Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:693

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
17/06134
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1484
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over (i) bewijsklacht in geval van alternatieve bewezenverklaring van eendaadse samenloop van kort gezegd opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen respectievelijk levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is en (ii) verwerping verweren ten aanzien van het gebruik van de conclusies van het zgn. ‘Brandoorzaak onderzoek’ voor het bewijs. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/06134

Zitting 2 juli 2019

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 12 december 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “de eendaadse samenloop van opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar/gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven. De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zijn in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

  2. Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte “in ieder geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met brandbare stoffen”.

  4. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

“hij op of omstreeks 10 december 2015 te Rotterdam, in een woning/pand gelegen aan de [a-straat] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht immers heeft verdachte toen aldaar
- de gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd en/of de gaskraan geopend,
- op een of meer plek(ken) ontbrandbare vloeistoffen (te weten gas en/of een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en/of een paraffinisch-isoparafinisch product) opzettelijk in aanraking gebracht met (open) vuur, en/of
- de in de woning aanwezige (ontbrandbare) gassen en/of dampen opzettelijk in aanraking gebracht met (een) andere in de woning aanwezige ontstekingsbron(nen) in ieder geval opzettelijk (open) vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan een ontploffing en/of brand is ontstaan en/of die woning geheel of gedeeltelijk is ontploft en/of verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.”

5. Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 10 december 2015 te Rotterdam, in een woning gelegen aan de [a-straat] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht immers heeft verdachte toen aldaar
- de gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd en/of de gaskraan geopend,
- op meer plekken ontbrandbare vloeistoffen (te weten een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en een paraffinisch-isoparafinisch product) opzettelijk in aanraking gebracht met (open) vuur, of
- de in de woning aanwezige (ontbrandbare) gassen opzettelijk in aanraking gebracht met (een) andere in de woning aanwezige ontstekingsbron(nen)
in ieder geval opzettelijk (open) vuur en/of een andere ontstekingsbron in aanraking gebracht met brandbare stoffen, ten gevolge waarvan een ontploffing en brand is ontstaan en die woning geheel of gedeeltelijk is ontploft en verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en in de nabijheid van die woning aanwezige goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de nabijheid van die woning/belendende percelen bevindende personen, te duchten was.”

6. Het hof heeft in het arrest onder het hoofd “Bewijsoverweging”, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

“Op 10 december 2015, omstreeks 04.56 uur, vond er een ontploffing c.q. explosie en brand plaats in een flatcomplex gelegen, aan de [a-straat] te Rotterdam. Het pand is eigendom van Woonstad Rotterdam. De flatwoning waar de brand had gewoed werd gehuurd door de verdachte van Woonstad. Op 10 december 2015 werd in en om die flatwoning van verdachte, [a-straat 1] te Rotterdam, een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de explosie en brand.
Tijdens het ingestelde onderzoek in de flatwoning, werd op drie locaties de indicatie verkregen van vermoedelijke aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. De woning was als gevolg van de inwerking van een explosie en brand zwaar beschadigd. Aan de zijde van de [a-straat] was de gemetselde spouwmuur met gevelelementen naar buiten gedrukt en versplinterd. Ten gevolge van het naar buiten drukken van de spouwmuur met gevelelementen raakten twee geparkeerd staande motorvoertuigen beschadigd. Op het trottoir onder de woning lagen de vernielde gevelelementen en delen van de gemetselde spouwmuur. Het glas van de ramen lag verspreid over het trottoir en een deel van de rijbaan.
De brand betrof een uitslaande brand die in de flatwoning zeer zware schade had veroorzaakt en zich had uitgebreid naar de gevelelementen van de boven gelegen woningen.


De [a-straat] betreft een voor het openbaar verkeer openstaande weg, gelegen binnen de bebouwde kom in de wijk [plaats] . Het flatcomplex betrof een complex van vijf woonlagen. De woning van verdachte was gelegen op de tweede woonlaag van het flatcomplex. In de keuken van de woning stond een vierpits gasfornuis. Achter het gasfornuis bevond zich aan de wand een gedemonteerde gasleiding. De schroefdraad van het gasaansluitpunt was intact en niet beschadigd. Aan/op het gasaansluitpunt bevonden zich brandresten. Gezien de bevindingen van deze aangetroffen situatie heeft er vóór dan wel tijdens het ontstaan van de brand niets aan dit gasaansluitpunt gemonteerd gezeten. Na onderzoek werd achter en tussen het vierpits gasfornuis en de wand, op de vloer, een muurplaat met gaskraan voorzien van een moeraansluiting van een flexibele gasslang aangetroffen. Het gasaansluitpunt van het vierpits gasfornuis was aan en tussen de schroefdraad vervuild met brandresten. Deze vervuiling kan alleen zijn ontstaan als er tijdens de brand niets aan het gasaansluitpunt gemonteerd heeft gezeten. De schroefdraad was niet beschadigd. Het is volgens de verbalisanten die het brandoorzaak onderzoek hebben verricht daarom niet aannemelijk dat ten gevolge van de inwerking van de brand een gemonteerde schroefverbinding, zoals een moeraansluiting van een flexibele gasslang, zou zijn losgeraakt. De gaskraan was voorzien van een kogelafsluiter. Uit onderzoek bleek dat de kogelafsluiter open stond, waardoor het gas door de gaskraan naar buiten kan stromen.


In de woning van verdachte heeft een gasexplosie plaatsgevonden en een brand gewoed. Tijdens het onderzoek in de woning werd op drie locaties de indicatie verkregen van de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof.
Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat in minimaal twee brandmonsters de aanwezigheid is aangetoond van een aardoliedestillaat van subklasse kookpuntbenzine en een paraffinisch-isoparaffinisch product. [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij ongeveer één maand voor de brand twee blikjes traplijmremover aan de verdachte heeft gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij twee blikjes traplijmremover van [getuige 1] heeft gekregen. Uit de bijlage van het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijk dat lijmverwijderaar een ontbrandbare vloeistof is die behoort tot de klasse van isoparaffinisch producten.

Nu op twee afzonderlijke plaatsen een ontbrandbare vloeistof is aangetroffen en de gasslang is losgekoppeld - wat alleen door menselijk handelen kan zijn gegaan - concludeert het hof dat opzettelijk brand is gesticht in de woning van verdachte. Ten gevolge van de explosie en de brand is er gemeen gevaar voor personen en goederen ontstaan en te duchten geweest, nu ten gevolge van de vallende gevelelementen naast het trottoir geparkeerd staande motorvoertuigen zijn beschadigd, de brand in de nachtelijke uren (omstreeks 04.56 uur) is ontstaan in een flatwoning waarbij enige bewoners van de belendende woningen naar buiten zijn gevlucht en die belendende woningen na ontdekking van de brand moesten worden ontruimd in verband met de gevaarzetting.
Volgens de verbalisanten die het brandonderzoek hebben verricht is het meest aannemelijke scenario dat de gasslang van het gastoestel is gedemonteerd en dat in de woning een ontbrandbare vloeistof is gebracht. De echte ontstekingsbron is tijdens het onderzoek niet vastgesteld, maar deze zou kunnen zijn statische elektriciteit of het aanslaan van de compressor van een koelkast. Die vonk heeft vervolgens de op enig moment in zijn ideale mengverhouding van gas en lucht doen ontsteken.

Uit de aangifte die is gedaan namens Woonstad Rotterdam blijkt dat de woning van de verdachte door de brand is beschadigd en dat er ook schade is ontstaan aan aangrenzende woningen. Voorts blijkt uit deze aangifte dat Woonstad Rotterdam al langere tijd een verschil van mening heeft met de verdachte waarover meerdere rechtszaken zijn gevoerd, waarbij Woonstad Rotterdam telkens in het gelijk is gesteld. Door de kantonrechter is de huurovereenkomst tussen de verdachte en Woonstad Rotterdam ontbonden en de ontruiming van woning van de verdachte is hem aangezegd voor 10 december 2015.
De verdachte heeft zich volgens de aangever via brieven en zijn website voorafgaand aan 10 december 2015 bedreigend geuit naar Woonstad Rotterdam wat er op neer kwam dat Woonstad - in de ogen van de verdachte - een ambtsmisdrijf had gepleegd en dat hij (verdachte) deze 'oorlogshandelingen' zal beantwoorden met een tegenactie waarbij Woonstad moest denken aan het vernietigen van de 'kastelen' van Woonstad Rotterdam. Hierbij heeft de verdachte niet uitgesloten dat er slachtoffers zullen vallen als gevolg van deze 'oorlog'. Op de dag van de ontruiming heeft in de vroege ochtend vervolgens de ontploffing plaatsgevonden in de woning van verdachte.

(…)


De verdachteheeft verklaard dat hij een executiebevel had ontvangen waarin stond dat op 10 december 2015 om 11.30 uur zijn woning ontruimd zou worden. Op 9 december 2015 rond 12.00 uur heeft hij een e-mailbericht ontvangen van [naam] dat Woonstad en de deurwaarder de ontruiming door zouden zetten. Hij heeft vervolgens niet zitten wachten totdat zijn woning ontruimd zou worden, maar is naar de woning van een vriend van hem - [betrokkene 1] - gelegen aan de [b-straat 1] te Rotterdam gegaan. Deze vriend was op dat moment in Nigeria en de verdachte mocht bij diens afwezigheid in diens woning verblijven. De verdachte heeft [getuige 1] en [getuige 2] gevraagd hem te helpen met verhuizen van zijn kostbare spullen. Vervolgens hebben zij de waardevolle spullen van de verdachte verhuisd naar de schuur van de woning aan de [b-straat 1] in Rotterdam.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op 9 december 2015 omstreeks 15.00 uur werd gebeld door de verdachte met de vraag of hij hem wilde helpen met verhuizen omdat hij uit zijn huis gezet zou gaan worden. Dit heeft [getuige 1] vervolgens ook gedaan en rond 23.00 uur is hij weer naar zijn eigen huis gegaan. De verdachte en [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2] ) bleven toen achter in de woning van de verdachte.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij de verdachte op diens verzoek op 9 december 2015 heeft geholpen met verhuizen omdat de verdachte op 10 december 2015 uit zijn woning gezet zou worden. [getuige 2] is op 10 december 2015 omstreeks 01.35 uur uit de woning van de verdachte weggegaan, de verdachte bleef toen alleen in zijn woning achter.

Naar eigen zeggen heeft de verdachte als laatste zijn woning in de nacht van 10 december 2015 tussen half 2 en 2 uur verlaten om naar de woning aan de [b-straat] te gaan om daar te gaan slapen.
Een medebewoner van het flatcomplex aan de [a-straat] , [getuige 3] , heeft bij de politie en bij de raadsheer-commissaris verklaard dat de verdachte meermalen tegen hem heeft gezegd dat hij (verdachte) de woning in de fik zou steken als hij uit er gezet zou worden. Deze verklaringen van [getuige 3] vinden naar het oordeel van het hof steun in de (de-auditu) verklaringen van andere buurtbewoners.

Voorts heeft de verdachte zelf tegenover de politie verklaard dat hij in oorlog is met Woonstad Rotterdam. Dat Woonstad een leger, de deurwaarder, opdracht heeft gegeven om hem aan te vallen en dat hij zelf zijn leger nog geen opdracht had gegeven om iets te doen. Ook heeft hij verklaard dat als Woonstad gewoon doorgaat, hij zijn leger opdracht zou geven. Dan moest gedacht worden aan het vernietigen van de kastelen. Voorts heeft de verdachte desgevraagd aangegeven dat hij niet onterecht vast zit en daartoe verklaard dat je maar hoeft te lezen wat hij geschreven heeft, dat er kastelen vernietigd zullen worden en dat het leger dit uit zal voeren. Op de vraag van de verbalisanten of kastelen vernietigd zijn antwoordt de verdachte dat als your home your castle is, dan kan je wel zeggen dat er een castle vernietigd is.

Tegenover [verbalisant] heeft de verdachte op de vraag of hij op 10 december gekke dingen ging doen geantwoord: "Wat Woonstad doet, dat noem ik gekke dingen. Ze komen aan mijn kasteel. Dat is oorlog. Dat is een wapenfeit! Natuurlijk zal ik mij verdedigen".

Op grond van de voorgenoemde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien - stelt het hof allereerst vast dat de verdachte op 10 december 2015 de laatste persoon is geweest die de flatwoning op [a-straat 1] te Rotterdam heeft verlaten. Gelet op de omstandigheid dat de losgekoppelde gasslang en geopende gaskraan het gevolg van menselijk handelen zijn, is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die op 10 december 2015 die gasslang van het aansluitpunt van het gasfornuis gedemonteerd heeft en de gaskraan heeft geopend. Hij was immers als laatste in de woning aanwezig. Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat een ander dit gedaan zou kunnen hebben. Omdat de gaskraan geopend was stroomde het gas vrijelijk de woning in. Tevens is het hof van oordeel dat het de verdachte is geweest die op twee plekken in zijn woning ontbrandbare stoffen heeft achtergelaten.

Het hof overweegt dat daardoor het gevaar van het teweegbrengen van een ontploffing en brandstichting naar algemene ervaringsregels - gelet op het vrijelijk stromende gas en de op twee plaatsen in de woning staande ontbrandbare stoffen - in dit geval voorzienbaar was. De kans op het vervolgens ontstaan van brand en daarmee gevaar voor goederen en personen is naar het oordeel van het hof in dit geval naar algemene ervaringsregels derhalve ook aanmerkelijk te achten. Derhalve had de verdachte wetenschap van die kans en hij heeft die kans ten tijde van zijn gedragingen bewust aanvaard, nu hij zijn woning in voornoemde staat achter heeft gelaten. Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien oordeelt het hof dat er sprake is van opzet op de brandstichting en het teweeg brengen van een explosie.

Dat de ontstekingsbron uit het Brandoorzaak onderzoek niet concreet is vast te stellen doet daar niet aan af, zodat het hof dat in het midden moet laten.


Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen – in onderling verband, en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in de nabijheid van de woning van de verdachte bevindende personen te duchten was.


Nu er voorts geen enkel aanknopingspunt is dat er iemand anders dan de verdachte betrokken is bij de brandstichting is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.”

7. De toelichting op het middel voert aan dat voor het hof klaarblijkelijk onduidelijk is gebleven op welke wijze de ontploffing is teweeggebracht en/of op welke wijze de brand is gesticht, nu de bewezenverklaring alternatieve oorzaken bevat, terwijl uit zijn overweging dat de verbalisanten tot de conclusie zijn gekomen dat statische elektriciteit of het aanslaan van een compressor van een koelkast een vonk heeft doen kunnen ontstaan, niet zonder meer kan volgen dat verdachte “in ieder geval opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met brandbare stoffen”.

8. Alvorens het middel te bespreken, stel ik voorop dat in de voorliggende zaak zich de situatie voordoet waarin de tenlastelegging is toegespitst op één strafbaar feit – te weten art. 157 Sr – en in de bewezenverklaring geen keuze wordt gemaakt tussen de in de tenlastelegging verwoorde alternatieve handelingen ten gevolge waarvan de ontploffing en de brand zijn ontstaan. Soms kán die keuze ook niet worden gedaan. Zo kan het voorkomen dat voor iedere mogelijkheid wel aanwijzingen zijn te noemen, maar deze voor geen ervan sterk genoeg zijn om de andere alternatieven als oorzaak van het gevolg uit te sluiten. Een bekend voorbeeld is de levensberoving “door wurging en/of verdrinking”.1 In een dergelijk geval kan bij de bewezenverklaring in het midden blijven door welke van de mogelijkheden het gevolg is ingetreden, zij het dat dan wel elk van die alternatieven steun moet vinden in de gebezigde bewijsmiddelen.2 Aan die eis voldoet de bewezenverklaring in de voorliggende zaak, nu het hof ook in zoverre de inhoud van het proces-verbaal ‘Brandoorzaak onderzoek’ redengevend heeft kunnen achten voor de bewezenverklaring.3 Nadat het hof met zoveel woorden heeft overwogen dat de echte ontstekingsbron niet is kunnen worden vastgesteld en dat het hof dat in het midden moet laten, stelt het hof – in het licht van de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen – vast dat het meest aannemelijke scenario is dat de gasslang van het gastoestel is gedemonteerd en dat in de woning een ontbrandbare vloeistof is gebracht. Het zou, gezien die bewijsmiddelen, kunnen zijn dat deze ontbrandbare vloeistof in aanraking is gebracht met open vuur, maar ook is mogelijk dat (de vonk van) statische elektriciteit of het aanslaan van de compressor van de koelkast als ontstekingsbron heeft gediend.

9. Het hof heeft op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder op grond van de inhoud van het proces-verbaal ‘Brandoorzaak onderzoek 2015’ van 10 december 2015, vastgesteld dat (i) op twee afzonderlijke plaatsen in de woning van de verdachte een ontbrandbare vloeistof is aangetroffen, (ii) aan de wand achter het gasfornuis zich een gedemonteerde gasleiding bevond, (iii) de gasslang was losgekoppeld en (iv) de kogelafsluiter van de gaskraan openstond. Het hof heeft voorts overwogen dat (v) het loskoppelen van de gasslang alleen door menselijk handelen kan zijn gegaan. Uit deze feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de overige door het hof genoemde feiten en omstandigheden, trekt het hof allereerst de conclusie dat de brand opzettelijk is gesticht, hetgeen impliceert dat ook de ontploffing opzettelijk is teweeggebracht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

10. Vervolgens komt de vraag aan de orde wie deze feiten opzettelijk heeft begaan. Naar het oordeel van het hof kan dat niemand anders zijn geweest dan de verdachte. Het hof wijst er in dat verband onder meer op dat (a) de verdachte de laatste persoon was die de flatwoning heeft verlaten, (b) door menselijk handelen de gasslang is losgekoppeld en de gaskraan is geopend, (c) de ontbrandbare vloeistof (de traplijmremover) van de verdachte was (die hij had gekregen van [getuige 1] ), (d) de verdachte overhoop lag met Woonstad Rotterdam, hem was aangezegd de woning vóór 10 december 2015 te ontruimen en hij bedreigingen naar Woonstad Rotterdam had geuit, en (e) er geen enkel aanknopingspunt is om aan te nemen dat iemand anders dan de verdachte bij de ontploffing en brandstichting betrokken is. Ook dat oordeel is naar mijn inzicht niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

11. Tot slot merk ik op dat zowel het teweeg brengen van een ontploffing als brandstichting door opzettelijke nalatigheid kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door een voorafgaand gevaarzettend handelen en het vervolgens niet ingrijpen.4 De opvatting in de toelichting op het middel, dat voor een bewezenverklaring op grond van art. 157 Sr is vereist dat de verdachte zelf – eigenhandig – de vonk heeft veroorzaakt, vindt derhalve geen steun in het recht.

12. Uit het voorgaande vloeit genoegzaam voort dat de verdachte degene was die opzettelijk (open) vuur in aanraking heeft gebracht met brandbare stoffen, zodat de bewezenverklaring ook in dat opzicht voldoende naar de eis der wet met redenen is omkleed.

13. Het eerste middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt over ’s hofs verwerping van een door de verdediging ter terechtzitting gevoerd verweer.

15. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2017 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“2. Gasexplosie?

Aan de veroordeling door de rechtbank ligt allereerst ten grondslag dat er in de vroege ochtend van 10 december 2015 een gasexplosie is geweest in de woning van cliënt. De rechtbank heeft hiermee de conclusies uit het brandoorzaak rapport over genomen. Ik wil u in de eerste plaats vragen om (samen met mij) kritisch te kijken naar een aantal bevindingen uit dat onderzoek. Ik stel mij uiteindelijk, samen met [verdachte] , op het standpunt dat dit onderzoek helemaal niet de conclusie kan dragen dat er een gasexplosie is geweest. Dat raakt aan de bewezenverklaring van het eerste gedachtestreepje, maar uiteindelijk zet het gehele scenario zoals door de rechtbank is aangenomen op losse schroeven, omdat de hele theorie rondom de betrokkenheid van cliënt (conform het brandoorzaak onderzoek) van deze manier van opzettelijke brandstichting/veroorzaken explosie uitgaat.

2.1

Geen uitstroom gas vóór de brand
- (…)
-Verder is kennelijk door niemand gas geroken, voorafgaand aan de brand, terwijl er dus al geruime tijd gas vrij in de woning zou moeten hebben gestroomd.
-Last but not least: Er is gebruik gemaakt van een zogeheten MiniRae 2000 (brandonderzoek, p. 3). Dit apparaat is bij uitstek geschikt om vast te stellen of er vluchtige stoffen (zoals methaan, het koolwaterstof aanwezig in aardgas) aanwezig zijn in een ruimte. Als er een uitstroom van gas is geweest in de woning van cliënt, met daarna een explosie van dat gasmengsel, gevolgd door een brand, dan zouden er nog restanten van methaan te vinden moeten zijn geweest in de woning. Dat blijkt niet het geval, althans, daarover rapporteren de onderzoekers niet. Ook dat is een contra-indicatie voor het plaatsvinden van een gas (=methaan) explosie in de woning. Een meer uitgebreide uiteenzetting (van de hand van cliënt) over dit punt vindt u terug als bijlage 2.

Kortom, uit niets blijkt dat er een uitstroom van gas is waargenomen of geregistreerd, voorafgaand aan de brand.”

16. Het hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

Verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, verkort en zakelijk weergegeven - de volgende verweren gevoerd.

(…)


Voorts heeft de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling aangevoerd dat gebruik is gemaakt van de MiniRae 2000 en dat uit de rapporten niet blijkt dat er restanten van methaan gevonden zijn in de woning, terwijl dit wel het geval had moeten zijn bij een explosie.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het verweer blijkbaar niet ziet op de deugdelijkheid van het onderzoek dat (wel) is gedaan. De stelling dat bij een explosie en brand restanten van methaan te vinden zouden moeten zijn is door de verdediging niet nader onderbouwd. Voor zover van belang had het dus op de weg van de verdediging gelegen hier nader onderzoek naar te laten doen. Bij de wisseling van raadsman in september 2017 - dat wil zeggen na de regiezitting waarbij de verdachte door een andere raadsman is bijgestaan - is geen nader onderzoek voor zover dat technisch nog mogelijk zou zijn verzocht, terwijl het hof die mogelijkheid heeft geboden.

(…)

Het hof verwerpt derhalve het eerste verweer van de raadsman.”

17. Als ik de toelichting goed begrijp, valt het middel in twee klachten uiteen. In de eerste plaats wordt aangevoerd dat ’s hofs overweging dat de stelling dat bij een explosie en brand restanten van methaan te vinden zouden moeten zijn door de verdediging niet nader is onderbouwd, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen door de verdediging en verdachte zelf uitdrukkelijk en onderbouwd naar voren is gebracht.

18. Deze eerste klacht doelt meer in het bijzonder op bijlage 2 van de pleitaantekeningen van de raadsman, in welke bijlage een uiteenzetting van de hand van de verdachte zelf is opgenomen.

19. In de in randnummer 16 aangehaalde overweging van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de bedoelde stelling een nadere – en deskundige – onderbouwing vergde en dat die door de verdediging niet is gegeven. Dat impliciete oordeel is juist, lijkt mij, nu die uiteenzetting van de verdachte niet als een deskundige onderbouwing kan worden aangemerkt.

20. De tweede klacht in de toelichting op het middel luidt dat de overweging van het hof ook onbegrijpelijk is, voor zover deze inhoudt dat het op de weg van de verdediging had gelegen om ten aanzien van de genoemde stelling nader onderzoek te laten doen, aangezien “de verdachte heeft aangevoerd dat uit het uitgevoerde onderzoek onmiskenbaar volgt dat geen methaan is aangetroffen en een nieuw onderzoek daarin geen verandering zal brengen, nu de verdediging immers heeft aangevoerd dat uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen gasexplosie heeft plaatsgevonden en er dus om die reden juist geen methaan is aangetroffen”.

21. Anders dan door de toelichting op het middel wordt betoogd, blijkt uit de pleitaantekeningen in hoger beroep enkel dat de verdediging erop heeft gewezen dat de onderzoekers in het brandonderzoek niet hebben gerapporteerd over aangetroffen restanten methaan. Daarmee is nog niet gezegd dat uit het ‘Brandoorzaak onderzoek’ “onmiskenbaar” volgt dat geen methaan is aangetroffen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

22. Het middel faalt.

23. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 242. Zie ook HR 13 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC3321, NJ 1984/653 (rov. 7.1.2), m.nt. Melai.

2 HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439. Vgl. ook HR 1 november 1960, ECLI:NL:HR:1960:46, NJ 1961/194, m.nt. Röling.

3 Vgl. HR 13 december 1983, ECLI:NL:HR:AC3321, NJ 1984/653 (rov. 7.1.1 en 7.1.2), m.nt. Melai.

4 Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 4 bij art. 157 Sr (bewerkt door prof. mr. J.W. Fokkens; actueel t/m 1 maart 2006). Zie ook J. de Hullu, Materieel strafrecht, Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 497-498.