Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:722

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
18/01426
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1476
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG in jeugdzaak over de motivering van de PIJ-maatregel en de vorderingen van benadeelde partijen. Voorts een beschouwing ten overvloede over het horen van een deskundige ter terechtzitting in hoger beroep. De AG geeft de Hoge Raad in overweging de zaak met toepassing van art. 81.1 RO af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2019, afl. 5, p. 207
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01426 J

Zitting: 2 juli 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 20 maart 2018 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest wegens 1. “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken” en 3. “mishandeling”. Daarnaast heeft het hof de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen gelast. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven (daarover in de bespreking van het vijfde middel meer).

  2. Namens de verdachte heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, vijf middelen van cassatie voorgesteld. Bij aanvullende schriftuur is een van de klachten van het vijfde middel nader toegelicht.

  3. Het eerste middel bespreek ik na het vierde middel, tegen de achtergrond van ’s hofs aldaar (in randnummer 14) weer te geven “Motivering van de op te leggen straf en maatregel”.

Het tweede middel (motivering bewezenverklaring feit 1)

4. Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de gekwalificeerde diefstal.

5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“hij op of 18 juni 2016 te Vlaardingen in [A] , gelegen aan de [a-straat] , met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (380 euro), toebehorende aan [A] en/of [benadeelde 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het:

- aan die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] tonen en voorhouden van en zwaaien met een mes en

- (daarbij) aan die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] op dreigende toon toevoegen van de woorden "Geld, geld, geld, ik wil geld, geef me geld" en "Ik kom terug, ik pak jou nog wel, bitch”.”

6. Anders dan de steller van het middel wil, kan uit de bewijsvoering wel degelijk worden afgeleid dat de verdachte degene is geweest die het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan. Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt immers onder meer naar voren dat: - de overval is gepleegd rond 21:45 uur en het toen regende (b.m. 1.6); - de verbalisanten rond 23:00 uur voor de deur van de galerijwoning van de verdachte een zwartgekleurde rugtas aantroffen die nat was en vanwege de galerij erboven niet nat kon zijn geworden door het louter staan van de rugtas voor de deur van verdachtes galerijwoning (b.m. 1.6 en 1.7); - een medewerker van de snackbar heeft verklaard dat de dader een paar camouflage gekleurde Nike Air Max 90 schoenen aanhad (b.m. 1.3) en in de aangetroffen rugtas een paar natte Nike schoenen met camouflageprint zat (b.m. 1.6); - de schoenen op een van de verdachte gemaakte foto volledig overeenkomen met de schoenen in de aangetroffen rugtas (b.m. 1.7); - de dader bij de kassa een worsteling heeft gehad met een van de aangeefsters waarbij een rood stuk van zijn onderbroek is gezien en bij de insluitingsfouillering bleek dat de verdachte een rood gekleurde onderbroek droeg (b.m. 1.1., 1.2, 1.6 en 1.9); - in de woning van de verdachte bandana’s en een zwarte jas met de letter C als opdruk op de rug zijn aangetroffen (b.m. 1.8 en 1.10) en uit de verklaringen van de aangeefsters en getuigen (b.m. 1.1. t/m 1.4) alsmede uit beelden van de bewakingscamera (b.m. 1.9) blijkt dat de dader een bandana (net tot onder zijn ogen) voor had, een zwarte of donkere jas droeg met op de rug een wit logo of teken en een zwarte rugtas bij zich had.

7. Dat de verdachte door de aangeefster (b.m. 1.1) op ongeveer 17 jaar oud wordt geschat en (zo ook door verbalisanten, b.m. 1.6) als licht getint wordt aangeduid, terwijl hij in werkelijkheid toen 14 jaar oud was en een donkere huidskleur zou hebben, kan daaraan niet afdoen, te minder nu de aangeefster ook heeft verklaard dat het naar haar idee een jonge jongen moest zijn en dat je alleen zijn ogen zag.

8. Omdat de steller van het middel enkel “ten overvloede” nog een opmerking maakt over de verklaring van een verbalisant dat de combinatie van het signalement en de vluchtweg hem deed denken aan de daderindicatie en modus operandi van twee eerdere overvallen, zal ik daarop niet nader in gaan.

9. Het tweede middel faalt.

Het derde middel (verwerping beroep op noodweer feit 3)

10. Het derde middel klaagt over ’s hofs verwerping van het beroep op noodweer aangaande het onder 3 bewezenverklaarde feit (de mishandeling).

11. Het hof heeft het beroep op noodweer verworpen omdat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk zijn geworden. Zoals het hof terecht heeft vastgesteld, vindt de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen haar weerlegging in de verklaring van de aangever, de verklaring van een getuige en de tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte zelf. Uit die verklaringen kan zonder meer worden afgeleid dat de verdachte de aangever sloeg zonder dat sprake was van een (dreigende) aanranding van de zijde van de aangever in de zin van art. 41, eerste lid, Sr.

