Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:691

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
17/06015
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1812
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Bewijsklacht medeplichtigheid aan hennepteelt in de echtelijke woning. Opzettelijk gelegenheid verschaffen tot het plegen van het misdrijf. De AG geeft de Hoge Raad in overweging het cassatieberoep te verwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/06015

Zitting: 2 juli 2019

Mr. E.J. Hofstee

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 april 2017 het jegens de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,1 met overneming van gronden bevestigd. De verdachte is wegens 1. “medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.

2. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat de onder 1 tenlastegelegde medeplichtigheid kan worden bewezenverklaard.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

“ [medeverdachte] in de periode van 1 september 2014 tot en met 14 december 2014 te Delft opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [a-straat 1] een hoeveelheid van (ongeveer) 510 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de hij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 september 2014 tot en met 14 december 2014 te Delft, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door de gezamenlijke woning van [medeverdachte] en verdachte, zijnde voornoemd pand, voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.”

5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 15 maart 2016, voor zover luidende - zakelijk weergegeven -:

Ik wist dat er een hennepkwekerij was.

2. uit het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014324731, van de politie eenheid Den Haag, district Delft/Pijnacker/Nootdorp, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 314):


2.1. het proces-verbaal van verhoor verdachte, nr. PL1500-2014324731-21, d.d. 16 december 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende (blz. 189):

Ik geloof dat er 1 of 2 oogsten zijn geweest.


2.2. een geschrift, te weten een bouwkundig rapport inzake Nationale Hypotheek Garantie van 28 augustus 2014 (blz. 100) voor zover inhoudende:

Ten tijde van de inspectie op donderdag 28 augustus 2014 hing op de zolder van de woning aan de [a-straat 2] te Delft een sterke ‘wietlucht’. Niet achterhaald kon worden waar deze lucht vandaan kwam.


2.3. het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nr. PL1500-2014324731-1, d.d. 17 februari 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, als relaas van de opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende:

Op blz. 5:
(...)
Controle GBA
Op het adres [a-straat 1] , [postcode] Delft staat ingeschreven:
[verdachte]
(...)
In voornoemde woning werd op maandag 15 december 2014 (...) binnengetreden.
Op blz. 6:
In kweekruimte 1 stonden in 240 hennepplanten. (p. 6)
In kweekruimte 2 stonden 270 hennepplanten. (p. 6).


2.4. het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van de politie Den Haag Dienst Regionale Recherche Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing Narcotica, nr. PL 1500-2014324731-N, d.d. 18 februari 2015, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende p. 95 A):

Op woensdag 18 februari 2015, hebben wij in het bureau forensische Opsporing (BFO) te Voorburg, een gedeelte van de op 15 december 2014, in perceel [a-straat 1] te Delft, in beslag genomen hennepplanten onderzocht.
Het betrof vrouwelijke hennepplanten van het geslacht Cannabis.
Het is ons verbalisant als narcotica experts uit jarenlange ervaring bekend dat de vrouwelijke hennepplanten ook wel nederwiet worden genoemd. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden.
De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.


2.5 het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , nr. PL 15 00-2014324731-22, d.d. 16 december 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende (blz. 154 en 158):

6. Ik woon aan de [a-straat 1] te Delft. In 2014 is de bouw van de hennepkwekerij gestart. Ik verzorgde de planten.

Voorts is in het door hof bevestigde vonnis van de rechtbank de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

“De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde nu niet wettig en bewezen kan worden verklaard dat zij op enigerlei wijze medeplichtig is geweest aan het telen van hennep.

De rechtbank verwerpt dit verweer.
Verdachte is samen met [medeverdachte] hoofdbewoner van het pand aan de [a-straat 1] te Delft. Als één van de hoofdbewoners en mede-eigenaar van de woning had zij de beschikking over dit pand. De rechtbank is van oordeel dat zij — als volwassen vrouw — de mogelijkheid heeft gehad om andere keuzes te maken. Zij heeft er evenwel voor gekozen twee ruimtes in de woning aan [medeverdachte] ter beschikking te stellen voor het kweken van hennep en heeft daarmee gelegenheid verschaft tot het plegen van het misdrijf.
Verdachte heeft zich zodoende schuldig gemaakt aan medeplichtigheid. Zij wist immers dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd en zij heeft deze situatie vervolgens in stand gelaten. Het opzet van verdachte is aldus gericht geweest op het verschaffen van de gelegenheid tot het plegen van het misdrijf én op het misdrijf zelf, zodat is voldaan aan het vereiste van de dubbele opzet.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van medeplichtigheid aan hennepteelt gedurende de volledige in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode. De rechtbank zal de pleegperiode beperken tot de periode van 1 september 2014 tot en met 14 december 2014.”

7. Het middel bevat ten aanzien van de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan de hennepteelt twee klachten. Allereerst wordt aangevoerd dat niet begrijpelijk is het oordeel van het hof dat de verdachte twee ruimtes in de woning aan haar man ter beschikking heeft gesteld en zij hem daarmee gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf. Die woning stond haar man als mede-eigenaar en medebewoner zonder meer ter beschikking, waardoor de gelegenheid tot het plegen van het misdrijf al bestond. Daarmee heeft de verdachte geen aantoonbare bijdrage aan het begane misdrijf geleverd. Daar komt bij dat de verdachte geen rechtsplicht had om in te grijpen en de gedragingen van haar man actief te keren. Hierop voortbordurend bevat het middel voorts de klacht dat bij de verdachte het voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan hennepteelt vereiste ‘dubbele opzet’ ontbreekt.

8. Art. 48 Sr luidt als volgt:

“Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:

1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;

2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.”

9. In art. 48 Sr worden twee, niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden, vormen van medeplichtigheid omschreven: het "behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf" (gelijktijdige medeplichtigheid) en het "gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf" (voorafgaande medeplichtigheid). De vraag of bij toepassing van deze bepaling de beide vormen van medeplichtigheid strikt kunnen of moeten worden afgebakend ten opzichte van elkaar, is door de Hoge Raad in ontkennende zin beantwoord.2Voor beide vormen geldt – en daarin is het kernverwijt bij medeplichtigheid gelegen – dat het door een ander begaan misdrijf wordt bevorderd en/of vergemakkelijkt.3 Evenals uitlokking is medeplichtigheid een indirecte deelnemingsvorm,4 hetgeen betekent dat betrokkenheid in die sfeer pas strafbaar is indien daadwerkelijk een bepaald strafbaar grondfeit is begaan. Met dit zogenoemde vereiste van accessoriteit5 hangt samen dat de medeplichtigheid objectief gezien enig effect moet hebben gehad, dat wil zeggen een aantoonbare bijdrage aan het begane misdrijf moet hebben geleverd.6 Maar niet hoeft de bijdrage van de medeplichtige van doorslaggevende of substantiële betekenis te zijn; de eis dat de handelingen van de medeplichtige een “adequate causale bijdrage” aan het grondfeit moeten hebben geleverd, vindt geen steun in het recht.7

10. Een ander uitgangspunt – naast accessoriteit – is dat de deelnemer opzet, zelfs een dubbel opzet, moet hebben (gehad).8 Het opzetvereiste is voor zowel de voorafgaande als de gelijktijdige medeplichtigheid uitdrukkelijk in de wet opgenomen. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk verschaffen van gelegenheid tot het misdrijf – bijvoorbeeld het telen van hennep – is een dubbel opzet vereist, nu het opzet niet alleen gericht moet zijn geweest op het verschaffen van die gelegenheid, maar, al dan niet in voorwaardelijke vorm, ook op het gronddelict.9

11. Medeplichtigheid manifesteert zich veelal in actief handelen. Dat neemt niet weg dat strafbare passiviteit hier eveneens mogelijk is. In dat geval bestaat medeplichtigheid uit het opzettelijk niet beletten, dus uit nalaten, terwijl ingevolge een rechtsplicht handelen geboden is. In Noyon/Langemeijer/Remmelink wordt erop gewezen dat dan doorgaans sprake is van de figuur van voorafgaande medeplichtigheid, en wel door het verschaffen van gelegenheid.10 In dezelfde zin De Hullu, die in dat verband het volgende schrijft (met weglating van voetnoten):

“Medeplichtigheid (vooral gelegenheid geven) kan uit passiviteit, uit niets-doen bestaan. Maar alleen waar handelen zou zijn geboden, kan niet-handelen medeplichtigheid opleveren. Hetzelfde punt speelt in het algemeen bij omissiedelicten. Er moet daarom een rechtsplicht tot handelen worden vastgesteld voordat nalaten als medeplichtigheid kan worden aangemerkt. […].
Opvallend is hierbij wel de niet op een concrete wetsbepaling, maar op de omstandigheden van het geval gestoelde rechtsplicht die – op een overigens aansprekende wijze – beslissend is. De Hoge Raad noemt dit ‘de zogenoemde passieve medeplichtigheid’, en daarvan is in het algemeen sprake wanneer ‘iemand in strijd met een op hem rustende rechtsplicht opzettelijk nalaat te beletten dat het misdrijf wordt gepleegd’. Dat de rechtsplicht bijzondere aandacht verdient, bleek uit de overweging dat ‘kennis omtrent het voornemen van een ander tot het plegen van een misdrijf niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van de rechtsplicht tot openbaarmaking van die kennis en het aldus beletten van dat misdrijf’.
Ook bij medeplichtigheid bestaat een vloeiende overgang tussen doen en laten, en het kan eveneens om een combinatie daarvan gaan. Daarom kon aan iemand medeplichtigheid tot brandstichting door gelegenheid verschaffen worden verweten doordat hij zijn huis ‘heeft verlaten opdat er voor de mededaders gelegenheid was brand te stichten’. Dan komt de nadruk op het opzet te liggen, nu het op zichzelf een onschuldige, alledaagse handeling betreft.”11

12. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50 was de verdachte door het hof onder meer veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk telen van hennepplanten. Bij de bewezenverklaring had het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat a. de verdachte wist dat de hennepplantage in haar woning aanwezig was, b. zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde had gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, c. zij toestond dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en d. zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij. De Hoge Raad zag daar echter nog geen medeplegen in, maar wel kwam blijkens rechtsoverweging 2.5 medeplichtigheid in beeld: “Deze omstandigheden zijn niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd nu zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen.”

13. Ik keer terug naar het middel in de onderhavige zaak. Een belangrijk aanknopingspunt vormt daarbij het zojuist aangehaalde arrest van HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50. Daaruit blijkt dat het niet-beëindigen van de opbouw en exploitatie van een hennepkwekerij door de eigenaar, terwijl het beletten wel in zijn macht ligt, het verschaffen van gelegenheid voor het telen van hennepplanten kan opleveren. In die zaak was de verdachte de (enig) eigenaar van de woning waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen. In de door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank in de nu voorliggende zaak, ligt als zijn oordeel besloten dat de verdachte (i) naar zij heeft verklaard wist dat in de gezamenlijke woning een hennepkwekerij aanwezig was, (ii) zij als hoofdbewoner en mede-eigenaar de beschikking had over deze woning en (iii) zij twee ruimtes in de woning aan haar man ter beschikking had gesteld voor het kweken van hennep. Aan deze feiten en omstandigheden heeft het hof (deels impliciet) de niet-onbegrijpelijke gevolgtrekking verbonden dat zij die situatie in stand heeft gelaten en niet heeft belet, terwijl het in haar macht lag om de opbouw en exploitatie van die hennepkwekerij te (doen) beëindigen en zij dit (ingevolge een rechtsplicht) had moeten doen. Het oordeel van het hof dat zij daarmee opzettelijk de gelegenheid heeft verschaft tot het telen van de hennep door de medeverdachte (haar man) in hun woning en dat haar opzet was gericht op dit misdrijf, is (mede bezien in licht van HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50) niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de woning ook aan de medeverdachte (haar man) als mede-eigenaar en medebewoner ter beschikking stond, en evenmin dat de verdachte meermalen tegenover hem haar ongenoegen over de hennepkwekerij zou hebben geuit.

14. Voor zover het middel de deelklacht bevat dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte ervoor heeft gekozen twee ruimtes in de woning aan de medeverdachte (haar man) ter beschikking te stellen voor het kweken van hennep en wist dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd, heeft het volgende te gelden.

15. Dat de verdachte aan haar man in hun gezamenlijke woning twee ruimtes voor het kweken van hennep ter beschikking heeft gesteld, ligt mijns inziens zonder meer besloten in de gebezigde bewijsmiddelen. Wat betreft de overweging dat de verdachte wist dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd, heeft het hof, door het vonnis (de bewijsoverweging van de rechtbank) te bevestigen, zich wellicht in wat ongelukkig gekozen bewoordingen uitgedrukt. Opzet met betrekking tot het aanleggen zelf in letterlijke zin, blijkt inderdaad niet uit de inhoud van de bewijsmiddelen. Ik versta deze overweging echter aldus dat bedoeld wordt dat verdachte wist dat er een hennepkwekerij in de gezamenlijke woning was aangelegd door haar man. Overigens merk ik op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep zonder meer blijkt dat de verdachte er weet van had dat haar man vanaf september 2014 een hennepkwekerij in hun woning aan het aanleggen was.12 Zij heeft toen namelijk verklaard dat zij bij de aanschaf van de woning niet wist dat haar man een hennepkwekerij ging bouwen en dat hij dat achter gesloten deuren deed, dat zij hennep in huis rook en dat haar man in september was begonnen. Aan de steller van het middel kan dus weliswaar worden toegegeven dat in de bewijsoverweging niet expliciet wordt aangeduid op welk bewijsmiddel de redengevende omstandigheid dat de verdachte wist dat er een hennepkwekerij in de woning werd aangelegd berust,13 maar het belang bij deze deelklacht ontgaat mij gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het aanleggen geen onderdeel van de bewezenverklaring vormt.

16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het aan haar onder 2 tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 510 hennepplanten. Het hoger beroep dat namens de verdachte is ingesteld, richt zich niet tegen deze vrijspraak.

2 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341, m.nt. Schalken (rov. 2.2).

3 HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341, m.nt. Schalken (rov. 2.2). Zie ook HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m. nt. Mevis (rov. 3.2.1) .

4 G. Knigge & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 259.

5 Dit is “een belangrijk uitgangspunt voor strafbare deelneming als algemeen leerstuk”, aldus J. de Hullu in Materieel strafrecht, Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Kluwer 2018, p. 445.

6 Daarbij merk ik overigens op dat het gronddelict niet hoeft te zijn voltooid. Ook aan strafbare poging of aan strafbare voorbereiding kan worden deelgenomen in de zin van de wet; zie art. 78 Sr.

7 HR 8 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0142, NJ 1988/6, m.nt. Van Veen, HR 10 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0749, NJ 1997/585 en HR 7 april 1998, ECLI:NL:HR:ZD1001, NJ 1998/558.

8 Zie daarover nader Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 48, aant. 7 (bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse; bijgewerkt t/m 17 juli 2017) en De Hullu, a.w., p. 449-453.

9 HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:964 (in deze zaak kon niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte, iemand die zijn woning had onderverhuurd, opzettelijk gelegenheid had verschaft tot het opzettelijk telen van hennep) en eerder al: HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, NJ 2002/245 (rov. 3.4), HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, NJ 2011/319 (rov. 2.3) en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226, NJ 2017/107 (rov. 2.3).

10 A.w., art. 48, aant. 9.

11 De Hullu, a.w., p. 497-498.

12 Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers, herhaald in HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5498.

13 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424, NJ 2007/387 en HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0425, NJ 2007/388.