Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:763

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
10-07-2019
Zaaknummer
17/05177
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging (art. 141.1 Sr) en belediging (art. 266.1 Sr). Omvang h.b. Nadat verdachte in e.a. is vrijgesproken van feit 1 (openlijke geweldpleging), i.v.m. geslaagd beroep op noodweer is ontslagen van alle rechtsvervolging t.z.v. feit 2 (openlijke geweldpleging) en is veroordeeld voor feit 3 (belediging), heeft Hof verdachte veroordeeld t.z.v. feiten 2 en 3. Is 's Hofs oordeel m.b.t. omvang van namens verdachte ingesteld h.b. begrijpelijk gelet op inhoud van schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van h.b. van raadsvrouwe van verdachte aan griffiemedewerker? In bestreden uitspraak ligt als ‘s Hofs niet onbegrijpelijke oordeel besloten dat volmacht tot instellen van h.b. niet een ondubbelzinnige beperking inhoudt t.a.v. omvang van h.b. en dat aldus niet op die grond sprake is van ambtelijk verzuim bij opstellen van appelakte. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat Hof heeft vastgesteld dat h.b. nadien niet alsnog partieel door verdachte is ingetrokken, is ’s Hofs oordeel dat ook onder 2 tlgd. aan oordeel van Hof is onderworpen, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/05177

Zitting 28 mei 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding en procesgang

1.1

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 6 juni 2017 wegens onder feit 2 “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” en onder feit 3 ‘’eenvoudige belediging’’, veroordeeld tot een taakstraf van vijftig uur.

1.2

In eerste aanleg zijn aan de verdachte kort gezegd de volgende drie feiten (cumulatief) ten laste gelegd: openlijke geweldpleging gepleegd tegen [slachtoffer 1] (feit 1), openlijke geweldpleging gepleegd tegen [slachtoffer 2] (feit 2) en eenvoudige belediging van [slachtoffer 1] (feit 3).

1.3

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 2 november 2016 de verdachte ten aanzien van feit 1 vrijgesproken, ten aanzien van feit 2 ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer en veroordeeld ten aanzien van feit 3 en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd (art. 9a Sr).

1.4

Tegen voornoemd vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

1.5

Het hof Amsterdam heeft de verdachte vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de ten aanzien van feit 1 gegeven vrijspraak maar voor het overige het beroep ontvankelijk verklaard en de feiten 2 en 3 opnieuw behandeld.

1.6

Het hof heeft de verdachte wegens de feiten 2 en 3 veroordeeld tot een taakstraf van vijftig uur. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat ten aanzien van feit 2 geen geslaagd beroep op noodweer aan de verdachte toekomt.

1.7

Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof en mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2 De middelen en wat ten aanzien daarvan uit het dossier blijkt

2.1

Namens de verdachte zijn zoals gezegd drie middelen voorgesteld. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het namens de verdachte ingesteld hoger beroep ten onrechte onbeperkt heeft opgevat. Volgens de steller van het middel was het hoger beroep alleen gericht tegen feit 3 en niet ook de feiten 1 en 2. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de verdachte niet op zijn verzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep ten aanzien van feit 2. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het aanhoudingsverzoek van de verdediging heeft afgewezen.

2.2

Voordat ik overga tot de bespreking van de middelen, geef ik voor een goed begrip van de zaak eerst weer wat uit de processtukken blijkt, voor zover dat van belang is voor de beoordeling van de middelen.

2.3

Het arrest van het hof luidt onder meer als volgt:

‘’Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

(…)

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet in zoverre opnieuw recht: (…)’’

2.4

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 en 23 mei 2017 blijkt het volgende:

‘’De voorzitter doet de strafzaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard als:

(…)

is niet verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.A. Muntjewerf, advocaat te Amsterdam, die mededeelt dat zij waarneemt voor mr. B.G.M.C. Peters, dat de verdachte op de hoogte is van de zitting en dat zij uitdrukkelijk is gemachtigd hem als raadsvrouw te verdedigen.

De raadsvrouw voert het woord als volgt:

Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. Alhoewel dit niet op de akte instellen rechtsmiddel is vermeld richt het hoger beroep zich uitdrukkelijk niet tegen de beslissing tot ontslag van rechtsvervolging ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, dat feit kan in hoger beroep buiten beschouwing blijven.

