Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:80

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
17/02986
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:536, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Valuta van de vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr. Moeten de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel worden toegewezen in wettig Nederlands betaalmiddel of in de valuta die is gevorderd door de benadeelde partij (i.c. Britse Pond Sterling)? Conclusie plv. AG: de vordering benadeelde partij mag worden toegewezen in Britse ponden (vgl. art. 6:123 BW), de schadevergoedingsmaatregel moet worden toegewezen in euro’s (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:BL1454) zodat de Hoge Raad het berdrag dient te bepalen op € 133.264,49.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0225
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/02986

Zitting: 29 januari 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 mei 2017 door het Gerechtshof Den Haag wegens onder 2 “opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” en onder 3 “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van £ 120.000 in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel tot hetzelfde bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis. Tevens is de verdachte verwezen in de kosten van de benadeelde partij.

  2. Mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens de verdachte een schriftuur met vier middelen van cassatie voorgesteld. Mr. A. Verbruggen, advocaat te Amsterdam, heeft namens de benadeelde partij een verweerschrift ingediend tegen de cassatieschriftuur. Mr. L.E.G. van der Hut heeft een verweerschrift ingediend in reactie op het verweerschrift van de benadeelde partij.

  3. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring en kwalificatie van het onder 3 ten laste van de verdachte door het hof bewezenverklaarde feit. Voordat ik inga op de drie deelklachten, geef ik weer wat het hof ten laste van de verdachte onder 3 bewezen heeft verklaard, en daarna de overweging die het hof heeft gewijd aan de strafbaarheid daarvan.

  4. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 29 april 2009 tot en met 31 mei 2009, te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, gebruik heeft gemaakt van een geldbedrag van 120.000 UK pond, terwijl hij, verdachte, wist, dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf”.

5. Met betrekking tot de strafbaarheid van wat het hof onder 3 bewezen heeft verklaard, heeft het hof het volgende overwogen:

“De verdachte, die werkzaam was als financial controller bij [A] (hierna: [A] ), heeft een geldbedrag van £ 120.000,--, toebehorende aan [A] , van de rekening van [A] overgemaakt naar zijn eigen bankrekening, zonder daartoe van [A] toestemming te hebben verkregen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij een deel van dit geldbedrag, groot £ 70.000,--, heeft aangewend om daarmee te speculeren op de beurs. Het andere deel bestond volgens de verdachte uit achterstallig salaris.

Het hof stelt mede op grond van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vast dat het gehele geldbedrag van £ 120.000,-- opgesoupeerd is.

Voorts is blijkens de verklaring van de getuige [betrokkene 1] in het geheel geen sprake geweest van achterstallig salaris.

Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat het geldbedrag afkomstig is uit een door hemzelf gepleegd misdrijf, dat evenwel niet is ten laste gelegd.

Om het gebruikmaken van een door eigen misdrijf verkregen geldbedrag te kwalificeren als witwassen, is volgens inmiddels vaste jurisprudentie (onder meer HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714) vereist dat het gebruikmaken van het geldbedrag heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag.

Het hof is van oordeel dat aan voormeld vereiste in casu is voldaan. De verdachte heeft immers het geldbedrag van £120.000,-- speculatief belegd, en zodoende daarvan de criminele herkomst verhuld.

Aldus heeft de verdachte gebruikgemaakt van het uit misdrijf afkomstige geldbedrag van £ 120.000,--, als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, sub b, van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de in dat verband vigerende jurisprudentie.”

6. Het hof heeft het feit gekwalificeerd als “witwassen”.

7. Tegen de bewezenverklaring worden drie deelklachten aangevoerd en tegen de kwalificatie één deelklacht. De eerste deelklacht tegen de bewezenverklaring houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte “in de periode van 29 april 2009 tot en met 31 mei 2009” gebruik heeft gemaakt van £ 120.000. De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte het gehele bedrag heeft gebruikt bij het speculeren op de financiële beurs. Als derde deelklacht wordt aangevoerd dat de gebruikte bewijsmiddelen innerlijk tegenstrijdig zijn omdat daar enerzijds uit blijkt dat de verdachte heeft gespeculeerd met geld van [A] dat op zijn bankrekening was gestort en anderzijds dat [A] de verdachte nooit heeft betaald om te speculeren. De vierde deelklacht houdt in dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet kan blijken dat de verdachte het geldbedrag heeft “gebruikt” om de criminele herkomst ervan daadwerkelijk te verbergen of te verhullen, en richt zich daarmee tegen de kwalificatie.

