Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:685

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
16/03440
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1027
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Medeplegen mensenhandel (art. 273f.1 Sr) en witwassen van personenauto (art. 420bis.1.b Sr). 1. Uos t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangeefster van mensenhandel. 2. Kwalificatieklacht witwassen. HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/02079 en 16/05176.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/03440

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 maart 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. `mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en 2. `witwassen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het hof heeft voorts een boksbeugel aan het verkeer onttrokken, de teruggave gelast van enkele voorwerpen en een benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/02079 en 16/05176. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken terwijl de daartoe in het bijzonder opgegeven redenen niet begrijpelijk zijn. Dat standpunt betreft het verweer dat de voor het bewijs van feit 1 gebezigde verklaringen van [benadeelde 4] onbetrouwbaar zijn.

  5. Voor een goed begrip geef ik alvorens het middel te bespreken de bewezenverklaring weer alsmede ’s hofs samenvatting en verwerping van het verweer.

  6. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 februari 2010 tot 1 december 2012 te Amsterdam en Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde 4] door geweld en één of meer andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en dreiging met één of meer andere feitelijkheden en door misbruik van een kwetsbare positie heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 4] en die [benadeelde 4] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten prostitutiewerkzaamheden en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 4] en die [benadeelde 4] met één of meer van de voornoemde middelen en omstandigheden heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde 4] met een derde,

bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en bedreiging met die andere feitelijkheden en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte tezamen en/of zijn mededader

- met die [benadeelde 4] een liefdesrelatie is aangegaan en heeft onderhouden en

- die [benadeelde 4] heeft gehuisvest in Amsterdam en die [benadeelde 4] onderdak heeft verschaft en

- die [benadeelde 4] meermalen onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht in de prostitutie te werken en te blijven werken en

- voor die [benadeelde 4] heeft gezorgd voor het vervoer van en naar de werkkamer en

- terwijl die [benadeelde 4] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch die [benadeelde 4] heeft gecontroleerd en

- die [benadeelde 4] verantwoording heeft laten afleggen over en heeft gecontroleerd op haar werktijden en hoeveel klanten zij heeft gehad en

- die [benadeelde 4] heeft beperkt in haar bewegingsvrijheid en die [benadeelde 4] nauwlettend in de gaten heeft gehouden en

- die [benadeelde 4] meermalen heeft geslagen tegen haar lichaam en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde 4] heeft afgenomen of door die [benadeelde 4] heeft laten afstaan en

- die [benadeelde 4] een auto voor hem, verdachte, heeft laten bekostigen en op haar naam heeft laten zetten’.

7. Het hof heeft het betrouwbaarheidsverweer in het arrest als volgt samengevat:

Bewijsverweer ten aanzien van [benadeelde 4] (feit 1 en 2)

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 4] , afgelegd bij gelegenheid van haar aangifte en verhoren bij de rechter-commissaris, veel inconsistenties en onjuistheden bevatten, en heeft daartoe het volgende betoogd.

De aangifte van [benadeelde 4] is grotendeels onjuist en leugenachtig. Om die redenen kunnen deze verklaringen niet bijdragen aan de bewijsvoering en dienen ze van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging is ermee bekend dat aan vermeende slachtoffers van mensenhandel vaak van alles wordt voorgehouden, zodat zij een belastende verklaring zullen afleggen. [benadeelde 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie haar had medegedeeld dat zij alles terug zou krijgen wat ze kwijt was als ze de waarheid zou spreken. Ook heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar een geldbedrag was toegezegd als zij aangifte zou doen.

In haar eerste verklaring heeft [benadeelde 4] beweerd dat zij uit vrije wil in de prostitutie werkzaam was. Zij heeft meermalen gezegd dat geen sprake was van enige dwang. Zij heeft ook gezegd dat [verdachte] (hierna: [verdachte] ) voor haar zorgde en op haar lette, hetgeen in een relatie gewoon is. De ouders van [benadeelde 4] en haar broer hebben verklaard dat zij een liefdevolle relatie had met [verdachte] . [benadeelde 4] loog in telefoongesprekken. De verdediging acht het, als alternatief scenario, waarschijnlijker dat ze nu liegt omdat ze niet de aandacht krijgt die ze wil nu [verdachte] weg is.

De tapgesprekken zijn voor verschillende uitleg vatbaar; [verdachte] en [benadeelde 4] hadden een relatie. Voor de verklaringen van [benadeelde 4] bestaat, naast enkele tapgesprekken, geen steunbewijs.

De oom van [verdachte] heeft verklaard dat [benadeelde 4] kapot was van de scheiding na de aanhouding van [verdachte] . Dit ondersteunt de onjuistheid van hetgeen [benadeelde 4] heeft verklaard omtrent haar angst voor [verdachte] .

De verklaring van [benadeelde 4] in haar aangifte over de personen die bij haar en haar vriend op bezoek zijn geweest, is tegenstrijdig met de verklaring die zij later heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris, nu zij het eerst had over vrienden en later over personen die door [medeverdachte] en [verdachte] waren gestuurd en zij in haar aangifte een te betalen bedrag van € 25.000 noemde en bij de raadsheer-commissaris een bedrag van € 30.000. De aangifte door [benadeelde 4] is ingegeven door de omstandigheid dat zij ervan baalde dat de relatie met [verdachte] over was.

De contacten die zij op Facebook had met de neef van [verdachte] , genaamd [naam 4] , spreken boekdelen. Daaruit blijkt dat zij degene is geweest die contact met [naam 4] heeft gezocht en dat deze contacten hebben geduurd van 6 juli 2012 tot 20 augustus 2013. Hoe kan zij bang zijn geweest voor [verdachte] als zij helemaal geen contact meer met hem had? Uit deze Facebook-contacten volgt dat haar aangiften sowieso grotendeels leugenachtig zijn.’

8. Het hof heeft het verweer in het arrest verworpen. Een deel van de verwerping is in de aanvulling op ’s hofs arrest vervangen. Het eerste, in het arrest opgenomen en niet vervangen, deel van de verwerping luidt als volgt:

‘Met de rechtbank slaat het hof er acht op dat [benadeelde 4] , vóór haar aangifte van 25 september 2013 en (gedeeltelijk) in tegenspraak daarmee, heeft verklaard dat zij een normale relatie met [verdachte] had, vrijwillig in de prostitutie werkzaam was en geen aangifte wilde doen.

Dit betekent echter niet dat de betreffende aangifte en de daarna door haar afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, indien er een aannemelijke verklaring voor de wijziging van relevante onderdelen hiervan is en deze ook overigens op wezenlijke onderdelen voldoende consistent en betrouwbaar zijn.

In de onderhavige situatie is hiervan naar het oordeel van het hof sprake.

De verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor de wijziging van haar verklaringen, te weten angst voor [verdachte] , diens familie en [medeverdachte] , acht het hof niet onaannemelijk en hiervoor voldoende redengevend zodat hierin op zichzelf geen grond wordt gevonden haar (latere) verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Het hof acht voorts, anders dan de verdediging, de voor de bewezenverklaring te bezigen verklaringen van [benadeelde 4] op wezenlijke punten voldoende eenduidig, consistent en betrouwbaar om deze bij de bewijsbeslissing in aanmerking te nemen. De door de verdediging geconstateerde verschillen, voor zover hiervan al sprake is, tasten niet de kern aan van de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot het ten laste gelegde.

Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

[benadeelde 4] is over haar Facebook-contacten met [naam 4] door de verdediging bevraagd tijdens haar verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 11 november 2014. Haar zijn gedeelten van de als bijlagen bij dit verhoor gevoegde Facebook-contacten met [naam 4] voorgehouden, waaronder haar uitlating dat zij nog van [verdachte] houdt. Zij heeft verklaard dat het klopt dat zij aan [naam 4] mededelingen van deze strekking heeft gedaan om te zorgen dat de verhoudingen goed bleven. Zij wilde geen problemen en was nog steeds bang voor [verdachte] , bang dat hij haar via anderen zou bedreigen. [benadeelde 4] heeft tijdens dit verhoor ook verklaard dat de gesprekken niet in hun geheel zijn weergegeven op de kopieën die de verdediging daarvan had overgelegd. Het hof merkt hierover allereerst op dat [benadeelde 4] en [naam 4] beiden in deze contacten diverse talen door elkaar gebruikten en deze voornamelijk fonetisch zijn genoteerd. Aldus zijn flarden tekst zichtbaar waarvan de context ontbreekt. Er kan dus nauwelijks iets uit worden opgemaakt. De verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor het feit dat een deel van de inhoud ervan niet overeenkomstig de waarheid was, acht het hof niet onaannemelijk. Het hof trekt hieruit derhalve niet de verregaande conclusie die de verdediging daaraan verbindt.

De omstandigheid dat familieleden van [benadeelde 4] zouden hebben gesproken van een liefdevolle relatie tussen [benadeelde 4] en [verdachte] is evenmin reden de (latere) verklaringen van [benadeelde 4] van het bewijs uit te sluiten. Het betreft slechts een interpretatie over de aard van de relatie van [benadeelde 4] met [verdachte] . Deze familieleden, die in het buitenland woonden en [benadeelde 4] sporadisch met [verdachte] samen hebben ontmoet, hebben geen concrete waarnemingen gemeld die op wezenlijke onderdelen in tegenspraak zijn met hetgeen [benadeelde 4] in belastende zin over de verdachte en [verdachte] heeft verklaard.

Evenmin is er een concreet aanknopingspunt dat [benadeelde 4] , als geopperd door de verdediging, haar voor [verdachte] belastende verklaringen opzettelijk in strijd met de waarheid heeft afgelegd om redenen van geldelijk gewin dan wel op grond van andere onzuivere motieven.

De aangehaalde inconsistenties van de verdediging in de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 10 januari 2015 zijn van dusdanig ondergeschikt belang dat daaraan, nog daargelaten dat deze niet zien op de ten laste gelegde feiten, niet de door de verdediging getrokken conclusie dient te worden verbonden.’

9. Het tweede, uit de aanvulling op het arrest overgenomen deel van de verwerping luidt als volgt (met weglating van verwijzingen):

‘Het hof acht de belastende verklaringen van [benadeelde 4] wel degelijk betrouwbaar, temeer nu deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, die onder meer de volgende omstandigheden inhouden:

 Uit het telecomdossier blijkt, dat [benadeelde 4] veelvuldig sms-berichten verstuurde, met in aantal wisselende kruisjes. Dit ondersteunt de verklaring van [benadeelde 4] dat zij een sms-bericht aan [verdachte] moest sturen als zij een klant had, waarbij een “x” in het bericht € 50 (BFK: betekende) en de vermelding van “xx” € 100 (aan verdiensten).

 [verdachte] is op 7 maart 2010 in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] op de Wallen in Amsterdam aangehouden.

 De broer van [benadeelde 4] heeft op 11 november 2014 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard een keer op de webcam te hebben gezien dat [benadeelde 4] blauwe plekken had op haar arm en middel.

 [verdachte] heeft op 5 januari 2012 in een telefoongesprek tegen [medeverdachte] gezegd dat hij een auto gevonden had in Den Bosch, een S4 voor 9600. Verbalisanten hebben op 5 januari 2012 gezien dat [verdachte] en [medeverdachte] op 5 januari 2012 bij autobedrijf “Europacar” in [naam 4] naar binnen zijn gegaan en in een auto gingen zitten. Op 6 januari 2012 heeft [medeverdachte] in een telefoongesprek met een onbekende gezegd dat [verdachte] de auto op haar (het hof begrijpt: [benadeelde 4] ’s) naam had gekocht en verzekerd. Blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer stond een auto, merk Audi A4, S4-uitvoering, met het [kenteken 2] vanaf 6 januari 2012 te 11.40 uur tot 6 januari 2012 13:47 uur op naam van [verdachte] , waarna de auto op naam van [benadeelde 4] is gezet. Deze gegevens ondersteunen de verklaringen van [benadeelde 4] dat [verdachte] met [medeverdachte] een auto had gekocht van haar geld.’

10. De steller van het middel klaagt dat ‘s hofs overweging inhoudende dat de verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor de wijziging van haar verklaringen, namelijk angst voor de verdachte, diens familie en [medeverdachte] , ‘niet onaannemelijk en hiervoor voldoende redengevend’ is, zodat hierin ‘op zichzelf geen grond wordt gevonden haar (latere) verklaringen uit te sluiten van het bewijs’, niet begrijpelijk is. Geklaagd wordt dat het hof ‘in het bijzonder niet (heeft) aangegeven op grond van welk bewijsmiddel’ het van oordeel is dat de angst van [benadeelde 4] niet onaannemelijk is.

11. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 4] diende te berusten op één of meer (wettige) bewijsmiddelen gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. Het gaat om een begrijpelijkheidstoets. Daarbij zijn ’s hofs overwegingen aldus te verstaan dat het hof het niet onaannemelijk acht dat angst de reden is geweest voor [benadeelde 4] om aanvankelijk anders (namelijk in voor de verdachte ontlastende zin) te verklaren dan later. Dat oordeel, dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal betreft en derhalve tot het domein van de feitenrechter behoort, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in de nadere bewijsoverwegingen op basis van de aangiften van [benadeelde 4] van 25 september en 21 oktober 2013 alsmede weergaven van telefoongesprekken onder meer de volgende passages opgenomen (met weglating van verwijzingen): ‘Volgens [benadeelde 4] heeft [verdachte] haar behandeld alsof zij een dier was’; ‘ [verdachte] sloeg en schopte haar. Hij heeft haar psychisch kapot gemaakt’; ‘Zij mocht met niemand contact hebben, behalve haar familie en de familie van de verdachte’; ‘Na acht maanden kwam [verdachte] vrij en toen begonnen volgens [benadeelde 4] de mishandelingen’; ‘Elke keer als zij contact met iemand had, werd zij mishandeld’; ‘Als zij aan [verdachte] uitleg vroeg over waar het geld was, werd zij in elkaar geslagen’; ‘Daarnaast overlegde [benadeelde 4] met hem over wanneer zij met werken moest stoppen, vroeg zij hem om toestemming voor hetgeen zij at en dronk en vroeg hem of zij zich kon omkleden’; ‘ [benadeelde 4] werd door [verdachte] geslagen en geschopt’; ‘ [benadeelde 4] wilde weg bij [verdachte] . Dan was zijn reactie: als je mij verlaat , heb je één week de tijd om Nederland te verlaten. Anders wordt je leven een nachtmerrie. [benadeelde 4] zei: Nederland is toch niet van jou? Hij zei: je ziet het wel, het is wel van mij. [benadeelde 4] had het gevoel dat zij geen kant op kon. [benadeelde 4] sprak over gedwongen liefde’.

12. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof heeft overwogen dat de ‘door de verdediging geconstateerde verschillen, voor zover hiervan al sprake is’, niet de kern aantasten van de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot het ten laste gelegde. Die overweging zou niet begrijpelijk zijn, nu [benadeelde 4] na de vrijspraak in eerste aanleg en nadat haar relatie met de verdachte ten einde was honderdtachtig graden gedraaid is in haar verklaringen.

13. Het lijkt mij evident dat het hof met de zin over de geconstateerde verschillen niet het oog had op verschillen tussen de aanvankelijke verklaringen van [benadeelde 4] en de aangiften, maar op verschillen tussen de belastende verklaringen van [benadeelde 4] . Het hof heeft met deze overweging gereageerd op de stelling van de verdediging ‘dat de verklaringen van [benadeelde 4] , afgelegd bij gelegenheid van haar aangifte en verhoren bij de rechter-commissaris, veel inconsistenties en onjuistheden bevatten’. Zo gelezen is ’s hofs overweging niet onbegrijpelijk. In de toelichting op het middel wordt ook niet gewezen op verschillen tussen de belastende verklaringen, laat staan op verschillen die aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doen twijfelen.

14. De steller van het middel bekritiseert vervolgens de overweging dat de verklaring van [benadeelde 4] ‘wel degelijk betrouwbaar’ wordt geacht omdat zij wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo zou het feit dat de broer van [benadeelde 4] heeft verklaard dat hij een keer blauwe plekken heeft gezien op haar arm en middel niet ‘redengevend voor de bewezenverklaring’ zijn, te minder nu de verdediging heeft gesteld dat de ouders en broer van [benadeelde 4] hebben verklaard dat [benadeelde 4] een liefdevolle relatie had met de verdachte. Dat de verdachte op 7 maart 2010 in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] is aangehouden op de Wallen en dat uit tapgesprekken volgt dat [medeverdachte] en de verdachte een auto hebben gekocht met geld van [benadeelde 4] zou evenmin ‘redengevend voor een bewezenverklaring van mensenhandel’ zijn.

15. Ook op dit punt kan ik de steller van het middel niet volgen. Dat de broer van [benadeelde 4] zou hebben verklaard dat [benadeelde 4] een liefdevolle relatie had met de verdachte, lijkt mij niet een reden om aan de objectiviteit van de broer en (daarmee) betrouwbaarheid van diens waarneming te twijfelen. Dat het hof in die waarneming steun heeft gezien voor de verklaring van [benadeelde 4] inhoudend dat zij door de verdachte is mishandeld, is geenszins onbegrijpelijk. Dat de verdachte in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] is aangehouden, bevestigt zijn betrokkenheid bij haar werk als prostituee en biedt steun aan haar verklaring, waarin de veroordeling van de verdachte wegens deze mishandeling en de verandering in zijn gedrag na het uitzitten van de opgelegde gevangenisstraf een belangrijk element vormen. De informatie over de aankoop van de auto maakt duidelijk dat niet alleen de verdachte maar ook [medeverdachte] voordeel trok uit de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde 4] en bevestigt haar verklaring over de aankoop van de auto.

16. Het eerste middel faalt.

17. Het tweede middel klaagt dat ‘s hofs oordeel dat de bewezenverklaring van feit 2 voor zover deze betrekking heeft op een personenauto gekwalificeerd kan worden als ‘witwassen’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

18. Onder 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

‘hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 16 april 2012 te Amsterdam en/of Alkmaar en/of Zwanenburg en/of Goes en/of Groningen en/of Hoogeveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedrag(en) (in ieder geval een geldbedrag van 107.490,- euro) en/of een personenauto (merk audi [kenteken 2] ) en/of andere voorwerpen, te weten:

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de door [benadeelde 1] en/of [benadeelde 4] en/of één of meer andere vrouwen verrichte prostitutiewerkzaamheden,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven’.

19. De in het bestreden arrest opgenomen bewezenverklaring op basis van deze tenlastelegging luidt dat:

‘hij in de periode van 1 februari 2010 tot 1 december 2012 in Nederland (contante) geldbedragen en een personenauto (merk Audi [kenteken 2] ) verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf.’

20. Het hof heeft onder het kopje ‘Strafbaarheid van het bewezen verklaarde’ vervolgens overwogen:

‘Het onder 2 bewezen verklaarde, voor zover betrekking hebbende op contante geldbedragen, levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve in zoverre van alle rechtsvervolging te worden ontslagen. Voornoemde contante geldbedragen zijn immers onmiddellijk uit het (onder 1 bewezen verklaarde) eigen misdrijf van de verdachte afkomstig en het enkele voorhanden hebben daarvan kan niet hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, zodat het feit in zoverre niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder (…) 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.’

21. De steller van het middel klaagt dat het hof de verdachte wat betreft de personenauto heeft vrijgesproken van het bestanddeel ‘terwijl hij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit misdrijf’ en dat het bewezenverklaarde aldus met betrekking tot de personenauto niet de kwalificatie ‘witwassen’ oplevert. Voor zover zou worden uitgegaan van een kennelijke fout en ingelezen zou moeten worden dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte ‘wist dat die personenauto – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit misdrijf’ meent de steller van het middel dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat sprake is van verhullingshandelingen met betrekking tot de auto, ‘terwijl de auto (onmiddellijk) uit eigen misdrijf (mensenhandel ten aanzien van [benadeelde 4] ) is verkregen’.

22. De eerste klacht faalt omdat, mede gelet op het slot van de bij randnummer 9 weergegeven bewijsoverweging, sprake is van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring, een mogelijkheid waar ook de steller van het middel op wijst. Uit de overweging inzake de strafbaarheid van het bewezenverklaarde blijkt duidelijk dat het hof de verdachte slechts van alle rechtsvervolging heeft ontslagen ten aanzien van het witwassen van de geldbedragen en (daarmee) van oordeel was dat bij de personenauto aan de voorwaarden voor kwalificatie was voldaan. Uw Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen.1

23. In zoverre het middel er van uit gaat dat de personenauto onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. De auto is aangeschaft met geld dat onmiddellijk afkomstig was uit misdrijf; de auto zelf is daarmee middellijk afkomstig uit misdrijf.2 Dat brengt mee dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet van toepassing is.

24. Het tweede middel faalt.

25. Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel een eis stelt die het recht niet kent en voor het overige gericht is tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard. Het tweede middel heeft betrekking op een onmiskenbare misslag in de bewezenverklaring en geeft voor het overige blijk van miskenning van vaste rechtspraak over de kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen. Deze middelen zijn daarom evident kansloos.3 Dat brengt mee dat het derde middel, dat klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase, onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.4 Het beroep kan daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.

26. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1096.

2 Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527, NJ 2016/479.

3 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.3.1 en 2.3.2.

4 Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4.