Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:728

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
18/04284
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1076
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Deelname aan 2 verschillende criminele organisaties, die veelvuldig documenten vervalsen, zorgkantoren en zorgverzekeraars oplichten en aanzienlijke bedragen witwassen ten gevolge waarvan misbruik is gemaakt van PGB-systeem en systeem waarbij zorg in natura wordt verleend (art. 140 Sr). 1. Kan uit b.m. worden afgeleid dat verdachte weet had van crimineel oogmerk van organisaties? 2. Oogmerk op verhullingshandelingen a.b.i. art. 420bis Sr. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04455 (art. 81 RO), 17/04551 (art. 81.1 RO), 17/04591 (niet gepubliceerd, art. 80a RO), 18/04281 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o), 18/04283 (niet gepubliceerd; art. 80a RO) en 18/04285 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/04284

Zitting: 21 mei 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 15 september 2017 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1 primair en 2 primair telkens: “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf.

2. Er bestaat samenhang met zes andere zaken. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1 (Norwood), meer in het bijzonder dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte weet had van het criminele oogmerk van de organisatie.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 mei 2011 tot en met 1 september 2011 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer andere (natuurlijke) perso(o)n(en) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en het plegen van witwassen als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.”

6. In het bestreden arrest heeft het hof, nadat het de relevante feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, het volgende overwogen, meer in het bijzonder ook over de rol van de verdachte (pagina 31, 32, 33):

“Conclusie

Op basis van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, neemt het hof als vaststaand aan dat [medeverdachte 5] in de periode van 16 juni 2010 tot en met 1 juni 2011 - al dan niet met gebruikmaking van de inloggegevens van collega's - in het systeem van het CIZ twaalf cliëntendossiers heeft aangemaakt en daarin aanvragen heeft opgenomen, teneinde indicatiebesluiten te verkrijgen waarmee op naam van deze cliënten een PGB kon worden aangevraagd. Daartoe heeft [medeverdachte 5] valselijk ziektebiografieën, ziektebeelden, en de daaruit voortvloeiende zorgbehoefte uit bestaande dossiers gekopieerd en deze in de onderhavige dossiers geplakt.

Dit heeft ertoe geleid dat het CIZ indicatiebesluiten heeft afgegeven aan deze twaalf personen, waarin wordt uitgegaan van niet daadwerkelijk bestaande gezondheidsklachten.

[medeverdachte 5] heeft dit gedaan in opdracht van en in samenwerking met zijn oud-collega bij het CIZ [medeverdachte 1] , die hem hiertoe de (NAW-)gegevens van de cliënten aanleverde. Steeds ging het om (schoon)familieleden van [medeverdachte 1] , een keer om zijn ex-partner ( [benadeelde 1] ) en in een enkel geval om een vriend ( [benadeelde 2] ). Bij deze personen trad [C] als contactpersoon op. In alle andere gevallen ging het om relaties van een vriend van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] , die in die gevallen als contactpersoon en/of 'cliëntondersteuner' optrad.

Vervolgens werden met behulp van de afgegeven indicatiebesluiten bij zorgkantoren [A] B.V. en [B] B.V. PGB's aangevraagd. Dit heeft in negen gevallen geleid tot uitbetaling van PGB's, veelal op rekeningen die op naam van de budgethouders stonden. Een aantal van deze rekeningen werd door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 6] beheerd. De zorgkantoren hebben berekend dat zij in dit verband in totaal € 522.227,49 ten onrechte hebben uitgekeerd. De PGB-gelden werden niet besteed aan het doel waarvoor zij waren uitgekeerd, maar onder andere personen (contant) uitgekeerd. De budgethouders kregen op hun beurt een vergoeding voor hun medewerking.

De op onterechte gronden verstrekte PGB-gelden werden vervolgens verantwoord met valse documenten, te weten zorgovereenkomsten, facturen en verantwoordingsformulieren op naam van het zorgbureau van [medeverdachte 3] , [C] , (van 27 mei 2010 tot en met 30 juni 2011), het zorgbureau van [verdachte] , [E] , (vanaf 26 mei tot en met 31 augustus 2011) of het zorgbureau van [medeverdachte 2] , [D] , (van 1 september 2011 tot en met 31 maart 2012) .

Met deze documenten werd de indruk gewekt dat er conform het (maximaal), geïndiceerde aantal uren zorg was, of zou worden verleend, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Vast staat immers dat verschillende budgethouders in het geheel geen zorg hebben ontvangen. Voorts staat niet ter discussie dat door [C] en [E] aan de bij hen ondergebrachte budgethouders nooit zorg is verleend. In de dossiers van drie budgethouders, te weten [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , zijn bovendien verantwoordingsformulieren en facturen aangetroffen, van een zorgbureau dat in het geheel geen activiteiten ontplooide.