8. In zijn overwegingen die betrekking hebben op de strafbaarheid van wat het hof onder 3 bewezen heeft verklaard, heeft het hof uitdrukkelijk vastgesteld dat de verdachte het geldbedrag van £ 120.000 speculatief heeft belegd en zodoende de criminele herkomst ervan heeft verhuld. Tot deze gevolgtrekking komt het hof op basis van de feiten en omstandigheden die het hof heeft vastgesteld, zoals die blijken uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. Een dergelijke gevolgtrekking kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden onderzocht.1 Voor elke deelklacht zal ik hierna aangeven waarom ik de betreffende gevolgtrekking niet onbegrijpelijk vind.

9. Aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte, dat hij met het bedrag van £ 120.000 dat afkomstig was van [A] kon speculeren op de financiële markten en dat uit zijn bankafschriften niet valt op te maken welke bedragen hij bij het speculeren ten behoeve van [A] zou hebben aangewend en welke bedragen voor zichzelf, heeft het hof kennelijk de gevolgtrekking verbonden dat het gehele bedrag bestemd was om te speculeren en dat de verdachte ook daadwerkelijk met het gehele bedrag heeft gespeculeerd omdat hij anders het bedrag waarmee hij niet heeft gespeculeerd nog wel had kunnen aanwijzen. Om die reden faalt de tweede deelklacht. Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt verder dat de verdachte met geld van [A] heeft gespeculeerd, en dat [A] nooit betalingen aan de verdachte heeft gedaan om te speculeren. Hierin zie ik geen tegenstrijdigheid, zoals in de derde deelklacht wordt aangevoerd, maar een onderbouwing van de gevolgtrekking dat de verdachte niet heeft gespeculeerd in opdracht van [A] maar daarmee de herkomst van de £ 120.000 heeft verhuld. Om deze redenen faalt niet alleen de derde maar ook de vierde deelklacht. Ook de gevolgtrekking dat de verdachte, in de periode na 29 april 2009, te weten na de ontvangst op zijn bankrekening van het equivalent in Euro’s van de £ 120.000, is gaan speculeren, acht ik niet onbegrijpelijk zodat ook de eerste deelklacht faalt.

10. Het middel faalt in alle onderdelen.

11. Het tweede middel klaagt over schending van artikel 7 Sr omdat het hof heeft nagelaten het Openbaar Ministerie, wegens het ontbreken van rechtsmacht over de in Iran gepleegde valsheid in geschrift, niet-ontvankelijk te verklaren. Bovendien heeft het hof het bestaan van rechtsmacht ten onrechte niet onderzocht, althans had het hof moeten laten blijken een zodanig onderzoek te hebben verricht.

12. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezen verklaard dat:

“hij in de periode van 15 april 2009 tot en met 30 april 2009, in Iran, opzettelijk (van) een vervalst faxbericht

- dat faxbericht, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat faxbericht bestemd was voor (zodanig) gebruik als ware het echt en onvervalst,
en/

- gebruik heeft gemaakt als ware dat faxbericht echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, dat faxbericht heeft verzonden aan [B] in Engeland,

en

bestaande die vervalsing hierin dat op dat faxbericht namen en handtekeningen waren geplaatst, die moesten doorgaan voor de namen en de handtekeningen van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ”.

13. Op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op het in Iran begane feit onder de voorwaarden dat het feit (1) door een Nederlander is begaan, waarbij op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, Sr met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt alsmede de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft (2) door de Nederlandse wet als misdrijf wordt beschouwd en (3) op dat feit straf is gesteld door de wet van het land waar het begaan is. Niet ter discussie staat dat is voldaan aan de voorwaarde dat valsheid in geschrift door de Nederlandse wet als misdrijf wordt beschouwd.

14. Aangevoerd wordt dat niet blijkt dat de verdachte Nederlander is en evenmin of op het feit door de wet van Iran straf is gesteld en dat evenmin blijkt van enig onderzoek hiernaar. Het middel stelt eisen die niet meer gelden sinds HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, NJ 2008/482 r.o. 4.5 m.nt. A.H. Klip.2 In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat ter terechtzitting van het hof door of namens de verdachte niet het verweer is gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht terwijl uit de stukken van het geding niet het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht. Het hof was daarom niet gehouden in zijn uitspraak te laten zien dat hij het onderzoek heeft verricht dat in het middel wordt bedoeld.

