Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:766

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
17-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
18/00091
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1703
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG: oordeel van het hof dat de appeldagvaarding in persoon is uitgereikt niet onbegrijpelijk, ook al verschilt de handtekening daarop van de handtekening van de verdachte op andere stukken, mede gelet op de vaststelling van het hof dat de verdachte zich kennelijk van meerdere handtekeningen bedient. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep op de voet van art. 81 RO te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00091

Zitting 17 september 2019

CONCLUSIE

A.E. Harteveld

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1. De verdachte is bij arrest van 21 december 2017 door het gerechtshof 's‑Hertogenbosch wegens “Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage , heeft één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt erover dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de betekening van de appeldagvaarding in persoon heeft plaatsgevonden en dientengevolge ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet-verschenen verdachte, althans zijn beslissing daaromtrent onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.1 Het proces-verbaal van de zitting bij het hof op 14 december 2017 houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage , die mededeelt dat hij niet gemachtigd is.

De raadsman:

Ik ben verrast en verbaasd dat mijn cliënt er niet is. Ik heb regelmatig contact met hem. U zegt mij dat de dagvaarding voor vandaag in persoon aan mijn cliënt is uitgereikt. Ik verzoek u mij de handtekening te tonen in de akte van uitreiking. In een andere zaak is er namelijk een discussie over de handtekening. Als er een Arabische handtekening staat is het niet de handtekening van mijn cliënt. Als er staat " [verdachte] " is het hem wel. U toont mij de handtekening. Die ziet er niet uit alsof het de handtekening van cliënt is.

De voorzitter vergelijkt de handtekening op de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep met de handtekeningen op de akte van uitreiking in persoon van de dagvaarding in eerste aanleg, toen verdachte nog gedetineerd was, en de handtekening onder het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 11 april 2016.

De voorzitter merkt op dat het verhoor van de rechter-commissaris is ondertekend met " [verdachte] " en dat deze handtekening inderdaad helemaal anders is dan de handtekening op de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep.

De raadsman merkt op dat die handtekening " [verdachte] " ook te zien is op de afbeelding van het identiteitsbewijs van verdachte op de informatiestaat SKDB.

De voorzitter merkt op dat de handtekening op de akte van uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg niet lijkt op de andere twee handtekeningen en dat in de handtekening op de akte van uitreiking voor de zitting van vandaag wel een duidelijk […] te herkennen is.

De raadsman:

Gezien de hoeveelheid aan handtekeningen twijfel ik eraan of de dagvaarding voor de terechtzitting van heden wel in persoon is uitgereikt. Mijns inziens kan niet met stelligheid worden gezegd dat cliënt de dagvaarding in persoon heeft ontvangen.

De voorzitter wijst de raadsman erop dat door de medewerker van de IPKD wel is aangekruist dat de dagvaarding in persoon is uitgereikt op de [a-straat 1] te [woonplaats] en dat verdachte vanaf 29 maart 2017 op dat adres staat ingeschreven.

De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal om het adres nogmaals te verifiëren. De raadsman geeft te kennen dat hij al getracht heeft telefonisch contact te krijgen met zijn cliënt.

Na korte onderbreking van het onderzoek overhandigt de advocaat-generaal het hof een actuele Informatiestaat SKDB, waarin als huidig BRP-adres sedert 29 maart 2017 is vermeld [a-straat 1] te [woonplaats] , alsmede een document V&J Basisregistratieportaal van heden, waaruit blijkt dat op genoemd adres vier personen staan ingeschreven.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat niet ondenkbaar is dat iemand anders de dagvaarding heeft aangenomen en de akte heeft ondertekend.

De voorzitter merkt op dat in deze stukken wordt bevestigd dat verdachte op dit adres woont.

De raadsman:

Ik denk dat dit de onderstreping is van mijn eerdere standpunt dat het niet mijn cliënt is geweest die dag dagvaarding in ontvangst heeft genomen.

De advocaat-generaal:

Ik heb voldoende twijfel of de dagvaarding aan verdachte in persoon is uitgereikt. Het zou kunnen dat het aan één van de huisgenoten is uitgereikt en dan ontbreekt de bereidverklaring van die huisgenoot om het stuk aan verdachte te overhandigen. Ik stel voor om de zaak aan te houden en verdachte opnieuw op te roepen.

