Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:74

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
29-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
17/01728
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:424
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Bevoegdheid Kustwacht tot aanhouding op volle zee op schip dat vaart onder Hondurese vlag? Bevoegdheid tot strafvervolging in Aruba? Conclusie plv. AG: verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/01728 A

Zitting: 29 januari 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij vonnis van 16 januari 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, het vonnis bevestigd van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 11 juli 2016 waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, B en C, strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Landsverordening verdovende middelen jo. artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht”, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, en waarbij het inbeslaggenomen schip verbeurd is verklaard en inbeslaggenomen pakketten cocaïne aan het verkeer zijn onttrokken.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken [betrokkene 1] , nr. 17/01726 A en [betrokkene 3] , nr. 17/01727 A. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur met drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Ten behoeve van de bespreking van de middelen, schets ik de feiten en omstandigheden van de zaak. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

“dat hij op of omstreeks 4 maart 2016 in Aruba, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Landsverordening verdovende middelen heeft uitgevoerd en heeft vervoerd en in bezit en aanwezig heeft gehad”.

5. De feiten en omstandigheden zijn als volgt samen te vatten. De verdachte is op 5 maart 2016 door leden van de Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied (hierna: de Kustwacht) op volle zee aangehouden op het schip Oceanic I dat onder Hondurese vlag voer. Een dag eerder lag de Oceanic I nog voor anker in de territoriale wateren van Aruba. De Oceanic I was in januari 2016 van Santo Domingo (Dominicaanse Republiek) naar Aruba gevaren en daar voor anker gegaan. Vervolgens is op 4 maart 2016 een boot afkomstig van het Paraguana Schiereiland (Venezuela) en beladen met verdovende middelen naar de Oceanic 1 gevaren en langszij gegaan terwijl de Oceanic 1 in de territoriale wateren van Aruba voor anker lag. De verdovende middelen zijn met een touw aan boord van de Oceanic 1 gebracht. Vervolgens is een andere boot bij de Oceanic 1 gearriveerd en met een kraan op de Oceanic 1 geplaatst. Nadat de Oceanic 1 op 4 maart 2016 van anker was gegaan, naar het noorden aan het varen was en zich bevond op ongeveer 40 nautische mijlen ten noordnoordwesten van de westpunt van Aruba, is aan de kapitein van de Oceanic 1 de opdracht gegeven terug te varen naar Aruba.1 Leden van de Kustwacht zagen vervolgens pakketjes in zee drijven en pakketten die gelijken op drugsbalen langszij de Oceanic 1 hangen, alsmede een persoon die bezig was pakketten overboord te gooien. Daarop zijn leden van de Kustwacht aan boord van de Oceanic 1 gegaan, de op dit schip aanwezige personen, waaronder de verdachte, aangehouden en 41 pakketten met in totaal ruim 1 100 kilo cocaïne inbeslaggenomen.

6. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat betrekking heeft op “het wederrechtelijk aanhouden en vervolgen van [de verdachte], die door de Kustwacht werd aangehouden op het schip Oceanic I , terwijl dit schip zich plm 40 mijl buiten de territoriale wateren van Aruba c.q. op volle zee bevond en onder de Hondurese vlag voer”. Aangezien in het middel zelf de strekking van het betreffende verweer niet wordt aangegeven, moet de vraag worden beantwoord op welk verweer het middel betrekking heeft.

7. Met betrekking tot “het wederrechtelijk aanhouden en vervolgen” van de verdachte, zijn ter terechtzitting twee te onderscheiden verweren gevoerd. Het eerste verweer heeft betrekking op de aanhouding van de verdachte aan boord van de Oceanic I die volgens het volkenrecht niet zou zijn toegelaten. Het tweede verweer heeft betrekking op de vervolging van de verdachte in Aruba waarvoor de vereiste rechtsmacht zou ontbreken. Aan beide verweren is de conclusie verbonden dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ik versta het middel daarom in deze zin dat het bedoelt te klagen over de verwerping door het Hof van het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. De drie deelklachten waaruit het middel bestaat, zet ik uiteen nadat ik het gevoerde verweer heb weergegeven, het standpunt van de Advocaat-Generaal en de overwegingen van het Hof.

8. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de raadsman ter terechtzitting van het Hof blijkens de daar overgelegde pleitnota het volgende heeft aangevoerd:

“PRIMAIR VERWEER:

Uit de ambtshandelingen van de Kustwacht is af te leiden dat op het moment dat de leden van de Kustwacht aan boord van de Oceanic gaan, de Oceanic zich buiten de 12-mijl-zone bevindt, doch wel in de EFZ (= Economic Free Zone).

Artikel 1:2 Sr geeft weer:

De strafwet van Aruba is van toepassing op ieder die zich binnen Aruba aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Het bestanddeel ‘binnen Aruba’ dient geïnterpreteerd te worden als binnen de 12-mijl-zone. Ergo, de strafwet van Aruba op grond van het territorialiteitsbeginsel niet van toepassing zijn op deze zaak.

Artikel 1:3 Sr geeft weer:

De strafwet van Aruba is van toepassing op ieder die zich buiten Aruba aan boord van een Nederlands of Arubaans vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Het betreft hier niet een Nederlands of Arubaans vaartuig, weshalve is de Arubaanse strafwet in beginsel niet van toepassing in deze zaak.

Het betreft hier een schip dat onder de vlag van Honduras vaart. Op volle zee is in beginsel de jurisdictie van Honduras van toepassing.

Uit de ambtshandelingen van de Kustwacht blijkt dat Honduras toestemming heeft gegeven om aan boord van de Oceanic te gaan. Er word[en] verdovende middelen op de Oceanic aangetroffen. Dat geeft Aruba [niet het recht? plv. AG] – en Nederland ook niet – om op grond van het Universaliteitsbeginsel de Oceanic en de daarop bevindende personen te vervolgen. Uitlevering naar de vlaggestaat dient hier de voorkeur te krijgen. Zeer duidelijk blijkt ook uit het procesdossier dat de verdovende middelen niet bestemd waren voor Aruba. Immers de Oceanic heeft reeds koers genomen richting Tortola.