15. Het middel is ondeugdelijk.

16. Het derde middel klaagt over de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 2. Met betrekking tot de bewezenverklaring wordt aangevoerd dat deze niet wordt gedragen door de gebruikte bewijsmiddelen en dat die bewijsmiddelen bovendien innerlijk tegenstrijdig of onbegrijpelijk zouden zijn. Met betrekking tot de kwalificatie wordt aangevoerd dat deze onjuist of onbegrijpelijk is “in het bijzonder doordat de feitelijke concretisering van het verwijt niet als zodanig kan worden gekwalificeerd”. In de toelichting is niet duidelijk gemaakt wat wordt bedoeld met die “feitelijke concretisering van het verwijt” zodat ik verder niet zal ingaan op de klacht die betrekking heeft op de kwalificatie.

17. Het restant van het middel heeft betrekking op het gebruik door de verdachte van een vervalst faxbericht waarin werd gedaan alsof degenen die bevoegd waren te beschikken over het geld van [A] aan een bank de opdracht hadden gegeven om geld over te maken naar een bankrekening van de verdachte.

18. Wat het hof ten laste van de verdachte onder 2 bewezen heeft verklaard, heb ik hierboven onder 12. weergegeven bij de bespreking van het tweede middel.

19. Het hof zou in het midden hebben gelaten waaruit de valsheid van de fax heeft bestaan omdat de bewijsmiddelen op meerdere mogelijkheden wijzen die elkaar uitsluiten. Om die reden zouden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen innerlijk tegenstrijdig zijn. De bewijsmiddelen zouden er namelijk op kunnen wijzen dat de handtekeningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn nagebootst terwijl het hof voor het bewijs ook een verklaring heeft gebruikt die inhoudt dat de kans dat het gaat om nabootsingen klein is. De door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van beide ondertekenaars kunnen erop wijzen dat hun handtekeningen wel degelijk zijn nagebootst. De verklaring van [betrokkene 1] houdt namelijk in dat hij zijn handtekening herkent en dat die zijn handtekening “benadert”, en de verklaring van [betrokkene 2] houdt in dat de handtekening op de fax “lijkt” op zijn handtekening dat “als je er goed naar kijkt” hij “een andere dwarsboog zet in de letter ‘t’”. Dit lijkt tegenstrijdig met het deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, dat het hof ook voor het bewijs heeft gebruikt, waarin over de resultaten van het vergelijkend onderzoek van de handtekeningen op de fax staat dat deze “in de lijn der verwachting [liggen] wanneer het authentieke handtekeningen zijn” en dat de kans op deze resultaten “klein maar niet verwaarloosbaar” is wanneer het “nabootsingen” zijn.

20. Inderdaad lijken de door het hof gebruikte bewijsmiddelen met elkaar in tegenspraak waardoor niet duidelijk is waarom de door de verdachte gebruikte fax vals is. Voor de betekenis van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen is het echter van belang dat het hof de bewijsmiddelen heeft overgenomen die de rechtbank heeft gebruikt en daaraan een verklaring van de verdachte heeft toegevoegd die voor de beoordeling van het middel overigens niet relevant is. De rechtbank heeft in haar vonnis uitgelegd hoe zij de gebruikte bewijsmiddelen heeft geïnterpreteerd. De rechtbank heeft over de valsheid van de fax en de daarop gezette handtekeningen het volgende overwogen (typografische accentuering in het origineel):

“- De fax is aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] getoond. [betrokkene 1] heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren deze te hebben ondertekend. De heer [betrokkene 2] herkent op die fax zijn handtekening niet. Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard dat er geen sprake was van betaling van achterstallig salaris aan de verdachte door [A] .

- [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat hij de verdachte niet heeft gevraagd en ook geen toestemming heeft gegeven om met geld van [A] (op welke wijze dan ook) te speculeren op de financiële beurs.

- Uit het handschrift vergelijkend onderzoek door het NFl kan worden geconcludeerd dat de hypothese aangenomen kan worden dat het waarschijnlijker is dat de betwiste handtekeningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] authentieke handtekeningen zijn. Er is echter wel reden om hieraan te twijfelen nu het onderzoek op grond van een kopie heeft plaatsgevonden en niet kan worden uitgesloten dat het om een kopie van een vervalst document gaat, waarin authentieke handtekeningen van een ander document (al dan niet digitaal) zijn gemonteerd. Indicatie hiervoor is de waarneming dat de tekst ‘Thank you.’ links van de handtekeningen, ongeveer één positie meer naar links is geplaatst dan de tekst daarboven en de tekst ‘Sincerely,’ daaronder.