Na korte onderbreking voor beraad deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede. Het hof is van oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is uitgereikt. Volgens de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt is de dagvaarding in persoon uitgereikt. Verdachte staat op dat adres ingeschreven. Het hof heeft voorts kennis genomen van de verschillende handtekeningen van verdachte in het dossier en concludeert dat verdachte zich kennelijk bedient van verschillende handtekeningen. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de vraag of de dagvaarding in persoon is uitgereikt, zoals op de akte van uitreiking is vermeld.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”

3.2 Art. 588 Sv luidt voor zover relevant:

“1 De uitreiking geschiedt:

a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;

b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:

1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,

2°. (…),

3°. (…).

2 (…).

3 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,

a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;

b. (…);

c. (…).

4 (…).”

3.3 Niet-naleving van de betekenisvoorschriften leidt in de regel tot nietigverklaring van de dagvaarding, zo volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.[1]

3.4 De vraag of de dagvaarding in hoger beroep inderdaad, zoals de akte van uitreiking vermeldt, in persoon is uitgereikt komt met enige regelmatigheid voor in cassatie. Daarbij is de Hoge Raad, als de verdachte noch zijn raadsman in hoger beroep is verschenen[2], en daarover in cassatie wordt geklaagd, zelf de rechterlijke instantie waar die vraag beantwoord moet worden. Bijvoorbeeld, in het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2004[3] was dat het geval. Daarbij bleek het volgende. De handtekening die onder ‘Handtekening voor ontvangst’ op de akte was geplaatst, was een andere dan die op het identiteitsbewijs van de verdachte stond. Ook kwam het nummer dat bij de handtekening stond niet overeen met het nummer op haar identiteitsbewijs. De op het identiteitsbewijs geplaatste handtekening kwam wel overeen met een handtekening die de verdachte op een proces-verbaal van de politie had gezet onder haar verklaring. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte geldig had geacht.[4]

3.5 De Hoge Raad oordeelt in dergelijke gevallen in wezen als feitenrechter, en dat is een uitzondering op de regel dat de cassatierechter juist geen feitenrechter is. In verband met die bijzondere positie in betekeningsaangelegenheden hanteert de Hoge Raad de regel dat in cassatie aan een cassatiemiddel met betrekking tot de geldigheid van de betekening slechts gegevens ten grondslag kunnen worden gelegd die blijken uit de stukken van het geding of die als vaststaand kunnen worden aangenomen op grond van (eerst) in cassatie overgelegde bescheiden, aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet kan worden getwijfeld.[5]

3.6 In sommige gevallen kunnen dergelijke stukken de Hoge Raad doen oordelen dat de dagvaarding in hoger beroep niet geldig is betekend, zo zagen wij. Dan moeten de stukken van het geding of de eventuele in cassatie overgelegde en aldaar toegelaten stukken die conclusie wel kunnen dragen. Dat is niet altijd het geval: in HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8787 was er in cassatie slechts een beroep gedaan op het feit dat de handtekeningen onder de akte van uitreiking van de appeldagvaarding en die van de akte waarmee hoger beroep was aangetekend van elkaar verschilden, terwijl die toch wel allebei van de verdachte afkomstig zouden zijn. Dat enkele feit is, zo overwoog de Hoge Raad, echter onvoldoende om ernstige twijfel te doen ontstaan aan de geldigheid van de betekening

3.7 In het onderhavige geval liggen de processuele kaarten echter anders. Door de raadsman is ten overstaan van het hof wel degelijk een verweer gevoerd met betrekking tot de betekening van de appeldagvaarding gevoerd en het hof heeft daarop gemotiveerd beslist en geoordeeld dat de betekening op geldige wijze in persoon is geschied. Dat is een feitelijk oordeel van het hof dat in zekere zin op dezelfde ‘hoogte’ staat als de oordelen die de Hoge Raad moet geven als het gaat om feitelijke betekeningskwesties die voor het eerst in cassatie aan de orde zijn. Het kan zo zijn dat het hof, als feitenrechter, wel enige inspiratie ontleent aan de rechtspraak van de Hoge Raad over verwante kwesties, maar meer dan een oriëntatie kan die jurisprudentie niet opleveren – ook al is zij afkomstig van ons hoogste rechtscollege. De beoordeling door het hof van de geldigheid van de betekening staat vervolgens wel weer in cassatie ter discussie, maar dan geldt wel weer de gebruikelijke begrenzing dat dit feitelijke oordeel, slechts voor vernietiging in cassatie in aanmerking komt indien het onbegrijpelijk is.