12. Het derde middel faalt.

Het vierde middel (motivering oplegging PIJ-maatregel)

13. Het vierde middel klaagt over de motivering van de opgelegde PIJ-maatregel.

14. Met betrekking tot de sanctieoplegging heeft het hof, voor zover hier relevant, onder meer het volgende overwogen:

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

[…]

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een overval op een snackbar. Slachtoffers van een dergelijke overval ondervinden vaak nog lange tijd nadelige psychische gevolgen daarvan. Dat is ook in de onderhavige zaak het geval, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van een medewerkster van de snackbar.

Een dergelijk feit brengt daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg, te meer nu het bewezen verklaarde handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden in een openbare gelegenheid. De verdachte heeft voor deze gevolgen geen oog gehad en daarnaast heeft hij een gebrek aan respect voor andermans eigendommen getoond. Hij heeft kennelijk puur uit eigen financieel gewin gehandeld, hetgeen het hof hem ernstig aanrekent.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan mishandeling van een medeleerling van zijn school. Aldus heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem pijn bezorgd.

[…]

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op onder meer de inhoud van de navolgende rapportages:

- een Pro Justitia rapportage d.d. 21 september 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater;

- een Pro Justitia rapportage d.d. 21 september 2016, opgemaakt en ondertekend door drs. E.F. de Witt, GZ-psycholoog;

- een briefrapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond d.d. 25 september 2016, opgemaakt en ondertekend, door [betrokkene 1] , jeugdbeschermer, en [betrokkene 3] , gebiedsmanager;

- een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 27 september 2016, opgemaakt en ondertekend door F. Valies, raadsonderzoeker, en W.B. Hulsbergen, teamleider;

- een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 31 augustus 2017, opgemaakt en ondertekend door R. Worung, raadsonderzoeker;

- een briefrapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond d.d. 1 september 2017, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] ;

- een Pro Justitia rapportage d.d. 9 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door drs. H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater;

- een Pro Justitia rapportage d.d. 12 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door drs. E.F. de Witt, GZ-psycholoog;

- een briefrapportage van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond d.d. 14 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] , jeugdbeschermer;

- een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 22 februari 2018, opgemaakt en ondertekend door R. Worung, kernfunctionaris.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen van [betrokkene 1] van Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond, [betrokkene 4] van de Raad voor de Kinderbescherming en [betrokkene 2] van [D] .

Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond adviseert uiteindelijk tot oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke PIJ-maatregel met als bijzondere voorwaarden jeugdreclasseringstoezicht, meewerken aan [D] , behandeling volgen bij [C] , en een vrijetijdsbesteding hebben in de vorm van sport en/of een bijbaan.

Sinds 27 november 2017 gaat de verdachte naar [D] . Daar gaat het goed met hem. Hij is intrinsiek gemotiveerd om de grote achterstand op schoolgebied in te halen en een diploma te behalen dit schooljaar. Er wordt gezien dat de verdachte stappen maakt, al zijn deze nog pril, en dat de verdachte een zekere motivatie en bereidheid heeft tot verandering. Bij oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel bestaat de kans op verder afglijden en daarom moet de verdachte volgens Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond nog een allerlaatste kans krijgen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert uiteindelijk op grond van dezelfde redenen als genoemd door Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel, met als bijzondere voorwaarden jeugdreclasseringstoezicht, verplichte deelname aan [D] , elektronische controle en meewerken aan een behandeling van [C] . Geadviseerd wordt om die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Psychiater Van der Lugt concludeert dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een gedragsstoornis, type beginnend in de kindertijd, en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Daarnaast is er sprake van een ouder-kindrelatieprobleem.

De ontwikkeling van de verdachte verloopt zorgelijk en er is geen reden aan te nemen dat dit niet speelde tijdens het ten laste gelegde.

De huidige situatie is zorgelijker dan in 2016. Zo is de ernst van de gedragsstoornis toegenomen en het ouder-kindrelatieprobleem lijkt ook te zijn toegenomen. De verdachte komt niet toe aan het ontdekken wie hij is, wat hij kan, waar hij voor staat, het zich verantwoordelijk voelen voor eigen handelen, verdoet zijn tijd en energie met strijd, glijdt steeds verder af en lijkt zich, op grond van de informatie van [B] - waar de verdachte dagbehandeling heeft ondergaan in het kader van de in eerste aanleg opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel -, steeds meer te identificeren met de criminele wereld.

Het recidive risico op verbaal en fysiek agressief gedrag is hoog. De psychiater acht een ambulante behandeling ontoereikend. In de Pro Justitia rapportage d.d. 9 februari 2018 wordt geadviseerd om de verdachte een klinische behandeling te laten ondergaan in een gesloten setting, in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Voor de onvoorwaardelijke vorm van deze maatregel pleit dat alle pogingen een behandeling te effectueren hebben gefaald, de verdachte ongemotiveerd is voor behandeling, er geen andere mogelijkheid is zijn gedrag in gunstige zin te beïnvloeden noch het gevaar voor derden af te wenden, en de verdachte een langdurige residentiële behandeling nodig heeft.

Psycholoog De Witt komt tot een soortgelijke conclusie. Ook de psycholoog stelt vast dat de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens aangezien er sprake is van een gedragsstoornis en van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en dat er tevens sprake is van een ouder-kindrelatieprobleem. Dit gold ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. Deze kans wordt hoger ingeschat dan in 2016, omdat de verdachte heeft laten zien zich niet aan voorwaarden te houden, ook niet in het kader van de in eerste aanleg opgelegde voorwaardelijke PIJ-maatregel, en omdat hij niet voldoende heeft geprofiteerd van de dagbehandeling. Geadviseerd wordt om de verdachte een gesloten klinische langdurige behandeling te laten ondergaan. Doelen binnen de behandeling zijn onder andere het vergroten van zijn probleembesef en zelfinzicht, het verminderen van zijn zelfbepalende gedrag en dat hij leert meer verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag.

De psycholoog is van mening dat ambulante behandeling een gepasseerd station is. Ook dagbehandeling blijkt onvoldoende toereikend om tot structurele verandering te kunnen komen. Aangezien de kans als groot wordt ingeschat dat de verdachte vanwege gebrek aan motivatie zich onttrekt aan een open vorm van klinische behandeling, wordt een gesloten vorm van behandeling geadviseerd.

De ernst van de psychopathologie en mate van disfunctioneren, de ernst van de ten laste gelegde feiten en de hoge kans op toekomstig gewelddadig gedrag, het feit dat de verdachte toe nu toe weinig leerbaar is gebleken, dat de moeder van de verdachte beperkt bereid is zich in te zetten voor behandeling waar zij niet achter staat, het feit dat de kans op een succesvolle ambulante behandeling als zeer klein wordt ingeschat, aangezien er al sinds 2009 hulpverlening is ingezet welke nooit goed van de grond lijkt te zijn gekomen en aangezien de verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling en tot slot het feit dat eerdere justitiële sancties zijn mislukt, zijn indicaties dat oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geïndiceerd is.

De psycholoog ziet blijkens de Pro Justitia rapportage d.d. 12 februari 2018 geen andere mogelijkheid dan het adviseren van een gesloten residentiële behandeling in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard.

Het hof komt met inachtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de deskundigen in de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages en deskundigenverklaringen tot het oordeel dat het onvoorwaardelijk opleggen van de PIJ-maatregel noodzakelijk is, gelet op de gebleken problematiek in de persoon van de verdachte, de noodzaak om de verdachte gedwongen te behandelen in een residentieel kader, alsmede gelet op de kans op recidive. Aan de in artikel 77s, eerste lid, onder a, b en c, van het Wetboek van Strafrecht cumulatief gestelde voorwaarden is voldaan, aangezien het bewezen verklaarde misdrijven betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het hof onderkent de positieve inzet en ontwikkeling bij de verdachte voor wat betreft het volgen van onderwijs via [D] , maar is van oordeel dat bovengenoemde maatregel noodzakelijk is teneinde de verdachte ook in de verdere toekomst die stabiliteit, hulp en begeleiding te kunnen bieden die hij nodig heeft en het risico op recidive te verminderen.

Een besloten behandeling is naar het oordeel van het hof op dit moment geïndiceerd. Van daaruit kan vanuit een dwingend kader worden gewerkt aan meer vrijheden voor de verdachte. Het hof merkt in dit verband nog op dat het ook tijdens de tenuitvoerlegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel mogelijk is onderwijs te volgen.

Alles afwegende acht het hof het onvoorwaardelijk opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen passend en geboden. Het hof overweegt (in verband met artikel 77t, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht) dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Daarnaast zal het hof aan de verdachte een jeugddetentie gelijk aan de duur van het door hem ondergane voorarrest opleggen.

[…].”

15. Vooropgesteld moet worden dat de rechter vrij is in de keuze van de straf en/of maatregel en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht, zolang hij maar blijft binnen de daaraan door de wet gestelde grenzen.1 Dat in het onderhavige geval de Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond en de Raad voor de Kinderbescherming tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel adviseren, neemt niet weg dat het hof op grond van het psychiatrische en psychologische rapport een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel kon opleggen.2 Ik kom daarop hierna terug. Eerst zij hier nog opgemerkt dat de volgorde waarin die rapporten in tijd zijn opgesteld, irrelevant is. Daarom onderschrijf ik niet het standpunt van de steller van het middel dat de door het hof gevolgde rapporten “achterhaald zouden zijn” reeds doordat nadien rapporten van anderen met een andere inhoud zijn verschenen. Daarbij komt dat, gelet op ’s hofs motivering van de op te leggen PIJ-maatregel, de positieve geluiden in die latere rapporten niet aan hem voorbij zijn gegaan. Deze geluiden waren echter niet krachtig genoeg om het hof ervan te (doen) overtuigen dat met oplegging van de voorwaardelijke vorm van de PIJ-maatregel kan worden volstaan.

16. Met betrekking tot de PIJ-maatregel zijn onder meer noodzakelijke voorwaarden dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens ten tijde van het begaan van het misdrijf en dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen of personen de oplegging van deze maatregel moet eisen (art. 77s, eerste lid aanhef en onder b, Sr). Onder het hoofd “Motivering van de op te leggen straf en maatregel” haalt het hof nadrukkelijk de conclusies en adviezen van de psychiater en de psycholoog aan. Beide gedragsdeskundigen hebben een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte vastgesteld en schatten het recidiverisico op fysiek agressief gedrag hoog in, ook omdat de verdachte zich steeds meer lijkt te identificeren met de criminele wereld. Door beiden wordt geadviseerd tot een langdurige klinische behandeling in een gesloten setting; ambulante behandeling is een gepasseerd station. Het hof heeft deze conclusies en adviezen klaarblijkelijk tot de zijne gemaakt, want komt met inachtneming van de beschouwingen, de conclusies en de adviezen van de deskundigen in de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages en deskundigenverklaringen tot het oordeel dat het onvoorwaardelijk opleggen van de PIJ-maatregel noodzakelijk is, gelet op de gebleken problematiek in de persoon van de verdachte, de noodzaak om de verdachte gedwongen te behandelen in een residentieel kader, alsmede gelet op de kans op recidive. Dit oordeel – dat zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst – is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, waarbij ik in aanmerking neem dat het hof tevens heeft vastgesteld dat de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel “in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte”.

17. Het vierde middel faalt.

Het eerste middel (horen bepaalde personen als deskundigen)

18. Het eerste middel klaagt dat het hof [betrokkene 1] van Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond, [betrokkene 4] van de Raad voor de Kinderbescherming en [betrokkene 2] van [D] ten onrechte als deskundigen heeft gehoord, nu (i) het hof “in strijd met het voorschrift van art. 51i, eerste lid, Sv die personen niet voorafgaand aan het horen heeft benoemd als deskundigen met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op een terrein waarvan hij/zij specifieke of bijzondere kennis bezit”, (ii) het hof “bij het horen van deze personen als deskundigen, terwijl zij niet zijn opgenomen in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen (het NRGD), niet op de voet van art. 51k, tweede lid, Sv heeft gemotiveerd op grond waarvan zij als deskundigen worden aangemerkt” en (iii) de beslissingen van het hof “om deze personen aan te merken en/of te horen als deskundigen alsmede het gebruik van hun verklaringen als zodanig – bij de motivering van de aan verzoeker opgelegde straf en/of maatregel – onjuist, althans onbegrijpelijk zijn dan wel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend zijn gemotiveerd”.

19. [betrokkene 1]3 en [betrokkene 4] zijn in hoger beroep beiden op de terechtzitting van 6 september 2017 als deskundigen gehoord. Vervolgens heeft [betrokkene 1] , wederom in de hoedanigheid van deskundige, op de terechtzitting van 6 maart 2018 de toen actuele stand van zaken weergegeven. Op de terechtzitting van 6 maart 2018 is tevens [betrokkene 2] als deskundige gehoord; hij had als coach bij [D] sinds 27 november 2017 iedere dag contact met de verdachte. Voorts heeft [betrokkene 1] (telkens in haar hoedanigheid van jeugdbeschermer, begrijp ik, A-G) in totaal drie briefrapportages opgemaakt (gedateerd 25 september 2016, 1 september 2017 en 14 februari 2018), waarvan de eerste samen met een gebiedsmanager.

20. Allereerst zij erop gewezen dat op de terechtzittingen in hoger beroep van 6 september 2017 en 6 maart 2018 door de verdediging geen enkel bezwaar is gemaakt tegen of kritische vragen zijn gesteld over het als deskundige beëdigen en horen van de genoemde drie personen. Indien de verdediging daarmee problemen zou hebben gehad, waren deze terechtzittingen bij uitstek geschikt geweest om eventuele bezwaren naar voren te brengen. Dat is blijkens de van deze terechtzittingen opgemaakte processen-verbaal niet gebeurd. In dat opzicht komt het middel nu als mosterd na de maaltijd.

21. Voorts wijs ik erop dat in deze zaak zowel de Raad voor de Kinderbescherming ( [betrokkene 4] ) als de Jeugdbescherming Rotterdam-Rijnmond ( [betrokkene 1] ) en [D] ( [betrokkene 2] ) (uiteindelijk) hebben geadviseerd tot het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden. Dat het hof alles afwegende het onvoorwaardelijk opleggen van de PIJ-maatregel passend en geboden acht, berust in het geheel niet op de verklaringen van deze drie genoemde personen, maar (voornamelijk) op de rapportages en adviezen van de psychiater (Van der Lugt) en de psycholoog (De Witt).

22. Ik meen op grond van het voorgaande dat het middel niet tot cassatie kan leiden, reeds omdat sprake is van gebrek aan belang, waarbij ik mede in aanmerking heb genomen dat noch in de schriftuur noch in de aanvullende schriftuur een belang bij het slagen van het middel wordt aangewezen. Daarnaast noem ik het enigszins opmerkelijk dat de toelichting op het vierde middel juist een beroep doet op het deskundig oordeel van [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en [betrokkene 2] ter onderbouwing van de klacht dat de oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Aan hun adviezen, aldus die toelichting, dient “wel de nodige zwaarte te worden toegedicht; oftewel, die adviezen zijn misschien niet bindend, leidend zijn zij wel”.

23. Overigens wil ik naar aanleiding van het middel nog het volgende opmerken; het gaat in zoverre dus om een bespreking ten overvloede.

24. Kennelijk gaat de steller van het middel uit van de opvatting dat elke persoon die als deskundige op de terechtzitting wordt gehoord een forensisch deskundige is als bedoeld in art. 51i Sv e.v. en dat de bepalingen over de deskundige in Titel IIIC van Boek I van het Wetboek van Strafvordering (art. 51i t/m art. 51m Sv) onverkort gelden voor elke persoon die de rechter als deskundige op de terechtzitting hoort. Het komt mij voor dat deze opvatting geen steun vindt in het recht. Ik licht dat hieronder toe.

25. Vooropgesteld zij dat het Wetboek van Strafvordering het begrip deskundige niet definieert. Wel moet het gaan om iemand die op een bepaald terrein over “specifieke of bijzondere kennis” beschikt (art. 51i, eerste lid, Sv), of, anders gezegd, om iemand die “wetenschap en kennis” heeft omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is (art. 343 Sv). In de periode die vooraf ging aan de inwerkingtreding op 1 januari 2010 van – kort gezegd – de “Wet deskundige in strafzaken” van 22 januari 2009 (Stb. 2009, 33) werden personen die beroepshalve en vanuit hun professionaliteit bij een bepaalde verdachte waren betrokken en in die hoedanigheid op de terechtzitting werden gehoord, veelal beëdigd als deskundige én als getuige; als deskundige moesten zij naar geweten verklaren en als getuige moesten zij de waarheid zeggen. Sinds de inwerkingtreding van de “Wet deskundige in strafzaken” is de positie van de forensisch deskundige generiek geregeld en is dubbele beëdiging niet meer nodig. De deskundige als bedoeld in art. 51, eerste lid, Sv wordt bij zijn “verhoor” op de terechtzitting beëdigd dat hij “naar waarheid en zijn geweten zal verklaren” (vgl. ook art. 299 in verbinding met art. 290, vierde lid, Sv).4 Belangrijk om in dit verband te benadrukken is, dat zowel de verklaring van de forensisch deskundige ter terechtzitting alsook zijn (forensisch) rapport in voorkomende gevallen een bewijsfunctie kan krijgen en alsdan de status van wettig bewijsmiddel aanneemt.5

26. Dat laatste is uiteraard anders wanneer iemand enkel als deskundige verklaart of rapporteert over de persoon van de verdachte. Dat neemt op zichzelf niet weg dat ook in dat rapport een verklaring van de verdachte kan staan die voor hemzelf belastend is, maar dan mag tegen de achtergrond van de hulpverleningsrelatie waarin de hulpverlener – bijvoorbeeld de reclasseringswerker – tot de verdachte staat die verklaring van de verdachte in beginsel niet voor het bewijs van het tenlastegelegde worden gebruikt.6 Hetzelfde geldt in beginsel voor een rapport raadsonderzoek strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin gegevens verwerkt zijn die de betrokkene aan de rapporteur heeft toevertrouwd.7

27. Voor degene die (op de wijze bij de wet bepaald) als forensisch deskundige wordt benoemd “met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op een terrein, waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit” zijn de, bij de “Wet deskundige in strafzaken” ingevoerde, artikelen 51i t/m art. 51m Sv bedoeld. De taakomschrijving van deze forensisch deskundige – waarbij veelal gedacht moet worden aan een technisch gespecialiseerde expert die in het kader van de bewijsvraag rapport uitbrengt8 – is in de desbetreffende Memorie van Toelichting omschreven als “het uitvoeren van een opdracht tot het verstrekken van informatie over de stand van de kennis op zijn vakterrein of tot het verslag doen van zijn verrichtingen en conclusies op grond van een opdracht tot onderzoek aan een persoon of object”.9 De deskundige als bedoeld in art. 51 e.v. Sv moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, die (onder meer) zijn vastgelegd in art. 12, tweede lid, Besluit register deskundige in strafzaken.10 In dit register zijn deskundigen op het terrein van forensisch onderzoek geregistreerd. De geregistreerde deskundige is in de plaats gekomen van de vroegere “vaste gerechtelijke deskundige”. Art. 51k, tweede lid, Sv laat de mogelijkheid open van benoeming van een niet-geregistreerde forensisch deskundige11 aan wie de in art. 51i, eerste lid, Sv omschreven opdracht is gegeven, maar dan zal de rechter in het voorkomende geval moeten motiveren waarom deze persoon als ter zake kundige kan worden aangemerkt. Voorts impliceert art. 51i, eerste lid, Sv dat een forensisch deskundige wordt benoemd met het oog op de opdracht die hij of zij meekrijgt. Art. 51m Sv voorziet erin dat deze deskundige op de terechtzitting wordt beëdigd en gehoord.