- In de periode na de overschrijving is [verdachte] vanuit Iran terug naar Nederland gegaan. Hij heeft daarna geen direct contact meer met [A] gehad. [verdachte] dienstverband bij [A] is in juni 2009, met het aflopen van zijn laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst, geëindigd. [A] heeft [verdachte] sinds mei 2011 per brief en e-mail verzocht om uitleg over de overschrijving van de [£ 120.000, plv. AG] naar zijn bankrekening. Hierop heeft de verdachte nooit gereageerd. Evenmin heeft een terugbetaling aan [A] plaatsgevonden.

- Op de zitting van 7 juli 2016 heeft de rechtbank waargenomen dat op briefpapier van de [A] in een brief van 1 december 2008 ondertekend door [betrokkene 1] aan de verdachte en in een brief van 5 mei 2011 ondertekend door [betrokkene 3] aan de verdachte, het faxnummer [faxnummer 1] wordt vermeld. Terwijl in het faxbericht van 15 april 2009, waarin namens [A] de opdracht gegeven wordt tot overschrijving van £ 120.000,00,00 naar bankrekeningnummer 1084.86.44,3 het faxnummer 98 212 260 4909 wordt vermeld. De rechtbank heeft geconstateerd dat in deze laatste fax het cijfer twee een keer meer is vermeld. Datzelfde geldt voor het in deze stukken vermelde telefoonnummer. Ook daarin staat een extra twee vermeld.”

21. Een en ander leg ik als volgt uit. Aan de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de door het hof overgenomen bewijsmiddelen, heeft het hof kennelijk de gevolgtrekking verbonden dat de handtekeningen op de fax waarschijnlijk op enig moment echt zijn gezet door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] maar dat deze door knip en plakwerk van de verdachte op de fax zijn terechtgekomen en dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dus nooit aan [B] in Engeland de opdracht hebben gegeven om £ 120.000 over te maken naar de bankrekening van de verdachte. In cassatie kan alleen worden onderzocht of de wijze waarop het hof feiten en omstandigheden uitlegt en de conclusies die het hof daaraan verbindt, begrijpelijk zijn.3 Ik vind de uitleg en conclusies niet onbegrijpelijk omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich niet herinneren dat zij een handtekening op de fax hebben gezet waarin opdracht wordt gegeven om £ 120.000 over te maken naar de bankrekening van de verdachte. Ook heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij de verdachte nooit opdracht heeft gegeven of toestemming heeft verleend om met geld van [A] te speculeren op de financiële beurs en dat geen achterstallig salaris is betaald aan de verdachte. Daarom kan het ook niet kloppen dat het geld aan de verdachte is overgemaakt om deels achterstallig salaris te betalen en deels speculatief te beleggen voor [A] , wat de verdachte als reden heeft gegeven om de fax te sturen. Als dat inderdaad de reden voor de overboeking van het geld was geweest, dan had de verdachte dat kunnen melden aan [A] toen aan de verdachte om uitleg van de overschrijving werd gevraagd. In de fax die de verdachte zelf heeft gestuurd vanuit [A] staat bovendien een verkeerd faxnummer terwijl in andere documenten van [A] wel het juiste faxnummer staat.

22. Uit de gebruikte bewijsmiddelen kan daarom worden afgeleid dat de inhoud van de fax vals is zodat het er niet toe doet of de handtekeningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] “echt” zijn, omdat deze niet door hen op de fax is gezet die door de verdachte is gebruikt om £ 120.000 naar zijn bankrekening te laten overmaken. Daarom volgt de bewezenverklaring uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, ook voor de onderdelen dat de op de fax aanwezige namen “moesten doorgaan voor” die van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de op de fax aanwezige handtekeningen “moesten doorgaan voor de handtekeningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , omdat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hun handtekening niet op die fax hebben gezet zodat deze vals is.

23. Tot slot wijs ik op de opmerking in de toelichting op het middel dat “niet onvermeld kan blijven dat ‘ [B] ’ niet bestaat”. Of deze terloops gemaakte opmerking als een afzonderlijke klacht moet worden aangemerkt, betwijfel ik, maar ik wijs er toch op dat óf die bank bestaat, een feitelijke vraag is die door de feitenrechter moet worden beantwoord en daarom niet in cassatie pas voor het eerst met succes kan worden opgeworpen. Daarom wijs ik er slechts ten overvloede op dat de Standard Chartered Bank wel degelijk bestaat en ook in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, zoals eenvoudig op internet is te vinden.4

24. Het middel faalt in alle onderdelen.

25. Het vierde middel klaagt over (i) de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in Britse ponden en (ii) de oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel die bestaat uit de verplichting om aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer hetzelfde bedrag in Britse ponden te betalen.

