Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:692

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
18/00057
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1481
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Bewijsklacht voorbereidingshandelingen hennepteelt, art. 11a Opiumwet. Uit het in een pand aantreffen van hoeveelheden goederen volgt niet dat deze waren bestemd voor grootschalige hennepkweek, gelet op de omstandigheid dat in het pand door de verdachte en anderen werd schoongemaakt en de spullen werden opgeruimd. De AG adviseert de Hoge Raad de uitspraak te vernietigen en de zaak naar het gerechtshof terug te wijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00057

Zitting: 2 juli 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 11 december 2017 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 5 december 2016 bevestigd, met aanvulling van de gronden. Bij dit vonnis is de verdachte wegens “medeplegen van stoffen of voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, [Opiumwet] strafbaar gestelde feiten” veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” het plegen van een van de in art. 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit wist.

  4. Ten laste van de verdachte is in het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter bewezenverklaard dat hij:

“op 6 april 2016 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo tezamen en in vereniging met anderen, in een winkelpand aan de [a-straat 1] , stoffen en voorwerpen te weten:
- 73 hennepstekken/-planten
- 56 armaturen
- 58 assimilatielampen
- 2 schakelborden
- 3 tijdschakelaars
- 59 transformatoren
- 8 koolstoffilters
- 6 slakkenhuizen
- 4 ventilatoren
- 1 temperatuur regelaar
- 1 water-/beluchtingpomp
- 3 kannen groeimiddel
- 1 knipschaar
- 1 sealapparaat
heeft voorhanden gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Een dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant/District Helmond/Basisteam Dommelstroom, met registratienummer PL2100-2016077122, afgesloten d.d. 4 juli 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 150. Dit dossier bevat een verzameling wettig opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden.

Dit dossier houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in:


Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz. 70 en 71):
Op 6 april 2016 omstreeks 21:50 uur kregen wij de melding van een verdachte situatie op de [a-straat 1] te Geldrop. Door de meldster werd aangegeven dat er meerdere mensen het pand gelegen aan de [a-straat 1] waren binnen gelopen.
Normaal gesproken zou er geen beweging zijn bij het pand. De meldster gaf aan dat zij de situatie niet vertrouwde. Ik, [verbalisant 2] , ben aangesteld als taakaccenthouder verdovende middelen. Het was mij, [verbalisant 2] , bekend dat er onlangs een MMA melding was binnengekomen omtrent bovengenoemd pand. In deze MMA melding werd gesproken dat er was gezien dat er meerdere koolstoffilters het bedrijfspand gelegen aan de [a-straat 1] te Geldrop waren binnengedragen. Het was mij [verbalisant 1] tevens bekend dat er een MMA melding was binnengekomen met betrekking tot het bovenstaande. Wij zijn vervolgens met enkele collega's ter plaatse gegaan op de [a-straat 1] te Geldrop.
Ik, [verbalisant 2] , liep vervolgens naar de voorzijde van het pand voorzien van nummer […] . Ik voelde dat de deur van het bedrijfspand open was. Ik, [verbalisant 2] , betrad het bedrijfspand vervolgens op grond van artikel 9 lid 1 van de Opiumwet. Toen ik, [verbalisant 2] , het bedrijfspand binnenliep, rook ik een zeer sterke hennepgeur. Ik, [verbalisant 2] , zag vervolgens dat er een manspersoon mijn kant opliep. Ik, [verbalisant 2] , riep hierop meerdere malen "politie". Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan de man of hij alleen was in het pand. Ik hoorde de man zeggen "nee". Ik, [verbalisant 2] , zag vervolgens dat er in het bedrijfspand meerdere vuilniszakken stonden. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er in deze vuilniszakken jerrycans met voedingsmiddelen zaten. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er meerdere trays ten behoeve van hennepstekken in de vuilniszakken zaten. Ik, [verbalisant 2] , riep vervolgens naar collega [verbalisant 1] om naar mij toe te komen. Toen ik, [verbalisant 2] , verder het bedrijfspand inliep kwam ik in een grote ruimte met daarin een bankstel. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er meerdere mannen in deze ruimte waren. Ik, [verbalisant 2] , sommeerde aan alle aanwezige personen in het pand om in deze ruimte te blijven. Collega [verbalisant 3] bleef vervolgens voor de ingang van deze ruimte staan om zicht op deze personen te houden. Via de bedrijfsruimte ben ik, [verbalisant 2] , vervolgens naar de kelder gelopen. Ik, [verbalisant 2] , zag dat er op een rek meerdere transformatoren lagen. Ik zag dat er in de kelder meerdere koolstoffilters en een honderdtal plantenpotten stonden. Ik, [verbalisant 1] , hield vervolgens alle aanwezige personen in het pand aan als verdachte terzake artikel 11a van de Opiumwet.
[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,
[betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] en
[betrokkene 5] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] .


