Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:717

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-06-2019
Datum publicatie
02-08-2019
Zaaknummer
18/03845
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1831, Gevolgd
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Arbeidsrecht. Arbeidsongeval met heftruck in magazijn; zorgplicht werkgever; art. 7:658 BW. Procesrecht; verwijzing naar schadestaat in plaats van oordeel over schade; verweer; devolutieve werking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0986
JHSE 2019/0
JAR 2019/315
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03845

Zitting 28 juni 2019

CONCLUSIE

B.J. Drijber

In de zaak

Papyrus Groep Nederland B.V.,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. T. van Malssen

tegen

[verweerder] ,

verweerder in cassatie,

niet verschenen

Deze zaak heeft betrekking op een bedrijfsongeval. In de kern gaat het geschil over de vraag of de werkgever aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter vond van wel, het hof vond van niet. Dat toont al aan dat over deze zaak redelijkerwijs verschillend kan worden geoordeeld. De werkgever komt met een groot aantal klachten op tegen de door het hof gegeven oordelen. M.i. tevergeefs.

1 Feiten

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.1

1.2

Papyrus Groep Nederland B.V. (hierna: Papyrus) is gespecialiseerd in de fabricage, verwerking en handel in (onder meer) papierwaren.

1.3

[verweerder] (hierna: [verweerder]), geboren op [geboortedatum] 1968, is sinds op 1 december 2001 als magazijnmedewerker in loondienst getreden van Papyrus.

1.4

Op 15 april 2010 is [verweerder] tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden in (het verzamelplein van) het magazijn op de vestiging Wijchen een ongeval overkomen. Terwijl hij een elektrische pompwagen bestuurde is hij in zijn voet geraakt door een vork van een orderpicktruck die werd bestuurd door zijn collega [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Bij het ongeval heeft [verweerder] ernstig letsel opgelopen aan zijn rechtervoet, wat uiteindelijk tot amputatie van twee tenen heeft geleid.

1.5

Papyrus heeft het ongeval gemeld bij de Arbeidsinspectie, die een ongevalsrapport gedateerd 1 juni 2010 heeft opgesteld. Daar staat onder meer het volgende:

“- Het magazijn is zeer overzichtelijk en ordelijk. De vloer van het magazijn is voorzien van duidelijke markeringen in de vorm van witte en gele lijnen, zogeheten haaientanden en groene looppaden. Er gelden algemene verkeersregels in het magazijn.

- Doordat op de ongevalslocatie de pallets maximaal 1 hoog staan opgesteld, en dus niet worden gestapeld, wordt het zicht in principe nooit belemmerd voor de medewerkers op de rondrijdende pompwagens en orderpicktrucks.

- Zowel de orderpicktruck als de pompwagen mochten zich bevinden op de plek waar het ongeval zich had voorgedaan.

- Met de elektrische pompwagen die op de foto staat werkt het slachtoffer al zolang hij bij Papyrus werkt. Dit arbeidsmiddel functioneerde op de dag van het ongeval volgens de verklaring van het slachtoffer goed en zonder storingen.

- De Teamleider Warehouse is verantwoordelijk voor het houden van toezicht in het magazijn. Hij wordt daarbij geassisteerd door [betrokkene 2] .

- Het slachtoffer verklaart geen schriftelijke veiligheidsvoorschriften te hebben gekregen. Getuige [betrokkene 1] verklaart dat hij de veiligheidsvoorschriften volgens hem in zijn postvakje gekregen.

- Het slachtoffer is zeer ervaren in de omgang met de pompwagen en voert al sinds jaren werkzaamheden met arbeidsmiddelen met eigen aandrijving uit.

- Getuige [betrokkene 1] rijdt volgens zijn verklaring zowel op pompwagens als op orderpicktrucks. Hij heeft in december 2008 een veiligheidscertificaat voor heftrucks behaald bij het CCV.

- Het is niet duidelijk of het slachtoffer of de getuige stil stond op het moment van de botsing. Beide verklaren zij dat de andere persoon reed.

Tijdens mijn onderzoek heb ik geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het, ingevolge artikel 9, 1e lid van diezelfde wet, meldingsplichtige arbeidsongeval, zoals bedoeld in artikel 1, derde lid, onder 1, Arbowet. In verband hiermee heb ik volstaan met het opmaken van dit ongevalsrapport.

(...)’’

1.6

Aan voornoemd rapport zijn twee verklaringen gehecht. De eerste is de verklaring die [verweerder] ten overstaan van de rapporteur van de Arbeidsinspectie heeft afgelegd. Deze luidt als volgt:

“Ik reed achteruit met mijn pompwagen en keek eerst naar links en naar rechts. Opeens reed [betrokkene 1] met een vork van zijn orderpicktruck tegen de voorkant van mijn rechtervoet. Ik had [betrokkene 1] niet zien aankomen. Hij reed volgens mij vrij snel. Zijn orderpicktruck is zwaarder en heeft een langere remweg. Het gebeurt hier in het magazijn wel vaker dat trucks elkaar raken. Maar niet zo ernstig dat mensen gewond raken zoals ik. Ik ben naar het ziekenhuis in Nijmegen gebracht, daar heb ik tot 21 april gelegen. De kleine teen is geamputeerd en ik heb een grote wond aan de voorkant van mijn rechtervoet. Ik heb erg veel pijn. Ik vervoerde een pallet op de pompwagen en [betrokkene 1] vervoerde ook een pallet met zijn orderpicktruck. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] letten op de veiligheid in het magazijn. Er staan gele lijnen op de vloer en de hal is groot en overzichtelijk. We hadden veel werk op de dag van het ongeval. Maar het was niet extra druk. Schriftelijke veiligheidsvoorschriften heb ik nooit gekregen.”

De tweede aangehechte verklaring is afgelegd door [betrokkene 1] en luidt als volgt:

“Op de dag van het ongeval was ik bezig met mijn dagelijkse werkzaamheden, namelijk met het orderpicken met behulp van een orderpicktruck. Op een gegeven moment had ik een pallet gereed en wilde deze op het ‘plein’ neerzetten. Zo noemen wij dat deel van het magazijn waar we pallets gereed maken voor verzending. De orderpicker plaatst daar pallets langs de gele lijnen en iemand anders, in dit geval [verweerder] , brengt deze daarna met een pompwagen naar een seal-apparaat.

[verweerder] reed op het moment van het ongeval op het plein op een pompwagen. Hij kwam, achteruit rijdend, met een zojuist gesealde pallet op de vorken, op mij afgereden. Omdat er langs de lijn een rij pallets klaarstond, moest [verweerder] achteruit rijden. Ik stond op dat moment stil met mijn orderpicktruck. Ik zag hem op mij afkomen, en ik riep hem omdat hij mij kennelijk niet zag staan! Een van de vorken van mijn orderpicktruck raakte [verweerder] toen aan zijn voet.

(...)

Op het plein heb je in feite altijd goed zicht omdat daar alleen enkele pallets staan. Ze worden daar niet gestapeld. De veiligheidsvoorschriften die u mij laat zien heb ik volgens mij in mijn postvakje gekregen. Er gelden algemene verkeersregels in het magazijn en er zijn duidelijke markeringen op de vloer aangebracht. Als je met je truck schade rijdt, dan dien je dit te melden bij je leidinggevende. [betrokkene 3] en zijn assistent houden in het magazijn toezicht op veilig werken. De orderpicktruck die ik op het moment van het ongeval bestuurde, werkte trouwens zonder problemen. Er was geen sprake van een storing of zo. Ook de pompwagen waar [verweerder] op reed was na het ongeval gewoon bruikbaar.”

1.7

De verkeersregels waarnaar in de verklaring van [betrokkene 1] wordt verwezen, staan opgenomen in de Algemene handleiding VEILIGHEID Magazijn Papyrus Groep Nederland (hierna: AHV). Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“2.2.3. Verkeersreglement

Het algemene verkeersreglement van Nederland is binnen het magazijn met uitzondering van de onderstaande regels van toepassing.