26. Ter terechtzitting van het hof van 17 mei 2017 is blijkens de toen overgelegde pleitaantekeningen namens de benadeelde partij verzocht in navolging van de rechtbank bij de toewijzing van de vordering wegens materiële schade deze in Britse ponden uit te drukken. De raadsman van de verdachte heeft zich bij gelegenheid van pleidooi op het standpunt gesteld dat voor zover het hof tot een bewezenverklaring mocht komen, de vordering van de benadeelde partij dient te worden beperkt tot terugbetaling van £ 120.000.5

27. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft het hof in zijn arrest overwogen dat “de benadeelde partij [heeft] aangetoond dat tot een bedrag van £ 120.000 materiële schade is geleden”. In een voetnoot heeft het hof daaraan het volgende toegevoegd:

“Met de rechtbank overweegt het hof dat het equivalent van £ 120.000,-- thans niet in euro's is vast te stellen, nu de berekening van de tegenwaarde samenhangt met een aantal onbekende factoren, waaronder de wisselkoers, de aan- en verkoopprijs.”

28. De rechtbank had in haar vonnis hieromtrent het volgende overwogen:

“Op dit moment is het equivalent van deze £ 120.000,00 echter niet in euro’s vast te stellen, omdat de berekening van de tegenwaarde samenhangt met een aantal voor de rechtbank onbekende factoren zoals: de aankoopprijs, de verkoopprijs, de wisselkoers en de financiële instantie waar wordt aangekocht of verkocht. Bovendien is onduidelijk wanneer het bedrag door de verdachte zal worden betaald en welke wisselkoers op dat moment geldend is.”

29. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van £ 120.000 en het bedrag daarmee uitgedrukt in Britse ponden. Dit laatste kennelijk niet zozeer omdat daarom namens de benadeelde partij was verzocht, maar omdat het hof met de rechtbank van oordeel was dat het equivalent van £ 120.000 op dat moment niet was vast te stellen, mede omdat de wisselkoers afhangt van het (nog in de toekomst liggende) moment van betaling.

30. Het middel klaagt om te beginnen dat het hof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen in Britse ponden, maar geeft het belang van deze klacht niet aan waarvoor zeker aanleiding bestaat aangezien in hoger beroep namens de verdachte is bepleit dat bij een bewezenverklaring de vordering van de benadeelde partij dient te worden beperkt tot terugbetaling van £ 120.000, zijnde een bedrag in Britse ponden.6 De klacht mist in zoverre belang.7 De reden om deze klacht hierna desalniettemin kort te bespreken is gelegen in de omstandigheid dat de Hoge Raad, voor zover ik heb kunnen nagaan, zich over de onderliggende rechtsvraag (mag een vordering van de benadeelde partij worden toegewezen in een vreemde munteenheid?) niet eerder heeft uitgesproken. Alvorens tot bespreking hiervan over te gaan, bespreek ik eerst de tweede deelklacht die het middel behelst, te weten dat (ook) de schadevergoedingsmaatregel in Britse ponden en niet in euro’s is uitgedrukt, omdat de Hoge Raad zich hierover wel reeds heeft uitgesproken.

31. Het hof heeft niet alleen de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot het bedrag van £ 120.000, maar heeft daarnaast aan de verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, £ 120.000 te betalen ten behoeve van het slachtoffer [A] .

32. Met een beroep op in het bijzonder HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454, wordt door de steller van het middel aangevoerd dat (ook) de schadevergoedingsmaatregel in euro’s moet worden uitgedrukt. Ook hierbij wordt het belang van de klacht niet aangegeven.