Het relaas van verbalisant [verbalisant 1] (blz. 5 en 6):
Op 7 april 2016 te 01:01 uur te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo aan de
[a-straat 1] nam ik de navolgende goederen in beslag:
73 hennepplanten

56 armaturen
58 assimilatielampen
2 schakelborden
3 tijdschakelaars
59 transformatoren
8 koolstoffilters
6 slakkenhuizen
4 ventilatoren
1 temperatuur regelaar
1 water- beluchtingpomp
3 kannen groeimiddel
1 knipschaar en
1 sealapparaat.


De verklaring van [betrokkene 5] aan verbalisanten, afgelegd op 7 april 2016
(blz. 122, 126):
Ik heb 3 jaar in een winkel gewerkt, een eigen zaak, op de [a-straat 1] in Geldrop. Op enig moment heb ik het pand onderverhuurd aan een vriend genaamd [verdachte] . Vanaf januari of februari 2016 heb ik een contract opgemaakt voor de duur van een halfjaar voor hem. [verdachte] heeft het van mij gehuurd en niet aan iemand anders verhuurd. Enkele dagen geleden heeft de huurbaas naar de winkel gebeld. Ik was er op dat moment niet, hij was op zoek naar mij. Een collega heeft het nummer van de huurbaas genoteerd en ik heb dat telefoonnummer aan de vriend gegeven aan wie ik de winkel had onderverhuurd. Hij heeft contact opgenomen met de huurbaas. De huurbaas had gezegd dat hij langs kwam om te controleren. Hij heeft tegen mij verteld dat de huurbaas dat tegen hem had gezegd, hij zei ik heb dingen daar gedaan, dat hij van die hasjplantjes ofzo geplant had. Ik werd nog boos op hem omdat ik vroeg hoe hij zo iets kon doen. Hij bood zijn excuses aan maar had geld nodig voor zijn kinderen. Ik zei tegen hem dat hij het zo snel mogelijk moest schoonmaken en nooit meer zo iets moest doen. Hij belde mij gisteren op en vertelde dat hij bezig was met schoonmaken. Ik zei tegen hem dat ik hem niet meer geloofde en dat hij alles schoon moest maken. Hij zei tegen mij dat hij me kwam ophalen en dat ik het met eigen ogen mocht zien. Het was toen ongeveer 20:30 uur of 21:00 uur toen hij mij kwam ophalen. We zijn toen daar naar toe gegaan ik zag dat er schoon gemaakt was. Ik heb aangegeven dat er hier en daar dingen schoon gemaakt moesten worden en opgeknapt.


De verklaring van [betrokkene 1] , afgelegd op 7 april 2016 (blz. 95. 96 en 97):
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant


O = U bent gisteren aangehouden in een bedrijfspand waar een hennepkwekerij werd ontmanteld.
A = Een vriend van me belde mij op. Hij vroeg mij of ik een aanhangwagen kon huren en kon helpen met opruimen. Ik was samen met mijn broertje [betrokkene 4] en ik vroeg of hij me wilde helpen. Ik vroeg ook mijn andere broer [betrokkene 3] en een vriend van me [betrokkene 2] mee.
V = Hoe heet die vriend?
A = [betrokkene 1] .
V = En toen?
A = Mij was uitgelegd dat ik daar de straat in moest rijden en dan zou hij vanzelf buiten staan en dan zou ik hem wel zien.
V = En toen?
A = Er stonden twee auto’s voor de deur die de muziek hard aan hadden staan. Ons werd verteld dat we even moesten wachten tot die auto’s weggingen.
V = Wat was jouw gedachte daar bij?
A = Ik wist al dat het fout was.
V = Hoe wist je dat?
A = Als ik gewoon rommel moest opruimen dan had dat voor iedereen zijn ogen gekund.
V = Wie waren er precies allemaal in het pand?
A = [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 5] .
V = Wat gebeurde er toen je binnen gelaten werd?
A = [verdachte] stond daar en hij had me al gezegd dat we bij een pand moesten zijn naast een Chinees restaurant en op het raam zou een witte sticker zitten.


De verklaring van [betrokkene 2] aan verbalisanten, afgelegd op 7 april 2016 (blz. 109 en 110):
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
O = opmerking verbalisant


O = U bent gisteren aangehouden in een bedrijfspand waar een hennepkwekerij werd ontmanteld.
V = Wat kunt u hier over verklaren?
A = Een vriend van me, [betrokkene 1] , vroeg mij of ik spullen mee op wilde gaan ruimen. Ik wist toen al dat het ging om spullen van een hennepkwekerij.”

6. Het hof heeft de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in het bevestigde vonnis van de politierechter aangevuld met het volgende bewijsmiddel:

“Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 27 september 2017 (zo begrijpt het hof uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 25 september 2017), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

U vraagt mij of het klopt wat [verdachte] heeft verklaard. Nee dat klopt niet, de heer [verdachte] heeft mij gebeld over dat er problemen waren.

U vraagt mij hoe we naar binnen zijn gegaan toen ik met [verdachte] aankwam. Dat weet ik niet meer, ik denk dat [verdachte] heeft aangebeld. Er waren mensen in de woning. Ze waren bezig zakjes naar voren te dragen. Van beneden naar boven. Ik wist niets van de hennepkwekerij.

Hij (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft mij verteld dat erin het pand zoiets was gedaan en dat het moest worden schoongemaakt.

Nogmaals hij heeft mij gezegd dat er wiet geteeld was en dat het op dat moment schoongemaakt werd.”

7. In het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter is geen nadere bewijsoverweging opgenomen. In hoger beroep heeft de verdediging een bewijsverweer gevoerd, dat door het hof als volgt is samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):

“Voorts is door de verdediging betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte op 6 april 2016 wist dat de in het pand aangetroffen goederen bestemd voor het kweken van hennep, daar aanwezig waren. De verdachte heeft die goederen dan ook niet opzettelijk aanwezig gehad en de criminele intentie die is vereist voor een bewezenverklaring van artikel 11a Opiumwet, ontbreekt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Bovendien heeft de raadsvrouw betoogd dat artikel 11a Opiumwet beoogt voorbereidingshandelingen voor de professionele kweek van hennep (méér dan 200 planten) strafbaar te stellen. Nu daarvan in dit geval geen sprake was dient de verdachte eveneens te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw, inhoudende dat artikel 11a Opiumwet slechts voorbereiding van professionele hennepkweek beoogt strafbaar te stellen, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken, geldt het volgende.

Uit de memorie van toelichting betreffende de “Wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt” volgt dat met de wetswijziging niet slechts is beoogd om activiteiten gericht op de voorbereiding of bevordering van de professionele hennepteelt (deelname aan een criminele (drugs)organisatie) strafbaar te doen zijn, maar ook om personen die niet in georganiseerd verband opereren onder het bereik van voornoemd artikel te brengen. Bovendien is in de memorie van toelichting opgenomen:

Verder is in de loop der jaren bij strafvervolgingen in zaken waarin geen sprake was van een voltooid delict gebleken, dat een veroordeling ter zake van poging slechts in een beperkt aantal gevallen mogelijk is. De jurisprudentie over de reikwijdte van de strafbare poging in deze context heeft aan het licht gebracht dat binnen de huidige wetgeving bepaalde aspecten van de illegale hennepteelt niet kunnen worden aangepakt met het bestaande strafrechtelijke instrumentarium. Dit achten wij met het oog op de noodzaak van een effectieve bestrijding van de illegale hennepteelt niet langer verantwoord.
Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om in de Opiumwet een zelfstandig delict op te nemen op grond waarvan handelingen ter voorbereiding of bevorderen van illegale hennepteelt en uitvoer van grote hoeveelheden als een strafbaar feit wordt aangemerkt.
Het hof leidt daaruit af dat ook handelingen ter voorbereiding van illegale hennepteelt van grote hoeveelheden als strafbaar feit dienen te worden aangemerkt.
In de onderhavige zaak zijn onder meer 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren en 8 koolstoffilters aangetroffen. Het hof is van oordeel dat reeds uit het aantreffen van deze hoeveelheden goederen volgt dat de goederen waren bestemd voor grootschalige hennepkweek. Het verweer faalt.”

8. Het toepasselijke wetsartikel waarop de uitspraak is gegrond, is (onder meer) art. 11a van de Opiumwet. Deze bepaling luidt:

“Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”

9. De rechtsvraag, die het middel opwerpt, is of in deze zaak sprake is van goederen “bestemd tot” het plegen van een van de bedoelde feiten. De steller van het middel meent van niet, nu uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen immers blijkt dat de hennepkwekerij was opgedoekt en werd opgeruimd. De overweging van het hof dat reeds uit het aantreffen van de hoeveelheid goederen die in de bewezenverklaring is opgenomen volgt dat de goederen waren bestemd voor grootschalige hennepkweek, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel met verwijzing naar HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. Rozemond.

10. In de zaak die heeft geleid tot voormeld arrest van 13 maart 2018, was op grond van art. 11a Opiumwet bewezenverklaard dat de verdachte stoffen en voorwerpen ten behoeve van een tweetal kweekinrichtingen voorhanden had gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in art. 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. In de kelder van de woning van de verdachte, waar twee jaar eerder een hennepkwekerij was ontdekt, waren de volgende (tenlastegelegde en bewezenverklaarde) voorwerpen aangetroffen: 40 assimilatielampen, 20 transformators, 2 koolstoffilters, 285 plantenpotten, 3 ventilatoren, groeimiddel, etc. Het hof had voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van de (op de appelzitting afgelegde) verklaring van de verdachte dat hij die spullen niet had opgeruimd en dat hij de kelder waarin ze werden aangetroffen had dichtgemaakt. Daaruit volgde naar het oordeel van het hof verdachtes wetenschap. Voorts overwoog het hof dat voor een bewezenverklaring ter zake van art. 11a Opiumwet voldoende is dat de verdachte wist dat de aangetroffen voorwerpen bestemd waren tot het plegen van de bedoelde feiten en dat irrelevant is of de verdachte daadwerkelijk feiten wilde plegen als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet. De Hoge Raad liet dit oordeel van het hof niet in stand. Hij overwoog dat op grond van de wetsgeschiedenis inzake art. 11a Opiumwet voor een bewezenverklaring van de bestemming in de zin van die bepaling “is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is”.

11. Daarnaast verdient HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2959 aandacht. Ook in dat arrest stond de beoordeling van (de bewezenverklaarde) “het bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet centraal. Bij de verdachte, die tot de conclusie was gekomen dat hij met zijn growshop moest stoppen, waren koolstoffilters en een kweektent aangetroffen. De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte voorwerpen "bestemd tot het plegen van een of meer feiten strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, Opiumwet, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)", kon volgens de Hoge Raad niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking dat door de verdediging onder meer was aangevoerd dat de koolstoffilters waren beschadigd en er gaten zaten in de kweektent en dat de desbetreffende goederen op de in de tenlastelegging genoemde datum niet (meer) bestemd waren voor beroepsmatige of bedrijfsmatige hennepteelt.

12. Mijn ambtgenoot Bleichrodt heeft in zijn aan HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. Rozemond voorafgaande conclusie eveneens gewezen op HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2959, zulks om aan dit arrest de bevestiging te ontlenen dat voor een bewezenverklaring van “het bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet niet toereikend is dat de voorwerpen ooit bestemd waren tot het plegen van de in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dat wist. Kort en krachtig verwoordt hij de essentie in dezen: “Bestemming ziet immers op de toekomst, niet op het verleden”. Mijns inziens is daar geen speld tussen te krijgen. Dat betekent dat voor een bewezenverklaring vereist is dat die bestemming ten tijde van het tenlastegelegde nog actueel is en dat de verdachte daarvan weet heeft.1

13. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Door het hof is terecht overwogen dat uit de wetsgeschiedenis van art. 11a Opiumwet blijkt dat strafbare voorbereidings- of bevorderingshandelingen op grond van die bepaling zelfstandig strafbaar worden gesteld. Voorts is terecht overwogen dat daarmee is beoogd om ook personen die niet in georganiseerd verband opereren onder het bereik van die bepaling te brengen. De zelfstandige strafbaarstelling van voorbereidings- of bevorderingshandelingen op grond van art. 11a Opiumwet brengt voor de bestrijding van illegale hennepteelt2 mee dat strafbare voorbereiding ook kan worden bewezen indien er geen illegale hennepkwekerij is aangetroffen. Personen die op uiteenlopende wijze illegale hennepteelt faciliteren zonder zelf te telen en personen die het voornemen hebben te gaan telen kunnen daardoor (ook) onder het bereik van de strafbepaling vallen; daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin sprake is van een volledig ingerichte kweekruimte zonder planten.3 De wetgever heeft evenwel bij de redactie van art. 11a Opiumwet aansluiting gezocht bij de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in art. 46 Sr en art. 10a van de Opiumwet.4 Daarom is de uitleg die in deze artikelen wordt gegeven aan het bestanddeel “bestemd zijn tot” ook voor art. 11a Opiumwet van belang.5 In die uitleg gaat het als opgemerkt om de toekomstgerichtheid van de bestemming.

14. Verder heeft het hof op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat in het onderhavige pand onder meer 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren en 8 koolstoffilters zijn aangetroffen. Gelet op zijn bewijsoverweging is het hof van oordeel “dat reeds uit het aantreffen van deze hoeveelheden goederen volgt dat de goederen waren bestemd voor grootschalige hennepkweek”.

15. Op grond van het vorenstaande is dat oordeel onjuist, althans niet begrijpelijk in het licht van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding krijgen van een verdachte situatie op de genoemde locatie. Een aantal mensen waren het pand binnengelopen, terwijl daar normaal gesproken geen beweging zou zijn. Binnen bevindt zich een zestal personen, waaronder de verdachte. Verbalisant [verbalisant 2] ruikt een zeer sterke hennepgeur. Hij ziet vervolgens vuilniszakken staan met daarin jerrycans met voedingsmiddelen en meerdere trays ten behoeve van hennepstekken. In de kelder ziet hij op een rek meerdere transformatoren liggen en verder koolstoffilters en een honderdtal plantenpotten staan. De voor het bewijs gebruikte verklaringen van de medeverdachten houden in de kern in dat het pand werd schoongemaakt en er moest worden opgeruimd.

16. Evenals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. Rozemond doet zich in de voorliggende zaak de situatie voor waarin de verdachte de voorwerpen voorhanden heeft, maar hij ze (kennelijk) niet langer bestemt voor hennepteelt; de verdachte was immers met anderen aan het schoonmaken en de spullen aan het opruimen.6 Gelet daarop, en de overige concrete omstandigheden in aanmerking nemend, voldoet de bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet niet aan het vereiste dat de gedragingen van de verdachte strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt. Daarvoor is immers nodig dat die bestemming ten tijde van het tenlastegelegde nog actueel is en dat de verdachte daar wetenschap van draagt. Dat voorwerpen ooit bestemd waren tot het plegen van de in art. 11, derde en vijfde lid, Opiumwet strafbaar gestelde feiten is, het zij nogmaals gezegd, voor een bewezenverklaring niet voldoende.

17. Het voorafgaande brengt mee dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.

18. Het middel slaagt.

19. Het tweede middel en het derde middel komen eveneens op tegen de bewezenverklaring.7Nu het eerste middel slaagt, ben ik van mening dat deze twee middelen geen bespreking behoeven. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik desverlangd graag bereid ter zake aanvullend te concluderen.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. in dezelfde zin HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:743, NJ 2016/282, m.nt. Keijzer, met betrekking tot het bepaalde in art. 10a, eerste lid onder 3°, van de Opiumwet: “bestemd zijn tot het plegen van dat feit”.

2 Deze term wordt in het verband van art. 11a Opiumwet gebruikt voor “de bedrijfs- en beroepsmatige teelt en teelt van grote hoeveelheden en voor het gehele productieproces van cannabis, inclusief diensten en handelingen die met het oog daarop en op de verhandeling van cannabis worden verricht, alsmede de illegale uitvoer van grote hoeveelheden cannabis.” Zie MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32842, nr. 3, p.1.

3 Brief van de minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2012, Kamerstukken II 2012/13, 32842, nr. 13, p. 6-7. In die situatie hoeft nog geen sprake te zijn van een poging tot het telen van hennep. Vgl. HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3566.

4 MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32842, nr. 3, p. 7 en Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 2011/12, 32 842, nr. 6, p. 6. Zie ook M. Borgers en E. van Poecke, ‘Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt’, in Ars Aequi 2012, p. 171-181.

5 In dezelfde zin de conclusie (onderdeel 13) van mijn ambtgenoot Bleichrodt vóór HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281, m.nt. Rozemond.

6 Vgl. de annotatie van Rozemond (onderdeel 3) bij HR 13 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:328, NJ 2018/281.

7 Het tweede middel klaagt dat het “weten” mede is gebaseerd op een getuigenverklaring die gedenatureerd zou zijn. Het derde middel richt zich tegen het bewijs van medeplegen.