplift aangeschaft. Uitgaven voor een traplift komen in beginsel voor aftrek in aanmerking krachtens artikel 6.17, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001.21 Dit is tussen partijen niet in geschil. 22 Echter, deze aftrekmogelijkheid kan op grond van artikel 6.18 Wet IB 2001 worden beperkt. Ingevolge artikel 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 zijn niet als uitgaven voor specifieke zorgkosten aftrekbaar:

de krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning verschuldigde bijdragen;

Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep

3.5

In de kern betreft het middel de vraag op welke wijze de wettelijke term ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’ in artikel 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 moet worden uitgelegd.

Grammaticale interpretatiemethode

3.6

Grammaticale interpretatie van de wettelijke term ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’ kan mijns inziens tot twee verschillende uitkomsten leiden:

3.7

De eerste uitkomst is dat de term alleen ziet op bijdragen die daadwerkelijk moeten worden voldaan. Deze uitkomst omvat derhalve alleen de gevallen waarin een persoon een aanvraag voor een Wmo-voorziening heeft ingediend en, op grond van een op zijn aanvraag genomen beschikking daadwerkelijk een eigen bijdrage is verschuldigd. Deze uitkomst zal ik hierna aanduiden als de ‘eerste uitkomst’.

3.8

Daarentegen kan worden bepleit dat moet worden onderzocht welke eigen bijdrage een persoon ingevolge de Wmo-regelgeving verschuldigd is, vooropgesteld dat hij kwalificeert voor alle wettelijke voorwaarden waaronder deze dat hij een aanvraag indient. Er is dan dus sprake van een verschuldigdheid in abstracto. Naar deze uitkomst zal ik hierna verwijzen met de ‘tweede uitkomst’.

3.9

De wettekst laat naar het mij voorkomt ruimte voor beide zienswijzen. Nu de grammaticale interpretatiemethode onvoldoende duidelijkheid biedt, zal naar de context van de bepaling van artikel 6.18 Wet IB 2001 worden gekeken.


De eerste uitkomst

3.10

Voor de eerste uitkomst pleit dat in het normale spraakgebruik de term ‘verschuldigde’ aldus wordt verstaan dat één partij een verplichting – in casu een betalingsverplichting voor de eigen bijdrage in het kader van de Wmo – heeft en een andere partij een vordering tot nakoming van die verplichting. Dat doet zich in belanghebbendes geval niet voor. Wanneer geen aanvraag voor een Wmo-voorziening wordt ingediend, zal geen Wmo-beschikking worden genomen. Er zal derhalve bij belanghebbende ook geen verplichting tot betaling van een eigen bijdrage in het kader van de Wmo ontstaan, noch zal het CAK bij belanghebbende een eigen bijdrage innen.23

3.11

Voorts kan uit hetgeen is bepaald omtrent verschuldigdheid van eigen bijdragen in de Wmo en de Verordening, eveneens worden afgeleid dat daarbij wordt uitgegaan van een door een belanghebbende gedane aanvraag. Uit artikel 15 Wmo en artikel 7 Verordening volgt dat eigen bijdragen zijn verschuldigd voor verstrekte maatschappelijke ondersteuning. Daarin kan worden gelezen dat daadwerkelijk maatschappelijke ondersteuning moet zijn verstrekt alvorens een eigen bijdrage is verschuldigd. Dat zou mijns inziens inhouden dat alleen in gevallen waarbij een Wmo-beschikking is genomen, sprake is van ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’.

3.12

In de literatuur is de eerste uitkomst van de term ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’ voorgestaan door J. Zandee-Dingemanse. Zij annoteerde bij de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 8 april 2015, nr. HAA-14_2648 ECLI:NL:RBNHO:2015:12177, NTFR 2016/2719:

In deze zaak ging het om een belastingplichtige die in 2011 wegens de invaliditeit van zijn echtgenote het toilet op de eerste verdieping had laten verbouwen tot een invalidentoilet. De kosten daarvan had hij in mindering gebracht op zijn inkomen. Op grond van de Wmo waren door de gemeente een douchestoel en een traplift ter beschikking gesteld, maar voor de aanpassing van het toilet op de eerste verdieping had de gemeente, gezien de hoogte van het inkomen, geen bijdrage toegekend. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende voor de verbouwing een eigen bijdrage verschuldigd was ter grootte van de volledige verbouwingskosten, waardoor deze kosten niet aftrekbaar zijn. Op grond van art. 6.18, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 zijn bijdragen verschuldigd krachtens de Wmo namelijk niet aftrekbaar. Belanghebbende heeft voor de aanpassing van het toilet echter geen verzoek bij de gemeente ingediend en een afwijzing van een dergelijk verzoek was er dus ook niet. Het is dus niet zeker dat de door belanghebbende betaalde uitgave voor de aanpassing van het toilet gelijk is te stellen aan een bijdrage krachtens de Wmo. Ik waag dat te betwijfelen. 24