33. De Hoge Raad overwoog in het hiervoor bedoelde arrest van 13 juli 2010 het volgende:

“Aangenomen moet worden dat, gelijk het geval is ten aanzien van andere vermogenssancties, zoals de geldboete [en] de schadevergoedingsmaatregel, de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e Sr moet worden uitgedrukt in wettig Nederlands betaalmiddel. Het te betalen bedrag moet dus in euro's luiden. Nu de hoogte van het te betalen bedrag voortvloeit uit het bedrag waarop het voordeel is geschat, zal laatstgenoemd bedrag eveneens in euro's moeten worden uitgedrukt. Dat ligt ook daarom voor de hand, omdat anders onvoldoende inzichtelijk zou kunnen worden of en zo ja in hoeverre de rechter van zijn matigingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Voorts dient de rechter die schatting alsmede de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting in een concreet bedrag uit te drukken. Omtrent de hoogte van dat bedrag zal bij de betrokkene en het Openbaar Ministerie als executerende instantie geen misverstand mogen bestaan. Daarom kan niet worden aanvaard dat het concrete bedrag eerst ten tijde van de executie zou moeten worden bepaald. Dat is alleen anders in het in art. 36e, vierde lid derde volzin, Sr [thans, art. 36e, vijfde lid derde volzin, plv. AG] genoemde, zich hier niet voordoende geval, dat de rechter ten aanzien van de schatting van het voordeel — en de vervolgens op te leggen betalingsverplichting — verwijst naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst.

Het voorgaande brengt mee dat de rechter ook in een geval als het onderhavige, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel mede wordt belichaamd in inbeslaggenomen geldbedragen die bestaan in oude en vreemde valuta, zowel het bedrag waarop het voordeel wordt geschat als de betalingsverplichting dient uit te drukken in euro's. Het Hof heeft dat miskend. De middelen klagen daarover terecht.”8

34. De Hoge Raad heeft dus aangegeven dat de schadevergoedingsmaatregel9 – anders dan het hof in navolging van de rechtbank heeft gedaan – dient te worden uitgedrukt in wettig Nederlands betaalmiddel, de euro. Het hof heeft de bepaling van het equivalent van £ 120.000 evenwel niet mogelijk geacht en heeft zich daarbij kennelijk laten leiden door artikel 36f, tweede lid Sr, dat bepaalt dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, en artikel 6:124 BW, waarin is bepaald dat indien een vordering tot schadevergoeding wordt “voldaan in ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt” de omrekening geschiedt “naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt”.10 Voor de feitenrechter valt het moment waarop de verdachte de vordering van de benadeelde partij zal voldoen en de alsdan geldende wisselkoers, niet te bepalen, zodat hij de vordering van de benadeelde partij niet aan de hand van het bepaalde in artikel 6:124 BW in euro’s kan vaststellen en daarmee ook niet het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre is er een zekere parallel met de onzekerheid over de bij (toekomstige) openbare verkoop te behalen opbrengst van goederen bij het vaststellen van de omvang van wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor deze laatste situatie heeft de wetgever in artikel 36e Sr voor de strafrechter een mogelijkheid geschapen om te verwijzen naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst. Een dergelijke uitzondering kent artikel36f Sr echter niet, zodat ervan uit moet worden gegaan dat de hoogte van de betalingsverplichting steeds concreet zal moeten worden vastgesteld.

35. In zijn hiervoor al genoemde arrest van 13 juli 2010 heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de betrokkene en bij de executerende instantie geen misverstand zal mogen bestaan omtrent de hoogte van het te betalen bedrag en dat daarom niet kan worden “aanvaard dat het concrete bedrag eerst ten tijde van de executie zou moeten worden bepaald”.11 Het vaststellen van het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel in euro’s is overigens mede van belang voor het bepalen van de duur van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie op grond van artikel 36f, achtste lid, jo de artikelen 24c en 77l Sr.

36. Het hof had het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel niet in Britse ponden, maar in euro’s dienen te bepalen. Daarover klaagt het middel op zich dus terecht. Op de vraag of hieraan enig gevolg moet worden verbonden, en zo ja welk, kom ik straks terug. Eerst zal ik nog de eerste deelklacht over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in Britse ponden bespreken, alsmede de vraag hoe de rechter de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel zou kunnen bepalen als de vordering van de benadeelde partij in een vreemde munteenheid is uitgedrukt.