3.8 Ter beoordeling van de al dan niet begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in de onderhavige zaak zijn de volgende stukken die zich in het dossier bevinden van belang:

(i) Een informatiestaat SKDB d.d. 14 december 2017 waaruit blijkt dat sinds 29 maart 2017 het BRP-adres van de verdachte [a-straat 1] te [woonplaats] is en waarin een kopie van de ID-kaart van de verdachte (geldig tot 28 juni 2016) is opgenomen die is voorzien van een handtekening bestaande uit de tekst “ [verdachte] ”;

(ii) Een uittreksel uit het V&J Basisportaal d.d. 14 december 2017 waaruit blijkt op [a-straat 1] te [woonplaats] zes personen staan ingeschreven, onder wie twee minderjarigen;

(iii) Een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 14 december 2017 bij het hof ‘s-Hertogenbosch inhoudende dat de oproeping op 6 november 2017 te [a-straat 1] te [woonplaats] is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon, voorzien van een handtekening die niet bestaat uit de tekst “ [verdachte] ”;

(iv) Een akte van uitreiking van de oproeping voor de terechtzitting van 11 juli 2016 bij de rechtbank Breda inhoudende dat de oproeping op 14 juni 2016 te P.I. Haaglanden is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon, voorzien van een handtekening die niet bestaat uit de tekst “ [verdachte] ” en evenmin gelijkenissen vertoont met de handtekening op het onder (iii) genoemde stuk;

(v) Een proces-verbaal d.d. 11 april 2016 van verhoor bij de rechter-commissaris, voorzien van een handtekening bestaande uit de tekst “ [verdachte] ”.

3.9 Kort gezegd komt het oordeel van het hof er op neer dat volgens de ambtenaar die de akte heeft opgemaakt de dagvaarding in persoon is uitgereikt en de verdachte op dat adres is ingeschreven. Voorts heeft het hof kennisgenomen van de verschillende handtekeningen van verdachte in het dossier en daaruit geconcludeerd dat verdachte zich kennelijk bedient van verschillende handtekeningen. De slotsom van het hof is dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de vraag of de dagvaarding in persoon is uitgereikt, zoals op de akte van uitreiking is vermeld.

3.10 Gelet op het bovenstaande acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In het bijzonder is ook het oordeel dat verdachte zich ‘kennelijk’ van verschillende handtekeningen bedient geheel begrijpelijk, als – zoals in dit soort zaken vaker voorkomt – een blik wordt geworpen op de handtekeningen onder de hierboven opgesomde en door het hof blijkens zijn overwegingen geraadpleegde stukken. En dit enkele feit – verschillende handtekeningen – is, zoals ook kon worden afgeleid uit het arrest dat Ik hierboven al aanhaalde[6], niet doorslaggevend. Daar zou dus meer bij moeten komen en dat meerdere is er in dit geval niet. Anders dan in de hierboven, onder 3.4 ook aangehaalde arresten is op de onderhavige akte van uitreiking geen paspoortnummer of ander gegeven vermeld dat twijfel doet zaaien aan de identiteit van de ondertekenaar. Op de akte van uitreiking staan welke enkele nummers met de pen bijgeschreven maar enige relatie tot identiteitsdocumenten ontbreekt en bovendien is daarop ook geen beroep gedaan door de verdediging. De klacht faalt dus.

3.11 Waar het middel in de toelichting voorts nog aanvoert dat het hof de zaak had moeten aanhouden, teneinde de verdachte nogmaals op te roepen dan wel de ambtenaar die de dagvaarding had uitgereikt op te roepen, faalt die klacht ook. Van de kant van de verdediging is op de terechtzitting noch om het een noch om het ander verzocht, zodat het hof daarop niet behoefde in te gaan. Ambtshalve was daarvoor ook geen reden, nu het hof – niet onbegrijpelijk – oordeelde dat de betekening geldig was geschied. Ook deze klacht faalt.

4. Het middel faalt en kan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende verkorte motivering worden afgedaan.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

[1] Zie onder meer het overzichtsarrest HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken.

[2] Of, wat die laatste betreft, niet de gelegenheid heeft gekregen om een verweer met betrekking tot de oproeping in hoge beroep te voeren, vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot F.W. Bleichrodt, voetnoot 4, ECLI:NL:PHR:2014:1737, voorafgaand aan HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:2745.

[3] HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8808, NJ 2004, 644.

[4] Vgl. ook HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3713.

[5] Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317 m.nt. Schalken

[6] HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8787.