3.13

Rechtbank Noord-Holland heeft in die zaak overwogen dat de belanghebbende geen recht had op aftrek van specifieke zorgkosten omdat de weigering van de gemeente om een tegemoetkoming in het kader van de Wmo te verstrekken in feite een eigen bijdrage inhield:

16. De weigering van de gemeente om eiser in het kader van de Wmo een bijdrage voor de verbouwing toe te kennen, komt er naar het oordeel van de rechtbank feitelijk op neer dat eiser voor de verbouwingskosten een eigen bijdrage ter grootte van de volledige verbouwingskosten voor zijn rekening moest nemen. Nu de door eiser uitgevoerde verbouwing valt binnen het bereik van de verordening, kan niet worden gesproken van op eiser drukkende uitgaven en kunnen deze uitgaven door eiser niet in aftrek op zijn inkomen worden gebracht. Dat eiser de verbouwing feitelijk volledig zelf heeft bekostigd, in de vorm van een eigen bijdrage, maakt dit volgens de rechtbank niet anders.

17. Voor zover eiser aanvoert dat de weigering van de gemeente om voor de verbouwing in het kader van de Wmo een bijdrage te verstrekken, zou moeten leiden tot aftrek in de inkomstenbelasting, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6.18, eerste lid, letters d en g, van de Wet kunnen verschuldigde bijdragen krachtens de Wmo en uitgaven als bedoeld in de Wmo voor zover een bijdrage is verschuldigd ter verkrijging van een subsidie of tegemoetkoming als bedoeld in de Wmo ter bekostiging van die uitgaven, niet worden aangemerkt als uitgaven als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, van de Wet. Daarom kan hier in zoverre geen sprake zijn van aftrek van specifieke zorgkosten.25

3.14

Rechtbank Noord-Holland heeft kennelijk de tweede uitkomst gehanteerd bij uitleg van de term ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’.

De tweede uitkomst

3.15

Mijns inziens verdient de tweede uitkomst ook de voorkeur omdat deze uitkomst het meeste recht doet aan de vangnetfunctie die de regeling voor specifieke zorgkosten vervult. In de NnavV26 is over de vangnetfunctie van de specifieke zorgkostenregeling opgemerkt:

De nieuwe fiscale regeling die is opgenomen in onderhavig wetsvoorstel is bedoeld als vangnet voor specifieke kosten die met name door chronisch zieken en gehandicapten worden gemaakt.27

3.16

Uit het feit dat de specifieke zorgkostenregeling als vangnet moest dienen, maak ik op dat het de wetgever voor ogen stond dat slechts in die gevallen waarbij niet op grond van een andere regeling vergoeding van kosten kan worden verkregen, een beroep op de regeling voor specifieke zorgkosten zou kunnen worden gedaan.28 Ik leid daaruit af dat de wetgever veronderstelt dat, indien een beroep op een andere regeling – in belanghebbendes geval de Wmo – mogelijk is, ook daadwerkelijk een beroep op die regeling zal worden gedaan.

3.17

Dit uitgangspunt van de wetgever is in de praktijk klaarblijkelijk – tijdelijk – niet gevolgd. D.A. Albregtse merkt daarover op:

Voor zover de hulpmiddelen kunnen worden vergoed op grond van bijvoorbeeld de Wmo drukken ze niet noodzakelijk op de belastingplichtige zelf en zijn ze niet aftrekbaar. Er heeft zich echter een praktijk ontwikkeld waarbij uitgaven aan hulpmiddelen die duidelijk hun grond vonden in de medische noodzaak ervan en waarvoor wel een vergoedingsmogelijkheid bestond, wel aftrekbaar werden geacht.29

3.18

Deze praktijk achtte de wetgever ongewenst, zo maak ik uit de parlementaire behandeling van de specifieke zorgkostenregeling op. In de MvT30 op een in 2013 ingediend wetsvoorstel tot afschaffing van de regeling voor specifieke zorgkosten is deze praktijk mede genoemd als één van de redenen van het indienen van het wetsvoorstel:31

Daarnaast blijkt men in de praktijk soms geen genoegen te nemen met beschikbare faciliteiten, zoals vanuit de Wmo bijvoorbeeld een standaard rolstoel, waardoor men een tegemoetkoming hiervoor afwijst en de kosten van een duurdere en uitgebreidere variant onverkort in aftrek brengt binnen de fiscale regeling.