[…]

Eerbiedig verzoek ik dan ook voor mijn cliënten, [betrokkene 3] , [verdachte] en [betrokkene 1] het OM alsnog niet ontvankelijk te verklaren wegens oogmerk tot wederrechtelijkheid, althans wegens schending van goede procesorde.”

9. Voor de beoordeling van het middel is verder van belang dat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting blijkens zijn op schrift gestelde requisitoir, het volgende naar voren heeft gebracht:

“Voorafgaand aan de aanhouding van de verdachten zo’n 40 mijl uit de kust is door de kustwacht een procedure in gang gezet voor de boarding van een schip op volle zee krachtens het verdrag van San Jose van 2003, zo blijkt uit het dossier. Dat is verdrag dat gericht is [lees: Dat verdrag is gericht, plv. AG] op de bestrijding van de internationale drugshandel via de zee in het caribisch gebied. De procedure werd opgestart omdat n.a.v. eerder verkregen informatie het vermoeden was ontstaan dat de Oceanic 1 drugs aan boord zou hebben of zou kunnen hebben. Op grond van het verdrag van San José, dat voor het Koninkrijk en Aruba in 2010 in werking trad, kunnen Arubaanse kustwachtvaartuigen een schip van een van de verdragspartijen op volle zee boarden, nadat toestemming aan de vlaggestaat van het schip werd verzocht en verkregen om zulks te doen. In dit geval heeft de Oceanic 1 de Hondurese vlag en werd het boarden kortgesloten met de Hondurese autoriteiten die inderdaad vooraf toestemming gaven n.a.v. een expliciet verzoek daartoe van de kustwacht op grond van dit verdrag.

De relevante papieren zitten bij het dossier. De toestemming werd verzocht op 4 maart 2016 om 15.34 uur en er werd toestemming gegeven op 4 ma[a]rt 2016 om 17.24 uur (lokale Hondurese tijd). Vlak voor, tijdens en na het boarden werden toen pakketten met drugs gevonden.

Op grond van het Verdrag van San José en de daarbij behorende uitvoeringswetgeving heeft Aruba ook rechtsmacht over drugsfeiten op volle zee als het strafbare feit wordt begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert, of de registratiekenmerken of enige andere indicatie van de nationaliteit vertoont van een andere staat die partij is bij het verdrag en zich zeewaarts van de territoriale ze van enige staat bevindt. Op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van de Goedkeuringsrijkswet voor het Verdrag van San José zijn de strafbaarstellingen uit de Landsverordening verdovende middelen dan toepasselijk. Dat betekent dat als na of bij het boarden van een schip van een verdragspartij blijkt dat er drugs op een boot zijn die onder het verdrag valt, Aruba ook dat feit verder kan vervolgen.

In dit geval moet echter de volgende opmerking worden gemaakt. Honduras heeft weliswaar - n.a.v. het verdrag van San Jose-verzoek - formeel de toestemming gegeven om de Oceanic 1 te boarden, maar het verdrag van San José is door Honduras nog niet geratificeerd. Dat betekent dat Honduras officieel nog geen partij bij het verdrag is, al wordt Honduras wel geacht in de geest van het verdrag te handelen en heeft Honduras dat in dezen ook gedaan. Dat betekent ook dat artikel 2 van de Goedkeuringsrijkswet niet op deze casus van toepassing was.”2

10. In aanvulling hierop hebben de Advocaat-Generaal en de raadsman ter terechtzitting van het Hof van 19 december 2016 nog het volgende opgemerkt, zoals daarvan blijkt uit het opgemaakte proces-verbaal (typografische accentuering als in het origineel):

“repliek

De raadsman beroept zich op het feit dat de aanhouding van het schip onrechtmatig zou zijn, omdat deze in internationale wateren zou hebben plaatsgevonden. De bevoegdheid tot aanhouding zou moeten voortvloeien uit een internationaal verdrag en dat is niet het geval. Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de tenlastelegging betrekking heeft op de in- en uitvoer van verdovende middelen in Aruba. Hiermee is de bevoegdheid op grond van nationale wetgeving reeds gegeven, daar is geen internationaal verdrag voor nodig.”

dupliek

[…]

Er zijn met betrekking tot de aanhoudingsbevoegdheid wel degelijk verdragstechnische aspecten, waar rekening mee gehouden moet worden.”

11. Het hof heeft het verweer waarop het middel betrekking heeft, verworpen en daartoe het volgende overwogen:

Bevoegdheid van het Hof

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd, zo begrijpt het Hof, dat het Hof niet bevoegd is over het feit te oordelen en dat de Arubaanse strafwet niet van toepassing is in deze zaak, omdat het feit niet gepleegd zou zijn binnen Aruba, dan wel aan boord van een Arubaans of Nederlands vaartuig. Het Hof verwerpt dit verweer. Krachtens de wettelijke bepalingen, is het Hof bevoegd om van het tenlastegelegde kennis te nemen en hierover te oordelen, nu het een feit betreft dat in de Arubaanse wetgeving strafbaar is gesteld en uit de bewijsmiddelen blijkt dat het bewezenverklaarde feit in Aruba is gepleegd.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft in hoger beroep voorts aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een vormverzuim, bestaande uit het wederrechtelijk aanhouden en vervolgen van de verdachten. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie komt volgens vaste jurisprudentie slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking, namelijk alleen indien het vormverzuim daarin bestaat dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een dusdanig ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust, of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan is hier naar het oordeel van het Hof geen sprake. De opsporingsambtenaren hebben vooraf toestemming gevraagd aan Honduras om het schip ter opsporing van strafbare feiten te mogen betreden en ook overigens met betrekking tot hun bevoegdheden niet in strijd met bovenstaande norm gehandeld.”

