Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:788

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-07-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
19/03024
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1562, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Horen van betrokkene, art. 8 lid 1 Wet Bopz. Betrokkene is gehoord tijdens mondelinge behandeling die wordt aangehouden tot nader te bepalen datum en tijdstip. Moet betrokkene bij de voortzetting van de mondelinge behandeling opnieuw worden gehoord?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/03024

Zitting 23 juli 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

tegen

de Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland, locatie Groningen,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze Bopz-zaak heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden buiten aanwezigheid van betrokkene. Hij verbleef op dat moment met instemming van de behandelaar buiten het psychiatrisch ziekenhuis in verband met een korte vakantie. In cassatie wordt onder meer geklaagd dat art. 8 lid 1 Wet Bopz niet in acht is genomen.

1 Feiten en procesverloop

1.1

De officier van justitie heeft bij verzoekschrift, op 13 februari 2019 ingekomen ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in Lentis Kliniek te Groningen (hierna: het psychiatrisch ziekenhuis) te doen voortduren (art. 2 Wet Bopz). Betrokkene verbleef op dat moment op vrijwillige basis in dat psychiatrisch ziekenhuis.1 Bij het verzoekschrift was onder meer gevoegd een geneeskundige verklaring, op 1 februari 2019 afgegeven door waarnemend geneesheer-directeur [betrokkene 1] .

1.2

Op 25 februari 2019 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld in het psychiatrisch ziekenhuis. Zij heeft daarbij gehoord: betrokkene, zijn advocaat mr. M.F.M. Geeratz, psychiater [betrokkene 2] , anios [betrokkene 3] , mentor [betrokkene 4] en klinisch psycholoog [betrokkene 5] .

1.3

Bij beschikking van diezelfde datum2 heeft de rechtbank geoordeeld dat uit de geneeskundige verklaring en het verhoor is gebleken dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (stoornissen tot uiting komend in kindertijd/adolescentie, stoornissen door gebruik van middelen en schizofrenie) en dat is komen vast te staan dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken. De rechtbank heeft verder overwogen dat het lijkt dat met betrokkene “wel afspraken zijn te maken” en heeft om die reden op de voet van art. 8a Wet Bopz aan de officier van justitie haar gevoelen kenbaar gemaakt dat een andere dan de verzochte maatregel, namelijk een voorwaardelijke machtiging, wellicht meer in de rede ligt. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om uiterlijk 11 maart 2019 te reageren. De rechtbank heeft bepaald dat de behandeling op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voortgezet en heeft verder iedere beslissing aangehouden.

1.4

Op 12 maart 2019 heeft de officier van justitie de rechtbank bericht dat het verzoek van 13 februari 2019 wordt gehandhaafd, nu een voorwaardelijke machtiging niet tot de mogelijkheden behoort.

1.5

De behandeling van het verzoek is in de instelling voortgezet ter zitting van 25 maart 2019. De rechtbank heeft daarbij gehoord: de advocaat mr. Geeratz, psychiater [betrokkene 2] en klinisch psycholoog [betrokkene 5] . Betrokkene is niet ter zitting verschenen. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft psychiater [betrokkene 2] verklaard dat betrokkene op dat moment op Ameland verbleef en dat het niet is gelukt om hem telefonisch te bereiken en op de hoogte te brengen van de zitting van 25 maart 2019. De behandelend rechter heeft daarop vervolgens ter zitting het volgende medegedeeld:3

“Betrokkene is al gehoord op het verzoek voor een voorlopige machtiging. Er is geen ander verzoek door de officier van justitie ingediend. Het is derhalve niet noodzakelijk dat hij vandaag bij de zitting aanwezig is.”

1.6

Bij beschikking van 25 maart 2019 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend tot opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 25 september 2019. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu betrokkene en zijn behandelaar niet tot afspraken zijn gekomen over de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een voorwaardelijke machtiging, is komen vast te staan dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend en dat betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid om verder in een psychiatrisch ziekenhuis te verblijven.

1.7

Namens betrokkene is op 25 juni 2019 en daarmee tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.4

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel bevat drie onderdelen (I tot en met III).

2.2

Onderdeel I klaagt dat de rechtbank betrokkene ter zitting van 25 maart 2019 niet heeft gehoord en dat dit in strijd is met de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM. Het onderdeel klaagt verder dat “de redengeving” in het proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2019 niet juist, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

2.3

De klacht wordt nader uitgewerkt in de punten 1 tot en met 5. Samengevat weergegeven wordt daarin het belang van de hoorplicht in de onderhavige zaak als volgt toegelicht:

- punt 1: blijkens het proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2019 heeft psychiater [betrokkene 2] verklaard dat betrokkene - in het kader van de verkenning van de mogelijkheid tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging - zelf contact heeft gezocht met een zorgboerderij en dat [betrokkene 2] “niet weet wat daar uit is gekomen”. Omdat betrokkene niet ter zitting aanwezig was vanwege “de in overleg met zijn behandelaar afgesproken korte vakantie” heeft hij daaromtrent niets kunnen verklaren. Ook kan het van belang zijn om het standpunt van mentor [betrokkene 4] op dit punt te horen, aangezien hij tijdens de zitting van 25 februari 2019 heeft verklaard betrokken te willen worden bij het opstellen van de voorwaarden en hij evenmin aanwezig was ter zitting van 25 maart 2019.5

- punt 2: ter zitting van 25 maart 2019 heeft klinisch psycholoog [betrokkene 5] verklaard omtrent (i) het medicijngebruik van betrokkene en (ii) paranoïde gedachten die nog steeds bij betrokkene aanwezig zouden zijn. Het was volgens het onderdeel voor betrokkene van belang om te kunnen reageren op die verklaringen. Daarnaast staat vast dat betrokkene al meer dan twee maanden op vrijwillige basis in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Volgens het onderdeel was het van belang dat betrokkene in de gelegenheid zou zijn gesteld om daaromtrent te verklaren “wat op dat moment aan de orde is”.

- punt 3: de door de rechter gehanteerde redenering, hiervoor weergegeven in 1.5, gaat niet op, nu in het kader van het recht op hoor en wederhoor belangrijk is dat degene voor wie een vrijheidsberoving voor de duur van zes maanden op het spel staat, zèlf in staat wordt gesteld om te reageren op wat er op een zitting wordt gezegd. Het onderdeel stelt dat mr. Geeratz de zitting niet met betrokkene heeft kunnen voorbereiden omdat betrokkene niet wist dat er een zitting was en door zijn bij de behandelaars bekende korte vakantie even niet bereikbaar was. Het onderdeel stelt vervolgens dat betrokkene daardoor mr. Geeratz ook niet heeft kunnen instrueren en dat het niet alleen aan mr. Geeratz kon worden overgelaten om ter zitting verweer te voeren.

- punt 4: de geneeskundige verklaring dateert van 1 februari 2019 en was op 25 maart 2019 derhalve meer dan 50 dagen oud. Het is volgens het onderdeel de vraag of de geneeskundige verklaring voldoet aan het bepaalde in art. 5 lid 1 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en of het tijdsverloop in kwestie niet noodzakelijk maakte dat betrokkene werd gehoord.

- punt 5: omdat er op 25 maart 2019 een andere situatie was dan op 25 februari 2019 kon niet worden volstaan met wat betrokkene ter zitting van 25 februari 2019 had verklaard. Betrokkene heeft het recht om bij elke zitting aanwezig te zijn waar het betreft zijn vrijheidsbeneming voor de duur van zes maanden. Ten onrechte is daarvan afgezien toen hij in overleg met de behandelaars een paar dagen voor vakantie op Ameland zat en niet op de hoogte is gesteld van de zitting.

2.4

Ingevolge art. 8 Wet Bopz dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Uw Raad heeft reeds in een beschikking uit 19976 bij de uitleg van het eerste lid van art. 8 Wet Bopz overwogen dat het bij het horen van de patiënt om meer gaat dan alleen het fundamentele beginsel van een behoorlijke rechtspleging dat iedere partij de gelegenheid moet krijgen om haar standpunt naar voren te brengen eer de rechter een beslissing neemt. Ook dient, zo overwoog Uw Raad, zoveel mogelijk gewaarborgd te zijn dat iemand niet van zijn vrijheid kan worden beroofd zonder dat hij, zo hij zulks wenst, zelf door de rechter wordt gehoord. Deze hoorplicht vloeit voort uit de zwakke positie waarin een psychiatrisch patiënt zich bevindt en zijn verondersteld geringe mogelijkheden om voor zijn eigen belangen op te komen. De rechter benadert de betrokkene (mede) om in het gesprek te onderzoeken of er redenen zijn om de gevraagde machtiging niet te verlenen. Ook kan de rechter persoonlijk de gestelde stoornis van de geestvermogens toetsen. Anders dan in vele andere procedures, waarin de rechter degene die het aangaat slechts ‘gelegenheid’ biedt zich omtrent de zaak te uiten, dient de rechter in Bopz-zaken zich derhalve in te zetten om met betrokkene te spreken.7 Alleen als, zoals het eerste lid van art. 8 het omschrijft, de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, blijft het door de wet beoogde onderhoud achterwege. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. In feite kan een hoorzitting overigens ook achterwege blijven als het horen onmogelijk, zinloos of onverantwoord is: alsdan doet zich voor de rechter een situatie van ‘overmacht’ voor.