Hiermee wordt het doel van de fiscale regeling, die slechts als vangnet zou moeten dienen voor elders niet gecompenseerde meerkosten van zorg, steeds verder opgerekt.32

3.19

Uiteindelijk is de regeling voor specifieke zorgkosten echter niet afgeschaft, maar met ingang van 2014 in aangepaste vorm gecontinueerd. Hulpmiddelen waarvoor een Wmo-voorziening beschikbaar was, werden van aftrek uitgesloten op grond van artikel 6.17, lid 2, Wet IB 2001:

De maatregel wordt aangescherpt, uitgaven waarvoor een voorliggende voorziening bestaat in de Wmo (o.a. uitgaven voor woningaanpassingen) worden van de fiscale aftrek uitgezonderd.33

3.20

Daarmee wordt mijns inziens de opzet van de regeling van specifieke zorgkosten als vangnet door de wetgever herbevestigd. Voorts illustreert dit nogmaals het uitgangspunt van de wetgever dat aftrek voor specifieke zorgkosten in de inkomstenbelasting niet op zijn plaats is wanneer een vergoeding van zorgkosten kan worden verkregen op grond van een andere regeling.

3.21

Wanneer het niet-doen van een aanvraag voor een Wmo-voorziening wel tot aftrek in de inkomstenbelasting zou kunnen leiden, levert dat mijns inziens strijd op met doel en strekking van de specifieke zorgkostenregeling.

3.22

Eveneens zou mijns inziens afbreuk worden gedaan aan de samenhang tussen de Wmo en de regeling van specifieke zorgkosten. Deze samenhang is meermalen in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van specifieke zorgkosten, die per 2009 is ingevoerd, aan de orde gekomen:

De aftrek van de eigen bijdragen voor de AWBZ en Wmo wordt geschrapt (uit de inkomstenbelasting met de invoering van regeling van uitgaven voor specifieke zorgkosten; toevoeging A-G), maar hier komt een verlaging van de eigen bijdrage voor in de plaats.34

alsook:

De meer specifiek op chronisch zieken en gehandicapten gerichte elementen van de buitengewone uitgavenregeling zijn zo gericht mogelijk vormgegeven in de nieuwe regeling die uit drie delen bestaat: een doelgroepgerichte forfaitaire regeling, een korting op de eigen bijdrage van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) (te regelen bij algemene maatregel van bestuur) en een nieuwe, beperkte fiscale regeling voor specifieke (medische) kosten.35

3.23

Daarnaast heeft de staatssecretaris tijdens de parlementaire behandeling bij wijziging van artikel 6.17, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 met ingang van 2014 in de MvA36 opgemerkt:

De versobering van de fiscale regeling wordt gerealiseerd door de uitgaven voor een aantal specifieke voorzieningen die gemeenten – ook thans – in beginsel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verstrekken, van fiscale aftrek uit te zonderen. Het gaat in dit geval om de uitgaven voor scootmobielen, rolstoelen en woningaanpassingen. Voor deze zaken en aanpassingen geldt dat burgers zich hiervoor bij de gemeenten kunnen melden. Gemeenten kunnen vervolgens binnen de kaders van de Wmo onderzoeken of de ondersteuningsvraag een bijdrage vanuit de gemeente vergt.37

3.24

De samenhang tussen beide regelingen komt onvoldoende tot zijn recht wanneer kosten waarvoor een Wmo-voorziening kan worden verkregen, alsnog voor aftrek in aanmerking zouden komen in de inkomstenbelasting.