De advocaat-generaal reageert als volgt:

Het hoger beroep is door de verdediging onbeperkt ingesteld. Hoewel ik mij realiseer dat het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld is, gelet op de wijze van instellen van hoger beroep door de verdediging, het onder 2 ten laste gelegde in volle omvang opnieuw aan de orde. Ik deel niet de mening van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde; wat het openbaar ministerie betreft is ook dat feit vandaag inhoudelijk opnieuw aan de orde.

De raadsvrouw voert het woord als volgt:

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde worden door de verdediging geen grieven naar voren gebracht. Hoewel het hoger beroep onbeperkt is ingesteld houdt de bijzondere volmacht tot instellen van hoger beroep duidelijk in dat het hoger beroep wordt ingesteld, omdat de verdachte zich niet kan verenigen met de veroordeling ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. Het was de bedoeling van de verdediging dat het hoger beroep zich uitsluitend zou richten tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde en aldus beperkt zou worden ingesteld. Ik verzoek u de verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, zodat vandaag zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde buiten beschouwing kan blijven. Strikt genomen verwoordt de akte instellen rechtsmiddel niet wat in de volmacht geformuleerd is.

Indien u oordeelt het onder 2 ten laste gelegde wel inhoudelijk zal worden behandeld verzoek ik u de behandeling van de strafzaak aan te houden, aangezien de verdediging daarop niet is voorbereid. Mr. Peters dient de verdediging ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde inhoudelijk te kunnen voorbereiden voordat het in hoger beroep inhoudelijk behandeld zal worden.

Na onderbreking voor beraad in raadkamer en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissingen van het hof het volgende mede:

De akte instellen rechtsmiddel is leidend, daaruit blijkt dat het hoger beroep onbeperkt is ingesteld. Aangezien het hoger beroep later niet partieel is ingetrokken en de advocaat-generaal zich inhoudelijk wenst uit te laten over het onder 2 ten laste gelegde is in hoger beroep het onder 2 en 3 ten laste gelegde inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het verzoek om aanhouding van de behandeling van de strafzaak wordt afgewezen. In eerste aanleg is door de verdediging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde een beroep gedaan op noodweer. Het standpunt van de verdediging ten aanzien van dat feit is aldus duidelijk. De raadsvrouw heeft met mr. Peters afgesproken voor haar waar te nemen tijdens de inhoudelijke behandeling, zij kent het dossier en kent het standpunt van de verdediging in eerste aanleg. Het belang van een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging dienen te prevaleren boven het belang van de verdediging de behandeling van de strafzaak aan te houden. Het verzoek wordt afgewezen. (…)’’

2.5

Uit de akte instellen rechtsmiddel blijkt het volgende:

‘’Op 16 november 2016 kwam ter griffie van deze rechtbank:

[naam], ambtenaar ter griffie dezer rechtbank, die verklaarde blijkens bijgevoegde volmacht door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van een hoger beroep namens mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, inzake

(…) [verdachte, AG GK]

Beroep in te stellen tegen

het eindvonnis d.d. 02 november 2016

in de zaak met bovenvermeld parketnummer

gewezen door de Meervoudige kamer in deze rechtbank.’’

2.6

Tot slot blijkt uit de aan de akte bijgevoegde volmacht het volgende:

‘’Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met de bewezenverklaring van feit 3 op de dagvaarding. Cliënt is het principieel niet eens met deze uitspraak omdat hij het feit ten stelligste ontkent. Hij zou nooit en te nimmer dergelijke bewoordingen gebruiken. Cliënt voelt zich zeer gekrenkt door de aanname dat hij dergelijke taal heeft gebezigd.’’

3 Het eerste middel

3.1

Het eerste middel bevat, zoals gezegd, de klacht dat het hof het namens de verdachte ingesteld hoger beroep ten onrechte onbeperkt heeft opgevat. De steller van het middel voert ter toelichting aan dat uit de appelakte en de daarbij gevoegde volmacht blijkt dat het hoger beroep enkel gericht was tegen feit 3 en dus beperkt was ingesteld. De inzet van het strafgeding bij het hof is volgens de steller van het middel naar aanleiding van het door de verdediging beperkt ingestelde hoger beroep per volmacht met toelichting voor alle procesdeelnemers van meet af aan duidelijk geweest.