2.5

De oproeping voor de mondelinge behandeling door de rechtbank dient te geschieden overeenkomstig de bepalingen voor de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 271 tot en met 277 Rv). Het is in Bopz-zaken aan de rechter die over de feiten oordeelt om uit te maken welke wijze van oproeping in het gegeven geval of, bij een algemene instructie, in de gegeven groep gevallen de voorkeur verdient.8 In het oordeel van de rechter dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen, ligt in beginsel besloten dat de oproeping overeenkomstig de wettelijke regeling dan wel overeenkomstig zijn instructie heeft plaatsgevonden.9 In gevallen waarin onbekend is waar een behoorlijk opgeroepen patiënt zich ophoudt en op korte termijn geen duidelijkheid daaromtrent kan worden verkregen, mag de rechter op het verzoek van de officier van justitie beslissen zonder betrokkene persoonlijk te hebben gehoord.10

2.6

Uit de door de rechtbank in de bestreden beschikking genoemde feiten valt niet op te maken dat betrokkene bekend was met tijd en plaats van het door de rechtbank te houden verhoor. Integendeel: uit de hiervoor in 1.5 weergegeven verklaring van psychiater [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat betrokkene daarvan niet op de hoogte was. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat betrokkene zelf behoorlijk is opgeroepen. Dit laatste blijkt ook niet uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2019, noch uit de overgelegde gedingstukken. Uit genoemd proces-verbaal blijkt wel dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het psychiatrisch ziekenhuis waar betrokkene op dat moment op vrijwillige basis verbleef. Psychiater [betrokkene 2] heeft echter ter zitting verklaard dat betrokkene op dat moment op Ameland verbleef en dat het niet is gelukt om hem telefonisch te bereiken en op de hoogte te stellen van de zitting. Nu vóór de zitting bekend was waar betrokkene verbleef en ook duidelijk was dat hij op korte termijn weer van vakantie zou terugkeren,11 had de instelling vóór de zitting van 25 maart 2019 de rechtbank kunnen en naar mijn mening ook moeten verzoeken om een andere datum te plannen voor de voortgezette mondelinge behandeling. Niets stond daaraan in de weg. Nu de rechtbank ter zitting duidelijk is geworden dat betrokkene met toestemming van zijn behandelaar voor korte duur op vakantie was, had zij naar mijn mening de zaak niet buiten zijn afwezigheid mondeling kunnen behandelen en had zij in ieder geval ambtshalve de zitting moeten schorsen teneinde op korte termijn een nieuwe zitting te plannen in aanwezigheid van betrokkene. Met de mededeling ter zitting dat het niet noodzakelijk is dat betrokkene tijdens de voortgezette behandeling aanwezig is, nu hij al is gehoord op het verzoek om een voorlopige machtiging, heeft de rechtbank miskend dat er een maand was verstreken sinds de eerste zitting, dat er in die tijd nieuwe ontwikkelingen waren, dat betrokkene tijdens een voortgezette mondelinge behandeling zijn eerdere verweren kon verduidelijken en aanvullen en dat hij daarnaast ook nieuwe verweren naar voren had kunnen brengen tegen het verzoek tot het afgeven van een voorlopige machtiging. Uit het proces-verbaal van de voortgezette mondelinge behandeling blijkt dat de aanwezigen hebben verklaard omtrent de verschillende aspecten van de bij betrokkene vastgestelde stoornissen, omtrent zijn medicijngebruik en omtrent het vrijwillig verblijf in de instelling. Betrokkene heeft op die verklaringen niet kunnen reageren. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het onderdeel gegrond is en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

2.7

In het licht van het vorenstaande behoeven de onderdelen II en III geen bespreking .

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 25 maart 2019 en tot terugwijzing naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie daarvoor de verklaring van anios [betrokkene 3] ter zitting van 25 februari 2019 (proces-verbaal, blz. 1 onderaan).

2 De beschikking is op 25 februari 2019 mondeling gegeven en is een dag later schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

3 Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 maart 2019, blz. 1.

4 De verweertermijn liep tot en met 18 juli 2019.

5 Het onderdeel verwijst in dat verband naar art. 8 lid 4, aanhef en onder e, Wet Bopz, dat onder meer bepaalt dat de rechter zich, zo mogelijk, doet voorlichten door de mentor van de betrokkene.

6 HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. JdB. Zie daarnaast HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, NJ 2006/6 en HR 5 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7892, NJ 2010/596.

7 Commentaar op Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (W.J.A.M. Dijkers), art. 8, aant. C.2.1.

8 Vgl. HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128, NJ 2006/6.

9 HR 14 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2283, NJ 1997/378 m.nt. JdB; HR 24 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2973, NJ 1999/752 en HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1017.

10 A-G Asser in zijn conclusie vóór HR 24 mei 1996, BJ 1996/198, in welk geval de feitelijke verblijfplaats van de (weggelopen) patiënt aan de rechtbank onbekend was. Zie verder HR 22 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2240, NJ 2001/437 en HR 28 september 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8541, NJ 1985/105.

11 Gesteld noch gebleken is dat het verblijf van betrokkene op Ameland langer zou duren dan de duur van de afgesproken korte vakantie.