12. Het middel komt met drie deelklachten op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM. De eerste deelklacht houdt in dat in de onderhavige zaak “een volkenrechtelijke basis ontbrak” voor het optreden van de Kustwacht op volle zee aan boord van de Oceanic I . De tweede deelklacht houdt in dat Aruba de verdachte heeft vervolgd in strijd met de voorwaarde die Honduras aan het vervolgen van de verdachte had gesteld. De derde deelklacht houdt in dat de soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Honduras is geschonden door de verdachte in Aruba te vervolgen. Ik begin met de eerste deelklacht.

(i) Ontbrak een volkenrechtelijke basis voor het optreden van de Kustwacht op volle zee?

13. Met een beroep op HR 24 januari 1984 (Magda Maria)3 wordt in cassatie aangevoerd dat in de onderhavige zaak “een volkenrechtelijke basis ontbrak” voor het optreden van de Kustwacht op volle zee aan boord van de Oceanic I . Daarbij wordt enerzijds gewezen op toepasselijk geachte verdragen en anderzijds op de toestemming die Honduras voor het optreden heeft gegeven, maar waarvan de daarbij gestelde voorwaarden die betrekking hebben op de vervolging niet zouden zijn nageleefd.

14. Met het vereiste van een volkenrechtelijke basis lijkt – mede gelet op het beroep op “Magda Maria” – een beroep te worden gedaan op het bepaalde in artikel 521, derde lid, Sv Aruba dat onderdeel uitmaakt van Titel VI van het Zevende Boek dat als opschrift heeft “Strafvordering buiten het rechtsgebied van Aruba”.4 In de zaak “Magda Maria” was een beroep gedaan op artikel 539a, derde lid, Sv, het equivalent van artikel 521, derde lid, Sv Aruba.

15. Artikel 521, eerste en derde lid, Sv Aruba luiden als volgt:

“1. De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voor zover in deze titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van Aruba worden uitgeoefend.

[…]

3. De bevoegdheden, in de bepalingen van deze titel toegekend, kunnen slechts worden uitgeoefend, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.”

16. Bij de beoordeling van de eerste deelklacht moet voorop worden gesteld dat het optreden van de Kustwacht, waarvan is aangevoerd dat daarvoor een volkenrechtelijke basis ontbrak, ten grondslag is gelegd aan een verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens een vormverzuim. Bij de beoordeling van dit verweer heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd.5 Het oordeel van het Hof houdt namelijk in dat het optreden van de opsporingsambtenaren niet een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Vervolgens moet de overweging van het Hof – dat de opsporingsambtenaren vooraf toestemming hebben gevraagd aan Honduras om het schip ter opsporing van strafbare feiten te mogen betreden – in combinatie met hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd, zo worden uitgelegd dat Honduras die toestemming ook heeft verleend. De raadsman heeft ter terechtzitting van het Hof immers aangegeven dat uit de ambtshandelingen van de Kustwacht “blijkt dat Honduras toestemming heeft gegeven om aan boord van de Oceanic te gaan.” Hetzelfde geldt voor de Advocaat-Generaal die in zijn requisitoir heeft aangegeven dat Honduras als vlaggenstaat toestemming had verleend de Oceanic I op volle zee te “boarden”. In cassatie kan c.q. moet er daarom van worden uitgegaan dat Honduras toestemming heeft verleend aan de opsporingsambtenaren om het schip ter opsporing van strafbare feiten te mogen betreden.

17. In zoverre wijs ik ten overvloede op de ‘”Fascimile Boarding Authorization” dat zich bij de stukken bevindt. De Engelstalige inhoud ervan geef ik hierna weer omdat deze ook van belang is voor de beoordeling van de resterende deelklachten.

18. De “Fascimile Boarding Authorization” is afkomstig van de General Directorate of the Merchant Marine Republic of Honduras, gedateerd 4 maart 2016, en heeft de volgende inhoud:

“Based on the request that we’ve received, the boarding process is allowed, please keep us informed every 12 hours of the boarding progress though [through? plv. AG] the Maritime Information and Verification Center, in case the results are negative and damage have been produced the requesting Government will be responsible for the damage have been produced the requesting Government will be responsible for the damage occurred on the vessel, hull, equipment, machinery and cargo, with respect of the crew members will be treated according to Human Rights International agreements no matter their nationality and according to national regulation of the flag state.”

19. Het bericht is een reactie op een bericht van de Dutch Caribbean Coast Guard van eerder die dag waarin het volgende wordt verzocht:

“Subject: Request for authorization under article 7 a through c of the San José Agreement regarding verification of nationality and boarding a vessel suspected of Illicit Traffic in Narcotic Drugs and Psychotropic Substances of 2003

[…]

2. Description of suspect vessel

Name OCEANIC 1 call sign HQXM2

[…]

6. You are hereby requested to

a. Confirm nationality and, where appropriate, registry;

b. Grant authority to stop, board and search the vessel mentioned in item 2;

c. Grant authority to take all appropriate measures towards the ship, the cargo and the crew if evidence of drugs trafficking is found.”

20. De inhoud van de hierboven weergegeven “Fascimile Boarding Authorization” bevestigt dat Honduras bij monde van zijn autoriteiten aan de Kustwacht toestemming heeft gegeven, en wel “to stop, board and search” de Oceanic I en “to take all appropriate measures towards the ship, the cargo and the crew if evidence of drugs trafficking is found”.

21. Uit het verlenen van toestemming volgt dat bevoegdheden die de Kustwacht heeft uitgeoefend en waarop de deelklacht betrekking heeft door het volkenrecht zijn toegelaten als bedoeld in het hierboven weergegeven artikel 521, derde lid, Sv Aruba. Ik voeg hieraan toe dat de volkenrechtelijke toelaatbaarheid niet kan volgen uit artikel 7 van het Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied, dat in het verzoek van de Kustwacht wordt aangehaald, omdat Honduras daarbij geen partij is.6 Artikel 7 biedt bovendien geen zelfstandige grondslag om toestemming te vragen of te verlenen maar gebiedt de verdragspartijen de maatregelen te nemen die haar in staat stellen om 24 uur per dag, 7 dagen in de week, 365 dagen per jaar antwoord te kunnen geven op verzoeken van andere verdragspartijen tot het verlenen van toestemming voor strafvorderlijk optreden tegen verdachte vaar- of luchtvaartuigen.7 In zoverre faciliteert artikel 7 het nakomen van de verdragsverplichtingen.

