Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:726

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
17/03924
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1067
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Diefstal sieraden d.m.v. valse sleutel (art. 311.1.5 Sr) door insluiping in woning en 2. rijden zonder rijbewijs (art. 107.1 WVW 1994). Verdachte is rijdend op de A6 aangetroffen met inbrekersgereedschap en kort daarvoor gestolen sieraden. Ad 1. Staat ontbreken nadere bewijsoverweging aan bewezenverklaring in de weg? Ad 2. Klacht dat uit controle rijbewijsregister op 3 december 2015 niet kan volgen dat verdachte t.t.v. bewezenverklaarde op 9 augustus 2015 niet in bezit was van rijbewijs. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03924

Zitting: 21 mei 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 13 juli 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. primair “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels” en 2. “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken met aftrek van het voorarrest.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van het onder 1. primair tenlastegelegde is gekomen, omdat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“Zij op 9 augustus 2015 te Hilversum, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een groot aantal sieraden (slavenarmbanden, (antieke gouden) horloges, (gouden) ringen, kettingen, armbanden en oorbellen), in elk geval enig(e) goed(eren) toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1


1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015242413-4 gesloten en getekend op 9 augustus 2015 door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 1] , surveillant van politie Eenheid-Midden Nederland (p. 27-28), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisanten:
Op 9 augustus 2015, omstreeks 20:20 uur, bevonden wij (…) ons op de A6 rechts ter hoogte van de oprit bij Muiderberg. Wij hebben het verkeer gescand wat kwam uit de richting van Amsterdam gaande in de richting van Almere. Wij zagen dat er in het scherm van ons ANPR systeem een hit verscheen op het kenteken [kenteken] Suzuki Baleno blauw van kleur. Wij zagen dat er een OPS feit open stond voor [betrokkene 1] [geboortedatum] 1977. Wij zijn voor het voertuig gaan rijden en hebben het voertuig een volg teken gegeven. (…) Wij zagen dat het voornoemde voertuig tot stilstand gebracht werd. Wij zagen dat er achter het stuur een vrouw zat.

Deze vrouw gaf later op te zijn: [verdachte] .

(…) Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat [verdachte] kennelijk boos was. Wij zagen dat [verdachte] een tas bij zich droeg welke zij uit het niets boos leeg gooide en daarbij in onverstaanbare taal aan het schreeuwen was. Wij zagen dat er uit de tas een tweetal ijzeren beugels vandaan kwamen welke wij herkende als beugels welke gebruikt worden bij diefstallen middels hengelen. Wij zagen tevens een soort haak met een blauw handvat uit de tas komen welke in een bijzondere vorm was gemaakt en waarvan wij het vermoeden hadden dat deze gebruikt wordt bij diefstallen. (…) Ik, verbalisant, [verbalisant 1] zag dat [verdachte] iets weg stopte tussen haar benen. Ik zei tegen verbalisant [verbalisant 2] : ‘Ze stopt iets weg.’


2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen inzake de insluitingsfouillering, genummerd PL0900-2015242413-6 gesloten en getekend op 9 augustus 2015 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 29), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:


Ik vroeg [verdachte] hoeveel rokken zij droeg. Ik hoorde haar zeggen dat zij een (1) rok droeg. Ik heb [verdachte] hierop verzocht deze rok uit te trekken. Ik zag en hoorde dat [verdachte] hier niet aan mee wilde werken. Ik heb hierop de rok van [verdachte] naar beneden getrokken. Ik zag hierop dat zij nog een zwarte langer rok droeg. Ik heb [verdachte] wederom gevraagd haar rok uit te trekken. Ik zag dat zij hier aan voldeed. Tevens trok zij haar beugel bh uit. Ik, verbalisant, heb vervolgens [verdachte] met haar handen tegen de muur geplaatst alvorens ik een insluitingsfouillering ging toepassen. Ik zag dat [verdachte] niet met haar handen tegen de muur aan bleef staan. Ik zag dat [verdachte] hier niet aan mee wilde werken. Ik zag namelijk dat [verdachte] haar benen over elkaar heen deed en haar armen naar haar kruis bracht. Ik hoorde hierop geritsel wat ik herkende als zijnde geritsel van een plastic zakje. Ik zag dat zij vervolgens haar handen over haar borsten heen legde. Ik had het vermoeden dat zij iets probeerde weg te maken. Ik heb hierop [verdachte] haar handen tegen de muur aan gezet. Ik zag en voelde dat zij hier niet aan mee wilde werken en haar handen tegen haar borsten aan hield. Ik hoorde vervolgens wederom geritsel. Ik heb wederom [verdachte] omgedraaid met haar gezicht in mijn richting. Ik zag dat zij een grote bobbel bij haar rechterborst had. Ik pakte deze bobbel uit haar hemdje en zag een bruin met witte sok tevoorschijn komen. Ik voelde dat deze sok redelijk zwaar was. Ik zag in deze sok twee boterhamzakjes vol met verschillende soorten sieraden.

Ik hoorde [verdachte] verklaren: ‘Ik kom van Beverwijk mevrouw. Daar wilde ik deze sieraden verkopen. Ik heb geen geld.’


3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015242413-9 gesloten en getekend op 9 augustus 2015 door [verbalisant 4] , agent van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 30), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:
Op zondag 9 augustus 2015 omstreeks 22:00 uur heb ik naar aanleiding van een aanhouding een voertuig voorzien van kenteken [kenteken] doorzocht op basis van de Wet op de identificatieplicht. (…)

Bij het doorzoeken van het voertuig trof ik op de bijrijdersbank een zwarte sok aan met daarin een biljet van 50 euro, een sleutel, een pincet en een gelamineerd papiertje (…).


4. Op zondag 9 augustus 2015 omstreeks 17.55 uur bevond ik mij in het tuintje van mijn woning. (…) Ik had zojuist bezoek gehad van een zuster. Nadat de zuster weg was, hoorde ik gerommel vanuit mijn woning komen. Ik ben naar binnen gelopen en riep: ‘Is er iemand?’ Ik kreeg hier geen reactie op en ben weer in mijn tuintje gaan zitten. Vervolgens hoorde ik wederom gerommel uit mijn woning komen. Ik ben weer naar binnen gelopen en zag toen net de deur dicht gaan. (…) Ik ben naar mijn slaapkamer gelopen, alwaar een kastje staat met hierop een sieradenkistje. (…) Ik opende de lades en zag dat er 2 gouden slavenarmbanden waren weggenomen. Tevens zag ik dat er 2 antieke gouden horloges waren weggenomen uit het kistje. (…) Er was geen braakschade. (…) Ik ben vervolgens rustig gaan kijken en het bleek dat er nog meer was weggenomen, dit betreft een muntenverzameling (…). Tevens zijn er nog meer sieraden weggenomen uit de herenkast in de slaapkamer.
Dit betreft:

- gouden Camee ring + hanger;

- gouden ring met zwarte steen + hanger;

- zilveren lange ketting met horloge;

- zilveren ketting + armband met muntjes;

- zilveren armband met roosjes;

- diverse ringen;

- 4 x zilveren oorbellen.


5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015242413-27 gesloten en getekend op 11 augustus 2015 door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 6] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 41), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisanten:


Vandaag, maandag 10 augustus 2015, (…) spraken wij in haar woning een vrouw die opgaf te zijn: [slachtoffer] (…). [slachtoffer] had op 9 augustus 2015 aangifte gedaan van insluiping in haar woning omstreeks 18:00 uur. Daarbij waren veel waardevolle sieraden weggenomen. Hiervan is aangifte gedaan onder BHV-nummer: 2015242646. Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] werd bij haar insluitingsfouillering een grote hoeveelheid sieraden aangetroffen. Na een zoekslag in het politiesysteem bleek de beschrijving van [slachtoffer] exact overeen te komen met de aangetroffen sieraden bij verdachte [verdachte] . (…) Alle sieraden zijn in zakjes getoond aan [slachtoffer] . Bij het zien bevestigde zij dat het haar sieraden waren. (…)

In zakje 63 zat een afgescheurde sluiting van iets wat leek op een sieradendoosje. [slachtoffer] pakte hierop uit haar garderobekast het doosje waar de sluiting exact op paste.


6. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter op 13 juni 2016 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Ik was bij de zwarte markt in Beverwijk geweest. Ik heb daar van een buitenlandse man spullen gekocht.”

6. De klacht legt bloot dat een nadere bewijsoverweging van het hof met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde delict wordt gemist. Niettemin meen ik dat de bewijsmiddelen indien beschouwd in onderling verband en samenhang wel degelijk duidelijk maken op welke goede gronden het hof heeft geoordeeld dat diefstal door middel van een valse sleutel kan worden bewezenverklaard.

7. Uit de bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. De verdachte reed op 9 augustus 2015, omstreeks 20:20 uur, in een auto op de A6 ter hoogte van Muiderberg in de richting van Almere. Nadat de verdachte op verzoek van de politie haar voertuig tot stoppen had gebracht, vertoonde zij opmerkelijk gedrag en begon boos haar tas leeg te gooien. Daaruit kwamen voorwerpen tevoorschijn die – naar het oordeel van de verbalisanten – (mede) kunnen worden benut voor insluipingen c.q. hengelen. Tevens trachtte de verdachte ter plaatse (andere) voorwerpen te verbergen. Datzelfde gebeurde bij gelegenheid van de insluitingsfouillering, waarbij een verbalisante (ondanks de manipulaties van de verdachte) sieraden wist te vinden die de verdachte onder haar kleding had verstopt. Dat bleken sieraden die op diezelfde dag omstreeks 17.55 uur te Hilversum1 waren gestolen uit de woning van de aangeefster, gepleegd door een persoon die vrijwel ongemerkt was binnengeslopen. Onder die veiliggestelde voorwerpen bevond zich ook een sluiting die bleek afgescheurd van het doosje waarin de aangeefster haar sieraden bewaarde.

8. Ter verklaring van het bezit van deze voorwerpen deelde de verdachte mede (bewijsmiddel 2) dat zij van Beverwijk kwam en daar deze sieraden had willen verkopen, alsook (bewijsmiddel 6) dat zij op de zwarte markt in Beverwijk was geweest en daar spullen had gekocht. Aangenomen dat de verdachte in deze twee verschillende mededelingen het oog had op dezelfde spullen, te weten de van de aangeefster gestolen sieraden, heeft het hof kennelijk geconcludeerd dat de verdachte niet de cognitieve inspanning heeft kunnen opbrengen om een consistent verhaal op te dissen. Het hof achtte het bovendien kennelijk (zeer) onwaarschijnlijk dat de gestolen voorwerpen, die zich omstreeks 17.55 uur nog bevonden in de woning van de aangeefster te Hilversum, via de zwarte markt te Beverwijk, omstreeks 20.20 uur in het bezit van de verdachte rijdend op de A6 ter hoogte van Muiderberg konden zijn.

9. Aldus bezien meen ik dat de bewijsmiddelen voldoende steun geven aan de bewezenverklaring van diefstal door middel van een valse sleutel. Dat de inhoud van bewijsmiddel 6 – zelfstandig beschouwd – niet redengevend is voor die bewezenverklaring, doet daaraan niet af, alleen al omdat het middel daar niet tegen opkomt.2 Over het gebrek aan bewijs van de bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid van herhaling van een misdrijf wordt evenmin geklaagd.3

10. Het middel faalt.

11. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof ten onrechte tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde is gekomen, op de grond dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk op de datum van 9 augustus 2015 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs.

12. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard:

“Zij op 9 augustus 2015, te Almere als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, met kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de Rijksweg A6, zonder dat aan haar door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”

13. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

(…)
Ten aanzien van feit 2

1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015242413-4 gesloten en getekend op 9 augustus 2015 door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland en [verbalisant 1] , surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland (p. 27-28), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisanten:
Op 9 augustus 2015, omstreeks 20:20 uur bevonden wij, (…) ons op de A6 rechts ter hoogte van de oprit bij Muiderberg. (…) Wij hebben het verkeer gescand wat kwam uit de richting van Amsterdam gaande in de richting van Almere. Wij zagen dat er in het scherm van ons ANPR systeem een hit verscheen op het kenteken [kenteken] Suzuki Baleno blauw van kleur. Wij zagen dat er een OPS feit open stond voor [betrokkene 1] [geboortedatum] 1977. Wij zijn voor het voertuig gaan rijden en hebben het voertuig een volg teken gegeven. (…)

Wij zagen dat halverwege de afrit het voornoemde voertuig tot stilstand gebracht werd. Wij zagen dat er achter het stuur een vrouw zat.
Deze vrouw gaf later op te zijn: [verdachte] . (...)

Wij hoorden [verdachte] zeggen dat ze geen rijbewijs had.


2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2015242413-35 gesloten en getekend op 3 december 2015 door [verbalisant 5] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant :

Tijdens het onderzoek naar verdachte [verdachte] is het rijbewijsregister gecontroleerd. Dit omdat de verdachte zelf aangaf geen rijbewijs te hebben. Bij controle van het rijbewijs bleek inderdaad dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs.


3. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter op 13 juni 2016 voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Het klopt dat ik heb gereden in een auto zonder dat ik daarvoor een rijbewijs heb.”

14. Het hof heeft voorts het volgende overwogen met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer:

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij ten aanzien van feit 2 in het bijzonder:

Uit een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 december 2015, blijkt dat tijdens het onderzoek naar verdachte het rijbewijsregister is gecontroleerd, omdat verdachte zelf aangaf geen rijbewijs te hebben. De verbalisant heeft gerelateerd dat bij controle van het rijbewijsregister inderdaad is gebleken dat de verdachte niet in het bezit was van een rijbewijs. Uit het gebruik van de verleden tijd in dit proces-verbaal leidt het hof af dat de verbalisant heeft gecontroleerd of verdachte op 9 augustus 2015 al dan niet over een rijbewijs beschikte, hetgeen ook voor de hand ligt. Naar het oordeel van het hof kan derhalve bewezen worden verklaard dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.”

15. Volgens de steller van het middel kan uit het tweede bewijsmiddel enkel volgen dat de verdachte op 3 december 2015 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, maar volgt hieruit niet dat de verdachte op 9 augustus 2015 niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat uit het gebruik van de verleden tijd in het proces-verbaal van bevindingen kan worden afgeleid dat de verbalisant op 3 december 2015 heeft gecontroleerd of de verdachte op 9 augustus 2015, ten tijde van haar staandehouding, in het bezit was van een geldig rijbewijs. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en voorts toereikend gemotiveerd.

16. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 RO ontleende overweging.

17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De plaats van het delict (Hilversum) ontleen ik aan de bewezenverklaring. Kennelijk abusievelijk is onder de bewijsmiddelen geen melding gemaakt van deze locatie van de onder 1 tenlastegelegde diefstal. Aangezien hierover in de schriftuur geen klacht is geformuleerd, laat ik dat punt verder rusten.

2 Indien het middel wél had geklaagd over het opnemen onder de bewijsmiddelen van verklaringen die door het hof ongeloofwaardig worden geacht, had ik betoogd dat de klacht op zichzelf terecht was voorgesteld, maar in dit geval niet tot cassatie had hoeven leiden, en dit onder verwijzing naar o.m. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204; HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382, en HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381, beide m.nt. B.F. Keulen.

3 Ook indien daarover wel zou zijn geklaagd, was cassatie m.i. niet nodig geweest.