3.2

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Voor de indiening van hoger beroep gelden de vereisten van art. 449-451 Sv. Dat betekent onder meer dat een namens de verdachte ingesteld hoger beroep pas rechtsgeldig is als de griffier daarvan een akte heeft opgemaakt.1 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat wat betreft het instellen van hoger beroep en de reikwijdte daarvan in beginsel de appelakte leidend is.2 Ingevolge art. 407 Sv kan geen partieel appel worden ingesteld, behalve als het gaat om gevoegde zaken of cumulatief tenlastegelegde feiten. Na het instellen van hoger beroep heeft de verdachte ingevolge art. 453 en 454 Sv tot aan het moment van aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep de mogelijkheid het beroep in te trekken.

3.3

De invoering van de Wet stroomlijnen hoger beroep in 20063, die het zogenaamde ’voortbouwend appel’ introduceerde, heeft het mogelijk gemaakt dat de appelrechter een inhoudelijke behandeling van de zaak achterwege laat als na het instellen van appel geen schriftuur houdende grieven noch mondelinge bezwaren zijn aangevoerd en de rechter ambtshalve geen reden ziet om de zaak opnieuw te behandelen (art. 416 Sv). Als er wel bezwaren zijn ingediend door de procespartij die hoger beroep heeft ingesteld, dan kan de behandeling zich beperken tot die bezwaren (art. 415 lid 2 Sv). Gelet op de nieuwe situatie die is ontstaan door het voortbouwend appel heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2011 onder meer het volgende uiteengezet ten aanzien van de wijze van het indienen van hoger beroep en de reikwijdte van de behandeling in hoger beroep:

‘’2.4.1. Uit het vorenstaande volgt dat de wetgever met de hier besproken onderdelen van de Wet stroomlijnen hoger beroep heeft beoogd concentratie op geschilpunten van de procedure in hoger beroep mogelijk te maken, door de rechter de bevoegdheid te geven de behandeling ter terechtzitting toe te spitsen op de bezwaren die door de verdachte en het openbaar ministerie in de schriftuur houdende grieven of mondeling ter terechtzitting worden ingebracht tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Door in art. 416 Sv de mogelijkheid te scheppen de verdachte en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in het door hen ingestelde hoger beroep indien, kort gezegd, door hen geen schriftuur houdende grieven is ingediend noch - door of namens de verdachte ter terechtzitting - mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven, heeft de wetgever beoogd een actieve proceshouding van partijen te bevorderen, mede met het oog op de daardoor gestimuleerde doelmatige behandeling in hoger beroep.

2.4.2.

Voorts volgt uit het vorenstaande dat de wetgever niet heeft beoogd overigens verandering te brengen in de wijze waarop of de mate waarin de verdachte en het openbaar ministerie invloed kunnen uitoefenen op de omvang van hetgeen in hoger beroep aan het oordeel van de rechter is onderworpen. Het verbod van partieel appel is gemotiveerd gehandhaafd. En uit de opmerkingen in de memorie van toelichting omtrent de formaliteiten die in acht moeten worden genomen bij het instellen en intrekken van het rechtsmiddel van hoger beroep moet worden afgeleid dat de wetgever geen verandering heeft willen brengen in de beslissende betekenis van de in art. 451 Sv bedoelde akte voor de omvang van hetgeen in hoger beroep aan het oordeel van de rechter onderworpen is.

2.4.3.

Naar ook tot uitdrukking komt in het verschil in procedurele waarborgen waarmee het instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep is omgeven in vergelijking met het indienen van een schriftuur houdende grieven, heeft de wetgever grote waarde gehecht aan duidelijkheid omtrent de vraag welke feiten precies aan het oordeel van de appelrechter zijn onderworpen. Dat moet niet alleen worden begrepen vanuit het belang dat met die duidelijkheid is gemoeid voor degenen die bij de appelprocedure zijn betrokken, maar ook vanuit het belang dat mede met het oog op de tenuitvoerlegging steeds moet vaststaan welke feiten in appel nog aan de orde zijn en welke niet meer.

