Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:751

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
17/01682
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1137
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt de in ECLI:NL:HR:2018:2352 gegeven samenvatting van zijn eerdere rechtspraak over bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. 1. Klacht over ’s Hofs vaststelling dat “er (...) vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was”, waarmee zou zijn voorbijgegaan aan hetgeen verdachte onder overlegging van bescheiden heeft gesteld omtrent de gelden die legaal zijn verkregen voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode en die nadien zijn aangewend voor stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen. 2. Klacht dat Hof zonder nadere motivering is voorbijgegaan aan hetgeen namens verdachte is aangevoerd – ter verklaring van de herkomst van de in bewezenverklaring bedoelde geldbedragen – omtrent (a) het doen van stortingen op de in bewezenverklaring vermelde bankrekeningen van contante gelden, en (b) stortingen van contante gelden die daaraan voorafgaand waren onttrokken aan ondernemingen van verdachte en/of zijn echtgenote.

Ad 1. In ’s Hofs – door HR samengevat weergegeven – vaststellingen ligt als ’s Hofs oordeel besloten dat met het enkel aanwijzen van de legale verkrijging van gelden door verdachte in een tijdvak (ruim) voor de aanvang van de bewezenverklaarde periode niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen die tijdens de bewezenverklaarde periode contant zijn gestort niet van misdrijf afkomstig zijn, en dat ook anderszins niet de aanwezigheid van (legaal) vermogen bij aanvang van de bewezenverklaarde periode is gebleken waaruit deze contante stortingen (kunnen) worden verklaard. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat, enerzijds, administratie of documentatie ontbreekt terwijl verdachte geen nadere onderbouwing of toelichting heeft gegeven met betrekking tot contante geldstromen leidend tot contante stortingen op de in de bewezenverklaring vermelde bankrekeningen en dat, anderzijds, uit de resultaten van het onderzoek naar, kort gezegd, de fiscale aangiftes door verdachte en zijn echtgenote over de bewezenverklaarde periode, naar voren komt dat verdachte daarin telkens geen vermogen heeft opgegeven en dat ook overigens niets is verantwoord met betrekking tot “kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens”, zodat aangenomen moet worden dat er vanaf 2008 geen (legaal) vermogen was waaruit de contante stortingen kunnen worden verklaard. Gelet hierop is ’s Hofs oordeel niet onbegrijpelijk, zodat de klacht faalt.

Ad 2. De klacht faalt, nu de redenen die ertoe hebben geleid dat het Hof is afgeweken van hetgeen omtrent deze stortingen is aangevoerd, besloten liggen in ’s Hofs overwegingen over het niet inzichtelijk geworden verloop van de contante geldstromen voorafgaand en ook tijdens de bewezenverklaarde periode, op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de in de bewezenverklaring bedoelde geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Middel faalt in zoverre.

Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01682

Zitting: 2 april 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 25 november 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens onder 1, tweede alternatief ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod’ en onder 4 ‘witwassen, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.1

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De motivering zou met name tekortschieten doordat is afgeweken van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zonder dat het hof inzicht zou hebben gegeven in de redenen die tot afwijking van die standpunten hebben geleid. In de toelichting op het middel worden vier klachtonderdelen geformuleerd. Voorafgaand aan de bespreking daarvan geef ik de bewezenverklaring onder 4, de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen en bewijsoverweging alsmede delen van de bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota weer.

4. Onder 4 is ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

‘hij omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 18 juni 2014, te 's-Gravenhage zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte voorwerpen, te weten geldbedragen te weten:

- contante stortingen op de ABN AMRO [rekeningnummer 1] en

- contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] en

- contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 3]

voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf.’

5. In de bijlage met bewijsmiddelen zijn in verband met feit 4 de volgende bewijsmiddelen opgenomen (met weglating van verwijzingen):

‘10.

Een proces-verbaal van bevindingen ten behoeve van de straf- en/of ontnemingszaak betreffende het onderzoek naar witwassen, d.d. 27 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

ten behoeve van het strafrechtelijk (financieel) onderzoek en het opmaken van dit proces-verbaal is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:

- Belastingdienst

Op 25 maart 2013 werden door de belastingdienst de gevorderde gegevens over de periode 1 januari 2008 - 1 januari 2013 verstrekt;

- Uitkeringsinstellingen

Op 31 januari 2013 werden door UWV de gevorderde gegevens over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 januari 2013 verstrekt.

- Financiële instellingen

Op verschillende data werden door ABN Amro NV en de ING Bank NV de gevorderde gegevens over de periode 1 januari 2008 tot en met 1 januari 2013 verstrekt, bestaande uit

• Rekeningafschriften van [rekeningnummer 1]

• Rekeningafschriften van [rekeningnummer 2] .

Uit de opgevraagde informatie bij de Belastingdienst blijkt dat de [verdachte] over de jaren 2008 tot en met 2010 aangifte heeft gedaan voor de inkomstenbelasting.

Uit de aangiften blijkt dat verdachte zowel in box 1, box 2 als box 3 een belastbaar inkomen heeft van € 0,-.

Voor het indienen van de aangifte Inkomstenbelasting 2011 is uitstel gevraagd. Derhalve zijn voor [verdachte] geen legale inkomsten bronnen bekend.

Bij navraag blijkt dat [verdachte] over de afgelopen 5 jaar geen uitkering heeft genoten.

[medeverdachte 1] (Hof: de echtgenote van de verdachte) is blijkens de . aangiften Inkomstenbelasting betrokken bij de volgende ondernemingen:

- Vennootschap onder Firma [E]

-Eenmanszaak [F]

- [G] B.V.

Gedurende de onderzoeksperiode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 is sprake van legale contante ontvangsten uit diverse ondernemingen van [medeverdachte 1] van € 16.001,03. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met een legale contante ontvangst van € 997,00 aan contant opgenomen bedragen bij GWK Travelex via prepaid creditcardkaarten.

Het totaal bedrag aan legale contante privé-inkomsten bedraagt: € 16.998,03.

Uit onderzoek blijkt dat de verdachte [medeverdachte 1] beschikt over een ING-bank betaalrekening met het [rekeningnummer 3] . Deze bankrekening wordt onder andere gebruikt voor het betalen van de volgende uitgaven:

- huur gezamenlijke woning aan de [a-straat 1] te Den Haag

- Eneco Energie

- Aegon levensverzekeringspolis

- CJIB

11.

De eigen verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 10 november 2016, - zakelijk weergegeven-:

De stortingen op de in de dagvaarding genoemde rekeningen hebben plaatsgevonden in een periode van enkele jaren. Als we op onze bankrekeningen tekort kwamen om rekeningen te betalen, dan stortte ik weer wat geld.

12.

Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op bankrekening [rekeningnummer 1] d.d. 14 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening met [rekeningnummer 1] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 130.025.-, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

JaarContante stortingen

2008 30.850,00

2009 41.300,00

2010 41.125,00

2011 14.550,00

2012 1.900,00

2013 300,00

2014 0, 00

Totalen in € 130.025,00

13.

Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op [rekeningnummer 1] d.d. 13 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (..):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening van de ING bank met [rekeningnummer 2] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 43.060,-, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

JaarContante stortingen

2008 3.610,00

2009 14.820,00

2010 8.140,00

2011 2.100,00

2012 12.510,00

2013 1.880,00

2014 0, 00

Totalen in € 43.060,00

14.

Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot contante opnamen en stortingen op [rekeningnummer 3] d.d. 13 augustus 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (…):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

uit onderzoek is gebleken dat de [verdachte] gebruik maakt van een bankrekening van de ING bank met [rekeningnummer 3] .

In de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 blijkt dat er voor een totaalbedrag van € 141.606,53, aan diverse contante geldstortingen hebben plaatsgevonden.