37. De voegingsprocedure is een civiele procedure ingebed in het strafproces, waarlangs de benadeelde partij haar schade kan verhalen.12 Het schadebedrag wordt door de strafrechter berekend naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geldende civiele criteria.13 Op grond van artikel 6:123 BW kan een slachtoffer vorderen dat een vordering die is “uitgedrukt in buitenlands geld […] te zijner keuze in dat buitenlandse geld of in Nederlands geld” wordt betaald. Niet valt in te zien waarom deze bepaling niet op de vordering van de benadeelde partij van toepassing zou zijn, zoals door de steller van het middel wordt gesuggereerd. Ook Langemeijer gaat er in zijn studiepocket over het slachtoffer en het strafproces onder verwijzing naar artikel 6:123 BW vanuit dat het slachtoffer naar keuze betaling kan vorderen in de buitenlandse munteenheid of in euro’s.14 Een en ander neemt overigens weer niet weg dat de verdachte gelet op artikel 6:112 BW op zijn beurt het recht heeft om zijn schuld in Nederland in euro’s te betalen. Het hof had met het oog daarop kunnen bepalen dat bij betaling in euro’s het verschuldigde bedrag de tegenwaarde van £ 120.000 in euro’s zal zijn naar de koers van de dag van betaling door de verdachte. Het hof heeft dit achterwege gelaten, maar van een wens van de verdachte tot betaling in euro’s was ter terechtzitting in hoger beroep dan ook niet gebleken.

38. Nu het hof de vordering van de benadeelde partij heeft mogen toewijzen in Britse ponden, maar de schadevergoedingsmaatregel had dienen uit te drukken in euro’s, rijst nog de vraag naar welk moment de rechter de hoogte van het equivalent van £ 120.000 in euro’s had dienen te bepalen. Voor wat ik het ‘wisselmoment’ noem, bepleit Borgers in zijn noot bij het arrest van 13 juli 2010, dat betrekking had op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aan te sluiten bij de wijze waarop in de rechtspraak de waarde van gestolen voorwerpen wordt bepaald. Dat is het moment van de voltooiing van het delict waaruit het voordeel voortkomt.15 In de onderhavige zaak gaat het echter om een andere situatie die ook vraagt om een ander wisselmoment. Er is nu sprake van een tot een bepaald bedrag in Britse ponden toegewezen vordering van de benadeelde partij naar aanleiding van schade die door het hof vooral in verband is gebracht met het onder 3 bewezenverklaarde witwassen.16 Het hof heeft onder 3 bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 29 april 2009 tot en met 31 mei 2009 gebruik heeft gemaakt van een geldbedrag van 120.000 Britse ponden, terwijl hij wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf. Als wisselmoment zou ik menen dat in het onderhavig geval de startdatum van de pleegperiode van het onder 3 bewezenverklaarde kan worden aangehouden, te weten 29 april 2009, de dag waarop blijkens het door het hof gebruikte bankafschrift van de verdachte (bewijsmiddel 3) het equivalent van £ 120.000 is bijgeschreven op de rekening van de verdachte en de verdachte feitelijk van het equivalent in euro’s gebruik kon gaan maken. Uit dit bankafschrift van de verdachte blijkt dat op 29 april 2009 naar aanleiding van een wereldbetaling van £ 120.000 door [A] (ik begrijp: [A] ) een bedrag van € 133.264,49 op de bankrekening van de verdachte is bijgeschreven. Daarmee had het hof het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel (het equivalent van £ 120.000) eenvoudig kunnen bepalen op € 133.264,49.17

39. Deze benadering kan overigens wel als nadeel hebben dat de benadeelde partij, wier vordering in een andere muntsoort is toegewezen, bij een koersverlaging van die muntsoort ná de aanvang van de pleegperiode van het delict, haar schade niet geheel via de weg van de schadevergoedingsmaatregel gedekt zal kunnen krijgen en alsnog de civiele rechter zal moeten inschakelen om opgetreden koersverlies vergoed te krijgen.18 Aan een andere benadering, te weten waarbij in het belang van de benadeelde partij een eventuele (hogere) wisselkoers, zoals inmiddels geldend ten tijde van de rechterlijke uitspraak, zou worden aangehouden, kleeft in ieder geval een belangrijk praktisch bezwaar, omdat bij het concipiëren, en mogelijk ook bij het uitspreken van het arrest, de wisselkoers van de dag van de uitspraak nog niet bekend is.

40. Het middel slaagt voor zover wordt geklaagd over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in Britse ponden.

41. Nu het hof heeft verzuimd het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel in euro’s te bepalen en geen nieuw onderzoek naar de feiten noodzakelijk is, zal de Hoge Raad ten principale recht kunnen doen en zelf het bedrag in euro’s kunnen bepalen.19

42. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

43. De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, ontleende motivering.

44. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot oplegging aan de verdachte van de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, een bedrag te betalen van £ 120.000, dit bedrag te bepalen op € 133.264,49 en het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.3: “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”

2 Van Elst, T&C Sr 2018, art. 7, aant. 9b; R. van Elst, ‘Rechtsmacht’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 73-161 op p. 115.