Dat onderstreept dat met de wetswijziging niet is beoogd verandering te brengen in de vóór die wijziging in de rechtspraak uitgedrukte regel dat - kort gezegd - behoudens in de gevallen waarin het hoger beroep met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke regels is beperkt, de appelrechter in volle omvang opnieuw over de zaak beslist (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AF8536, NJ 2003/649; HR 3 april 2007, LJN AZ5505, NJ 2007/211 en HR 29 januari 2008, LJN BC2313).

2.4.4.

Samengevat komt het huidige wettelijke systeem dus hierop neer dat de partijen in geval van gevoegde zaken als bedoeld in art. 407, tweede lid, Sv de omvang van hetgeen aan het oordeel van de appelrechter is onderworpen zelf kunnen beperken doch uitsluitend - binnen de door de wet getrokken grenzen - door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 451a Sv waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Daarnaast bestaat tot de aanvang van de behandeling van het hoger beroep de mogelijkheid het hoger beroep geheel of gedeeltelijk in te trekken op de wijze die in de art. 453 en 454 Sv is voorzien. Indien het hoger beroep niet op deze wijze is beperkt, is het gehele in eerste aanleg gewezen vonnis aan het oordeel van de rechter in hoger beroep onderworpen. In dit opzicht komt noch aan de schriftuur houdende grieven noch aan hetgeen de verdachte en het openbaar ministerie ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent verklaren, betekenis toe. Wel kan de rechter de behandeling in hoger beroep concentreren op de door de procespartijen ingebrachte bezwaren en bestaat voor hem de in art. 416 Sv geschapen mogelijkheid de afdoening daarop toe te snijden.

Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat indien na de aanvang van de behandeling van het hoger beroep bezwaren niet worden gehandhaafd, een dergelijke "intrekking" onder omstandigheden tot toepassing van art. 416, tweede en derde lid, Sv kan leiden - om welke toepassing procespartijen bovendien kunnen verzoeken. Voor zover het daarbij gaat om een gedeeltelijke "intrekking", gelden daarbij de wettelijke grenzen van art. 407 Sv over de mogelijkheden om het appel te beperken. In dit verband moet ook worden gewezen op eerdere rechtspraak van de Hoge Raad waarin met betrekking tot art. 416, tweede en derde lid, Sv is beslist dat de rechter niet uitsluitend zonder onderzoek van de zaak zelf de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van de verdachte of de officier van justitie kan uitspreken, maar dat een dergelijke beslissing ook na dat onderzoek kan worden gegeven (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010/88 betreffende het derde lid van art. 416 Sv en HR 28 september 2010, LJN BN0019, NJ 2010/536 betreffende het tweede lid van art. 416 Sv). In eerstgenoemd arrest is daarnaast beslist dat de toepassing van art. 416 Sv in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval, hetgeen meebrengt dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Dat betekent dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in zijn beslissing terzake en dat zeker aan de motivering van de afwijzing van een verzoek tot toepassing van art. 416 Sv geen zware eisen kunnen worden gesteld.’’4

3.4

Kort samengevat is dus de inhoud van de door de griffier opgemaakte akte leidend voor de reikwijdte van het beroep en kan de procespartij die het hoger beroep instelt tot aan de aanvang van de zitting dat beroep geheel of gedeeltelijk intrekken. Ook is er de mogelijkheid om na aanvang van de behandeling de rechter te verzoeken het hoger beroep alsnog (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan (gehandhaafde) grieven of bezwaren. Dat laatste laat echter onverlet dat de rechter uit eigen beweging alsnog tot volledige behandeling van de zaak kan overgaan als die blijkens de appelakte in volle omvang aan zijn oordeel is onderworpen. Daarom worden geen zware eisen gesteld aan de motivering van de afwijzing van een verzoek als hiervoor bedoeld. Andere mogelijkheden om de omvang van het appel te beïnvloeden zijn er voor de procespartijen niet.

3.5

Ik stel voorop dat een advocaat die op de voorgeschreven wijze namens de verdachte hoger beroep instelt door middel van een schriftelijke volmacht aan de griffier, erop mag vertrouwen dat de griffier de appelakte opmaakt conform de hem verstrekte volmacht. Een verschil tussen de akte en de volmacht met betrekking tot de omvang van het beroep kan de verdachte dus niet tegengeworpen worden. De vooronderstelling daarbij is wel dat de volmacht ondubbelzinnig is. Als dat niet het geval is, komt het accent te liggen op de vraag wat de griffier had moeten begrijpen. Is de uitleg die de griffier gezien de opgemaakte appelakte kennelijk aan de volmacht heeft gegeven, onbegrijpelijk te noemen? Dat is een feitelijke kwestie, zodat het oordeel daarover aan het hof is voorbehouden en in cassatie slechts kan worden getoetst of dat oordeel begrijpelijk is.

3.6

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting van het hof wel gesteld dat uit de volmacht duidelijk blijkt dat de reden om hoger beroep in te stellen gelegen was in de bezwaren die de verdachte had tegen de veroordeling ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en dat het “de bedoeling” van de verdediging was om het beroep tot dat feit te beperken, maar niet dat die bedoeling op zodanige wijze in de volmacht tot uitdrukking was gebracht dat de griffier die volmacht bezwaarlijk anders had kunnen begrijpen dan de bedoeling was. Het zal daarom zijn dat het hof zijn kennelijke oordeel dat de griffier de volmacht heeft kunnen opvatten als een machtiging tot het onbeperkt instellen van appel niet expliciet tot uitdrukking heeft gebracht. Ik acht dat impliciete oordeel niet onbegrijpelijk. Een griffier mag er mijns inziens van uitgaan dat een professionele procesdeelnemer als een advocaat niet alleen in staat is om zijn bedoeling correct onder woorden te brengen, maar dat in de regel ook pleegt te doen. Een griffier mag er ook van uitgaan dat een advocaat op de hoogte is van het verschil tussen een schriftelijke volmacht en een schriftuur houdende grieven. Ik meen dan ook dat de griffier het ontvangen schrijven in het licht van dit verschil heeft kunnen interpreteren en daarom kon afgaan op de bewoordingen waarmee de volmacht werd verleend zonder daarbij te betrekken hetgeen in dat schrijven ter toelichting op het ingestelde beroep te berde werd gebracht. De fout lag kortom niet bij de griffier, maar bij de raadsvrouw van de verdachte die naliet haar bedoeling helder onder woorden te brengen. Dat betekent dat die fout, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake door advocaten gemaakte fouten bij het instellen van rechtsmiddelen5, voor rekening van de verdachte moet komen.

3.7

Gelet op het voorgaande heeft het hof de inhoud van de appelakte terecht bepalend geacht voor de omvang van het beroep. Daarom faalt het middel.

4 Het tweede middel

4.1

Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, het verzoek van de verdachte om zijn hoger beroep met betrekking tot feit 2 niet-ontvankelijk te verklaren, heeft afgewezen.

4.2

Ter toelichting voert de steller van het middel aan dat de behandeling in hoger beroep geconcentreerd dient te worden rond die kwesties waartegen expliciet en tijdig wordt geopponeerd (artikel 410 en 416 Sv) hetgeen voortvloeit uit de grondslag van het voortbouwend appel. De enkele opmerking ter zitting van de advocaat generaal dat het OM niet eens is met het vonnis ten aanzien van feit 2 is geen concreet bezwaar tegen het vonnis zoals bedoeld in de artikelen 410 en 416 Sv. Gelet op het feit dat het OM geen hoger beroep heeft ingesteld, en aldus aanvankelijk heeft berust in het vonnis, in combinatie met de cumulatie van omstandigheden waaruit blijkt dat het hoger beroep van de verdediging enkel betrekking heeft op feit 3 is het volgens de steller van het middel dan ook onbegrijpelijk dat het hof de belangen van de niet appellerende partij zwaarder heeft laten wegen dan de wel appellerende partij die tijdig haar bezwaren heeft toegelicht en geen belang heeft bij de behandeling van feit 2. Tot slot is de beslissing van het hof ontoereikend gemotiveerd omdat uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het vanuit zijn eigen verantwoordelijk noodzakelijk achtte om feit 2 te behandelen en dus dit feit ten onrechte enkel vanwege de bezwaren van het OM heeft behandeld.