Het gaat per jaar om de volgende bedragen in € :

JaarContante stortingen

2008 2.965,00

2009 2.500,00

2010 14.515,00

2011 20.752,00

2012 54.785,00

2013 33.425,00

2014 12.664,53

Totalen in € 141.606,53

6. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring van feit 4 voor zover voor de beoordeling van het middel van belang het volgende overwogen:

‘Aan de verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd - onder meer - dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging, in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met 18 juni 2014 aanzienlijke bedragen heeft witgewassen. Op drie bankrekeningen, waarover de verdachte kon beschikken, zijn in deze periode bedragen gestort van in totaal meer dan € 300.000,-. (…)

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de ten laste gelegde periode slechts voor een klein deel samenvalt met de pleegperiodes van de andere feiten waarvoor de [verdachte] wordt vervolgd (te weten de maanden januari en februari 2014). Er valt geen rechtstreeks verband te leggen tussen de in de tenlastelegging opgenomen gestorte bedragen en bepaalde door de verdachte begane misdrijven. Overigens is deze stelling ook door de verdediging en het openbaar ministerie ingenomen.

Indien een dergelijke situatie zich voordoet, kan witwassen desalniettemin bewezen worden verklaard, wanneer komt vast te staan dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Om daartoe te kunnen concluderen dient allereerst het openbaar ministerie een ernstig vermoeden van witwassen aan te tonen (stap i). Indien dit ernstig vermoeden wordt aangetoond, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld (stap ii). Die herkomst moet vervolgens concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken (stap iii). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft moet het openbaar ministerie daarnaar vervolgens onderzoek doen (stap iv) . Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden (HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4094; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:194).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, betoogd dat aan stap i niet is voldaan voor wat betreft de - in hoger beroep niet meer aan de orde zijnde - contante opname en vervolgens op latere momenten contante stortingen van bedragen voortvloeiend uit een bijschrijving van € 42.848,90 van 'De Goudse' op [rekeningnummer 2] (het Hof begrijpt: [rekeningnummer 2] ) d.d. 9 juli 2008.

Op deze rekening zou bovendien van een 'constante, legale inkomstenstroom' blijken (kinderbijslag, kindertoeslag en andere betalingen van de Belastingdienst) en daarom zou ten aanzien van de contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] aan stap (i) niet zijn voldaan en derhalve zou een vrijspraak moeten volgen.

Voor het overige meent de raadsman dat de inhoud van het witwasdossier zodanig is, dat het openbaar ministerie inzichtelijk heeft gemaakt dat er kennelijk forse contante geldstromen over de bankrekeningen lopen en dat daarmee aan stap (i) is voldaan.

Standpunt het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich verenigd met de bewezenverklaring van de rechtbank en daarmee impliciet de stelling ingenomen dat er voor de ten laste gelegde en eerder bewezenverklaarde concrete bedragen geen vrijspraak moet volgen.

Oordeel van het hof met betrekking tot de contante stortingen

Het hof zal om een aantal hierna te noemen redenen niet komen tot een bewezenverklaring van de concreet genoemde geldbedragen en zal het verweer met betrekking tot de contante stortingen op de ING bank [rekeningnummer 2] op dit punt derhalve niet bespreken.

Voor wat betreft de in de tenlastelegging genoemde stortingen op de bankrekeningen geldt naar het oordeel van het hof dat er sprake was van een ernstig vermoeden van witwassen. Een aantal hier genoemde witwastypologieën is van toepassing.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen winsten in contant geld genereert en dat in het drugscircuit, en ook in de wietteelt en wiethandel grote bedragen omgaan. Uit het onderzoek 'Basiel' (dat werd gestart naar aanleiding van belastende informatie over de verdachte, binnengekomen bij de Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid Haaglanden) is gebleken dat de verdachte veel contacten onderhield met personen met criminele (Opiumwet)antecedenten op een wijze die past bij drugshandel (hij communiceerde via meerdere en/of frequent wisselende mobiele (prepaid) telefoonaansluitingen al dan niet met gebruikmaking van een encryptie en had een voorkeur voor persoonlijke ontmoetingen in openbare horeca-gelegenheden) en dat hij eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

Van belang is verder dat de hoogte van de op de bankrekeningen gestorte bedragen, genoemd in de tenlastelegging, niet in verhouding staat tot de bij het hof bekende inkomsten van de verdachten. Er is immers alles bij elkaar meer dan € 300.000,- gestort.

De verdachte en diens echtgenote, hebben - voor zover bekend uit de fiscale aangiften - in die jaren wel enige inkomsten genoten maar die kunnen de gestorte bedragen niet verklaren.

Aan stap (i) is daarom voldaan.

Vervolgens is het (stap ii) aan de verdachte, om een verklaring te geven over de herkomst van het in de ten laste gelegde periode contant gestorte geld. In grote lijnen komen de gegeven verklaringen van de verdachte erop neer, dat vóór januari 2008 grote sommen geld zijn verworven uit de verkoop van twee panden, pokerwinst, inkomsten uit een snackbar en wat dies meer zij. Dat geld is thuis contant bewaard en ook wel bij vrienden gestald. Af en toe zou geld op bankrekeningen zijn gestort met het oog op betalingen die nu eenmaal niet anders dan giraal konden worden gedaan. In de tenlastegelegde periode zou € 7.500,- zijn verworven (en vervolgens contant gestort) vanwege de verkoop van beeldjes en goud en waren er pachtinkomsten (vanaf 26 augustus 2013 maandelijks een bedrag van € 3872,-).

Het hof zal eerst de hoofdstelling van de verdachte bespreken, namelijk dat er aanzienlijke sommen geld contant werden bewaard en dat daaruit stortingen werden gedaan. Wat dit betreft blijft het bij een bewering van de verdachte. Hij kan over de periode van 2008 tot half 2014 geen enkel schriftelijk stuk laten zien waaruit blijkt dat werd geadministreerd wat het verloop was van de contante geldstromen waarvan hier sprake is. Op schrift beschikt het hof slechts over de inkomstenbelastingaangiften over 2008 tot en met 2012 gedaan door de verdachten.

Daaruit blijkt dat de verdachte in genoemde periode noch inkomsten, noch inkomen uit vermogen noch inkomen uit dividenden heeft opgegeven. Zijn echtgenote had blijkens die aangiften een relatief laag inkomen waaruit de contante stortingen waarvan hier sprake is, onmogelijk kunnen worden verklaard.

Over de jaren 2013 en 2014 zijn geen relevante gegevens bekend over het verzamelinkomen voor de Inkomstenbelasting, evenmin is uit de administratie/jaarrekeningen van de ondernemingen die aan verdachtes echtgenoot kunnen worden gelieerd, gebleken van salaris en/of dividendinkomsten.

Ondanks eerdere toezeggingen van de kant van verdachte dat hij ‘een compleet historisch overzicht met gegevens' zou verstrekken op een USB-stickje (politieverhoor van de verdachte d.d. 27 juni 2014) dan wel dat een en ander allemaal was na te gaan bij zijn boekhouder en dat hij 'alles' in zijn kasboek had genoteerd (proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 juni 2015, p. 3) is door of namens de verdachte een dergelijk totaal overzicht niet verstrekt. Afgaande op de enige tot nu toe wel geproduceerde stukken afkomstig van de verdachte en diens echtgenote die zien op de ten laste gelegde periode (te weten de hierboven genoemde aangiften) moet het er voor worden gehouden dat er - wat er zij van contante 'potjes', kluisgeld of geld gestald bij vrienden in de jaren vóór 2008 - vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was, althans niet op de peildata van de aangiften; dat de herkomst van de bedragen die contant zijn gestort in geen enkele het hof bekende administratie voorkomen, dat niets is verantwoord van de kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens waaruit contant bedragen op de in de tenlastelegging genoemde rekeningen werden gestort en dat de verdachte ook niets concreets heeft verklaard over de herkomst van die - kennelijke - vermogensaanwas waaruit die contante stortingen werden gedaan. De verdachte heeft met andere woorden op geen enkele wijze concreet en min of meer verifieerbaar gemaakt wat de herkomst was van de contant gestorte bedragen.