- De hoofdpaden in het magazijn hebben voorrang op de zijpaden.

- In de pakkamer hebben voetgangers voorrang. Transportmiddelen moeten hier stapvoets rijden.

- Het is verboden met hef-, reach- en orderpicktrucks in de no-go area te komen, te weten de snijafdeling, kantine, inpakkamer en buiten het pand.

- In het gangpadengebied hebben transportmiddelen voorrang op voetgangers.

- (...)

2.2.4.

Rijgedrag

Men mag geen lasten heffen en vervoeren, die zwaarder zijn dan de op het transportmiddel aangegeven werklast.

Bestuurders mogen een transportmiddel alleen onbeheerd achterlaten:

(...)

- met neergelaten last of vorken.

Bestuurders moeten:

- met neergelaten last of vorken rijden (±10 cm boven de vloer);”

1.8

[verweerder] heeft uit de door Papyrus ten behoeve van haar werknemers afgesloten ongevallenverzekering een uitkering van € 9.361,57 ontvangen. De hoogte van deze uitkering is gebaseerd op het percentage functionele invaliditeit, zoals deze is vastgesteld door [betrokkene 4] , orthopaedisch expert te [plaats] . In het door hem opgesteld medisch rapport van 12 oktober 2011 is onder punt VIII. opgenomen:

“De afwijkingen in de rechtervoet zijn ongevalsgevolg van 15-04-2010.

Er is naar mijn mening sprake van een ernstige discrepantie tussen de hevigheid van de klachten en de grote beperkingen die betrokkene aandraagt, in vergelijking met het fysisch-diagnostisch onderzoek en de beeldvormende diagnostiek: op grond van deze laatste twee zijn belangrijk minder klachten en beperkingen te verwachten dan betrokkene aandraagt. Voor deze ernstige discrepantie is op mijn vakgebied geen aanknopingspunt te vinden.

In de rechterschouder, waar op de ongevalsdatum mogelijk een contusie is opgetreden, is geen blijvende afwijking aanwezig. Het onderzoek levert geen aanknopingspunt voor de aard en de chroniciteit van de klachten over de rechterschouder.

1.9

Op 3 mei 2010 is Papyrus namens [verweerder] aansprakelijk gesteld voor het hem overkomen bedrijfsongeval. Papyrus heeft haar aansprakelijkheid afgewezen.

2 Procesverloop

2.1

[verweerder] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. te verklaren voor recht dat Papyrus op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan hem overkomen bedrijfsongeval op of omstreeks 15 april 2010;

b. te verklaren voor recht dat Papyrus de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van hem in verband met het hem overkomen bedrijfsongeval op of omstreeks 15 april 2010 dient te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; onder veroordeling van Papyrus in de kosten van de procedure.2

2.2

De kantonrechter binnen de rechtbank Gelderland heeft bij vonnis van 27 november 2015 de vordering afgewezen en [verweerder] veroordeeld in de proceskosten.3

2.3

Bij dagvaarding van 1 februari 2016 is [verweerder] van deze beslissing in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). In de kern heeft [verweerder] zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van de zorgplicht die Papyrus op grond van artikel 7:658 BW heeft doordat zij geen maatregelen heeft genomen om de schade die [verweerder] heeft opgelopen door het hem overkomen bedrijfsongeval te voorkomen.4

2.4

Bij arrest van 19 juni 2018 (hierna ook: het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende:

- voor recht verklaard dat Papyrus op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk is voor alle door [verweerder] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval op of omstreeks 15 april 2010;

- voor recht verklaard dat Papyrus de door [verweerder] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van hem in verband met het hem overkomen bedrijfsongeval op of omstreeks 15 april 2010 dient te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Papyrus veroordeeld in de kosten van beide instanties; en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

2.5

Het hof heeft de maatstaf van art. 7:658 BW in het hoger beroep vooropgesteld (rov. 5.2) en geoordeeld dat Papyrus niet alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt en derhalve de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden (rov. 5.15). Het lijkt mij goed voorafgaand aan de bespreking van het cassatiemiddel weer te geven hoe het hof tot dit oordeel is gekomen.

2.6

De exacte toedracht van het bedrijfsongeval is onduidelijk gebleven (rov. 5.4-5.6), maar vast staat dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werk schade heeft geleden. Aan (tegen)bewijs op dit punt is het hof niet toegekomen. In rov. 5.6 overweegt het hof:

“5.6 Het hof stelt aldus vast dat partijen een verschillende toedracht van het ongeval schetsen. Dat de exacte toedracht van het ongeval daardoor niet komt vast te staan doet niet af aan het feit dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Onbetwist staat immers vast dat de voet van [verweerder] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden in ‘het lokaal’ van Papyrus is geraakt door een vork/de vorken van de orderpicktruck die werd bestuurd door [betrokkene 1] , als gevolg waarvan in ieder geval twee tenen van zijn rechtervoet uiteindelijk moesten worden geamputeerd. Gegeven de plaatsgevonden aanrijding tussen de pompwagen en de orderpicktruck en de daaruit voortvloeiende gezondheidsschade die [verweerder] heeft opgelopen, moet dan ook worden aangenomen dat [verweerder] in de uitoefening van het werk schade heeft geleden. Daargelaten dat de bewijslast op dit punt bij [verweerder] ligt, betekent dit ook dat het gespecificeerde (tegen)bewijsaanbod van Papyrus ter zake van de stellingen dat [verweerder] achteruit reed en [betrokkene 1] stil stond ten tijde van het ongeval, wordt gepasseerd nu het niet kan leiden tot een ander oordeel.”

2.7

Volgens het hof lag het op de weg van Papyrus te stellen en zo nodig te bewijzen dat alle maatregelen zijn getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt (rov. 5.7). Het hof heeft vervolgens een overzicht gegeven van de in dit verband door Papyrus betrokken stellingen (rov. 5.8).

2.8

Het hof heeft zijn verdere oordeel vervolgens toegespitst op de maatregelen die betrekking hebben op het verzamelplein van het magazijn. Het heeft overwogen dat bij de uitvoering van de werkzaamheden op het verzamelplein de pompwagen en de orderpicktruck elkaar tegen kunnen komen als een pompwagen achteruit van de schans van het sealapparaat rijdt en met een orderpicktruck een pallet in een daarvoor bestemd pad moet worden geplaatst (rov. 5.10).

2.9

De daarop volgende overwegingen bevatten de gronden waarop het hof oordeelt dat, kort gezegd, Papyrus niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en waartegen de in cassatie aangevoerde klachten zijn gericht (onderstrepingen toegevoegd; AG):

“5.11 Veronderstellenderwijs aannemende dat de situatie ten tijde van en de toedracht van het ongeval is geweest zoals [betrokkene 1] dit heeft beschreven leidt het hof uit de hiervoor geciteerde verklaring van [betrokkene 5] af dat de (gele) lijnen op het verzamelplein primair dienen voor de logistiek van de orders die bestemd zijn voor verschillende delen van het (buiten)land en bestemmen die lijnen bepaalde plekken op het verzamelplein voor het plaatsen van pallets.

Verder bevinden zich op het verzamelplein ter hoogte van het sealapparaat geen andere (witte) lijnen die bestemd zijn om het verkeer ter plaatse te regelen, daargelaten een pad voor de orderpicktrucks langs de stellingen, waarvan het hof niet is gebleken dat een pompwagen daar in de buurt komt bij de uitoefening van de werkzaamheden. De ter plaatse aangebrachte belijning in de omgeving van het verzamelplein waar ook het sealapparaat is opgesteld kan dan ook niet voorkomen dat een pompwagen, die uit de aard van de werkzaamheden - ook - achteruit moet kunnen rijden - en in ieder geval achteruit rijdt vanaf de schans van het sealapparaat - op het verzamelplein in aanraking kan komen met een orderpicktruck die zich ook op dit verzamelplein kan bevinden wanneer een pallet uit de stellingen gereed wordt gezet voor sealen en laden in de vrachtwagen. Omdat de vorken van een orderpicktruck hoger kunnen reiken dan het plateau waarop de medewerker staat die de pompwagen bestuurt, terwijl deze daarbij - door bijvoorbeeld een kooiconstructie - niet beschermd is, en omdat de vorken door de pallet heen kunnen uitsteken, bestaat het reële (veiligheids)risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met (de vorken van) de orderpicktruck, met een kans op aanmerkelijk letsel. Gelet op dit risico had Papyrus veiligheidsmaatregelen dienen te treffen die dit risico op het hoge veiligheidsniveau dat artikel 7:658 BW vergt (zie 5.3) beperkt, waarbij zij er ook nadrukkelijk rekening mee had móeten houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.

5.12

Het hof houdt het oog op HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 ( [.../...] ) waarin onder meer is geoordeeld dat het een ervaringsfeit is dat de dagelijkse omgang met een machine de gebruiker ervan licht ertoe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is, ook al wordt de gebruiker gewaarschuwd voor gevaar. Van de werkgever moet dan ook worden verwacht dat hij onderzoekt of afdoende preventieve maatregelen mogelijk zijn dan wel of een veiliger werking van de machine mogelijk is of - indien dat niet mogelijk is - op voldoende effectieve wijze voor het gevaar kan worden gewaarschuwd. In dat kader is van belang met welke mate van waarschijnlijkheid de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen. Voorts is daarbij in aanmerking te nemen dat indien het - bij gebreke van maatregelen die het gevaar kunnen wegnemen - slechts mogelijk is voor het gevaar te waarschuwen, het in het algemeen niet voldoende is dat de gebruiker op de hoogte kan zijn van het gevaar: voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing kan worden beschouwd als een afdoende maatregel met het oog op bescherming tegen een bepaald gevaar, is van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat deze waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden.

5.13

Het overzichtelijk inrichten van het magazijn, het goed onderhouden van werkmaterieel, het voorschrijven van het dragen van veiligheidsschoenen buiten de voetgangerszones, het met neergelaten last of vorken rijden met de orderpicktruck, het instrueren van werknemers om verkeersregels in acht te nemen en het toezicht op de naleving daarvan zijn op zichzelf maatregelen die het in 5.12 vermelde risico beperken.

Het hof stelt vast dat onduidelijk is gebleven althans Papyrus onvoldoende heeft onderbouwd hoe de in 2.2.3. van de AHV opgenomen specifieke regels, die kennelijk, zo begrijpt het hof de lezing ervan, de toepasselijkheid van het algemeen verkeersreglement van Nederland uitzonderen, van toepassing kunnen zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden en, in het verlengde daarvan, hoe toezicht op de naleving van die regels op dat deel van het verzamelplein is gehouden. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt valt immers niet in te zien dat de in de AHV vermelde regel dat de hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op de zijpaden ook gold voor dit deel van het verzamelplein nu een markering van hoofd en zijpaden ter plekke ontbrak en de overige in 2.2.3. AHV genoemde regels kunnen uit de aard ervan geen betrekking hebben op dit deel van het verzamelplein. Het had op de weg van Papyrus gelegen om dit nader te onderbouwen.

5.14

Bij gebreke van toepassing van de in 2.2.3. AHV opgenomen specifieke regels geldt het algemeen verkeersreglement van Nederland op dit deel van het verzamelplein, zo begrijpt het hof. Het hof merkt op dat dit verkeersreglement algemeen is en niet specifiek is toegespitst op en geschreven voor de inrichting van de werkzaamheden in het magazijn van Papyrus.

Voorts stelt het hof vast dat de AHV waarin onder meer de toepasselijkheid van dit algemeen verkeersreglement wordt vermeld, weliswaar is uitgereikt aan [verweerder] , hij heeft daar immers voor getekend, maar niet is gebleken dat Papyrus zich nadrukkelijk ervan heeft vergewist of [verweerder] deze instructies goed heeft kunnen lezen en ook daadwerkelijk heeft begrepen. Gelet op de aard van de instructies, die zijn gericht op een (verkeers)veilige inrichting van het magazijn (waartoe het verzamelplein behoort), en het hiervoor geschetste risico had dit wel op haar weg gelegen. En eveneens had het daarom op de weg van Papyrus gelegen om ter bewustwording bij de werknemers van de risico’s bij herhaling bijzondere aandacht te schenken aan de inhoud en het belang van de geldende verkeersregels. Hierbij klemt dat voor [verweerder] , ook al kan hij, al dan niet met hulp van een Marokkaanse collega, mondeling in het Nederlands voldoende communiceren bij uitvoering van de werkzaamheden op de werkvloer en de Nederlandse taal tot op zekere hoogte lezen getuige zijn diploma van de inburgeringscursus, het Nederlands niet zijn moedertaal is.

De omstandigheid dat [verweerder] voor het ongeval nooit eerder betrokken is geweest bij verkeersincidenten in het magazijn maakt het vorenstaande niet anders.

Evenmin doet hieraan af dat de door Papyrus in het ordentelijk en overzichtelijk ingerichte magazijn gehanteerde verkeersregels aansluiten bij de in het Verkeersplan BMWT opgenomen aanbevelingen om tot een veilige verkeerssituatie te komen.

5.15

Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat Papyrus niet alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Het uitgebreide bewijsaanbod dat Papyrus in randnummers 53 en 125 van haar memorie van antwoord heeft gedaan, wordt gepasseerd, nu bewezenverklaring van de stellingen waaromtrent zij bewijs heeft aangeboden, niet kan leiden tot een ander oordeel. Gelet op de schending van haar zorgplicht en vast stellend dat Papyrus in randnummer 107 van haar memorie van antwoord uitdrukkelijk heeft opgemerkt dat door haar geen beroep op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van [verweerder] als bedoeld in artikel 7:658 BW werd en wordt gedaan is Papyrus aansprakelijk voor de schade van [verweerder] als bedoeld in artikel 7:658 BW.”

2.10

Bij op 10 september 2018 ter griffie ingekomen procesinleiding heeft Papyrus tijdig cassatieberoep ingesteld. Tegen [verweerder] is verstek verleend. Papyrus heeft afgezien van een schriftelijke toelichting.

3 Beoordelingskader

3.1

Art. 7:658 BW bevat de zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Het artikel houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

“1. De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

2. De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer

3. (…)

4. (…).”

3.2

Art. 7:658 lid 1 BW geeft een algemene regel omtrent de civielrechtelijke zorgplicht van de werkgever voor het voorkomen van schade voor de werknemer.5 De bedoelde zorgplicht verplicht de werkgever niet alleen om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht mag niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.6 De ratio achter de strenge zorgplicht is gelegen in de zeggenschap en invloed die de werkgever heeft op de arbeidsomstandigheden en de daadwerkelijke preventie van schade.7

3.3

Het hangt af van de omstandigheden van het geval welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever moeten worden verwacht en dus ook op welke manier en hoe veelvuldig hij de werknemer moet instrueren en op de naleving van de instructies moet toezien.8 Voor de invulling van de zorgplicht wordt gekeken naar eventuele geschreven normen - waarbij het vooral gaat om arboregels - en naar het ongeschreven recht, waarbij het in het bijzonder gaat om de weging van de zogenoemde Kelderluik-factoren.9 De publiekrechtelijke veiligheidsnormen vormen voor de werkgever een minimumnorm. De civielrechtelijke zorgplicht stelt hogere eisen.10 Tevens is van belang dat werkgevers er rekening mee moeten houden dat werknemers wel eens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.11

3.4

Ondanks de uitgebreide en casuïstische jurisprudentie over de zorgplicht zijn er, mede aan de hand van het arrest [.../...]12, enkele vuistregels ter bepaling van de omvang van de zorgplicht ontwikkeld. Preventie staat voorop, vervolgens het geven van instructies en waarschuwingen en tot slot het houden van toezicht op de naleving van deze instructies.13 Voor alledaagse risico’s hoeven geen maatregelen te worden getroffen.14

3.5

Op grond van art. 7:658 lid 2 BW rust de bewijslast voor het nakomen van de zorgplicht op de werkgever. Indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, kan de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zonodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen. Indien de werkgever ter onderbouwing van dit verweer voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van art. 7:658 lid 2 BW, te weten door verlichting van zijn processuele positie aan de werknemer bescherming te bieden tegen de risico's van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden.15

3.6

Al met al is de rechtspraak over de zorgplicht van de werkgever ter zake van de veiligheid op het werk behoorlijk goed uitgekristalliseerd. Sinds twee arresten van 11 november 201116 is, in de woorden van annotator Hartlief, de rust weergekeerd.17 Verschillende zaken zijn nadien beslist met toepassing van art. 81 RO. In twee zaken waarin vernietiging plaatsvond was, volgens Hartlief, in feitelijke instantie (1) te gemakkelijk aangenomen dat de werkgever voldoende zorg heeft betracht, (2) onvoldoende betekenis toegekend aan het rekening moeten houden met onvoorzichtigheid bij werknemers, en (3) onvoldoende ingegaan op de vraag wat in het kader van het toezicht van de werkgever kan worden gevergd.18

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Papyrus komt met een uit acht onderdelen opgebouwd middel op tegen het oordeel van het hof, waarin – kort gezegd – wordt geklaagd over de door het hof gehanteerde maatstaven, de begrijpelijkheid en motivering van dat oordeel, overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd en het passeren van het bewijsaanbod.

Onderdeel I

4.2

Onderdeel I valt uiteen in een vijftal subonderdelen. Het hof heeft in rov. 5.11 overwogen dat veronderstellenderwijs moet worden aangenomen dat de situatie ten tijde van en de toedracht van het ongeval is geweest zoals door [betrokkene 1] in zijn verklaring beschreven. Kort gezegd, klaagt Papyrus dat het hof bij zijn verdere overwegingen niet consequent van die veronderstelling is uitgegaan.

4.3

Het onderdeel moet falen. Anders dan Papyrus onder I A stelt, kan uit de omstandigheid dat het hof in rov. 5.11 in zijn algemeenheid - dus niet toegespitst op de concrete situatie ten tijde van het ongeval - spreekt van “het verkeer ter plaatse” en van een pallet “die gereed wordt gezet” niet worden afgeleid dat het hof niet tot uitgangspunt heeft genomen dat [betrokkene 1] stilstond, zoals hij zelf heeft verklaard. Verder komt, ook als [betrokkene 1] stilstond, wel degelijk betekenis toe aan de relevante verkeersregels. De opvatting dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer is, enkel en alleen omdat hij tussentijds en op het moment van de aanrijding stilstond, moet als onjuist worden verworpen. Ook bij een niet bewegend voertuig kan sprake zijn van verkeersdeelname, zo werd al in 1934 uitgemaakt.19 Of [betrokkene 1] op het moment van het ongeval verkeersdeelnemer was, kan hier niet worden vastgesteld, aangezien dit een beoordeling van feitelijke aard vergt. Er is hier overigens sprake van een ontoelaatbaar novum in cassatie, nu het standpunt dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer was in feitelijke aanleg niet is ingenomen, terwijl Papyrus zelf ook meermalen een beroep heeft gedaan op het in de AHV genoemde algemene verkeersreglement en de in de AHV vermelde specifieke verkeersregels.

4.4

Daarop stranden ook de klachten onder I B en I C, die betrekking hebben op de betekenis die het hof in rov. 5.13 en 5.14 heeft toegekend aan de specifieke verkeersregels in de AHV en de algemene verkeersregels in het algemeen verkeersreglement. Waar Papyrus onder I C stelt dat de door het hof genoemde regel uit de AHV “dat hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op zijpaden” uitgaat van vooruit gaande verkeersdeelnemers, terwijl [verweerder] achteruit reed, gaat zij voorbij aan het oordeel van het hof dat onvoldoende is onderbouwd dat de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels, waaronder deze regel, van toepassing zijn op het relevante deel van het verzamelplein.

4.5

Ook de klacht onder I D berust op de onjuiste veronderstelling dat [betrokkene 1] geen verkeersdeelnemer is en moet om die reden falen. Met de klacht vraagt Papyrus verder de facto om een feitelijke herbeoordeling, waar zij wijst op onvoorzichtigheid van [verweerder] en stelt dat sprake is van een algemeen bekend gevaar, zodat het hof had moeten oordelen dat Papyrus niet gehouden was specifieke maatregelen te nemen ter mitigering van dat gevaar. Voor een dergelijke herbeoordeling is in cassatie geen plaats. Het oordeel van het hof, dat Papyrus veiligheidsmaatregelen had moeten nemen ter voorkoming van het in rov. 5.11 omschreven gevaar, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in redelijkheid kunnen oordelen - zoals het kennelijk heeft gedaan - dat het gevaar dat een pompwagen, die uit de aard van de werkzaamheden ook achteruit moet kunnen rijden en in ieder geval achteruit rijdt vanaf de schans, op het verzamelplein in aanraking kan komen met een orderpicktruck die zich ook op het verzamelplein kan bevinden en het reële risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen daarbij in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck met een kans op aanmerkelijk letsel, geen algemeen bekend gevaar is dat noodzakelijk aan het verrichten van de betreffende werkzaamheden verbonden is.20

4.6

Ook onder I E gaat Papyrus ervan uit dat het hof het relaas van [betrokkene 1] niet consequent tot uitgangspunt heeft genomen. Ditmaal doordat in het oordeel in rov. 5.11 zou doorklinken dat het ongeval ter hoogte van het sealapparaat heeft plaatsgevonden en niet op de door [betrokkene 1] op de plattegrond aangewezen plaats. M.i. kan dat niet uit de bestreden overweging worden afgeleid zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Dat het hof spreekt over de belijning “ter hoogte van het sealapparaat”, houdt daarmee verband dat dit de plaats is van waaruit [verweerder] zich bewoog. Uit de vooropstelling dat veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de toedracht is geweest zoals door [betrokkene 1] is beschreven, volgt dat het hof heeft aangenomen dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de door [betrokkene 1] aangewezen plaats. Bij dit alles is onduidelijk welk belang Papyrus bij haar klacht heeft. Voor zover hier van belang, is de essentie van ’s hofs oordeel immers dat de ter plaatse aangebrachte belijning in de omgeving van het verzamelplein niet kan voorkomen dat een pompwagen op het verzamelplein in aanraking kan komen met een orderpicktruck die zich ook op het verzamelplein kan bevinden. Papyrus stelt niet, laat staan dat zij dit onderbouwt, dat dit oordeel anders zou komen te luiden als - zo het hof dat niet al tot uitgangspunt zou hebben genomen - het ongeval op de door [betrokkene 1] aangewezen plek heeft plaatsgevonden.

Onderdeel II

4.7

Onderdeel II betreft “(verschillende aspecten van) de omgang door het hof met de feitelijke toedracht van het ongeval” en valt uiteen in drie subonderdelen.

4.8

De klacht onder II A mist feitelijke grondslag. Anders dan Papyrus stelt, heeft het hof in rov. 5.15 niet miskend dat de feitelijke toedracht van belang kan zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van een zorgplichtschending.21 Het hof heeft het bewijsaanbod van Papyrus gepasseerd omdat de door haar te bewijzen stellingen niet kunnen leiden tot een ander oordeel. Dat is iets anders. Onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel van het hof niet. Bedacht moet worden dat het hof bij het oordeel goeddeels is uitgegaan van de juistheid van de door Papyrus te bewijzen aangeboden stellingen en de verklaring van [betrokkene 1] .

4.9

Van het grote aantal stellingen waarvan Papyrus bewijs heeft aangeboden, zijn hier met name relevant de stellingen:

(i) dat de vloer van het magazijn is voorzien van duidelijke markeringen;

(ii) dat er in het magazijn algemene verkeersregels gelden die zijn opgenomen in het Handboek Veiligheid dat [verweerder] heeft ontvangen;

(iii) dat [verweerder] de Nederlandse taal voldoende beheerst en in de communicatie met [verweerder] nooit problemen zijn geweest omdat [verweerder] de taal onvoldoende machtig zou zijn, en;

(iv) dat de leidinggevenden toezicht houden in het magazijn en medewerkers erop aanspreken als zij zich niet aan de regels houden.22

4.10

Het hof hoefde Papyrus niet tot het bewijs van deze stellingen toe te laten omdat:

ad (i): het hof heeft aangenomen dat de vloer van duidelijke markeringen is voorzien, maar dit onverlet laat dat uit de verklaringen volgt dat de gele belijning op het verzamelplein ter hoogte van het sealapparaat primair een logistiek doel dient en dat er geen andere witte lijnen zijn die bestemd zijn om het verkeer ter plaatse te regelen;

ad (ii) en (iv): het hof heeft aangenomen dat in het magazijn de specifieke regels van de AHV gelden, dat deze aan [verweerder] zijn verstrekt en dat leidinggevenden op de naleving daarvan toezien, maar dit onverlet laat dat Papyrus onvoldoende heeft onderbouwd hoe de AHV van toepassing kan zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden en hoe daarop toezicht is gehouden en niet gebleken is dat Papyrus zich nadrukkelijk ervan heeft vergewist of [verweerder] deze instructies goed heeft kunnen lezen en ook daadwerkelijk heeft begrepen;

ad (iii): het hof heeft aangenomen dat [verweerder] mondeling in het Nederlands voldoende kan communiceren en de Nederlandse taal tot op zekere hoogte kan lezen, maar dit onverlet laat dat de Nederlandse taal niet zijn moedertaal is.

4.11

De klacht onder II B betreft eveneens het passeren van het bewijsaanbod en berust opnieuw op de onjuiste veronderstelling dat het hof wat betreft de feitelijke toedracht niet is uitgegaan van de inhoud van de door [betrokkene 1] afgelegde verklaring. Reeds daarop moet de klacht stranden. In de door Papyrus geconstateerde tegenstrijdigheden in de stellingen van [verweerder] hoefde het hof geen aanleiding te zien af te wijken van de bijzondere regel van bewijslastverdeling in art. 7:658 lid 2 BW.23

4.12

Ook de klacht onder II C slaagt niet. Kort gezegd stelt Papyrus met dit subonderdeel de begrijpelijkheid ter discussie van rov. 5.13, waarin het hof heeft overwogen dat een markering van hoofd- en zijpaden ter plekke ontbrak en in verband daarmee dat het op de weg van Papyrus lag te onderbouwen hoe de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels van toepassing kunnen zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Papyrus stelt ter onderbouwing van haar klacht dat de overweging dat de gele lijnen primair een logistieke functie hadden, niet noodzakelijkerwijs betekent dat zij niet ook een andere functie kunnen hebben.

4.13

Ik stel vast dat het standpunt dat die gele lijnen daadwerkelijk ook een andere, namelijk een verkeersfunctie hebben, door Papyrus niet wordt ingenomen.24 De verdere verwijzing door Papyrus naar de verklaring van [betrokkene 5] , supply chain manager Benelux bij Papyrus,25 maakt haar betoog in cassatie niet overtuigender. Anders dan Papyrus verder lijkt te veronderstellen is de bevinding van de inspecteur van de Arbeidsinspectie dat het magazijn overzichtelijk en ordelijk is, dat de vloer van het magazijn was voorzien van duidelijke markeringen in de vorm van witte en gele lijnen, zogeheten haaientanden en groene paden en dat er algemene regels in het magazijn gelden, niet onverenigbaar met de vaststelling van het hof dat ter plaatse op het verzamelplein alleen gele, voor logistiek bestemde belijning aanwezig is en zich daar geen witte lijnen bevinden die bestemd zijn om het verkeer ter plaatse te regelen met het oog op de veiligheid van de werknemers.

4.14

Tot slot ziet de verwijzing naar de vaststelling van het hof dat Papyrus verkeersregels hanteerde die aansluiten bij de in het Verkeersplan BMWT26 opgenomen aanbevelingen om tot een veilige verkeerssituatie te komen en dat de AHV van Papyrus de verkeersregel bevat dat de hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op de zijpaden, eraan voorbij dat het hof nu juist heeft geoordeeld dat Papyrus onvoldoende heeft onderbouwd hoe de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels van toepassing kunnen zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden, nu een markering van hoofd- en zijpaden ter plekke ontbrak.

Onderdeel III

4.15

Onderdeel III is opgebouwd uit vijf deelklachten en ziet op de toepassing door het hof van de maatstaf ter beoordeling van de vraag of Papyrus aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

4.16

De klacht onder III A berust op de onjuiste rechtsopvatting dat de omstandigheid dat de Arbeidsinspectie geen overtreding heeft vastgesteld, betekent dat de werkgever zijn zorgplicht ex. art. 7:658 BW heeft nageleefd en moet reeds daarom falen. Papyrus verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het arrest Maatzorg/ […].27 Daarin is overwogen dat de omvang van de zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt gevergd.28 De publiekrechtelijke veiligheidsnormen gelden als gezegd als ondergrens (zie hiervoor, 3.3). Heeft de werkgever verplichtingen die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden geschonden, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de letselschade die de werknemer daardoor lijdt.29 Dat betekent uiteraard niet dat a contrario de werkgever zijn zorgplicht zonder meer heeft nageleefd als geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet is vastgesteld.30

4.17

Bij zijn oordeel heeft het hof de bevindingen van de Arbeidsinspectie blijkens de vastgestelde feiten wel degelijk in aanmerking genomen. Ook in rov. 5.13 komen deze bevindingen, zonder dat dit daarbij met zoveel woorden is aangegeven, tot uitdrukking. Het oordeel dat ondanks de bevindingen van de Arbeidsinspectie sprake is van schending van de zorgplicht is voldoende gemotiveerd.

4.18

Papyrus’ klacht onder III B mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat de beoordeling welke verplichtingen in een concreet geval op de werkgever rusten moet plaatsvinden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.31 Dat het hof bij zijn oordeel overwegende betekenis heeft toegekend aan het reële risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck, met kans op aanmerkelijk letsel, is niet onbegrijpelijk. Overigens is de discussie tussen partijen ook niet zozeer geweest of met het oog op dit risico veiligheidsmaatregelen getroffen moesten worden, maar of de getroffen maatregelen en aanwijzingen toereikend waren.

4.19

Ook de klacht onder III C slaagt niet. Het hof is niet voorbijgegaan aan de stelling van Papyrus dat [verweerder] een zeer ervaren werknemer was die voorafgaand aan het ongeval al jaren met de orderpicktruck en de elektrische pompwagen werkte, en die verschillende opleidingen had gevolgd en over verschillende (relevante) certificaten beschikte.32 De stelling komt bij de weergave van het door Papyrus in rov. 5.8 gestelde terug en is derhalve door het hof in zijn beoordeling betrokken. Gezien de overweging dat een werkgever ermee rekening heeft te houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is (rov. 5.3, 5.11 en 5.12), is voldoende duidelijk waarom dit een en ander het hof niet tot een ander oordeel heeft gebracht.33

4.20

De klachten onder III D en III E lijken op twee gedachten te hinken: enerzijds wordt het hof verweten blijkens rov. 5.12 een te strenge maatstaf te hebben gehanteerd, anderzijds wordt geklaagd dat het hof de maatstaf wel voorop heeft gesteld, maar niet heeft toegepast. Het lijkt mij dat het van tweeën één is. Het hof refereert in de beoogde overweging aan het arrest [.../...].34 Daarbij geeft het geen toepassing aan dit arrest, maar ‘houdt het daarop het oog’. Zie ik het goed, dan vormt de inhoud van deze overweging een onderstreping van wat het hof met juistheid aan het slot van rov. 5.11 heeft overwogen: een werknemer moet er nadrukkelijk rekening mee houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Overigens zou het hof m.i. niet een te zware of onjuiste maatstaf hebben gehanteerd als het hof het onderhavig geval wél langs de lat van het arrest [.../...] zou hebben gelegd. Het gaat hier, net als in dat arrest, om de inrichting van de onderneming en de gebruikte machines, en dus om zaken die de werkgever zelf bepaalt.35

Onderdeel IV

4.21

Met onderdeel IV klaagt Papyrus dat het hof in rov. 5.13 en 5.14 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden waar in het bestreden arrest wordt overwogen dat niet valt in te zien dat de in de AHV vermelde regel dat de hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op de zijpaden ook gold voor het deel van het verzamelplein waarop het ongeval zou hebben plaatsgevonden en door betekenis toe te kennen aan de mate van bekendheid van [verweerder] met de ter plaatse geldende verkeersregels. Volgens Papyrus heeft [verweerder] nergens gesteld of geïmpliceerd dat de AHV in bepaalde delen van het verzamelplein niet zou gelden, noch dat hij met de ter plaatse geldende verkeersregels niet voldoende bekend zou zijn.

4.22

Het onderdeel wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof is met zijn oordeel niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ingevolge art. 7:658 BW lid 2 diende Papyrus aan te tonen dat zij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen. In dat verband heeft zij zich blijkens rov. 5.8 onder meer op de AHV beroepen en het standpunt ingenomen dat [verweerder] daarmee bekend was.36 Ook zonder de (impliciete) stelling van [verweerder] dat de in 2.2.3 van de AHV opgenomen specifieke regels voor bepaalde delen van het verzamelplein niet zou gelden, mocht het hof van Papyrus een nadere onderbouwing van haar stellingen verlangen, nu zonder een dergelijke onderbouwing niet valt in te zien dat de in de AHV vermelde regel dat hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op zijpaden ook geldt voor het relevante deel van het magazijn, aangezien een markering van de hoofd- en zijpaden ter plekke ontbreekt en de overige regels uit de aard ervan geen betrekking op dat deel van het verzamelplein kunnen hebben. Daarbij komt dat door [verweerder] wel degelijk is aangevoerd dat, nog afgezien van een eventuele taalbarrière voor werknemers voor wie Nederlands niet de moedertaal is, de AHV een onvoldoende waarborg biedt voor een veilige werkomgeving omdat de inhoud daarvan onvoldoende concreet en voor verschillende interpretaties vatbaar is.37

Onderdeel V

4.23

Onderdeel V betreft rov. 5.13 en hetgeen daaruit blijkt omtrent de door het hof aangenomen stelplicht en bewijslast van Papyrus.

4.24

Zoals eerder is overwogen, volgt uit art. 7:658 lid 2 BW dat de werkgever dient aan te tonen dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen. Het is aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, om vast te stellen of de werkgever ter onderbouwing van zijn verweer dat aan de zorgplicht is voldaan voldoende concrete feitelijke gegevens heeft aangevoerd. Als dat het geval is, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert.38 Dat heeft het hof niet miskend. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat Papyrus de lat van ‘voldoende concreet’ niet heeft gehaald.

4.25

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, heeft Papyrus onder meer gewezen op de AHV en de markeringen die de ter plaatse geldende verkeersregels benadrukken. Het hof heeft voldoende gemotiveerd waarom het op de weg van Papyrus lag te onderbouwen hoe de in 2.2.3 van de AHV opgenomen regels van toepassing kunnen zijn op het deel van het verzamelplein waar het ongeval heeft plaatsgevonden: zonder een dergelijke onderbouwing valt niet in te zien dat de daarin vermelde regel dat de hoofdpaden in het magazijn voorrang hebben op de zijpaden ook geldt voor dat deel aangezien een markering van de hoofd- en zijpaden ter plekke ontbreekt en de overige in 2.2.3 AHV genoemde regels uit de aard ervan geen betrekking kunnen hebben op dit deel van het verzamelplein.

Onderdeel VI

4.26

Onderdeel VI is opgebouwd uit vier subonderdelen en heeft betrekking op rov. 5.14 en 5.15. Ik herinner eraan dat het hof in rov. 5.14 heeft overwogen wat Papyrus had moeten doen, maar heeft nagelaten: er golden voor de specifieke situatie, geen specifieke op het concrete risico toegesneden, maar slechts algemene regels; Papyrus heeft zich er niet van vergewist of de inhoud van de regels door de werknemers (algemeen) is gelezen en begrepen; zij had aan de inhoud en het belang daarvan bij herhaling aandacht moeten schenken gezien het specifieke risico; voor [verweerder] (specifiek) klemt dit te meer nu Nederlands niet zijn moedertaal is.

4.27

Onder VI A klaagt Papyrus over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, omdat zonder nadere toelichting niet duidelijk zou zijn in hoeverre het aandacht besteden aan welke specifieke verkeersregels het concrete risico op een ongeval als het onderhavige zou kunnen beperken.

4.28

Met deze klacht ziet Papyrus opnieuw voorbij aan de op haar rustende stelplicht en bewijslast en de essentie van het bestreden oordeel. Papyrus diende aan te tonen dat zij de in art. 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen is nagekomen. Het oordeel van het hof houdt - niet onbegrijpelijk - in dat Papyrus gelet op het risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck met een kans op aanmerkelijk letsel, veiligheidsmaatregelen had moeten treffen die dit risico, op het hoge veiligheidsniveau dat art. 7:658 BW vergt, beperkt (rov. 5.11). Papyrus heeft zich ter onderbouwing van haar stelling dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan onder meer beroepen op de AHV en het algemene verkeersreglement. Dat impliceert dat zij zelf meende dat daarin verkeersregels zijn opgenomen die het concrete risico op een ongeval als het onderhavige zouden kunnen beperken.

4.29

Het voorgaande geldt ook voor de klachten onder VI B. Dat subonderdeel berust verder op de onjuiste lezing dat naar het oordeel van het hof het feit dat het algemeen verkeersreglement niet specifiek is toegespitst op en geschreven voor de inrichting van de werkzaamheden in het magazijn van Papyrus “(mede-)dragend [is] voor het oordeel dat Papyrus “bij herhaling bijzondere aandacht” zou moeten schenken aan de ter plaatse geldende verkeersregels”. Het gaat hier om twee zelfstandige omstandigheden die het hof bij de beoordeling of Papyrus aan haar zorgplicht heeft voldaan, in aanmerking heeft genomen. De omstandigheid dat de algemene verkeersregels algemeen en niet specifiek zijn, is relevant omdat het eerder door het hof omschreven risico niet algemeen, maar specifiek is aan de werkzaamheden van haar werknemers in het magazijn. De noodzaak om “bij herhaling bijzondere aandacht” te schenken aan de ter plaatse geldende verkeersregels, vloeit voort uit de eerder door het hof vooropgestelde omstandigheid dat er ook nadrukkelijk rekening mee moet worden gehouden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.

4.30

Onder VI C klaagt Papyrus dat het oordeel van het hof dat “niet is gebleken dat Papyrus zich nadrukkelijk ervan heeft vergewist” of [verweerder] de relevante verkeersinstructies daadwerkelijk heeft kunnen internaliseren en dat zij “niet alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt” onbegrijpelijk is in het licht van de onweersproken stelling dat [verweerder] op de hoogte was van de geldende verkeersregels. Het oordeel van het hof zou te meer onbegrijpelijk zijn in het licht van de vaststelling dat Papyrus verkeersregels hanteerde die “aansluiten bij de in het Verkeersplan BMWT opgenomen aanbevelingen om tot een veilige verkeerssituatie te komen”, waaronder de verkeersregel “achteruitrijdend verkeer moet altijd voorrang geven aan vooruit rijdend verkeer”.39 Zij stelt dat het hof niet heeft vastgesteld (waaruit blijkt) dat [verweerder] van deze regel niet (voldoende) op de hoogte was. In het licht van het voorgaande zou het hof in rov. 5.15 verder ten onrechte het gespecificeerde bewijsaanbod hebben gepasseerd voor zover dat zag op een of meer van de hierboven genoemde stellingen.

4.31

Ik acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door Papyrus betrokken stellingen. Het hof heeft met juistheid in eerdere overwegingen vooropgesteld dat een werkgever ermee rekening heeft te houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is. Het hof heeft verder niet onbegrijpelijk betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de relevante instructies zijn gericht op een (verkeers)veilige inrichting van het magazijn en de aard van het risico. Daarnaast heeft het hof meegewogen dat Nederlands niet de moedertaal van [verweerder] is. Gezien deze omstandigheden heeft het hof kunnen overwegen dat het op de weg van Papyrus lag (i) zich nadrukkelijk ervan te vergewissen of [verweerder] de instructies goed heeft kunnen lezen en ook daadwerkelijk heeft begrepen en (ii) om ter bewustwording bij de werknemers van de risico’s bij herhaling bijzondere aandacht te schenken aan de inhoud en het belang van de geldende verkeersregels. Papyrus betwist niet dat zij dit heeft nagelaten. Gelet daarop kon het hof tot het oordeel komen dat Papyrus niet alle aanwijzingen heeft verstrekt die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

4.32

Ik wijs erop dat Papyrus in feitelijke aanleg geen beroep heeft gedaan op de in het Verkeersplan BMWT opgenomen regel dat achteruitrijdend verkeer altijd voorrang moet geven aan vooruitrijdend verkeer. Zij verwijst in dit verband ook niet naar eigen vindplaatsen, maar naar een namens [verweerder] bij inleidende dagvaarding overgelegde productie waarin paragraaf 4.4.3 van de BMWT-kennisbank wordt weergegeven met daarin een beschrijving van het Verkeersplan in magazijnen. De omstandigheid dat de in het magazijn gehanteerde verkeersregels aansluiten bij de in het Verkeersplan BWMT opgenomen aanbevelingen om tot een veilige verkeerssituatie te komen, doet bovendien niet af aan het oordeel dat Papyrus heeft nagelaten de in het vorige randnummer onder (i) en (ii) genoemde maatregelen te treffen, zoals het hof heeft overwogen.

4.33

De klachten onder VI D slagen evenmin. Zij berusten op de onjuiste veronderstelling dat de kantonrechter in eerste aanleg zou hebben vastgesteld dat uit het rapport van de Arbeidsinspectie op geen enkele wijze valt op te maken dat [verweerder] de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen, waartegen door hem niet is gegriefd. De beoogde overweging is geen oordeel van de kantonrechter, maar een weergave van de stellingen van Papyrus.40 [verweerder] hoefde daartegen derhalve geen grief te richten,41 terwijl het hof daardoor ook niet in zijn oordeelsvorming werd beperkt.42

Onderdeel VII

4.34

Onderdeel VII wordt ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de voorgaande klachten falen. Die voorwaarde is vervuld.

4.35

De klacht betreft het dictum voor zover daarin voor recht is verklaard dat Papyrus de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade dient te vergoeden “nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet”. Papyrus klaagt dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de schadeomvang direct in de uitspraak kon worden vastgelegd, in welk geval geen verwijzing naar de schadestaatprocedure nodig zou zijn geweest. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, zou het hof in ieder geval hebben miskend dat het uit hoofde van de devolutieve werking van het appel gehouden was om het door Papyrus in eerste aanleg gevoerde verweer tegen de door [verweerder] gevorderde verwijzing naar de schadestaat te beoordelen.43 Voor zover het hof ook dit niet heeft miskend, klaagt Papyrus dat zijn oordeel in ieder geval onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu nergens kenbaar in de motivering is betrokken waarom de schadeomvang niet direct in de uitspraak kon worden vastgelegd, dan wel waarom de door Papyrus in eerste aanleg aangevoerde omstandigheden niet tot het oordeel hebben kunnen leiden dat de schadeomvang direct in de onderhavige uitspraak kon worden vastgelegd.

4.36

Papyrus ziet er m.i. aan voorbij dat er een verschil bestaat tussen het vorderen van schadevergoeding nader op te maken bij staat en het vorderen van een verklaring voor recht aangaande aansprakelijkheid voor schade nader op te maken bij staat. In het eerste geval is denkbaar dat de rechter tot een begroting van de schade komt en verwijzing naar de schadestaatprocedure achterwege kan blijven. Ik verwijs naar HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2930, rov. 4.2.2:

“Indien de rechter een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, brengt art. 612 Rv mee dat hij in beginsel de schade in zijn vonnis begroot voor zover hem dit mogelijk is, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Het partijdebat moet dit toelaten en de rechter dient het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. Het oordeel of begroting van de schade aldus mogelijk is, is in beginsel van feitelijke aard en dus overgelaten aan de feitenrechter (zie onder meer HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2229, NJ 2010/229 en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4914, NJ 2012/95).”

In het tweede geval zou de rechter door schadevergoeding toe te kennen buiten de vordering treden. Reeds daarop moeten de klachten van het onderdeel stranden.

Onderdeel VIII

4.37

Onderdeel VIII houdt in dat het slagen van een of meer van de voorgaande klachten ook de onderdelen 6 en 7 en het dictum treft. Deze voortbouwklacht mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorgaande klachten.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 3.1 en 3.2 van het bestreden arrest en rov. 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis van de kantonrechter binnen de rechtbank Gelderland van 27 november 2015.

2 Vgl. rov. 4.1 van het bestreden arrest.

3 Vgl. rov. 4.2 van het bestreden arrest.

4 Vgl. rov. 5.1 van het bestreden arrest.

5 Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/250.

6 HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 ([…]), NJ 2015/182, m.nt. T. Hartlief, JAR 2015/14, m.nt. B. Barentsen, JA 2015/16, m.nt. E.V. van der Schee.

7 Vgl. J.P. Kroon, Arbeidsovereenkomst, art. 7:658 BW, aant. 2.1.

8 Vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8171 ([.../...]), NJ 2005/260, AV&S 2004/48, m.nt. Chr. H. van Dijk, JAR 2004/190, m.nt. M.S.A. Vegter.

9 Zie HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik), NJ 1966/136, m.nt. G.J. Scholten.

10 Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/251.

11 Vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590 (Giraldo/Daltra Antilles), NJ 2013/11, JAR 2013/16, m.nt. B. Barentsen en HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 ([…]), NJ 2015/182, m.nt. T. Hartlief, JAR 2015/14, m.nt. B. Barentsen, JA 2015/16, m.nt. E.V. van der Schee.

12 HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 ([.../...]), NJ 2008/460, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008/465, JA 2006/11, m.nt. W.H. van Boom, Ondernemingsrecht 2006/74, m.nt. F.B.J. Grapperhaus.

13 Vgl. J.P. Kroon, Arbeidsovereenkomst, art. 7:658 BW, aant. 2.1.

14 Vgl. J.P. Kroon, Arbeidsovereenkomst, art. 7:658 BW, aant. 2.5, onder verwijzing naar onder meer HR 4 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4090 (Laudy/Fair Play), NJ 2004/175, HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8254 ([.../...] ), NJ 2004/77, m.nt. GHvV, HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5834 ([…] /Casa Grande), NJ 2007/143, HR 7 december 2007 ([…] /Shell), NJ 2007/643, JA 2008/33, m.nt. B.M. Paijmans en HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423 ([.../...]), NJ 2008/93, JAR 2008/73, m.nt. M.S.A. Vegter.

15 Vgl. HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3017 ([…] /Leger des Heils), NJ 2008/463, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008/465, SR 2007/56, m.nt. J.N. Stamhuis, JA 2007/137, m.nt. J.F. Schultz en HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel), NJ 2011/598, m.nt. T. Hartlief, JAR 2011/315, m.nt. B. Barentsen, TRA 2012/7, m.nt. M.S.A. Vegter, AA 20120204, m.nt. S.D. Lindenbergh.

16 HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215, NJ 2011/597 (TNT/ […]) en 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223, NJ 2011/598 (De Rooyse Wissel).

17 Aldus T. Hartlief in zijn noot bij het arrest […], NJ 2015/182, onder 1.

18 T. Hartlief in zijn noot bij het arrest […], NJ 2015/182, onder 2.

19 Vgl. HR 11 mei 1934, ECLI:NL:HR:1934:264, NJ 1934, p. 1041, over art. 25 Motor- en Rijwielwet, voorganger van art. 185 WVW: “dat wanneer deze feiten juist worden bevonden, hier een rijdend motorrijtuig was, dat in verband met het overig verkeer een oogenblik tot stilstand moest worden gebracht, althans tot stilstand werd gebracht; dat zoodanig stilstaan voor een oogenblik moet worden aangemerkt als een onderdeel van het rijden, waarvoor ook geldt de regeling van art. 25 der Motor- en Rijwielwet, zoodat het middel in zooverre gegrond is;”

20 Papyrus verwijst naar haar conclusie van antwoord onder 22-27 en haar memorie van antwoord onder 108. Op die plaats heeft zij overigens niet gesteld dat sprake was van een algemeen bekend gevaar waarvoor geen veiligheidsmaatregelen getroffen hoefden te worden, maar dat het enkele feit dat een ongeval heeft plaatsgevonden, niet betekent dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is en dat geen absolute waarborg is beoogd voor bescherming van de werknemer tegen het gevaar van ongevallen.

21 Papyrus verwijst naar haar memorie van antwoord onder 32 en naar HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 (Fransen/Pasteur ziekenhuis), NJ 2000/211, m.nt. P.A. Stein, JOR 2000/91, m.nt. C.J.M. Klaassen, Hoge Raad 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432 (Industromontaza/Maryan Banfic), NJ 2001/476, m.nt. P.A. Stein en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430 ([…] /Boot Service Hattuma), NJ 2001/377.

22 Zie de memorie van antwoord onder 125, het 5e, 6e, 10e en 11e aandachtsstreepje.

23 Vgl. HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432 (Industromontaza/Maryan Banfic), NJ 2001/476, m.nt. P.A. Stein, naar welk arrest Papyrus in voetnoot 10 van haar procesinleiding verwijst.

24 Ook niet in voetnoot 15 van de procesinleiding, waarin Papyrus overigens een klacht heeft verstopt.

25 Zie het proces-verbaal van de comparitie in hoger beroep (dossierstuk 10).

26 De BMWT is een brancheorganisatie van leveranciers van bouwmachines, magazijninrichtingen, wegenbouwmachines en transportmaterieel; zie https://www.bmwt.nl/over-de-bmwt/wat-is-de-bmwt. Zie ook de inleidende dagvaarding onder 33 en 34. Namens [verweerder] is als productie 14 bij de inleidende dagvaarding paragraaf 4.4.3 van de BMWT-kennisbank overgelegd, waarin het Verkeersplan in magazijnen beschreven staat.

27 HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/ […]), NJ 2009/332, TRA 2009/26, m.nt. M.S.A. Vegter.

28 Vgl. Kamerstukken II 2005/2006, 30 552, nr. 3, p. 30.

29 HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7355 ([.../...]), NJ 2008/464, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008/465. Zie ook Asser/Heerma van Voss 7-V 2015/251 en J.P. Kroon, Arbeidsovereenkomst, art. 7:658 BW, aant. 2.2.

30 Vgl. HR 5 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1463 ([.../...]), NJ 2005/215. Zie ook Hof Leeuwarden 3 februari 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BH448, JAR 2009/74.

31 Papyrus verwijst naar HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7423, ([.../...]) NJ 2008/93, JAR 2008/73, m.nt. M.S.A. Vegter en HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9977 (Fugro Survey), NJ 2010/635, JAR 2011/16, m.nt. B. Barentsen, TRA 2011/16, m.nt. M.D. Ruizeveld.

32 Papyrus verwijst voor haar stellingen in feitelijke aanleg naar de conclusie van antwoord onder 55 en de memorie van antwoord onder 87.

33 Uit voetnoot 27 in de procesinleiding in cassatie, maak ik op dat Papyrus het verband tussen deze overwegingen zelf ook heeft gelegd.

34 HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3313 ([.../...]), NJ 2008/460, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008/465, JA 2006/11, m.nt. W.H. van Boom, Ondernemingsrecht 2006/74, m.nt. F.B.J. Grapperhaus.

35 Vgl. de annotatie van Heerma van Voss onder NJ 2008/465 onder 4.

36 In voetnoot 36 van de procesinleiding in cassatie stelt Papyrus, onder verwijzing naar vindplaatsen in de inleidende dagvaarding en de memorie van grieven, dat [verweerder] de AHV uitsluitend heeft aangehaald in de context van de problematiek van de ‘scheiding van functies’ (kort gezegd was de stelling dat de verkeerssoorten, hier de pompwagen en orderpicktruck, zo veel mogelijk uit elkaar gehouden moeten worden). Dat is onjuist. [verweerder] is in eerste aanleg op de AHV ingegaan naar aanleiding van het door Papyrus gevoerde verweer. In hoger beroep is de context waarbinnen [verweerder] op de AHV ingaat ook breder dan de discussie over functiescheiding.

37 Vgl. de memorie van grieven onder 25. Zie ook de dagvaarding onder 38-40, welke stellingen blijkens de memorie van grieven onder 2 in hoger beroep gehandhaafd zijn.

38 Vgl. HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3017 ([…] /Leger des Heils), NJ 2008/463, m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2008/465, SR 2007/56, m.nt. J.N. Stamhuis, JA 2007/137, m.nt. J.F. Schultz en Hoge Raad 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5223 (De Rooyse Wissel), NJ 2011/598, m.nt. T. Hartlief, JAR 2011/315, m.nt. B. Barentsen, TRA 2012/7, m.nt. M.S.A. Vegter, AA 20120204, m.nt. S.D. Lindenbergh, waarnaar Papyrus hier ook verwijst. Papyrus verwijst verder naar haar conclusie van antwoord onder 74-78 en haar memorie van antwoord onder 122.

39 Papyrus verwijst naar productie 14 bij de inleidende dagvaarding.

40 Vgl. haar conclusie van antwoord onder 35-38 en 57.

41 Zie evenwel grief 5 en de toelichting daarop in de memorie van grieven onder 24 en 25.

42 Papyrus verwijst hier naar haar memorie van antwoord onder 125, tiende gedachtestreepje.

43 Papyrus verwijst hier naar haar conclusie van antwoord onder 79-84, waar zij onder verwijzing naar HR 30 maart 1951, ECLI:NL:HR:1951:343, NJ 1952/29, m.nt. Ph.A.N. Houwing Hoge Raad 19 mei 1961, ECLI:NL:HR:1961:76, NJ 1961/534 en Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 915 stelt dat “om tot een verwijzing naar een schadestaatprocedure ex artikel 612 Rv over te gaan, (…) er immers bijzondere omstandigheden [dienen] te worden gesteld om het belang bij een dergelijke vordering aan te tonen” en dat hier van zodanige bijzondere omstandigheden geen sprake is. Hier lijken twee zaken te worden verward: het vereiste van een voldoende belang bij een gevorderde verklaring voor recht en het uitgangspunt dat de rechter de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is.