4.3

Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Zoals ik bij de bespreking van het eerste middel heb gesteld, kunnen procespartijen een onbeperkt ingesteld hoger beroep ter terechtzitting partieel “intrekken” door geen grieven tegen de beslissingen over een cumulatief tenlastegelegd feit aan te voeren of door de daartegen aangevoerde grieven te laten vallen. De appelrechter is echter niet gehouden het ingestelde hoger beroep om die reden partieel niet-ontvankelijk te verklaren. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt immers dat de rechter de behandeling in hoger beroep kan toespitsen op de grieven of bezwaren die schriftelijk dan wel mondeling door de appellerende partij naar voren zijn gebracht, maar daartoe verplicht is hij niet.6 Er zal, aldus de Minister in de Memorie van Toelichting, ‘’(…) naar mijn oordeel toch altijd een mogelijkheid moeten worden open gelaten dat de appèlrechter, hetzij ambtshalve, hetzij bij nader inzien op verzoek van procespartijen, de behandeling van de gehele zaak naar eigen inzicht inricht."7

4.4

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof wel duidelijk te kennen gegeven dat de verdachte geen bezwaren had tegen het vonnis van de rechtbank voor zover dat betrekking had op het sub 2 tenlastegelegde feit, maar het hof daarbij niet uitdrukkelijk verzocht om op grond daarvan gebruik te maken van de hem in art. 416 lid 2 Sv gegeven bevoegdheid het ingestelde beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren. Dat het hof in de opstelling van de raadsvrouw niet uit eigen beweging reden heeft gevonden om gebruik te maken van de bedoelde bevoegdheid kan ik niet onbegrijpelijk vinden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers dat de rechter niet gebonden is aan de opstelling van de appellerende procespartij en dat zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste uitkomst van het geding meebrengt dat hij de behandeling van het hoger beroep naar eigen inzicht kan inrichten. De appelrechter mag daarbij ook betekenis toekennen aan de procesopstelling van de partij die niet in hoger beroep is gegaan. De overweging van het hof dat de advocaat-generaal bezwaren had tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2 getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Steun in het recht voor de opvatting dat aan een verzoek omtrent de reikwijdte van de behandeling van het hoger beroep meer gewicht moet worden toegekend indien deze worden gedaan door de wél in plaats van de niet appellerende partij heb ik niet kunnen aantreffen. Die opvatting betekent in feite dat de rechter altijd gevolg moet geven aan een partiële “intrekking” van het hoger beroep door een procespartij als die partij als enige heeft geappelleerd.

4.5

Het tweede middel faalt.

5 Het derde middel

5.1

Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte en in strijd met art. 6 lid 3 sub EVRM het aanhoudingsverzoek van de verdediging heeft afgewezen.

5.2

In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat het hof uit alle stukken die de verdediging heeft overgelegd, heeft kunnen afleiden dat de verdediging niet was voorbereid om feit 2 inhoudelijk te behandelen en de enkele opmerking dat de waarnemend raadsvrouw met de vorige raadsvrouw heeft gesproken niet gelijkgesteld kan worden met een effectieve verdediging als bedoeld in art. 6 lid 3 sub b EVRM. Volgens de steller van het middel heeft de verdediging niet kunnen anticiperen op de plotselinge wending in de behandeling van het hoger beroep, waaronder begrepen het allerlaatst kenbaar maken van bezwaren door de advocaat-generaal, en dat de zaak gelet op die wending met de verdachte (en/of vorige raadsvrouw) had moeten worden besproken teneinde een effectieve verdediging te kunnen voeren.

5.3

Voor de beoordeling van het middel is volgende van belang. In het strafproces kan het OM of de verdediging de rechter verzoeken om de behandeling van de zaak aan te houden.8 Een verzoek tot aanhouding namens de verdediging wordt vaak gedaan om het aanwezigheidsrecht van de verdachte of het recht op rechtsbijstand te effectueren, maar de grondslag voor aanhouding kan ook elders zijn gelegen, bijvoorbeeld in het bewerkstelligen van meer voorbereidingstijd om de verdediging te kunnen voeren.9 Over (de motivering van de) afwijzing van aanhoudingsverzoeken is talrijke jurisprudentie voorhanden. Die jurisprudentie, waaronder het recente overzichtsarrest van 16 oktober 201810, spitst zich met name toe op aanhoudingsverzoeken waarvan de grondslag gelegen is in de afwezigheid van de verdachte dan wel de raadsman, of van beiden.

5.4

Uit deze jurisprudentie blijkt onder meer dat de rechter die wordt geconfronteerd met een aanhoudingsverzoek bij de motivering van zijn beslissing dient in te gaan op hetgeen aan het verzoek ten grondslag wordt gelegd11 en dat hij, indien hij de aangedragen omstandigheden niet onaannemelijk acht, daarbij een afweging moet maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat volgens het recente overzichtsarrest daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3 onder c EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht - waaronder ook het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen - en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.12 Indien de rechter de aangedragen omstandigheden niet aannemelijk acht, kan hij in voorkomende gevallen het aanhoudingsverzoek echter reeds op die grond afwijzen, en dus zonder dat wordt overgegaan tot een afweging tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen.13

5.5

In onderhavig geval is de grondslag van het aanhoudingsverzoek niet gelegen in het aanwezigheidsrecht van de verdachte (art. 6 EVRM lid 3 onder c EVRM), maar in het recht om over voldoende tijd te beschikken voor de voorbereiding van de verdediging, zoals gegarandeerd in art. 6 lid 3 onder b EVRM. Hoewel het arrest van 16 oktober 2018 volgens de Hoge Raad uitsluitend betrekking heeft op aanhoudingsverzoeken in verband met het aanwezigheidsrecht, is het daarin uiteengezette beoordelingskader naar mijn mening ook grotendeels van toepassing op aanhoudingsverzoeken die niet zijn gelegen in het aanwezigheidsrecht.14 Elementen daarvan zijn namelijk terug te vinden in jurisprudentie die geen betrekking heeft op het aanwezigheidsrecht. Zo keert het uitgangspunt dat de Hoge Raad verwoordde in zijn arrest van 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, een arrest dat betrekking had op het aanwezigheidsrecht, terug in HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7334, een arrest dat betrekking heeft op onvoldoende voorbereidingstijd. Dat bevestigt dat de desbetreffende overweging niet alleen betrekking heeft op aanhoudingsverzoeken die zijn gebaseerd op het aanwezigheidsrecht:

‘’Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.”

In elk geval geldt dat de rechter bij zijn beslissing op het aanhoudingsverzoek moet ingaan op hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd en dat hij daarbij alle betrokken belangen moet afwegen. In het zojuist genoemde arrest van 8 mei 2012 had de raadsvrouw aangevoerd dat zij zich niet had kunnen voorbereiden doordat zij het dossier niet had ontvangen. De Hoge Raad casseerde omdat het hof, dat het aanhoudingsverzoek afwees, in zijn motivering van die beslissing niet was ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag was gelegd en evenmin de vereiste belangenafweging had gemaakt.

5.6

Dan kom ik nu toe aan de beoordeling van het middel. Het hof is in dit geval wel ingegaan op hetgeen de raadsvrouw aan haar verzoek ten grondslag legde (door te overwegen dat de raadsvrouw het dossier en het duidelijke standpunt van de verdediging in eerste aanleg kent) en heeft er ook blijk van gegeven de betrokken belangen te hebben afgewogen. De vraag die rest, is daarom of het een en ander begrijpelijk is en toereikend gemotiveerd. Ik meen dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Ik neem daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat de raadsvrouw op de hoogte was van het feit dat het hoger beroep, anders dan kennelijk de bedoeling was, volgens de appelakte onbeperkt was ingesteld. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat zij dit probleem zelf direct bij de aanvang van het onderzoek aankaartte. Zij werd daardoor dus niet op de terechtzitting overvallen. Dat betekent ook dat zij, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, er als professioneel rechtsbijstandverlener niet zonder meer op mocht vertrouwen dat het hof haar zou volgen in haar standpunt dat feit 2 buiten beschouwing kon blijven. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat in de pleitnotities die de raadsvrouw overlegde ook wordt ingegaan op feit 2 en waarin wordt geconcludeerd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De verdediging heeft zo gezien rekening gehouden met de mogelijkheid dat het hof het beroep onverhoopt onbeperkt zou behandelen.

5.7

Ik neem in de tweede plaats in aanmerking dat de feiten 3 en 2 nauw met elkaar samenhangen. De belediging die onder 3 is tenlastegelegd, vormde de aanleiding tot de onder 2 tenlastegelegde geweldpleging. Voor die samenhang is door de verdediging uitdrukkelijk aandacht gevraagd. De pleitnotities houden in: “Cliënt verzoekt u feit 3 in de context van alle gebeurtenissen op 26 maart 2012 te beoordelen, deze kunnen niet los van elkaar worden gezien”. Het hof kon op grond daarvan aannemen dat de raadsvrouw feit 3 ook zelf in de context van alle gebeurtenissen had bezien en dus op de hoogte was van hetgeen het dossier over feit 2 inhield. Ik wijs er daarbij op dat, zoals in de cassatieschriftuur wordt gesteld en door een daaraan gehechte bijlage wordt bevestigd, mr. Peters de pleitnotities een dag vóór de zitting aan het hof had doen toekomen. De vaststelling van het hof dat de raadsvrouw het dossier ook voor wat feit 2 betreft kende, zal mede op de voorafgaande kennisneming van de pleitnotities zijn gebaseerd.

5.8

Ik merk ten slotte op dat de vaststelling dat de raadsvrouw het dossier kende, bevestigd lijkt te worden in het verdere verloop van de terechtzitting. De raadsvrouw voerde in aanvulling op hetgeen in de pleitnotities stond vermeld verweer met betrekking tot feit 2. Zij wist daarbij te melden wat wel en wat niet op de desbetreffende camerabeelden te zien was. Met dit alles wil niet gezegd zijn dat er geen enkel verdedigingsbelang was gemoeid met de aanhouding van de behandeling. Dat de raadsvrouw, die voor mr. Peters waarnam aangezien die “dubbel ingepland” stond bij het hof (zie de hiervoor genoemde bijlage bij de cassatieschriftuur), behoefte had aan overleg met mr. Peters valt te begrijpen. Dat het hof het belang van een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging in dit geval zwaarder heeft laten wegen, kan ik echter niet onbegrijpelijk vinden. Ik merk daarbij nog op dat een aanhouding voor korte tijd in dit geval geen recht zou hebben gedaan aan de strekking van het verzoek.15 De reden waarom de raadvrouw uitstel wilde was immers dat mr. Peters de verdediging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde inhoudelijk moest kunnen voorbereiden voordat het hoger beroep inhoudelijk werd behandeld. Het ging er dus niet om dat de raadsvrouw zelf iets meer tijd moest hebben om het dossier te bestuderen.

5.9

Het middel faalt.

6. Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de Memorie van Toelichting bij de parlementaire behandeling van de Wet stroomlijnen hoger beroep blijkt bijvoorbeeld het volgende (Kamerstukken II 2005/06, 30320, 3, p. 27): ‘’Een wezenlijk onderdeel van de vormvoorschriften rond het instellen van een rechtsmiddel is dat de griffier van de afgelegde verklaring een akte opmaakt, artikel 451 Sv. Eerst door het opmaken en, behoudens een beletsel waarvan melding zal moeten worden gemaakt, door de comparant ondertekenen van die akte is het rechtsmiddel werkelijk ingesteld. (…) Het instellen van een rechtsmiddel als hoger beroep is dus geen eenzijdige handeling, maar vereist de medewerking van de griffier. Zonder diens tussenkomst kan het instellen van een rechtsmiddel niet worden voltooid.’’

2 HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531 m.nt. Mevis.

3 Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006, 470 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastelegging.

4 HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531 m.nt. Mevis.

5 Zie bijv. HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:856 en HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16.

6 Zie het reeds aangehaalde HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531 m.nt. Mevis.

7 Kamerstukken II 2005/06, 30320, 3, p. 11.

8 Dit volgt uit art. 281 lid 1 in verbinding met art. 328 Sv (en art. 331 Sv) en art. 278 welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn.

9 Zie bijv. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7644 en HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:771. Voor een ander voorbeeld zie HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6590, waarin een aanhoudingsverzoek ten behoeve van het stellen van prejudiciële vragen was gedaan.

10 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934.

11 HR 18 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6127, rov. 2.4; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:972, rov. 2.4.

12 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934.

13 Zie bijv. HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934 en HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:131.

14 Zie ook E.T. Luining, Het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting en de afwijzing daarvan, TPWS 2018/2, p. 4.

15 Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:65, waarin de Hoge Raad van belang achtte dat uit de motivering van het hof niet bleek dat het hof de mogelijkheid van een schorsing tot een later tijdstip op dezelfde dag onder ogen had gezien.