Bij deze stand van zaken komt het hof tot de conclusie, dat stap iii door de verdachte niet succesvol is genomen en dat stap iv daarom niet meer aan de orde is.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er in redelijkheid geen andere conclusie mogelijk is dan dat de (…) ten laste gelegde (…) en bewezen geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daarvan op de hoogte was. Het hof stelt derhalve vast dat geldbedragen zijn witgewassen op genoemde rekeningen. De precieze hoogte van de stortingen per rekening blijft in het midden, en dat hangt samen met hetgeen door de verdachte is gesteld over de contante opbrengsten in de ten laste gelegde periode uit de verkoop van Swarovskibeeldjes, sloopgoud en uit cash ontvangen pachtinkomsten. Dat zou een (relatief gering) deel van de stortingen verklaren.

Nu de advocaat-generaal in zijn repliek heeft laten weten dat hij aanneemt dat er sprake was van een contante opbrengst uit de verkoop van de beeldjes en het goud, en het hof daarbij in het voordeel van de verdachten aanneemt dat er vanaf augustus 2013 cash ontvangen pachtinkomsten zijn gestort, en het hof overigens niet kan vaststellen op welke rekeningen die contante bedragen zijn gestort, zal het hof bewezen verklaren het witwassen van de contante gestorte geldbedragen op de drie nader aangeduide rekeningen, met weglating van de hoogte van die bedragen.’

7. De raadsman van de verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd aan de hand van overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen die op het punt van het witwassen voor zover in deze relevant inhouden:

‘Cliënt vindt het lastig om in een situatie te worden gebracht waarin hij moet bewijzen dat de herkomst van zijn gelden legaal is, terwijl het openbaar ministerie in zijn ogen 'volstaat' met een optelsom van stortingen. En daar komt dan nog bij dat cliënt geconfronteerd wordt met (a) een langdurige periode (bijna zes en een half jaar), die (b) ook nog eens een behoorlijke poos geleden is.

En zeker van dat laatste vind ik dat cliënt daar een punt heeft. Want het bleek, om door cliënt gisteren ter zitting al benoemde omstandigheden, behoorlijk ingewikkeld en soms zelfs feitelijk onmogelijk voor cliënt om stukken waarmee hij zijn gelijk kon aantonen terug te vinden en/of (laten) reproduceren. In dat kader wijs ik bijvoorbeeld op de email-berichten die ik als bijlage 1b aan deze pleitnotitie hecht.

Uit het email-bericht van cliënt aan [naam 1] van ABN-AMRO d.d. 3 november 2015 en de reactie d.d. 4. november 2015 van [naam 1] van ABN-AMRO aan cliënt blijkt dat het niet meer mogelijk was om bankafschriften van voor 26 april 2001 te reproduceren.

Daardoor kan cliënt niet aan de hand van bankafschriften onderbouwen dat het door hem te ontvangen bedrag na de verkoop van [b-straat 1] te 's-Gravenhage (bijlage 1a) door hem is ontvangen en daarna weer opgenomen.

(…)

Cliënt wordt daarnaast zeker door de tijd beperkt in zijn verdediging en ik vind dat dat bij de beoordeling van deze witwasbeschuldiging niet tegen hem moet worden gebruikt.

Eerste aanleg

In eerste aanleg is verweer gevoerd tegen de witwasbeschuldiging en zijn er diverse stukken overgelegd. Die stukken maken al onderdeel uit van het dossier, dus die hoef ik m.i. niet opnieuw in te brengen. Uw hof heeft ook kennis genomen van mijn pleitnotitie in eerste aanleg.

Nu zou ik daar nu graag op verder gaan en ingaan op wat de rechtbank heeft overwogen en cliënt in hoger beroep aan nieuwe stukken in de procedure heeft gebracht, maar een enkele verwijzing naar mijn pleitnotitie in eerste aanleg, dat mag niet van de Hoge Raad. Daarom zal ik (…) dat standpunt grotendeels herhalen en op punten aanvullen.

(…)

[rekeningnummer 2] (BFK: [rekeningnummer 2] )

Eén bankrekening valt uit de toon, dat is de rekening die als tweede staat genoemd op de tenlastelegging: de [rekeningnummer 2] (BFK: [rekeningnummer 2] ).

Die rekening valt uit de toon omdat daarop het opgenomen bedrag (behoorlijk veel) hoger is dan het gestorte bedrag (43.060 - 81.650).

Wat bij deze bankrekening in het bijzonder opvalt, is een bijschrijving op 9 juli 2008 van € 42.848,90 van 'De Goudse' (…).

Wat daarnaast opvalt is dat dat bedrag op dezelfde dag dat het wordt bijgeschreven, bijna volledig wordt opgenomen - daar kom ik later nog op terug).

Het betreft hier dus een giraal bijgeschreven bedrag, met een duidelijke herkomst.

Cliënten kiezen ervoor om dat contant te maken - dat mag.

En heeft kennelijk dit geld op latere momenten weer bijgestort - dat mag ook.

Nu het opgenomen bedrag, het gestorte bedrag op deze rekening ruimschoots overstijgt, de herkomst uit de analyse van de bankafschriften kenbaar is en bovendien blijkt van een constante legale inkomstenstroom op deze rekening (kinderbijslag, kindertoeslag, andere betalingen van de Belastingdienst) ben ik van mening dat het OM ten aanzien van de onder het derde (BFK: tweede) gedachtenstreepje genoemde bedragen aan 'stap 1' niet heeft voldaan en dat alleen al daarom voor die punten een vrijspraak moet volgen.

Beschouw ik de inhoud van het witwasdossier verder, dan stel ik vast dat het OM inzichtelijk heeft gemaakt dat er kennelijk forse contante geldstromen over de bankrekeningen lopen en dat daarmee aan stap 1 wel is voldaan.

(…)

Cliënt heeft in het verleden inkomsten gehad die doorwerken in de periode van de tenlastelegging, zoals

(i) de ontslagvergoeding bij [A]

(ii) inkomsten uit coffeeshop [B]

(iii) inkomsten uit diverse bloemenzaken

(iv) inkomsten uit de verkoop van auto's

Verder is benoemd dat cliënt een thuisbankier is: hij neemt bijschrijvingen op zijn bankrekening direct op - in dat kader verwijs ik naar de eerder genoemde bijschrijving en opnamen van € 42.000 van de Goudse.

Ter onderbouwing van die stellingen heeft Nieuwburg per email voorafgaand stukken aan de rechtbank en aan het OM doen toekomen.

Die stukken betroffen:

(i) de winst van € 23.207,00 bij een pokertoernooi

(ii) de opbrengst van € 3.500,00 van de verkoop van Swarovksi beeldjes

(iii) de opbrengst van € 4.000 van de verkoop van sloopgoud

(iv) jaaropgaven van 2002 en 2003 waaruit bleek van legaal inkomen uit die jaren

(v) een bijschrijving van Fl 153.222,85 vanwege de verkoop van onroerend goed aan de [c-straat 1] te Den Haag (10 mei 1999)

(vi) de opbrengst van Fl. 365.000 voor de verkoop van het [b-straat 1] te Den Haag (23 maart 2001) *

(vii) maandelijkse pachtinkomsten van […] te Den Haag € 3.872,00 over de periode van 26 augustus 2013 tot heden

(viii) de opbrengst van een uitkoopbedrag van de [E] ad. € 45.000

(ix) een bedrag van € 35.000 voor de verhuizing van [H]

Aan de pleitnotitie van eerste aanleg zijn vervolgens nog enkele nieuwe stukken gehecht.

(x) Twee stukken van Senter Zwolle. Daaruit blijkt dat aan cliënt € 33.433 + € 22.055 aan compensatie is toegekend.

(xi) Cliënt heeft stukken achterhaald waaruit blijkt dat de compensatie voor het verplaatsen van zijn snackcar € 52.062,50 is geweest.

(xii) Jaaropgaven 2004

In hoger beroep zijn er nog enkele stukken door cliënt verstrekt.

Die stukken heb ik op 9 november jl. al per email aan het hof doen toekomen en zijn ook aan deze pleitnotitie gehecht.