3 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.3: “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”

4 https://www.sc.com/uk/.

5 Voorts is namens de verdachte aangevoerd dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € 21.340,37 moeten worden afgewezen, subsidiair moeten worden beperkt tot het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 2.842,--.

6 Zie de ter terechtzitting van 17 mei 2017 overgelegde pleitaantekeningen, p. 10. Het belang van de verdachte om te klagen over een toewijzing van de vordering in buitenlandse valuta had gelegen kunnen zijn in een koersstijging van het Britse pond na het lijden van de schade, maar dit belang lijkt in deze zaak te ontbreken. Een berekening via een willekeurig gekozen website om historische wisselkoersgegevens te raadplegen, exchange-rates.org, laat in ieder geval zien dat het equivalent van £ 120.000 op 29 april 2009 (datum aanvang pleegdatum van het onder 3 bewezenverklaarde) € 135.583,26 was en op 31 mei 2015 (datum arrest hof) € 135.540,38.

7 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 182.

8 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:BL1454, NJ 2011/101 m.nt. M.J. Borgers r.o. 4.1.2. De Hoge Raad spreekt in 2012 met verwijzing naar voornoemd arrest van “de noodzaak een door de rechter op te leggen betalingsverplichting in wettig Nederlands betaalmiddel uit te drukken”. Zie HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6214, NJ 2012/351.

9 Daarmee wordt gedoeld op de schadevergoedingsmaatregel die wordt opgelegd door een Nederlandse strafrechter. Voor zover het gaat om de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een in een andere lidstaat van de Europese Unie genomen beslissing waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd die is uitgedrukt in vreemde valuta, zal de officier van justitie met het oog op deze tenuitvoerlegging de hoogte van het bedrag ook in euro’s moeten bepalen. Zie art. 8, derde lid, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie. Kamerstukken II 2005/06, 30699, 3, p. 12 “Is een geldelijke sanctie afkomstig uit een van de 13 lidstaten die niet tot de eurozone behoren – dit zijn het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Denemarken en de 10 meest recent toegetreden lidstaten – dan zal het bedrag van de geldelijke sanctie moeten worden omgerekend in euro’s tegen de op het tijdstip van de uitspraak geldende wisselkoers. Het gaat hierbij dus om het tijdstip van veroordeling en niet om het tijdstip waarop de veroordeling onherroepelijk werd.”

10 Om misverstanden te vermijden, wijs ik erop dat met de dag waarop de betaling plaatsvindt, de dag wordt bedoeld waarop de verdachte de vordering van de benadeelde partij betaalt, niet het moment waarop de betaling van de £ 120 000 aan de verdachte werd gedaan.

11 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:BL1454, NJ 2011/101 m.nt. M.J. Borgers r.o. 4.1.2.

12 Kamerstukken II 1990/91, 21345, 5, p. 3.

13 E.J Hofstee, T&C Strafrecht, art. 36f, aant. 2c.

14 F.F. Langemijer, Het slachtoffer en het strafproces (Studiepockets Strafrecht nr. 35), Deventer: Kluwer 2010, p. 136-137.

15 HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, NJ 2005/133 r.o. 4.5.

16 In het dictum wordt de materiële schade van de benadeelde partij mede in verband gebracht met het onder 2 bewezenverklaarde, te weten het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sr, als ware het echt en onvervalst, maar in de strafmotivering legt het hof alleen een verband met het onder 3 bewezenverklaarde.

17 Zouden omtrent de omzetting van het bedrag in euro’s geen gegevens beschikbaar zijn geweest, hetgeen zich makkelijk kan voordoen indien de verdachte het bedrag in Britse ponden in contanten zou hebben ontvangen, dan zou het hof de wisselkoers dienen aan te houden die gold op het moment waarop de verdachte die gelden feitelijk heeft ontvangen. De Europese Centrale Bank verschaft historische wisselkoersen via haar website www.ecb.europa.eu onder “Statistics”, gevolgd door “ECB/Eurosystem policy and exchange rates” en “Euro foreign exchange reference rates”.

18 Zie art. 6:125 BW voor vergoeding van de schade die wordt geleden door koerswijziging. In het formulier “Verzoek tot Schadevergoeding”, dat is verstrekt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie is de zinsnede voorgedrukt dat de het slachtoffer zich “alle rechten voor[behoud] om via een gerechtelijke procedure (aanvullende) schadevergoeding te verzoeken.”

19 Vgl. Van Dorst, supra noot 7, p. 101-104.