Het hof overweegt dat op basis van de hierboven vermelde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat sprake was van een organisatie met een onderlinge rolverdeling tussen de verschillende verdachten, met als doel zichzelf te verrijken met onterecht verkregen PGB-gelden.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] kunnen naar het oordeel van het hof worden gezien als de spil van de organisatie. Zij hebben - voorafgaand aan de eerste door [medeverdachte 5] in het systeem, van CIZ ingevoerde PGB-aanvragen - afspraken gemaakt over hun samenwerking en over de verdeling van de PGB-gelden. Deze afspraken zijn neergelegd in verschillende documenten die zijn aangetroffen op de computer van [medeverdachte 1] en zijn nadien nog onderwerp van (WhatsApp-)gesprekken geweest.

[medeverdachte 5] heeft cliëntendossiers aangemaakt en daarvoor informatie van [medeverdachte 1] gekregen. [medeverdachte 1] heeft op zijn beurt voor zes van de PGB-aanvragen informatie verkregen van [medeverdachte 6] .

De zorgbureaus, [C] , [E] en [D] , in feite in de personen van [medeverdachte 4] / [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , hielden zich achtereenvolgens bezig met de administratie (zorgovereenkomsten, facturen, verantwoordings-formulieren) en het betalen van de belasting, ter verantwoording van de uitbetaalde PGB-gelden, teneinde te doen voorkomen dat van deze PGB-gelden door deze zorgverleners ingekochte zorg was betaald. De rol van [verdachte] bestond hierin dat hij met zijn bedrijf [E] de administratie verzorgde voor en zorggelden inde van cliënten, die van hem of zijn bedrijf, geen zorg hebben ontvangen, terwijl de administratieve bescheiden dat wel deden voorkomen. Daarnaast factureerde hij op de indicatiestelling, zonder zich te verdiepen in de zorgdossiers of in urenstaten, zodat hij ook voor wat betreft de hoogte van de gefactureerde bedragen de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen, dat deze onjuist zouden zijn. Ten slotte heeft hij de gefactureerde bedragen geïnd en contant aan [medeverdachte 1] overgedragen. Uit dit alles leidt het hof af dat [verdachte] heeft geweten dat wat hij deed, ook in strafrechtelijk. opzicht, niet juist was.

In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [verdachte] in de periode van 1 mei 2011 tot 1 september 2011 - te weten de periode waarin [E] zich bezig hield met de administratie en het betalen van de belasting ter verantwoording van de uitbetaalde PGB-gelden - opzettelijk deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkings-verband dat in ieder geval bestond uit de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en andere natuurlijke personen ( [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en de zorgaanvragers c.q. budgethouders). [verdachte] is in deze periode aantoonbaar betrokken geweest bij de door de organisatie beoogde en reeds gepleegde misdrijven en heeft hiermee actief aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijgedragen. Het oogmerk van de organisatie was gericht op het verkrijgen van persoonlijk financieel gewin door middel van het plegen van verschillende misdrijven, te weten de oplichting van het CTZ en de betrokken zorgkantoren, valsheid in geschrift in relatie tot het CIZ en die zorgkantoren en het witwassen van de PGB- gelden die uit de oplichting en/of valsheid in geschrift waren verkregen.”

7. Het hof heeft op basis van de feiten en omstandigheden de rol van de verdachte omschreven. Die komt erop neer dat de verdachte, die een éénmanszaakje runde dat kennelijk met het oog op de verantwoording van de gelden was opgericht, wist dat zijn kantoor aan cliënten geen zorg had verleend. De ontvangen gelden werden vervolgens ook nog eens cash overgedragen aan een medeverdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat de verdachte een actieve rol vervulde in een organisatie en dat deze organisatie zich bezighield met kortgezegd PGB-fraude. Dergelijke fraude kan worden ondergebracht of gaat gepaard met diverse misdrijven, waaronder valsheid in geschrift en oplichting.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 (Budget), meer in het bijzonder dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte weet had van het criminele oogmerk van de organisatie.

10. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 1 juli 2010 tot en met 17 april 2012 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [C] B. V. welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht en het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en het plegen van witwassen als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.”

11. In het bestreden arrest heeft het hof, nadat het de relevante feiten en omstandigheden heeft vastgesteld, het volgende overwogen, meer in het bijzonder ook over de rol van de verdachte (pagina 46, 47, 48):

“Conclusie

Op basis van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door [C] valse facturen werden opgemaakt, in die zin dat daarop structureel meer uren in rekening werden gebracht dan er zorg was verleend. Ter onderbouwing van deze facturen werd gebruik gemaakt van valse zorgroosters, om het bij [F] - en uiteindelijk bij [A] - te doen voorkomen dat de daarop vermelde zorg daadwerkelijk was verleend. Ten gevolge van deze feiten heeft [A] een te hoog bedrag aan AWBZ-gelden uitgekeerd aan - via tussenkomst van [F] - [C] . Het aldus verkregen geld is vervolgens witgewassen.