* Ten aanzien van het eerder vermelde stuk (vi) merk ik op dat het bedrag op de in hoger beroep verstrekte afrekening van de verkoop van [b-straat 1] staat dat er Fl. 162.138,76 wordt uitgekeerd. Cliënt stelt dat hij dat bedrag heeft ontvangen en heeft opgenomen.

Opname uit onderneming

Opname uit onderneming (zou volgens de berekening in het dossier ruim € 16.000 zijn), is wel verdisconteerd in de totaalberekening in het dossier, maar door de redactie van de tenlastelegging nu niet in de beschuldiging. Dat bedrag moet 'ergens' in mindering worden gebracht nu de legale herkomst daarvan inzichtelijk is.

Als bijlage 5 A t/m C heb ik een overzicht van een door [verdachte] ingeschakelde boekhouder gevoegd. Daaruit blijkt dat de opname uit onderneming veel hoger is geweest dan in het dossier wordt gesteld, namelijk € 81.357. Nu de berekening in het dossier er vanuit gaat dat deze post moet worden verdisconteerd, meen ik dat dat voor dit hogere bedrag dus ook geldt.

Voor wat betreft de vraag of cliënt aan 'stap 2' heeft voldaan, vind ik dat dat zo is. Hij heeft niet gezwegen. Hij heeft niet iets geroepen zonder daarna met stukken te komen. Hij heeft van meet af aan een stelling ingenomen en die stelling naar zijn beste kunnen onderbouwd.

Wat dat betreft vind ik de stukken die in hoger beroep nog zijn verstrekt ook erg belangrijk. Uit de bankafschriften van bijlage 2 en 3 blijkt bijvoorbeeld dat de betalingen van Senter inderdaad bij cliënt zijn binnengekomen en ook dat er daarna grote bedragen zijn opgenomen - in totaal € 35.000,00.

Hij heeft niet verzonnen dat hij bedragen van Senter heeft ontvangen en hij heeft ook niet verzonnen dat hij grote contante bedragen heeft opgenomen.

Stap 3. Die herkomst moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk zijn aan te merken;

Van alle bedragen die cliënt heeft benoemd, zijn stukken overgelegd waarop data, kenmerken, contactpersonen en contactgegevens zijn vermeld (zie ook email van Nieuwburg ). Daarmee zijn bovengenoemde inkomsten concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken Daarmee heeft cliënt dan meteen voldaan aan de derde stap van het Air Holland arrest. En dan komt de bal dus weer bij het OM te liggen.’

8. In het eerste klachtonderdeel betoogt de steller van het middel dat het hof er ten onrechte van uit is gegaan dat de verdachte bij aanvang van de tenlastegelegde periode niet over enig vermogen beschikte. Gememoreerd wordt dat de verdediging heeft gewezen op de verkoop van twee panden, de winst op een pokertoernooi, diverse winsten uit onderneming, schadevergoedingen en een uitkoopbedrag. Gesteld wordt daarbij dat van vrijwel alle hierboven genoemde posten stukken in het geding zijn gebracht waaruit kan worden afgeleid dat die bedragen ook daadwerkelijk door de verdachte zijn ontvangen. Uit de bewijsoverwegingen zou volgen dat het hof doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de aangiften inkomstenbelasting, en eigenlijk geen oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat de door de verdachte genoemde bedragen ten onrechte niet aan de Belastingdienst zijn opgegeven als vermogen in box 3. In ieder geval zou de vaststelling van het hof dat op geen enkele wijze concreet en min of meer verifieerbaar is gemaakt wat de herkomst van de gestorte bedragen is geweest, niet begrijpelijk zijn. En het passeren van de stelling dat een groot deel van de contante gestorte bedragen afkomstig is van inkomsten van vóór de tenlastegelegde periode met slechts een verwijzing naar aangiften inkomstenbelasting zou onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zijn.

9. Het hof heeft geoordeeld dat er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de in de tenlastelegging opgenomen gestorte bedragen en bepaalde door de verdachte begane misdrijven. Met het oog op die situatie heeft Uw Raad in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 eerdere rechtspraak inzake het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen als volgt samengevat:

‘2.3.2. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.’

10. De verdachte in die zaak, een fiscaal jurist die in Nederland in loondienst heeft gewerkt bij [C] , was veroordeeld wegens het witwassen van geldbedragen van in totaal € 90.000,- waarmee een boot was aangeschaft. In dit arrest overwoog Uw Raad dat ’s hofs oordeel dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven over de herkomst van de geldbedragen, niet zonder meer begrijpelijk was, ‘nu de verdachte met een concrete verwijzing naar zijn inkomsten uit arbeid heeft gesteld dat de geldbedragen een legale herkomst hadden’. En dat werd niet anders ‘door de vaststelling van het Hof dat de verdachte, ondanks een door hem gedane toezegging, geen relevante stukken heeft overgelegd, nu die enkele omstandigheid niet afdoet aan de door de verdachte gegeven verklaring en de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen.’ Mede gelet op hetgeen het hof in zijn overwegingen overigens had vastgesteld, was de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de geldbedragen ‘afkomstig waren uit enig misdrijf’, niet toereikend gemotiveerd.

11. De verklaring die de verdachte in de onderhavige strafzaak heeft gegeven voor de stortingen vertoont enige verwantschap met de verklaring die meebracht dat de bewezenverklaring in HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 niet toereikend was gemotiveerd. Wat betreft verifieerbaarheid zijn er echter wezenlijke verschillen. Salarisstroken en bonusspecificaties van een fiscaal jurist die in Nederland in loondienst heeft gewerkt bij [C] zijn voor het openbaar ministerie in beginsel te achterhalen. Als deze gegevens voor zover betrekking hebbend op de laatste jaren voor de aanschaf van de boot van € 90.000,- bekend zijn, kan de rechter de kans dat het voor die aanschaf gebruikte geld niet afkomstig is van misdrijf beter inschatten. Dat ligt bij de verklaring die in de onderhavige zaak is gegeven lastiger. Ook als duidelijk zou worden dat de verdachte op een aantal tijdstippen grote sommen geld heeft verworven, kan op basis daarvan lastig worden vastgesteld of en zo ja welke stortingen daar in de bewezenverklaarde periode (bijna zes en een half jaar) van betaald zijn. Ik neem daarbij in aanmerking dat de grootste sommen verband houden met de verkoop van twee panden in 1999 en 2001, dat over omvang en/of tijdstip van verkrijgen van veel van de andere bedragen weinig informatie wordt verschaft en dat over het vermogen waarover de verdachte aan het eind van de bewezen verklaarde periode beschikt vermoedelijk weinig duidelijkheid verkregen zal kunnen worden. Ook wat betreft de waarschijnlijkheid dat het totale bedrag door de verklaring gedekt kan worden zijn er tegen deze achtergrond en mede in het licht van de hoogte van het totaal van de gestorte bedragen verschillen.

12. Ook in HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793 betwistte de verdachte de afkomst uit misdrijf van voorwerpen en stelde hij onder verwijzing naar over meerdere jaren gespaarde inkomsten dat de voorwerpen een legale herkomst hadden. Gelet hierop overwoog Uw Raad dat ‘het door het Hof bevestigde oordeel van de Rechtbank dat de ‘verdachte weigert op hem gestelde vragen te antwoorden en weigert inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon (...) of over bronnen van contant geld’ zodat het ‘bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven (...) niet anders [kan] dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf (...) heeft witgewassen’, niet zonder meer begrijpelijk’ was. ’s Hofs oordeel in de onderhavige zaak houdt evenwel niet in dat de verdachte weigert inzicht te geven in zijn bronnen van contant geld. Kern van de verwerping is dat het ‘bij een bewering van de verdachte’ blijft. Daarmee gaat het hof niet voorbij aan de verklaring van de verdachte, maar geeft het aan dat het geen verifieerbare verklaring betreft.2

13. Aarzelingen heb ik evenwel bij de wijze van onderbouwing van het oordeel van het hof dat het wat ‘de hoofdstelling van de verdachte’ betreft, ‘namelijk dat er aanzienlijke sommen geld contant werden bewaard en dat daaruit stortingen werden gedaan’, blijft bij ‘een bewering van de verdachte’. Het hof stelt vast dat de verdachte ‘over de periode van 2008 tot half 2014 geen enkel schriftelijk stuk (kan) laten zien waaruit blijkt dat er werd geadministreerd wat het verloop was van de contante geldstromen waarvan hier sprake is’. En voegt daaraan toe dat het hof op schrift ‘slechts over de inkomstenbelastingaangiften over 2008 tot en met 2012’ beschikt, terwijl daaruit blijkt ‘dat de verdachte in genoemde periode noch inkomsten, noch inkomen uit vermogen noch inkomen uit dividenden heeft opgegeven’ en zijn echtgenote ‘blijkens die aangiften een relatief laag inkomen (had) waaruit de contante stortingen waarvan hier sprake is, onmogelijk kunnen worden verklaard’. Daarmee leunt ’s hofs bewijsconstructie net als in het arrest dat ten grondslag lag aan HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352 zwaar op het niet overlegd zijn van (relevante) stukken. De gebruikte bewoordingen maken voorts duidelijk dat het hof alle stukken die zien op de periode van vóór 2008 bewust buiten beschouwing heeft gelaten.3

14. In het vervolg van de bewijsoverweging stelt het hof vast dat door de verdachte geen (toegezegd) ‘totaal overzicht’ is verstrekt en dat afgaande op ‘de enige tot nu toe wel geproduceerde stukken afkomstig van de verdachte en diens echtgenote die zien op de ten laste gelegde periode’, de aangiften, het ervoor moet worden gehouden ‘dat er – wat er zij van contante ‘potjes’, kluisgeld of geld gestald bij vrienden in de jaren vóór 2008 – vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was, althans niet op de peildata van de aangiften’. Deze overweging wijst erop dat het hof, nu de verdachte zijn toezegging om een totaaloverzicht te verstrekken niet is nagekomen, uitgaat van de gegevens die uit de aangiften naar voren komen. Enkel uit die aangifte wordt ook afgeleid dat eerdere ‘potjes’ etc. vanaf 2008 kennelijk niet meer bestonden.

15. Het komt mij voor dat het hof in de bewijsconstructie een te grote betekenis hecht aan de aangiften. De enkele omstandigheid dat de verdachte in de aangiften geen vermogen heeft opgegeven, brengt nog niet mee dat er bij een tenlastelegging van witwassen van mag worden uitgegaan dat hij (werkelijk) geen vermogen had. Het hof had de mogelijkheid van ‘potjes’, kluisgeld en geld gestald bij vrienden bij de vaststelling van het vermogen van de verdachte niet enkel op basis van de aangifte terzijde mogen stellen. Het gaat erom of daadwerkelijk van ‘potjes’ etc. sprake was, en zo ja of verifieerbaar en niet hoogst onwaarschijnlijk is dat stortingen uit die ‘potjes’ etc. zijn voldaan.

16. Ook het vervolg van de bewijsoverweging wijst erop dat het hof te zeer van de (papieren) werkelijkheid van de aangiftes en van het ontbreken van administratie is uitgegaan. Het hof stelt vast ‘dat de herkomst van de bedragen die contant zijn gestort in geen enkele het hof bekende administratie voorkomen, dat niets is verantwoord van de kennelijk tussen de fiscale peildata opduikende en weer verdwijnende contante vermogens’ en dat de verdachte ‘ook niets concreets heeft verklaard over de herkomst van die – kennelijke – vermogensaanwas waaruit die contante stortingen werden gedaan’. Daarmee heeft de verdachte volgens het hof ‘op geen enkele wijze concreet en min of meer verifieerbaar gemaakt wat de herkomst was van de contant gestorte bedragen.’ In het bijzonder de zin over opduikende en verdwijnende contante vermogens roept vragen op. De verdachte stelt niet dat tussen de fiscale peildata vermogens zijn opgedoken en verdwenen. Die gedachte kan alleen opkomen als de vaststelling van het vermogen puur op de aangiftes wordt gebaseerd.

17. Ik merk daarbij nog op dat het niet (alleen) gaat om de vraag of alle stortingen uit potjes, kluisgeld en geld gestald bij vrienden zijn voldaan. De potjes etc. zijn ook relevant als een deel van de stortingen daaruit voldaan is. Ik wijs er in dit verband nog op dat de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden mede gebaseerd is op de omstandigheid dat de verdachte ‘zich gedurende een lange periode schuldig (heeft) gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen’.

18. Al met al komt de motivering op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat het wat betreft de mogelijkheid dat ‘er aanzienlijke sommen geld contant werden bewaard en dat daaruit stortingen werden gedaan’ bij ‘een bewering van de verdachte’ blijft, mij niet zonder meer begrijpelijk voor. De eerste deelklacht slaagt.

19. Het tweede klachtonderdeel houdt in dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de contante opnames van de diverse rekeningen. Nu de ‘witwasverdenking’ zou zijn beschreven in de vorm van een ‘eenvoudige kasopstelling’, zouden de contante opnames in mindering moeten worden gebracht op de onverklaarbare stortingen. Omdat het hof daarmee geen rekening heeft gehouden zou het arrest onbegrijpelijk zijn en niet in stand kunnen blijven.

20. Naar het mij voorkomt gaat het hof in de bewijsconstructie niet van een ‘eenvoudige kasopstelling’ uit. De eenvoudige kasopstelling is een berekening waarbij het beginsaldo in contant geld wordt vermeerderd met de legale ontvangsten inclusief bankopnamen in een bepaalde periode, waarna het eindsaldo in contant geld daarvan wordt afgetrokken. Het resultaat was in die periode beschikbaar voor het doen van uitgaven; als in werkelijkheid meer is uitgegeven en op de bank gestort kan dat een indicatie van witwassen zijn. De bewezenverklaring in de onderhavige strafzaak is niet gebaseerd op een dergelijke berekening. Het hof gaat uit van de criminele herkomst van de stortingen en heeft daar een enkele correctie op toegepast (de Swarovskibeeldjes etc.). Het hof heeft geen correctie toegepast voor een mogelijk aanwezig beginvermogen. Zoals bij het eerste klachtonderdeel bleek, heeft het hof uit de aangiftes afgeleid dat er ‘vanaf 2008 kennelijk geen vermogen was’. Mede op die vaststelling is ’s hofs oordeel gebaseerd dat de stortingen van misdrijf afkomstig waren. Het hof heeft ook geen correctie toegepast voor de mogelijkheid dat stortingen zijn voldaan uit eerdere opnamen. Het hof heeft ten slotte ook niets vastgesteld over een eventueel aanwezig eindsaldo in contant geld. Voor zover dit klachtonderdeel tot uitgangspunt neemt dat sprake is van een eenvoudige kasopstelling, berust het op een verkeerde lezing van de bewijsvoering en ontbeert het aldus feitelijke grondslag.

21. Daarmee is echter niet gezegd dat het tweede klachtonderdeel (het hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met contante opnamen) geen doel treft. In het pleidooi is de mogelijkheid dat stortingen voldaan zijn uit gelden die eerder zijn opgenomen duidelijk onder de aandacht gebracht. En wat contant is opgenomen kan in het vervolg weer een bron zijn van nieuwe stortingen, net als inkomsten uit de verkoop van Swarovskibeeldjes etc.. Het hof heeft in het bestreden arrest aan die mogelijkheid geen aandacht besteed.

22. Het tweede klachtonderdeel hangt samen met het derde klachtonderdeel. Dat ziet specifiek op een verweer dat bij ING-rekening 3897717 is gevoerd. De steller van het middel wijst erop dat de raadsman heeft aangevoerd dat op deze rekening in de ten laste gelegde periode bijschrijvingen hebben plaatsgevonden waarvan de legale herkomst ‘volstrekt inzichtelijk is geworden’. Genoemd worden ‘een forse uitkering van de verzekering, kinderbijslag, kindertoeslag en andere fiscale toeslagen’. Deze bedragen zouden de bedragen die contant zijn opgenomen (van deze rekening) zonder meer kunnen verklaren. Van het opgenomen bedrag van ruim 81.000 euro zou ongeveer de helft weer zijn teruggestort. Het aangevoerde zou bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waar het hof ten onrechte niet op heeft gerespondeerd.

23. Het gerechtshof heeft het onderhavige verweer van de raadsman weergegeven onder het kopje ‘Standpunt van de verdediging’. Uit dat verweer kan worden afgeleid dat de raadsman van oordeel was dat het gestelde tot vrijspraak van het betreffende gedachtestreepje diende te leiden, omdat ‘stap 1’ met betrekking tot die rekening niet gezet zou kunnen worden. Onder het kopje ‘Oordeel van het hof met betrekking tot de contante stortingen’ heeft het hof aangegeven dat het om een aantal daarna te noemen redenen niet komt tot een bewezenverklaring van de concreet genoemde geldbedragen en daarom het verweer met betrekking tot de contante stortingen op deze rekening niet zal bespreken. In deze redengeving wijst het hof op de toepasselijkheid van enkele witwastypologieën en de hoogte van de gestorte bedragen in verhouding tot de bij het hof bekende inkomsten van de verdachte. In deze redengeving ligt besloten dat het hof van oordeel is dat ‘stap 1’ niet per rekening wordt gezet, maar dat in relatie tot het geheel van de stortingen op de rekeningen van de verdachte wordt bepaald of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat oordeel komt mij niet onbegrijpelijk voor. Zo bezien ligt in de bewijsmotivering het antwoord besloten op het standpunt dat integraal van het gedachtestreepje met betrekking tot deze rekening diende te worden vrijgesproken.

24. De steller van het middel klaagt echter ook dat het hof is voorbijgegaan aan het verweer dat de stortingen voor zover zij zijn terug te leiden tot de contante opnamen van deze rekening niet als witwassen mogen worden aangemerkt. Mij komt het niet zonder meer begrijpelijk voor dat het hof dit verweer niet heeft besproken. Door te wijzen op bedragen die de verdachte contant heeft opgenomen heeft de raadsman gewezen op een bron van geld waar latere stortingen uit betaald kunnen zijn. Het lag op de weg van het hof om aan te geven of daarmee een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor een deel van de stortingen is gegeven. Dat het hof niet tot een bewezenverklaring van concreet genoemde geldbedragen is gekomen volstaat als redengeving niet. Uit het vervolg van de bewijsoverweging volgt dat het hof de precieze hoogte van de stortingen in het midden heeft gelaten in het licht van ‘hetgeen door de verdachte is gesteld over de contante opbrengsten in de ten laste gelegde periode uit de verkoop van Swarovskibeeldjes, sloopgoud en uit cash ontvangen pachtinkomsten’. Daarin ligt besloten dat het hof is voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat stortingen zijn voldaan uit eerdere opnamen.

15. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat het hof voorbij is gegaan aan de door de verdediging gestelde mogelijkheid dat een deel van de stortingen teruggeleid kan worden tot eerdere opnamen, in het bijzonder de eerdere opname van een uitkering van de verzekering, kinderbijslag, kindertoeslag en andere fiscale toeslagen.4 In zoverre slagen het tweede en derde klachtonderdeel.

26. Het vierde klachtonderdeel houdt in dat het hof het verweer dat de verdachte een groot deel van de gestorte bedragen inzichtelijk heeft weten te maken ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. Door het uitstrepen van de tenlastegelegde bedragen zou het hof voorts in het midden hebben gelaten welke van de bedragen in mindering zouden moeten worden gebracht. De steller van het middel wijst er daarbij op dat geen aansluiting kan worden gezocht bij de geldende straftoemetingsrichtlijnen omdat het hof niet tot bewezenverklaring van gespecificeerde bedragen is gekomen.

27. De steller van het middel klaagt er niet over dat het hof, door de bedragen in de tenlastelegging uit te strepen, de grondslag van de tenlastelegging zou hebben verlaten. Dat is naar het mij voorkomt ook niet het geval. Voor zover de steller ervan uitgaat dat de wijze van uitstrepen het mogelijk moet maken bij de strafoplegging aansluiting te zoeken bij straftoemetingsrichtlijnen gaat hij uit van een verkeerde rechtsopvatting. Uit de bewijsconstructie volgt voorts dat het hof ervan uit is gegaan dat de inkomsten uit de verkoop van sloopgoud, de verkoop van beeldjes en de pachtinkomsten van de snackbar een deel van de gestorte bedragen verklaren. In dat opzicht biedt de bewijsconstructie de verlangde duidelijkheid.

28. In de toelichting op dit onderdeel wordt ook nog gewezen op enkele andere mogelijke bronnen van geld voor stortingen. Inzake de mogelijkheid dat stortingen voldaan zijn uit de opbrengt van de verkoop van een auto, waar de steller van het middel op wijst, is naar het mij voorkomt door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende gesteld. Dat ligt anders waar het gaat om privé-onttrekkingen uit ondernemingen. De raadsman heeft een stuk van de boekhouder van de verdachte ingebracht waaruit zou volgen dat aan contante privé-onttrekkingen uit ondernemingen ‘nog eens ruim 80 duizend euro is opgenomen’. Nu het hof heeft aangegeven de precieze hoogte van de stortingen enkel in het midden te laten vanwege het gestelde omtrent de verkoop van Swarovskibeeldjes, sloopgoud en cash ontvangen pachtinkomsten, moet ervan worden uitgegaan dat het hof niet aannemelijk heeft geacht dat stortingen mede zijn voldaan uit dergelijke onttrekkingen. In zoverre gesteld wordt dat het hof gehouden was op deze mogelijkheid in te gaan, slaagt het vierde klachtonderdeel naar het mij voorkomt.

29. Op de keper beschouwd is bij alle vier klachtonderdelen dezelfde vraag aan de orde. Welke eisen mogen gesteld worden aan de verwerping van verweren waarin wordt aangevoerd dat aankopen, stortingen, aangetroffen contant vermogen etc. niet afkomstig zijn uit misdrijf, maar uit legaal verworven vermogen? In de kern gaat het daarbij, naar het mij voorkomt, om een Meer en Vaart-verweer.5 Dat brengt mee dat hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheden niet door de bewijsmiddelen uitgesloten behoeven te worden. Bij oncontroleerbare beweringen is voldoende dat de rechter aangeeft dat hij het aangevoerde niet aannemelijk geworden acht. Maar in het geval wel mogelijkheden tot verificatie bestaan mogen deze niet te snel onbenut worden gelaten. En de argumentatie op grond waarvan een alternatief scenario wordt verworpen dient begrijpelijk te zijn. In casu komt de mogelijkheid dat een deel van de stortingen voldaan is uit eerdere opnamen of onttrekkingen aan ondernemingen mij niet zo onwaarschijnlijk voor dat een inhoudelijke reactie achterwege mocht blijven. En de verwerping van de mogelijkheid dat een deel van de stortingen is voldaan uit eerder vergaard vermogen komt mij niet begrijpelijk voor.

30. Het eerste middel slaagt.

31. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte en/of onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van opzettelijk vervoeren van ongeveer 15 kilogram hennep.

32. Ten laste van de verdachte is onder 1, tweede alternatief, bewezenverklaard dat:

’hij in de periode 27 januari 2014 tot en met 06 februari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van ongeveer 15 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.’

33. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1.

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 april 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 24 april 2014 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :

Ik heb [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) leren kennen op het terrein bij [betrokkene 1].

De vraag van [verdachte] was of hij wiet naar de overkant kon zetten. Tijdens de eerste ontmoeting op 23 januari, kende ik [verdachte] net. In een gesprek kwam die vraag naar boven. Wij kwamen bij elkaar omdat [verdachte] wilde weten hoe dat gaat. Ik heb hem gezegd dat ik wel rond zou vragen of ik iemand kende. Dat was [medeverdachte 3] , die kon hem dat uitleggen. [medeverdachte 3] weet iemand die dat dan kan doen. [medeverdachte 3] ken ik van vroeger. Opa is van de kant van [medeverdachte 3] ; een wat oudere man waarmee ik om de tafel heb gezeten bij [I] ; dat zal de vervoerder zijn.

"Papieren" dat is geld. [verdachte] heeft het een en ander aan mij gevraagd en ik heb het weer aan [medeverdachte 3] gevraagd. Het ging over wiet, 15 of 10 kilo of zoiets.

Ik heb van [medeverdachte 3] begrepen dat het in een vrieskist vervoerd zou worden. Ik denk dat die wiet naar Engeland moest, hij had het altijd over de overkant.

Een week voor 5 februari is er wiet weggegaan. 15 Volgens mij. Dat hebben ze onderling geregeld. Ik weet dat het 15 was omdat [verdachte] dat had gezegd. (…)

2

Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2014 van de politie Eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):

als de op 29 april 2014 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] :

[verdachte] wilde ergens rustig zitten. [betrokkene 1] wist dat hij bij een eetgelegenheid in dat winkelcentrum rustig kon zitten. Daar binnen kwam dus waar het om gaat. Die 15 kilo wiet die hij wilde vervoeren. [verdachte] vraagt dat aan mij. [verdachte] zei dat ik 2.000,-, euro kon verdienen. Dat heb ik er ook aan verdiend.

Ik heb het nummer van [medeverdachte 3] gekregen. Ik heb telefonisch contact met hem opgenomen. En we hebben een afspraak gemaakt bij de benzinepomp bij Zwijndrecht op de A16. Wij hebben toen de vraag van [verdachte] besproken. [medeverdachte 3] zei daarop is goed dat kan. Hij had een transport oplossing. Het kwam met het verhaal over een kist. Ik heb dit weer terug gekoppeld aan [verdachte] . Hij had een vervoerder. Die had een vrieskist. Daar zou hij een kist omheen timmeren en zo zou het vervoerd gaan worden. Een soort krat om een vrieskist heen. De wiet ging dan in de vrieskist en daar ging dan die andere kist omheen.

Hij vertelde wat hij ging doen en ik heb dat doorgebriefd aan [verdachte] . Vervolgens hebben we een afspraak gemaakt. Ik heb [verdachte] ontmoet in Wateringen. Tijdens die ontmoeting met [verdachte] heb ik [verdachte] verteld wat [medeverdachte 3] mij had verteld. [verdachte] zat met 15 kilo wiet dat hij wilde vervoeren. De manier hoe [medeverdachte 3] het wilde vervoeren heb ik aan [verdachte] uitgelegd zodat hij kon beslissen of hij ermee akkoord zou gaan. [verdachte] ging ermee akkoord. Verder is afgesproken dat ik aan [medeverdachte 3] zou doorgeven dat het in gang gezet kon worden.

Ik heb met [medeverdachte 3] een datum besproken. Ik heb die datum aan [verdachte] laten weten. [verdachte] moest bij een afrit bij een tankstation komen ik heb die spullen naar de vervoerder gereden. [verdachte] en ik waren daar; [medeverdachte 3] was daar later pas. [verdachte] kwam daar met een wit bestelbusje. Ik nam de bus over van [verdachte] . Ik ben naar de vervoerder gereden. Ik heb vervolgens een stukje in Werkendam gereden naar die vervoerder. Ik kwam aan bij een loods daar ontmoette ik een grote grijze man. Hij deed de deur open. Ik had de instructies van [medeverdachte 3] gekregen hoe ik naar de loods moest rijden.

Ik ga ervan uit dat ik daar met die 15 kilo was omdat [verdachte] dat tegen mij had gezegd. Ik rijd naar binnen als de deuren open gaan. Die grijze man heeft het eruit gehaald. Die 15 kilo is vanuit die bestelbus naar die kist gegaan. Ik heb ze zien lopen. Ik zag dat het doorzichtige plastic zakken waren. Ik heb wel gezien dus dat het uit de bestelbus werd geladen. Ik heb die grijze man de zakken uit zien laden. Ik denk dat [medeverdachte 3] 1 zak heeft uitgeladen. Ik zag dat er groen in de zakken zat. De zakken werden geplaatst in een kist, een houten krat waar een vriezer in stond.

Ik ben vervolgens weggegaan en bracht die bestelbus naar [verdachte] . [medeverdachte 3] zou mij contacten en ik zou [verdachte] vervolgens contacten. [medeverdachte 3] ging te laat weg. De partij was op enig moment zoek.

Op 3 februari 2014 was er een ontmoeting bij [I] in Rotterdam. Ik vroeg of [medeverdachte 3] alle informatie mee wilde nemen. Die grijze man die ik ontmoette bij de loods bij de afgifte van wiet was er ook. [verdachte] wilde weten waar zijn spullen waren. De vervoerder zei dat het allemaal vertraagd was.

Op 4 februari 2014 zit ik met [verdachte] bij Van der Valk in Rotterdam. [verdachte] hield mij verantwoordelijk.

Op 5 februari 2014 toen ik het geld ontving van [verdachte] was die partij afgewikkeld en terecht.

[medeverdachte 3] kreeg € 1.000,- in totaal daarvan moest € 600,-, naar Ruben. Ik kreeg € 2.000,-, de vervoerder de grijze man kreeg €3.000,-. De 5e heb ik dit bedrag bij DUNO van [verdachte] in ontvangst genomen.’

34. Het hof heeft voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in het bestreden arrest nog de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

Feit 1

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1, eerste alternatief en tweede alternatief is tenlastegelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van een grootschalig onderzoek naar mogelijk door [verdachte] (hierna: [verdachte] ) gepleegde strafbare feiten is de verdenking ontstaan dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 4] (Hierna: Jelles) in de periode van 27 januari 2014 tot en met 6 februari 2014 zich heeft beziggehouden met de handel in en de uitvoer van hennep.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan het navolgende worden vastgesteld.

[medeverdachte 2] heeft, tegenover de politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. Hij heeft in die verklaringen verklaard dat hij op 23 januari 2014 bij een eetgelegenheid te Maassluis een ontmoeting heeft gehad met [verdachte] en twee andere personen. Tijdens deze ontmoeting heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] gevraagd of hij wiet (naar het hof begrijpt: hennep) naar de overkant kon vervoeren. [verdachte] heeft gezegd dat het zou gaan om een hoeveelheid van 10 tot 15 kilo.

[medeverdachte 2] interpreteerde de "overkant", als Engeland. [verdachte] vroeg of [medeverdachte 2] mogelijkheden daarvoor had. [medeverdachte 2] zou daarmee € 2.000,00 kunnen verdienen. [medeverdachte 2] zei tegen [verdachte] dat hij dat zou navragen en informatie zou inwinnen. [medeverdachte 2] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 3] . Hij heeft daarna een ontmoeting met [medeverdachte 3] gehad bij het benzinestation bij Zwijndrecht langs de A16. [medeverdachte 2] heeft de vraag van [verdachte] met [medeverdachte 3] besproken.

[medeverdachte 3] zei dat hij een oplossing voor het transport had. Hij vertelde over een vervoerder en een vrieskist. De vervoerder zou een kist om die vrieskist heen timmeren en zo zou het vervoerd worden. De wiet zou in de vrieskist gaan en daar ging dan de andere kist omheen. [medeverdachte 2] heeft dit vervolgens teruggekoppeld aan [verdachte] . [verdachte] ging hiermee akkoord. [medeverdachte 2] heeft met [medeverdachte 3] een datum afgesproken en op die datum is [verdachte] in zijn bestelbus de partij hennep komen brengen naar een tankstation. [medeverdachte 2] heeft vervolgens die witte bestelbus van [verdachte] overgenomen en is daarmee naar een loods gereden in Werkendam. De deur van de loods werd door Jelles opengedaan. [medeverdachte 2] had van [medeverdachte 3] de instructies gekregen wat hij moest doen. Nadat hij de bestelbus in de loods had gereden, is [medeverdachte 2] koffie gaan drinken.

[medeverdachte 2] zag toen dat Jelles uit de achterbak van de bestelbus de partij haalde en in de kist deed. Hij zag voorts dat het doorzichtige plastic zakken met groene inhoud waren. Die zakken gingen in een houten krat waar een vriezer in stond. Hij zag dat [medeverdachte 3] later ook naar de loods kwam. Die heeft ook een zak uitgeladen. [medeverdachte 2] is vervolgens weggegaan en heeft de bestelbus teruggebracht naar [verdachte] . [medeverdachte 3] zou [medeverdachte 2] op de hoogte houden van het transport en [medeverdachte 2] zou [verdachte] weer op de hoogte houden. Volgens [medeverdachte 2] ging er van alles fout met het transport en de partij. Volgens [medeverdachte 3] zou de partij aangekomen zijn aan de overkant, maar de partij was zoek.

Vervolgens is er op 3 februari 2014 een ontmoeting geweest tussen [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij delicatessenzaak [I] in Rotterdam. [medeverdachte 4] zei dat het allemaal vertraagd was.

Op 4 februari 2014 had [medeverdachte 2] weer een ontmoeting met [verdachte] bij hotel Van der Valk te Rotterdam omdat [medeverdachte 2] door [verdachte] verantwoordelijk werd gehouden voor het zoekraken van de partij.

Op 5 februari 2014 was de partij uiteindelijk terecht en heeft [medeverdachte 2] het hem toegezegde geld gekregen van [verdachte] . [medeverdachte 2] heeft € 2.000,00 ontvangen, [medeverdachte 3] € 400,00 en Jelles € 3.000,00.

Het geld had [medeverdachte 2] van [verdachte] in ontvangst genomen bij voetbalvereniging DUNO te Den Haag.’

35. Blijkens de toelichting klaagt de steller van het middel dat het hof twee verweren onbesproken heeft gelaten. Het eerste betreft het verweer dat ‘uit het dossier niet blijkt dat er daadwerkelijk sprake is geweest van het vervoer van wiet’. Het tweede is dat ‘de hoeveelheid niet kan worden vastgesteld’. De steller van het middel verwijst daarbij naar de verweren onder 2 en 3 op pagina 10 van de pleitnotities in hoger beroep.

35. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman blijkens de door hem overgelegde pleitnotities (p. 10) aangevoerd:

Zaakdossier Vriezer

In eerste aanleg zijn met betrekking tot dit zaakdossier vier verweren gevoerd.

1. De verklaringen van [medeverdachte 2] zijn onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te worden gebruikt en dienen daarom daarvan te worden uitgesloten. Zonder de verklaringen van [medeverdachte 2] bevat dit zaakdossier onvoldoende dwingend redengevende feiten en omstandigheden om tot een bewezenverklaring te komen.

2. Het dossier bevat onvoldoende dwingend redengevende feiten en omstandigheden voor het bewijs dat het hennep betrof.

3. Het dossier bevat onvoldoende dwingend redengevende feiten en omstandigheden voor het bewijs dat het een hoeveelheid van 10 tot 15 kilo hennep betrof.

4. (…)

Met dat laatste punt is de Ag het gelukkig met ons eens.

Met de andere punten niet, maar daar persisteer ik wel bij.

En dat standpunt komt in feite neer op hetzelfde als wat ik daarover in eerste aanleg heb bepleit.

P.M.’6

37. Dat daadwerkelijk sprake is geweest van het vervoer van ongeveer 15 kilo hennep heeft het hof in de eerste plaats kunnen afleiden uit de verklaring die [medeverdachte 2] op 24 april 2014 heeft afgelegd (bewijsmiddel 1), voor zover inhoudend: ‘Een week voor 5 februari is er wiet weggegaan. 15 Volgens mij. Dat hebben ze onderling geregeld. Ik weet dat het 15 was omdat [verdachte] dat had gezegd.’ Het hof heeft dat voorts kunnen afleiden uit de verklaring die [medeverdachte 2] op 29 april 2014 heeft afgelegd (bewijsmiddel 2), voor zover inhoudend: ‘ [verdachte] moest bij een afrit bij een tankstation komen ik heb die spullen naar de vervoerder gereden. [verdachte] en ik waren daar; [medeverdachte 3] was daar later pas. [verdachte] kwam daar met een wit bestelbusje. Ik nam de bus over van [verdachte] . Ik ben naar de vervoerder gereden. (…) Ik ga ervan uit dat ik daar met die 15 kilo was omdat [verdachte] dat tegen mij had gezegd. (…) Ik zag dat het doorzichtige plastic zakken waren. (…) Ik zag dat er groen in de zakken zat. (…) Op 3 februari 2014 was er een ontmoeting bij [I] in Rotterdam. (…) De vervoerder zei dat het allemaal vertraagd was. (…) Op 5 februari 2014 toen ik het geld ontving van [verdachte] was die partij afgewikkeld en terecht.’ Ik merk hierbij op dat het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] over ‘wiet’ heeft kunnen uitleggen als betrekking hebbend op hennep; die uitleg wordt in cassatie ook niet bestreden.

38. Het hof heeft naar aanleiding van het in de pleitnotities onder 1 genoemde betrouwbaarheidsverweer gemotiveerd waarom het de verklaringen van [medeverdachte 2] voldoende betrouwbaar acht om voor het bewijs te worden gebezigd. Blijkens de toelichting op het middel wordt daarover niet geklaagd. Wat betreft de in het middel bedoelde verweren onder 2 en 3 is geen sprake van verweren die een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt opleveren; alleen al niet omdat het aangevoerde niet ‘door argumenten geschraagd’ is.7 Een enkele verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd volstaat daartoe niet. Het bewezenverklaarde kan voorts uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

39. Het tweede middel faalt.

40. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel kan worden verworpen met de aan art. 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken nadat op 8 december 2016 het cassatieberoep is ingesteld, zodat de redelijke termijn voor berechting is overschreden. Indien het eerste middel leidt tot terugwijzing van de zaak, kan het tijdsverloop onbesproken blijven omdat het bij het hof aan de orde kan worden gesteld. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Nu de cassatieschriftuur is ingediend op 16 juli 2018, is de in HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507 bedoelde gewoonteregel met betrekking tot de ambtshalve beperking van het cassatieberoep niet van toepassing. Er bestaat derhalve geen grond het cassatieberoep ambtshalve beperkt op te vatten, ook niet wat betreft de onderdelen van het onder 4 tenlastegelegde ten aanzien waarvan het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep (zie het bestreden arrest onder ‘Procesgang’) dan wel het onderdeel van het onder 4 tenlastegelegde waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken (een geldbedrag van 50.000 euro (contante terugbetaling lening aan W.J. Tuk Holding B.V.)).

2 Vgl. verder HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1345, waarin Uw Raad naar aanleiding van een herzieningsaanvraag overwoog dat ‘de in algemene bewoordingen gestelde omstandigheid dat de aanvrager in de periode van 2003 tot 2015 altijd geld had en wat geld had opgespaard’, niet het oordeel van het Hof aantastte dat het, ‘gelet op de omstandigheden waaronder op 14 februari 2013 te Schiphol een geldbedrag van 88.500 euro onder de aanvrager is aangetroffen en op zijn wisselende verklaringen over de herkomst daarvan, niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is en dat de aanvrager dit wist’. Vgl. voorts HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1197; HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2758, NJ 2014/433; HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8765; HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471, NJ 2010/460.

3 Daarop wijst ook ‘s hofs afwijzing van het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om door het openbaar ministerie naar aanleiding van stukken van de verdediging opgemaakte aanvullende processen-verbaal aan het dossier toe te laten voegen: ‘Uit de bovenstaande bewijsoverwegingen blijkt dat het hof van mening is dat onderzoek naar de verklaringen of stukken van de verdachte die het ten laste gelegde tijdvak niet betreffen niet geïndiceerd is.’

4 Vgl. HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:507, rov. 3.4.

5 Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 527.

6 Hetgeen de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd in aanvulling op de pleitnotities heeft slechts betrekking op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] .

7 Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.