22. Een uitdrukkelijke volkenrechtelijke grondslag voor het door de Kustwacht aan boord gaan van de Oceanic I en aanhouden van de verdachten op basis van de door Honduras gegeven toestemming, biedt een ander verdrag waarbij Honduras wel partij is, net als Aruba. Het betreft artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.8 Artikel 17, derde lid, en vierde lid aanhef en onder a en c voorzien uitdrukkelijk in het op basis van toestemming van de vlaggenstaat aan boord gaan en aanhouden van personen aan boord van het schip.9 Daarmee wordt de soevereiniteit van Honduras volledig gerespecteerd.10

23. In de overweging van het Hof dat de opsporingsambtenaren vooraf toestemming hadden gevraagd aan Honduras om de Oceanic I ter opsporing van strafbare feiten te mogen betreden, ligt besloten dat Honduras die toestemming ook heeft verleend. De door Honduras verleende toestemming biedt de in artikel 521, derde lid, Sv Aruba vereiste volkenrechtelijke toelaatbaarheid van het uitoefenen van bevoegdheden in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, buiten het rechtsgebied van Aruba.11 Dat de leden van de Kustwacht bevoegd zijn tot het opsporen van strafbare feiten en het onderzoek daarnaar in de Caribische Zee, buiten het rechtsgebied van Aruba, volgt uit artikel 2, derde lid en artikel 3 aanhef en onder c alsmede artikel 11 Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.12

24. Uit het voorgaande blijkt dat er geen vormen zijn verzuimd, zodat het Hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, waarop de eerste deelklacht betrekking heeft, in zoverre terecht heeft verworpen.

25. De eerste deelklacht faalt.

(ii) Is de verdachte in Aruba vervolgd in strijd met de voorwaarde die Honduras aan het vervolgen van de verdachte had gesteld?

26. De tweede deelklacht houdt in dat Aruba de verdachte heeft vervolgd in strijd met de voorwaarde die Honduras aan het vervolgen van de verdachte had gesteld. In cassatie wordt aangevoerd dat aan de door Honduras verleende toestemming een voorwaarde is verbonden die een “beletsel” behelst voor de vervolging van de verdachte in Aruba ter zake van “in Aruba gepleegde strafbare feiten, voorzover die vervolging voortvloeit uit zijn aanhouding op volle zee op een onder Hondurees vlag [varend] schip”. In de toelichting op het middel wordt als voorwaarde aangehaald dat “the crew members will be treated […] according to national legislation of the flag state”. De verdachte had dus mogen worden aangehouden “maar had onmiddellijk moeten worden uitgeleverd aan Honduras” omdat hij alleen daar zou kunnen worden behandeld overeenkomstige de nationale wetgeving van de vlaggenstaat, zo wordt in cassatie aangevoerd. Ik wijs erop dat de tweede deelklacht inhoudelijk los staat van de eerste deelklacht: het in strijd handelen met de voorwaarde die betrekking heeft op het vervolgen van de verdachte doet niet af aan de door Honduras verleende toestemming om de verdachte aan te houden.

27. Met betrekking tot de tweede deelklacht merk ik het volgende op. De tweede deelklacht betreft de uitleg van een voorwaarde die Honduras aan het vervolgen van de verdachte zou hebben gesteld. Op die voorwaarde is ter terechtzitting van het Hof geen beroep gedaan, voor zover dat kan blijken uit de processen-verbaal die van de terechtzittingen zijn opgemaakt. In cassatie kan niet met succes een beroep worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet ter terechtzitting van de feitenrechter naar voren zijn gebracht, zoals de exacte inhoud van de door Honduras verleende toestemming.13 Om die reden moet de tweede deelklacht falen.

28. In zoverre merk ik het volgende ten overvloede op.

29. De “Fascimile Boarding Authorization” houdt met betrekking tot de behandeling van de bemanning in dat zij zal worden behandeld in overeenstemming met de nationale wetgeving van de vlaggenstaat. In cassatie wordt aangevoerd dat Honduras daarmee heeft bedongen dat de bemanning, waaronder de verdachte, zal worden vervolgd op basis van de nationale wetgeving van Honduras. Uit de context ervan blijkt echter dat deze voorwaarde betrekking heeft op de humane behandeling van de bemanning. De Engelse versie van “Fascimile Boarding Authorization” houdt namelijk in dat “with respect of the crew members will be treated according to Human Rights International agreements no matter their nationality and according to national regulation of the flag state.” Ook in de Spaanstalige versie, die kan worden aangemerkt als het origineel aangezien het de officiële taal van Honduras is en gelet op de gebruikte Engelse formuleringen, komt naar voren dat het nakomen van de nationale wetgeving betrekking heeft op de humane behandeling van de bemanning en niet op hun eventuele strafrechtelijke vervolging.14

30. Ter ondersteuning van een andere uitleg, die erop neerkomt dat Honduras als voorwaarde heeft gesteld dat de eventuele strafvervolging van de bemanning in Honduras zou moeten plaatsvinden, wordt een beroep gedaan op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, waarbij Honduras en Aruba partij zijn. Op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van dit verdrag is elke staat die partij is, verplicht de maatregelen te nemen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de feiten die strafbaar moeten worden gesteld overeenkomstig de artikelen 5, 6, 8 en 23 van het verdrag, indien het strafbare feit is begaan aan boord van een schip dat vaart onder de vlag van die staat die partij is op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd.15 Hieruit volgt de “procedurele route” die inhoudt, zo wordt in cassatie aangevoerd, dat de verdachte wel had mogen worden aangehouden, maar “onmiddellijk [had] moeten worden uitgeleverd aan Honduras”. Artikel 15 heeft echter in de eerste plaats betrekking op het vestigen van rechtsmacht en niet op de wijze waarop die rechtsmacht mag of moet worden uitgeoefend.