28. Een reclasseringswerker – ik beperk mij in het navolgende hoofdzakelijk tot hem – die voorlichtingsrapportage uitbrengt over de (persoon van de) verdachte, wordt in beginsel niet als deskundige aangemerkt, aldus de hierboven aangehaalde Memorie van Toelichting.12 Onderzoeksrapporten van de reclassering vallen strikt genomen dan ook niet in de categorie deskundigenonderzoek. In het conceptwetsvoorstel (deskundige in strafzaken) was nog opgenomen dat de reclasseringswerker als deskundige kon worden benoemd en geregistreerd. Dit voorstel ondervond echter kritiek van verschillende organisaties, omdat een dergelijk uitgebreid deskundigenbegrip zou leiden tot extra werk en kosten, terwijl het voorts ondoenlijk zou zijn om alle reclasseringswerkers (op korte termijn) te laten registeren.13 Op grond van (onder meer) deze argumenten heeft de wetgever de gedachte aan benoeming en registratie van de reclasseringswerker als deskundige laten varen. De regeling van het uitbrengen van reclasseringsrapportage door een erkende reclasseringsinstelling vindt ook nu nog haar eigen grondslag in verschillende wettelijke bepalingen in het Wetboek van Strafvordering.14

29. Een van die bepalingen heeft betrekking op het horen van de reclasseringswerker als deskundige op de terechtzitting. Dat is het hiervoor aangestipte art. 343 Sv: “Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting afgelegde verklaring over wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is, al dan niet naar aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht deskundigenverslag”. Ik meen dat de zinsnede al dan niet naar aanleiding van een door hem in opdracht uitgebracht deskundigenverslag” de rechter de ruimte geeft om de niet-gecertificeerde, aan de reclassering (of de Raad voor de Kinderbescherming) verbonden professional als deskundige op de terechtzitting te horen zonder dat hij of zij (telkens) in die hoedanigheid wordt benoemd.15 Art. 315, derde lid, Sv verzet zich niet tegen deze uitleg, nu deze bepaling ziet op het horen van een reeds benoemde en nog niet op de terechtzitting gehoorde forensisch deskundige omtrent een door hem uitgebracht rapport respectievelijk op het opdragen door de rechter van onderzoek aan een nieuwe deskundige. Aldus beschouwd kan een onderscheid worden gemaakt tussen een strikt deskundigenbegrip (art. 51i e.v. Sv) en een ruimer deskundigenbegrip (art. 343 Sv).16 Uiteraard moet de deskundige die onder het ruimere begrip geschaard kan worden, wel op de terechtzitting als zodanig worden beëdigd. Dat is in de onderhavige zaak gebeurd.

Het vijfde middel (toewijzing vorderingen benadeelde partijen)

30. Het vijfde middel keert zich tegen de beslissingen van het hof tot – kort gezegd – toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van zowel de benadeelde partij [benadeelde 2] (de eerste klacht) als die van de benadeelde partij [benadeelde 3] (de tweede klacht), met dien verstande dat elk van beide klachten daarbij tevens de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr betrekt.

31. Volgens de eerste klacht zijn bij de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] de reiskosten van haar woning naar Bureau Slachtofferhulp en naar de Rechtbank (en retour) ten onrechte aangemerkt als rechtstreekse, materiële schade als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit en/of zijn deze kosten ten onrechte vermeerderd met de wettelijke rente en is daarnaast ten onrechte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr ter zake van die kosten en rente opgelegd.

32. Het hof heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 2]

In het onderhavige: strafproces heeft [benadeelde 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.013,00 (bestaande uit € 13,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 763,00 (bestaande uit € 13,00 materiële schade en € 750,00 immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens de verdachte niet anders dan met een beroep op vrijspraak betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij ter zake van geleden materiële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het thans nog aan de orde zijnde gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 763,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] .”

33. Het gaat om een bedrag van slechts € 13,00. Hoewel het middel daarover terecht klaagt, meen ik dat de verdachte op dit punt geen rechtens te respecteren belang bij cassatie heeft. Ik verwijs daarvoor naar het arrest van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338:

“2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de door de benadeelde partij gevorderde reiskosten van zijn huis naar zijn advocaat heeft toegewezen en heeft vermeerderd met de wettelijke rente en ten aanzien van die kosten een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl deze reiskosten niet gelden als rechtstreekse schade.

2.2.

Het Hof heeft ten onrechte een bedrag van € 8,70 te vermeerderen met de wettelijke rente als schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij. Het gaat hier immers om reiskosten naar de advocaat die de benadeelde partij heeft gemaakt, die niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven. (Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL: HR:2017:653.)

Het middel klaagt daarover terecht.

2.3.

Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden op grond van het volgende. Het Hof had op de voet van art. 592a Sv de verdachte moeten veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, begroot op € 8,70. Vernietiging van de bestreden beslissing heeft niet tot gevolg dat de verdachte dit bedrag, waarvan de hoogte niet is betwist, niet zou behoeven te betalen; hij zou dit bedrag dan immers verschuldigd worden door zijn veroordeling in die kosten. In de schriftuur is niet aangevoerd welk bijzonder belang de verdachte heeft bij vernietiging op dit punt. In deze omstandigheden, waarin vernietiging geen invloed heeft op de duur van de vervangende hechtenis die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden, valt niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat de verdachte dan niet de wettelijke rente verschuldigd zou zijn over het bedrag van € 8,70 maakt dat niet anders.”17

34. De tweede klacht, die in de aanvullende schriftuur nader wordt toegelicht, valt in twee onderdelen uiteen en is van een andere aard dan de eerste, hiervoor besproken, klacht: het hof zou ten onrechte de vordering van [benadeelde 3] hebben toegewezen en ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr hebben opgelegd, omdat het voegingsformulier inzake deze vordering zich niet in het dossier, althans niet onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.

35. Ik begin met de aangehaalde schadevergoedingsmaatregel, en wel omdat ten aanzien daarvan al meteen kan worden gezegd dat het (eventueel) in het ongerede geraakt zijn van het voegingsformulier irrelevant is. De schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr is immers een strafrechtelijke sanctie die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens een slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. “Noch uit de tekst van de wet, noch uit de wetsgeschiedenis vloeit voort dat de mogelijkheid tot het opleggen van die schadevergoedingsmaatregel afhankelijk is gesteld van de opeisbaarheid van het vorderingsrecht van het slachtoffer”, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 3 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0912, NJ 2010/459.

36. In zoverre is deze deelklacht dus kansloos.

37. Dan de deelklacht die zich richt tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] . Alvorens deze te bespreken, geef ik kort weer hetgeen uit de in cassatie voorhanden stukken blijkt, voor zover hier van belang.

38. Namens de verdachte is bij brief van 17 oktober 2018 de Hoge Raad verzocht om een afschrift van alle stukken die betrekking hebben op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] . Bij brief van 23 oktober 2018 zijn met betrekking tot deze benadeelde partij door de administratie van de Hoge Raad een aantal stukken verstrekt. Daarbij bevond zich niet het voegingsformulier (dan wel de vordering) van de benadeelde partij [benadeelde 3] . Namens de verdachte is bij fax van 7 november 2018 de Hoge Raad op de hoogte gesteld van het ontbreken van dit stuk en is wederom verzocht om toezending van een afschrift ervan. Bij brief van 9 november is de verdachte door de administratie van de Hoge Raad meegedeeld dat de verzochte stukken niet zijn aangetroffen in het dossier van de Hoge Raad en dat het stuk zal worden opgevraagd bij het Gerechtshof Den Haag. Dit Gerechtshof heeft bij brief van 15 november 2018 laten weten dat het hof niet (meer) beschikt over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] .

39. Nu het er in cassatie voor moet worden gehouden dat het desbetreffende voegingsformulier zich niet onder de bij de Hoge Raad bevindende dossierstukken bevindt, kan, aldus de steller van het middel in de schriftuur en de aanvullende schriftuur, de beslissing van het hof omtrent deze beslissing niet worden gecontroleerd en heeft het hof de benadeelde partij [benadeelde 3] ten onrechte ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade, althans ten onrechte deze vordering toegewezen, en ter zake hiervan (tevens) de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, althans heeft het hof zijn beslissingen te dien aanzien ontoereikend gemotiveerd. Dit zou moeten leiden tot vernietiging van het arrest dan wel tot vernietiging van de bedoelde beslissingen.

40. Ik kan de steller van het middel in dit betoog niet volgen. Dat het voegingsformulier thans niet kan worden teruggevonden, brengt vooreerst niet mee dat dit formulier er ook niet was ten tijde van de behandeling van verdachtes zaak op de terechtzitting in eerste aanleg en op de terechtzittingen in hoger beroep. Dat integendeel het voegingsformulier toen nog wel deel uitmaakte van het strafdossier, kan naar mijn bevinding zonder meer worden opgemaakt uit de overige stukken van het geding waarover de Hoge Raad wel beschikt. Ik wijs dan met name op de processen-verbaal van de genoemde terechtzittingen. Uit die processen-verbaal blijkt zonneklaar dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] telkens aan de orde is gesteld, dat is meegedeeld dat [benadeelde 3] door middel van het voegingsformulier te kennen heeft gegeven zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen en dat haar vordering met (kort gezegd) de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel deel heeft uitgemaakt van het requisitoir van de officier van justitie respectievelijk dat van de advocaat-generaal bij het hof.18 In hoger beroep heeft de voorzitter van de strafkamer in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman voorgehouden dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de orde is tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.19 Het standpunt dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 3] in haar vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren of haar vordering had moeten afwijzen, omdat eerst in de cassatiefase, dus ruim na de uitspraak van het hof, het hof desgevraagd heeft meegedeeld dat op dat moment het hof niet (meer) beschikt over het verzochte voegingsformulier, acht ik onhoudbaar.