3.25

Ten slotte wijst de Staatssecretaris – mijns inziens terecht – op de ongelijke behandeling die tussen aanvragers en niet-aanvragers die zich verder rechtens en in feite in gelijke omstandigheden bevinden, zou ontstaan. Het enige verschil tussen beide groepen zou dan de formaliteit zijn of al dan niet een aanvraag voor een Wmo-voorziening is gedaan, terwijl deze groepen zich verder in een gelijke uitgangspositie bevinden. Gelet op het doel van de regeling voor specifieke zorgkosten en de samenhang met de Wmo is het optreden van dit verschil in strijd met doel en strekking van de wet en moet de ‘krachtens de Wmo verschuldigde bijdragen’ worden verstaan als ‘door de belanghebbende verschuldigde bijdragen als hij op de regeling van de Wmo een beroep doet’.

3.26

Dat zou anders kunnen zijn wanneer voor een belanghebbende een andere reden voor het niet-indienen van de aanvraag dan het verkrijgen van de aftrek aanwezig zou zijn. Echter, in deze zaak is een dergelijke reden gesteld noch gebleken.

3.27

Het middel is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende behoeft behandeling.

4 Behandeling van het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie

4.1

De in het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het incidenteel beroep zich leent voor verwerping op grond van artikel 81 RO.

5 Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond en het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

2 Rechtbank Gelderland.

3 Rechtbank Gelderland 19 september 2017, nrs. AWB 16/3423, 16/3424 en 17/1083 (rectificatie), ECLI:NL:RBGEL:2017:4775 (niet gepubliceerd). Het beroep en het hoger beroep zagen op de jaren 2013 t/m 2015. In cassatie is alleen het jaar 2013 nog in geschil.

4 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

5 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2018, nrs. 17/00933 t/m 17/00935, ECLI:NL:GHARL:2018:10437, NTFR 2019/156 met commentaar van J. Zandee-Dingemanse. Het beroep en het hoger beroep zagen op de jaren 2013 t/m 2015. In cassatie is alleen het jaar 2013 nog in geschil.

6 De staatssecretaris van Financiën.

7 De door het Hof vastgestelde feiten die zien op onderdelen die in cassatie niet meer in geschil zijn, zijn in deze conclusie niet opgenomen.

8 Wet inkomstenbelasting 2001.

9 Voetnoot A-G: de Rechtbank noemt belanghebbende eiser.

10 Volledigheidshalve merk ik op dat het vaste jurisprudentie van de CRvB is dat een aanvraag voor een Wmo-voorziening niet kan worden afgewezen vanwege een te hoog inkomen. De hoogte van het inkomen kan alleen in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage. Zie onder meer: CRvB 25 november 2013, nr. 13-556 WMO, ECLI:NL:CRVB:2013:2394, AB 2014/52 met annotatie A. Tollenaar, JWWB 2014/11, RSV 2014/18 en CRvB 18 januari 2012, nr. 10-4441 WMO, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1309, JWWB 2012/27, RSV 2012/73 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman en H.F. van Rooij, Gst. 2012/36 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen.

11 Waarschijnlijk bedoelde de Rechtbank artikel 6.18, lid 1, onderdelen d en i, Wet IB 2001.

12 Zie rechtsoverweging 4.4 van het Hof. Dit oordeel is, mede gelet op hetgeen is opgenomen op pagina 2 van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof, niet onbegrijpelijk.

13 De Staatssecretaris heeft in cassatie geen schending van artikel 6.18, lid 1, onderdeel i Wet IB 2001, voorgedragen.

14 Wet van 29 juni 2006, Stb. 2006, 351. De Wmo is per 1 januari 2015 ingetrokken bij art. 8.9, lid 1, van de Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015), Stb. 2014, 280. Zie voor de inwerkingtreding van deze laatste wet per 1 januari 2015, Stb. 2014, 281.

15 Zie onderdeel 3.22-3.23.

16 Kamerstukken II 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 7 en 9, alsook Kamerstukken II 2004/05, 30 131, nr. 29, Kamerstukken I 2005/06, 30 131, E, p. 24.

17 Zie: Kamerstukken II 2004/05, 30 131, nr. 29, p. 10, Kamerstukken II 2003/04, 29 538, nr. 1, p. 2. Deze voorzieningen kunnen onder meer bestaan uit een financiële tegemoetkoming, PGB dan wel een voorziening in natura.

18 Artikel 4, lid 2, Wmo. Zie ook: Kamerstukken II, 2005-06, 30 131, nr. 98, p. 58-61 en Kamerstukken I 2005/06, 30 131, nr. C, p. 2-3. CRvB 25 november 2013, nr. 13-556 WMO, ECLI:NL:CRVB:2013:2394, AB 2014/52 met annotatie A. Tollenaar, JWWB 2014/11, RSV 2014/18 en CRvB 18 januari 2012, nr. 10-4441 WMO, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1309, JWWB 2012/27, RSV 2012/73 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman en H.F. van Rooij, Gst. 2012/36 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen.

19 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente [Z] 2007. Deze verordening is in de gemeente van belanghebbende vastgesteld ter uitvoering van de Wmo. Zie ook: Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente [Z] 2011.

20 De onderhavige regeling voor uitgaven in verband met specifieke zorgkosten is per 2009 geïntroduceerd met de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, Stb. 2008,606.

21 Zie voorts artikel 6.17, lid 2, Wet IB 2001 (tekst 2013). De aftrekmogelijkheid van kosten voor (de aanschaf van) trapliften op grond van artikel 6.17, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 is met ingang van 2014 vervallen. Zie: brief van de staatssecretaris van Financiën van 24 april 2014, nr. DGB/2014/2176 U.

22 Ten overvloede merk ik op dat de kosten van de traplift wel op de belanghebbende moeten drukken in de zin van artikel 6.1 Wet IB 2001. Dat is in de onderhavige zaak niet in geschil, zie pagina 2 van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof en rechtsoverweging 4.4 van de uitspraak van het Hof.

23 Krachtens artikel 16 Wmo stelt het CAK de eigen bijdrage vast en int het bijdragen deze ook.

24 Zie ook haar noot bij uitspraak van het Hof in onderhavige zaak: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 december 2018, nrs. 17/00933 t/m 17/00935, ECLI:NL:GHARL:2018:10437, NTFR 2019/156 met commentaar van J. Zandee-Dingemanse.

25 Rechtbank Noord-Holland 8 april 2015, nr. HAA-14_2648, ECLI:NL:RBNHO:2015:12177, NTFR 2016/2719 met commentaar van J. Zandee-Dingemanse. Zie voorts: gerechtshof Den Haag 17 juli 2018, nr. BK-17/00963, ECLI:NL:GHDHA:2018:1786. Volledigheidshalve merk ik echter op dat deze laatste uitspraak is gewezen nadat de versobering van artikel 6.17, lid 2, Wet IB 2001 per 2014 was doorgevoerd en dat onduidelijk is of de belanghebbende in deze zaak een aanvraag voor een Wmo-voorziening had gedaan.

26 Nota naar aanleiding van het verslag.

27 Kamerstukken II, 2008/09, 31 706, nr. 12, p. 4. In dit citaat wordt verwezen naar het wetsvoorstel Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, Stb. 2008, 606. Zie ook: Kamerstukken II, 2008/09, 31 706, nr. 12, p. 7-8.

28 Zie ook: L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Hand- en studieboeken nr. 2), Deventer: Kluwer 2014, p. 1340-1341.

29 D.A. Albregtse, ‘Persoonlijke aftrekposten exit: is dit wel verstandig?’, WFR 2014/55. Zie eveneens: D.A. Albregtse, 'Naar een aangepaste woning', VFP 2010/5, p. 14–17.

30 Memorie van toelichting.

31 Zie: Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 13, p. 16.

32 Kamerstukken II, 2012/13, 33 726, nr. 3, p. 6. Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 15, p. 17-18.

33 Kamerstukken II, 2013/14, 33 750, nr. 19, p.4. Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 13, p. 24, Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 15, p. 19. Alhoewel de wijziging van artikel 6.17, lid 2, Wet IB 2001 pas met ingang van 2014 in werking is getreden, kan de parlementaire behandeling daaromtrent mijns inziens toch aanknopingspunten bieden bij de beantwoording van de onderhavige rechtsvraag.

34 Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 3, p. 15, zie ook p. 48. Zie voorts: Kamerstukken II 2008/09, 31 301, nr. 9, p.2, Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 12, p. 20, Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 21, p. 7-8, Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 24, p.3 en L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001 (Fiscale Hand- en studieboeken nr. 2), Deventer: Kluwer 2014, p. 1340-1341.

35 Kamerstukken II, 2008/09, 31 706, nr. 12, p. 4, zie ook p. 7, 37 en 56.

36 Memorie van antwoord.

37 Kamerstukken I, 2013/14, 33 752, nr. D, p. 30. Zie ook: Kamerstukken II, 2013/14, 33 750, nr. 19, p.4 en Kamerstukken II, 2013/14, 33 752, nr. 13 p. 24.