31. Artikel 15 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, bevat verplichtingen om rechtsmacht te vestigen. Dergelijke verplichtingen moeten worden onderscheiden van verplichtingen om die rechtsmacht daadwerkelijk uit te oefenen. Beide verplichtingen zien op twee afzonderlijke aspecten van rechtsmacht, te weten wetgevende rechtsmacht die het vestigen van rechtsmacht betreft en uitvoerende rechtsmacht die het uitoefenen van rechtsmacht betreft door politie en justitie.16 Uit de verplichting voor de vlaggenstaat om rechtsmacht te vestigen, kan niet volgen dat alleen de vlaggenstaat rechtsmacht mag uitoefenen. Dit blijkt reeds uit de inhoud van artikel 15. Ten eerste omdat daarin ook andere staten worden verplicht maatregelen te nemen om zijn rechtsmacht te vestigen zoals de staat op wiens grondgebied het strafbare feit is begaan, en ten tweede omdat in het zesde lid is bepaald dat het verdrag de uitoefening van geen enkele rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uitsluit die een staat in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.

32. De tweede deelklacht faalt.

(iii) Is de soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Honduras geschonden door de verdachte in Aruba te vervolgen?

33. De derde deelklacht houdt in dat de soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Honduras is geschonden door de verdachte in Aruba te vervolgen. Ter onderbouwing daarvan wordt in het bijzonder een beroep gedaan op artikel 4 van het Verdrag van de VN tegen grensoverschrijdende misdaad, waarin is gestipuleerd dat de staten die partij zijn, hun verdragsverplichtingen nakomen in overeenstemming met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van staten en van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere staten. De vervolging van de verdachte in Aruba zou ook in strijd zijn met de artikelen 2 en 6 van het Verdrag inzake de volle zee van 1958 en met de volkenrechtelijke regel “schip is territoir”.

34. Met betrekking tot het Verdrag inzake de volle zee, merk ik allereerst op dat Honduras daarbij geen partij is. Om die reden faalt het beroep dat daarop is gedaan. Of de in beide artikelen neergelegde regels tot het volkenrechtelijke gewoonterecht gerekend kunnen worden, kan in het midden blijven omdat Honduras wel partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee dat op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand is gekomen (hierna: verdrag van Montego Bay) en corresponderende bepalingen bevat.17 De in artikel 2 Verdrag inzake de volle zee neergelegde regel dat de volle zee voor alle naties open is, waardoor de daarin neergelegde regel dat geen enkele staat op wettige wijze enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit kan onderwerpen, is tevens neergelegd in artikel 87, eerste lid, respectievelijk artikel 89 van het verdrag van Montego Bay. Artikel 92 van het verdrag van Montego Bay correspondeert met artikel 6 Verdrag inzake de volle zee waarop eveneens een beroep wordt gedaan.

35. Aan de derde deelklacht ligt de opvatting ten grondslag dat “de soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Honduras” is geschonden door de verdachte in Aruba te vervolgen omdat Honduras “erop mocht vertrouwen dat Aruba geen voorrang zou geven aan zijn strafmacht ten koste van de rechtsmacht/strafmacht van Honduras” omdat de Oceanic 1 onder Hondurese vlag vaart en op volle zee “onderworpen is aan de uitsluitende rechtsmacht van die staat”.18 Deze opvatting is onjuist, maar dat is voor de beoordeling van deze deelklacht niet doorslaggevend. De verdachte kan zich namelijk niet met succes in de Arubaanse strafprocedure beroepen op een eventuele schending van de soevereiniteit van een buitenlandse staat door opsporings-ambtenaren van de Kustwacht. Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 oktober 2010 overwogen “dat de vraag of door de Nederlandse opsporingsambtenaren het volkenrecht is nageleefd in die zin dat geen inbreuk is gemaakt op de soevereiniteit van de staat binnen de grenzen waarvan is opgetreden, in beginsel in het kader van de strafzaak tegen de verdachte niet relevant is, omdat de belangen die het volkenrecht in zoverre beoogt te beschermen, geen belangen zijn van de verdachte, maar van de staat op het grondgebied waarvan buitenlandse opsporingsambtenaren optreden.”19

36. Om deze reden kan ik ermee volstaan kort aan te geven waarom geen inbreuk is gemaakt op de soevereiniteit van Honduras door de verdachte in Aruba te vervolgen. Het strafbare feit ter zake waarvan de verdachte is vervolgd en veroordeeld, is begaan in de territoriale wateren van Aruba en daarmee op Arubaans territoir.20 De verdragsbepalingen waarop een beroep is gedaan, zien op het geval waarin het feit op volle zee of aan boord van een onder Hondurese vlag varend schip is begaan. Als voorbeeld wijs ik op artikel 92 van het verdrag van Montego Bay dat als volgt luidt:

“1 Ships shall sail under the flag of one State only and, save in exceptional cases expressly provided for in international treaties or in this Convention, shall be subject to its exclusive jurisdiction on the high seas. A ship may not change its flag during a voyage or while in a port of call, save in the case of a real transfer of ownership or change of registry.

2. A ship which sails under the flags of two or more States, using them according to convenience, may not claim any of the nationalities in question with respect to any other State, and may be assimilated to a ship without nationality.”21

37. De “exclusive jurisdiction” die is toegekend aan de vlaggenstaat, heeft betrekking op de vrijheid van het gebruik van de volle zee en is daartoe beperkt. Aan die vrijheid is de regel verbonden dat een schip de vlag van één staat moet voeren en aan de rechtsmacht van die staat is onderworpen, omdat de vrijheid van het gebruik van de volle zee anders tot chaos zou leiden.22 Deze regeling van rechtsmacht van een schip op volle zee neemt echter niet weg dat een schip dat onder buitenlandse vlag vaart, zoals de Oceanic I , in de Arubaanse territoriale wateren gewoon is onderworpen aan de Arubaanse strafwet.23 De opvatting “schip is territoir” in de zin dat het schip net een zo exclusief territoir is als het aardse grondgebied van een staat, waarover om die reden geen uitvoerende rechtsmacht zou mogen worden uitgeoefend indien het zich binnen de territoriale wateren van een andere staat bevindt, is al tijdens de parlementaire voorbereiding van het WvSr afgewezen.24

38. De derde deelklacht faalt.

39. Het middel faalt in alle onderdelen.

40. Het tweede middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan volgen.

41. In zijn bewijsoverweging heeft het Hof met betrekking tot het medeplegen het volgende overwogen:

“De verdediging heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen kan worden, hetgeen tot vrijspraak van de verdachte moet leiden. Het Hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van uitvoeren, vervoeren en aanwezig hebben van verdovende middelen. Voor een bewezen verklaring van “medeplegen” is vereist dat er sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere dader(s). De bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict moet voorts van voldoende gewicht zijn. De verdachte en zijn medeverdachten hebben verschillende verklaringen afgelegd, die in een later stadium zijn gewijzigd. Het Hof acht de door het Gerecht in eerste aanleg van Aruba tot het bewijs gebezigde verklaringen, die kort na de aanhouding zijn afgelegd, geloofwaardig. Hiervan uitgaande acht het Hof de volgende gang van zaken komen vast te staan. In de territoriale wateren van Aruba is ruim 1100 kilo drugs in de vorm van balen aan boord van de Oceanic I gebracht. Blijkens de getuigenverklaringen waren alle opvarenden op de hoogte van hetgeen aan boord gebracht en vervoerd werd en zouden zij allen hiervoor een betaling ontvangen. Uit de verklaringen blijkt voorts dat er ten tijde van de aanhouding twee groepen aan boord waren, te weten de vaste bemanningsleden en een groep van drie mannen die met twee boten samen met de verdovende middelen aan boord zijn gekomen. De verdachte behoort niet tot de groep bemanningsleden. Voor zijn aanwezigheid aan boord heeft hij geen geloofwaardige verklaring gegeven. Het Hof houdt het er dan ook voor dat de verdachte tot de tweede groep behoort en aldus rechtstreeks betrokken was bij het drugstransport.”

42. Bij de beoordeling van het middel moet voorop worden gesteld dat het Hof in een afzonderlijke bewijsoverweging nauwkeurig heeft gemotiveerd waarom hij tot een bewezenverklaring van het medeplegen is gekomen.25

43. Uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen en zijn bewijsoverweging volgt dat de Oceanic 1 ruim 1 100 kilo drugs vervoerde, dat alle bemanningsleden van de Oceanic 1 vooraf op de hoogte waren gesteld dat drie personen met verdovende middelen aan boord zouden komen en dat zij ook hadden meegeholpen om deze verdovende middelen aan boord te brengen, dat de verdachte niet tot de bemanningsleden van de Oceanic 1 behoorde, maar tot de groep van drie mannen die met de verdovende middelen naar de Oceanic 1 was gekomen, dat dbevond is vastgesteld en dat den dat de verdachte een van de twee mannen was die in de boot die door middel van een kraan aan boord van de Oceanic I was gezet, in de territoriale wateren van Venezuela in het water zou worden gezet om verder te varen. Hieruit heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid dat aan het aanleveren en verdere transport van de verdovende middelen een gezamenlijk plan ten grondslag lag en dat de verdachte een rol had in de uitvoering daarvan. Onder deze omstandigheden heeft het hof kunnen aannemen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met anderen en dat de rol van de verdachte – anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd – van een voldoende gewicht was om hem aan te merken als medepleger.

44. Het middel faalt.

45. Het derde middel klaagt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan het alternatieve scenario dat de verdachte zich als “verstekeling” aan boord van de Oceanic I bevond.

46. Het middel stuit af op de door het Hof als V 06/02 genummerde voor het bewijs gebruikte verklaring van [betrokkene 4] waaruit blijkt de verdachte zich bevond aan boord van het bootje dat langszij de Oceanic I was gekomen en van waaruit vervolgens de bulken aan boord waren gebracht waarvan later bleek dat die cocaïne bevatten. De verdachte heeft meegeholpen die bulten aan boord van de Oceanic I te laden.

47. Het middel faalt.

48. De middelen falen. Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

49. Ambtshalve constateer ik dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht doordat op 17 januari 2017 beroep in cassatie is ingesteld toen de verdachte in verband met de onderhavige zaak was gedetineerd,26 en de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken. De inbreuk op de redelijke termijn moet leiden tot strafvermindering.

50. Verder heb ik ambtshalve geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde straf wegens de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Daarmee bevond de Oceanic I zich buiten de territoriale wateren van Aruba die zich niet verder uitstrekken dan 24 zeemijlen vanaf de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten. Zie art. 1, tweede lid, Rijkswet instelling aansluitende zone, Stb. 2005, 387, i.w.tr. 1 september 2006, en art. 3, tweede lid, Besluit grenzen aansluitende zone, Stb. 2006, 339. Uit de stukken kan ik niet opmaken of de achtervolging van de Oceanic I door de Kustwacht reeds was aangevangen toen de Oceanic I zich nog in de territoriale wateren of aansluitende zone van Aruba bevond zodat de toepasselijkheid van het achtervolgingsrecht (“hot pursuit”) buiten bespreking moet blijven. Een dergelijke achtervolging dient immers aan te vangen wanneer het schip zich nog binnen de binnenwateren, de archipelwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt. Vgl. art. 111 Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), totstandgekomen te Montego-Bay op 10 december 1982 en op 23 juli 2014 voor Aruba in werking getreden.

2 Art. 2 Rijkswet van 20 februari 2010 tot goedkeuring en uitvoering van het op 10 april 2003 te San José totstandgekomen Verdrag inzake samenwerking bij de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen over zee en door de lucht in het Caribisch gebied (Trb. 2003, 82 en Trb. 2004, 54), Stb. 2010, 167, p. 1-2 luidt als volgt: “De strafwetten van de landen van het Koninkrijk zijn toepasselijk op ieder die zich in het Caribisch gebied zoals omschreven in artikel 1, onderdeel j en artikel 39 van het in artikel 1 genoemde Verdrag buiten de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba schuldig maakt aan een van de feiten die de landen overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1990, 94) in hun strafwet hebben strafbaar gesteld, wanneer: a. het strafbare feit wordt begaan in de aansluitende zone van het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied; b. het strafbare feit wordt begaan aan boord van een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, dat zich zeewaarts van de territoriale zee van enige staat bevindt; c. het strafbare feit wordt begaan aan boord van een vaartuig dat de vlag voert van, of de registratiekenmerken of enige andere indicatie van de nationaliteit vertoont van een andere staat die partij is bij het in artikel 1 genoemde Verdrag en dat zich zeewaarts van de territoriale zee van enige staat bevindt.”

3 ECLI:NL:HR:1984:AD5669, NJ 1984/538 m.nt. Th.W. van Veen.

4 Het vereiste van een volkenrechtelijke basis voor de extraterritoriale bevoegdheid van specifiek de Kustwacht voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten, alsmede de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt voorts gesteld in art. 11 van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, inhoudende: “De bevoegdheden bij deze wet toegekend ten behoeve van de uitoefening van de in artikel 2, derde lid, bedoelde taken kunnen buiten de territoriale zee van de landen van het Koninkrijk worden uitgeoefend voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten”.

5 HR 19 december 1995, ECLI:NLHR:1995:ZD0328, NJ 1996/249 m.nt. T.M. Schalken r.o. 5.2 (Zwolsman); HR 30 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Y. Buruma r.o. 3.6.5 (Afvoerpijp).

6 San José 10 april 2003, Trb. 2003, 82; i.w.tr.op 18 september 2008, voor Aruba op 28 augustus 2010, Trb. 2010, 253, p. 2 en 11.

7 Kamerstukken II 2007/08, 31355 (R 1848), 3, p. 11.

8 Wenen 20 december 1988, Trb. 1989, 97; i.w.tr. 11 november 1990, voor Honduras op 10 maart 1992, Trb. 1993, 140, p. 3 en 9, voor Aruba op 10 maart 1999, Trb. 1990, 190, p. 10. Zie over de betekenis van art. 17 ook Kamerstukken II 2005/06, 30531 (R1810), 3, p. 17-18 “Wat betreft het strafvorderlijk optreden in het kader van de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen, kan worden gewezen op het recht van interventie als bedoeld bij artikel 17 van het Verdrag van Wenen tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, gesloten op 20 december 1988 (Trb. 1989, 97, en Trb. 1990, 94). Dit verdrag geeft de bevoegdheid met machtiging van de vlaggenstaat op te treden tegen vreemde schepen in volle zee bij verdenking van sluikhandel in verdovende middelen. Het verdrag maakt een uitzondering op het in het Verdrag van Montego Bay neergelegde «mare liberum»beginsel, dat de vrijheid van zeevaart op volle zee garandeert aan alle staten en de bevoegdheid en de plicht tot rechtshandhaving bij uitsluitendheid opdraagt aan de jurisdictie van de staat wiens vlag een vaartuig op die volle zee voert. Ingevolge artikel 17 van het Weense Verdrag mag echter, bij verdenking dat het vaartuig drugs vervoert, een niet-vlaggestaat interveniëren nadat aan de vlaggenstaat kenbaar is gemaakt dat deze verdenking bestaat terwijl de vlaggenstaat geen gebruik maakt van zijn preferente rechten; voorwaarde hierbij is steeds dat de vlaggenstaat vooraf expliciete toestemming heeft gegeven.”

9 Trb. 1989, 97, 52 en 54: “3 A Party which has reasonable ground to suspect that a vessel exercising freedom of navigation in accordance with international law and flying the flag or displaying marks of registry of another Party is engaged in illicit traffic may so notify the flag State, request confirmation of registry and, if confirmed, request authorization from the flag State to take appropriate measures in regard to that vessel.
4. In accordance with paragraph 3 or in accordance with treaties in force between them or in accordance with any agreement of arrangement otherwise reached between those Parties, the flag State may authorize the requesting State to, inter alia: (a) Board the vessel; (b) Search the vessel; (c) If evidence of involvement in illicit traffic is found, take appropriate action with respect to the vessel, persons and cargo on board.”

10 Commentary on the United Nations Convention Against Illicit Traffic in Narcotic Drugs and Psychotropic Substances 1988, VN doc. E/CN.7/590, p. 342-343 par. 17.14.

11 Zie ook HR 7 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9860, NJ 1988/987 m.nt. T.M. Schalken r.o. 5.2 m.b.t. art. 539a, derde lid, Sv en het geval waarin “het optreden van Nederlandse opsporingsambtenaren op vreemd grondgebied achteraf door de bevoegde autoriteiten […] is gebillijkt” alsmede HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. T.M. Schalken r.o. 4.5 “Voorts verdient opmerking dat het volkenrecht op zichzelf geen beletsel vormt voor vormen van samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van verschillende staten die geen grondslag vinden in een tussen die staten geldend verdrag.”

12 Kamerstukken II 2005/06, 30531 (R1810), 3, p. 13.

13 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Handboek strafzaken 45, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 164, 184-185. HR 7 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9860, NJ 1988/987 m.nt. T.M. Schalken r.o. 5.3 “Dit verweer vergt mede een onderzoek van feitelijke aard en kan daarom niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden gevoerd.”

14 De Fascimile Boarding Authorization houdt in de Spaanstalige versie het volgende in (“Autorizacion de abordaje via fax”): “En lo que respecta a su tripulacion los mismos deberan ser tratados conforme a los convenios internacionales de los Derechos Humanos ya establecidos sin importar su nacionalidad y de acorde a la normatica nacional del estado de pabellon.”

15 New York 15 november 2000, Trb. 2001, 68 (daar abusievelijk, want anders dan de titel in de originele Engelstalige versie, aangeduid als het Verdrag tegen transnationale misdaad). Voor Aruba in werking getreden op 18 januari 2007, en voor Honduras op 1 januari 2004, Trb. 2007, 70, p. 4 en 6. Art. 15, eerste lid aanhef en onder b, luidt als volgt (Trb. 2001, 68, p. 22): “1. Each State Party shall adopt such measures as may be necessary to establish its jurisdiction over the offences established in accordance with articles 5, 6, 8 and 23 of this Convention when:
a) The offence is committed in the territory of that State Party; or
b) The offence is committed on board a vessel that is flying the flag of that State Party or an aircraft that is registered under the laws of that State Party at the time that the offence is committed.”

16 R. van Elst, ‘Rechtsmacht’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt (red.), Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 73-161 op p. 76-77 par. 1.3.

17 Trb. 1983, 83; i.w.tr. 16 november 1994, Trb. 1996, 272, p. 37, voor Nederland op 18 juli 1996, voor Aruba op 23 juli 2014 en voor Honduras op 16 november 1994, Trb. 2014, 169, p. 4 en 6.

18 Typografische accentuering in het origineel.

19 HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. T.M. Schalken r.o. 4.4.2.

20 Art. 2, eerste lid, verdrag van Montego Bay.

21 Trb. 1983, 83, p. 90 en 92. Vgl. art. 6 Verdrag inzake de volle zee 1958, Trb. 1959, 124, p. 4, luidt als volgt: “1. Ships shall sail under the flag of one State only and, save in exceptional cases expressly provided for in international treaties or in these articles, shall be subject to its exclusive jurisdiction on the high seas. A ship may not change its flag during a voyage or while in a port of call, save in the case of a real transfer of ownership or change of registry. 2. A ship which sails under the flags of two or more States, using them according to convenience, may not claim any of the nationalities in question with respect to any other State, and may be assimilated to a ship without nationality.”

22 Yearbook of the International Law Commission 1956, vol. II, p. 279 “The absence of any authority over ships sailing the high seas would lead to chaos. One of the essential adjuncts to the principle of the freedom of the seas is that a ship must fly the flag of a single State and that it is subject to the jurisdiction of that State.”

23 HR 20 april 1948, ECLI:NL:HR:1948:72, NJ 1948/344 “dat dit blijkens de toelichting in art. 3 Sr. belichaamd acht den regel ‘schip is territoir’ en krachtens dezen het telastegelegde feit, daar het aan boord van een buitenlands schip plaats vond, niet binnen het rijk in Europa gepleegd acht; dat echter artikel 3 slechts de werking der Nederlandse strafwet, in artikel 2 gegeven voor elk binnen het rijk in Europa begaan feit, uitbreidt tot feiten, aan boord van een zich buiten het rijk in Europa bevindend Nederlands vaartuig begaan, en noch uit tekst of geschiedenis van deze bepaling noch uit die van artikel 8 of enige andere bepaling deze uitzondering op artikel 2 volgt, dat de Nederlandse strafwet niet toepasselijk zou zijn op feiten, aan boord van een zich op het Nederlands grondgebied bevindend koopvaardijschip van vreemde nationaliteit begaan, gelijk met het onderhavige feit het geval is”. HR 21 mei 2003, ECLI:NL:HR:2002:AD9557, NJ 2003/316 m.nt. G.A.M. Strijards r.o. 4.6 “Het Hof heeft terecht geoordeeld dat voor de toepassing van art. 5, eerste lid onder 2°, Sr, ofschoon het feit niet op het grondgebied van het vreemde land is begaan maar in volle zee aan boord van een onder de vlag van dat land [St. Vincent en de Grenadines, plv. AG] varend schip, op welk feit door de wet van het vreemde land straf is gesteld krachtens het eerder aangeduide vlagbeginsel, dat feit ten aanzien van de in die bepaling van art. 5 Sr gestelde eis van dubbele strafbaarheid met een op het grondgebied van dat land begaan feit moet worden gelijkgesteld, zodat de locus delicti, in volle zee aan boord van een onder de vlag van het vreemde land varend schip, in zoverre heeft te gelden als het land waar het feit is begaan, in de zin van de zojuist bedoelde bepaling.” H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht. Volledige verzameling van regeeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen, enz., Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1881, p. 114-117.

24 Van Elst, supra noot 16, p. 96. Zie voor de discussie over “schip is territoir” nader de parlementaire voorbereiding zoals die is weergegeven in Smidt, supra noot 23, met op p. 114 een verwijzing naar Kamerstukken II 1863/64, LVIII, 17, p. 702 “Wel is waar zal het voorschrift, waarbij dit beginsel wordt uitgedrukt, niet kunnen verhinderen dat de regter van de plaats, waar het Nederlandsche schip zich bevindt, zich de beregting der strafzaak somwijlen zal aantrekken: het belang echter, dat het misdrijf', aan boord van het Nederlandsche schip begaan, niet ongestraft blijve, vordert de toekenning der bevoegdheid tot vervolging, ook hier te lande.”

25 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis r.o. 3.2.2.

26 Hoewel de cassatieakte niet vermeldt dat de verdachte is gedetineerd, volgt dit redelijkerwijs uit de mededeling op het vonnis van het Hof bij de personalia en adresgegevens van de verdachte “thans alhier gedetineerd” en de hoogte van de opgelegde straf i.c.m. de uitreiking aan de verdachte van de mededeling als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv Europese deel van Nederland i.c.m. art. 11, derde lid, Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba die blijkens de betekeningsakte in persoon is uitgereikt toen de verdachte was gedetineerd. Ook indien de verdachte niet ten tijde van het instellen van cassatie maar wel ten tijde van de betekening van de genoemde mededeling in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, is de zestienmaanden termijn van toepassing: HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX8454 i.c.m. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben onder 6.1.