41. Voorts wijs ik er nog op dat het hof in het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] door of namens de verdachte niet is betwist (anders dan met een beroep op vrijspraak). Blijkens de meergenoemde zittingsverbalen en ook de overgelegde pleitnota’s van de raadsman van de verdachte is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep ter terechtzitting (een begin van) een verweer gevoerd met betrekking tot de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen en de mogelijke oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. Dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard in hun vorderingen, of dat hun vorderingen zouden moeten worden afgewezen, het is ter terechtzitting allemaal niet aangevoerd en betoogd door de verdediging. Ook in de schriftuur en de aanvullende schriftuur wordt niet iets naar voren gebracht waaruit blijkt dat de verdediging deze vorderingen ter terechtzitting heeft weersproken.

42. Het ontbreken van het opgevraagde voegingsformulier in de cassatiefase levert (mede) gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken geen grond op voor vernietiging van ’s hofs beslissing inzake de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] (noch, als opgemerkt, van de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel).

43. Het middel faalt in alle onderdelen.

Afronding

44. Alle middelen falen en kunnen lijkt mij worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

45. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

46. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2018, negende druk, p. 264.

2 Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1645, NJ 2009/73: de waardering van deskundigenrapporten en –adviezen zijn aan de feitenrechter voorbehouden. Weliswaar ging het in die zaak om de TBS maatregel, maar de desbetreffende overwegingen van de Hoge Raad hebben mijns inziens mutatis mutandis te gelden voor de PIJ-maatregel.

3 In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2018 schrijft het hof de naam soms als [betrokkene 1] . Ik houd in navolging van de schriftuur [betrokkene 1] als juiste schrijfwijze aan.

4 Zie daarover, ook in verband met art. 343 Sv: G.J.M. Corstens/J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 734.

5 Daarover nader Diederik Aben, ‘Het geluid van stille getuigen’, in: Forensisch bewijs in het Nederlandse en Belgische strafrecht, Preadvies voor de jaarvergadering van de Nederlands-Vlaamse Vereniging voor strafrecht, 2018, p. 58-73.

6 HR 18 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3610, NJ 2008/192 en HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1128.

7 HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4269, NJ 2013/127, m.nt. Schalken.

8 Vgl. HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736, NJ 2016/305, m.nt. Reijntjes, HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024 en HR 27 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0917, NJ 1998/404, m.nt. Reijntjes.

9 Kamerstukken II 2006/07, 31116, nr. 3, p. 3.

10 Besluit van 18 juli 2009, Stb. 2009, 330 (gewijzigd op 9 maart 2017, Stb. 2017, 96 met datum van i.w.tr. 15 april 2017).

11 Dat kan uiteraard ook een buitenlandse deskundige (specialist) zijn.

12 Kamerstukken II 2006/07, 31116, nr. 3, p. 10.

13 Kamerstukken II 2006/07, 31116, nr. 3. In de bijlagen staan de reacties op het concept wetsvoorstel van het College van Procureurs-Generaal, van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en van de Raad voor de rechtspraak.

14 Vgl. onder meer de artikelen 147, 177, tweede lid, 310 en 415 Sv.

15 Reijntjes schrijft in dit verband: “Een bijzonder soort deskundige is de reclasseringswerker (ten onrechte nogal eens aangeduid als ‘reclasseringsambtenaar’). Hij rapporteert over de persoon van de verdachte. Hij doet dit in beginsel schriftelijk (alleen bij de nader te noemen vroeghulp is dit vaak anders), maar komt soms ter terechtzitting een toelichting geven. De rapporteur treedt dan ook formeel als deskundige op.” Zie J.M. Reijntjes, ‘2.7.3 De reclasseringswerker’, in: Minkenhof’s Nederlandse stafvordering (datum 01-02-2017).

16 In die zin ook J.F. Nijboer, bewerkt door P.A.M. Mevis, J.S. Nan & J.H.J Verbaan, Strafrechtelijk bewijsrecht, zevende druk, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2017, p. 156.

17 Vgl. ook HR 16 februari 2016, zaaknummer 15/02217 (niet gepubliceerd), HR 8 maart 2016, zaaknummer 15/00710 (niet gepubliceerd), HR 12 april 2016, zaaknummer 15/02840 (niet gepubliceerd) en HR 11 juni 2019, zaaknummer 18/01743 (niet gepubliceerd), alle vier met ‘80a’ afgedaan. Zie tot slot HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901, in welk arrest de Hoge Raad uitlegt in welke gevallen en waarom de klacht over de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij, terwijl het middel niet expliciet klaagt over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde schadebedrag is opgelegd, met ‘80a’ wordt afgedaan en op welke gevallen deze rechtspraak geen betrekking heeft.

18 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 29 september 2016 (p. 4) en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 maart 2018 (p. 5).

19 Proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2017 (p. 4). De benadeelde partij [benadeelde 3] had een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade ingediend tot een bedrag van € 1000,00.