Het hof overweegt dat op basis van de hierboven vermelde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat sprake was van een organisatie met een onderlinge rolverdeling tussen de verschillende verdachten, met als doel zichzelf te verrijken met onterecht verkregen AWBZ-gelden.

[medeverdachte 3] , de eigenaresse van [C] , zorgde ervoor dat er nieuwe cliënten werden geworven en zij onderhield de contacten met [F] over de hoeveelheid zorg die geleverd mocht worden. Voorts acht het hof bewezen dat [medeverdachte 3] betrokken was bij het vervalsen van de zorgroosters.

[medeverdachte 4] was in de organisatie degene die zorgdroeg voor het opmaken van de valse facturen waarop, met behulp van de in opdracht van [C] ontwikkelde software, per maand steeds precies het ingevolge de indicatie maximaal aantal te declareren uren was vermeld. Ook zorgde hij voor het indienen van de facturen bij [F] en onderhield hij het contact met [F] over de betaling van die facturen.

[verdachte] was binnen [C] degene die de zorgklasse (het aantal uren zorg waarop recht bestond) invoerde in het software systeem van [C] en over wijzigingen daarin contact onderhield met [F] . Vervolgens was hij het die de zorgverleners inroosterde, voor veel minder uren dan waar een cliënt recht op had en de urenbriefjes van de zorgverleners controleerde. Voorts ging hij regelmatig bij de cliënten thuis langs. Hiervoor zijn al genoemd de verklaringen van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , die beiden verklaren dat zij van [verdachte] te horen hebben gekregen dat zij (in het geval van [benadeelde 6] , zijn vrouw) geen recht hadden op meer zorg, terwijl dat, gelet op het verschil in aantal uren verleende zorg en de zorg waar blijkens de indicatie recht op bestond, wel zo was. Ook een zorgverlener van [C] , getuige [getuige] , heeft verklaard dat zij [verdachte] erop had aangesproken dat een cliënte, [benadeelde 8] , recht had op meer zorg, maar dat zij echt maar drie keer per week een uurtje kreeg om naar haar toe te gaan.

Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] wist hoe het systeem met indicatiestellingen werkte, en dus in gevallen als hiervoor genoemd ook wist dat er wel degelijk recht bestond op meer zorg, maar tegen zowel zorgverleners als cliënten zei dat dit niet zo was. Dit gebeurde richting de cliënten dan ook nog onder opgave van een niet valabele reden, namelijk dat er zorguren van de cliënt werden gebruikt voor de administratieve lasten van het zorgbureau. Het 'tevreden' houden van cliënten bij wie minder zorg wordt geleverd dan wordt gefactureerd, acht het hof van essentieel belang om de fraude zoals die gepleegd is mogelijk te kunnen maken. Die functie vervulde [verdachte] in de organisatie. Daarnaast acht het hof bewezen dat [verdachte] een rol gespeeld heeft bij het vervalsen van de zorgroosters.

In het licht van de voorgaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [verdachte] in de periode van 1 juli 2010 tot en met 17 april 2012 opzettelijk deel heeft uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkings-verband bestaande uit de verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [C] B.V.. De verdachte is aantoonbaar betrokken geweest bij de door de organisatie beoogde en reeds gepleegde misdrijven en heeft hiermee actief aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijgedragen. Het oogmerk van de organisatie was - naast het legale doel van het leveren van thuiszorg - gericht op het verkrijgen van persoonlijk financieel gewin door middel van het plegen van verschillende misdrijven, te weten de oplichting van [A] (via [F] ), valsheid in geschrift en het witwassen van de AWBZ-gelden die uit de oplichting en/of valsheid in geschrift waren verkregen.”

12. Ook hier geldt dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de verdachte door de samenwerking met anderen ervoor heeft gezorgd dat significant meer geld dan aan cliënten is besteed bij de verdachte en anderen is terechtgekomen en dat de verdachte wel degelijk wist dat hij onderdeel uitmaakte van een criminele organisatie.

13. Het tweede middel faalt ook.

14. Het derde middel klaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder niet het oogmerk op verhullingshandelingen als bedoeld in art. 420bis Sr.

15. Dit middel faalt reeds omdat als het middel al terecht zou zijn voorgesteld de aard en ernst van hetgeen overigens bewezen is verklaard niet worden aangetast.

16. Het vierde middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn.

17. Dit middel is terecht voorgesteld, nu er tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van het dossier ter griffie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken. Dit dient te leiden tot strafvermindering aan de hand van de gebruikelijke maatstaf.

18. De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde middel slaagt.

19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG