Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:677

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
16/02079
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1026
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mensenhandel door voordeel te trekken uit uitbuiting van uit buitenland afkomstige prostituee en haar te bewegen tot afdracht van prostitutieopbrengsten (art. 273f.1.6 en 273f.1.9 Sr) en witwassen van contante geldbedragen en scooter (art. 420bis.1.b Sr). 1. Bewijsklacht mensenhandel. Is sprake van uitbuiting? 2. Bewijsklacht witwassen.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1941 m.b.t. uitleg van bestanddeel “uitbuiting”, welk bestanddeel moet worden aangemerkt als impliciet bestanddeel van art. 273f.1.9 Sr. Uit ’s Hofs bewijsvoering volgt niet z.m. dat bij bewezenverklaarde gedragingen sprake was van uitbuiting, zoals hiervoor aan de orde gesteld.

Ad 2. HR: Op grond vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Gelet op slagen van middel over mensenhandel, vervalt vaststelling van misdrijf waaruit scooter en geldbedragen afkomstig zijn.

Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 16/03440 en 16/05176.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 16/02079

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. B.F. Keulen

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 31 maart 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens zaak A onder 1 ‘mensenhandel en mensenhandel terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’, zaak A onder 2 ‘witwassen’, zaak A onder 4 ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’, zaak A onder 5 en 6, telkens ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd’ en zaak B onder 1 ‘mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, verbeurdverklaring van € 50.000.- en onttrekking aan het verkeer van een aantal voorwerpen. Daarnaast heeft het hof de teruggave van een aantal voorwerpen gelast en de bewaring van een nader omschreven geldbedrag ten behoeve van de rechthebbende. Het hof heeft twee benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en de vordering van een benadeelde partij tot een bedrag van € 1000.- toegewezen alsmede een schadevergoedingsmaatregel van die hoogte opgelegd.

  2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/03440 en 16/05176. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur zeven middelen van cassatie voorgesteld.1

4. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A feit 1 ontoereikend gemotiveerd is ten aanzien van [slachtoffer 1] . Uit de toelichting blijkt dat de bewijsklacht is toegespitst op het deel van de bewezenverklaring dat ziet, kort gezegd, op het voordeel trekken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] en het door feitelijkheden haar bewegen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen. Voordat ik deze klacht bespreek, geef ik eerst dit deel van de bewezenverklaring en de bijbehorende bewijsoverweging van het hof weer en maak ik enkele opmerkingen over de bewezenverklaring. Die sluit namelijk niet naadloos aan bij de strafbaarstelling van art. 273f Sr.

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 16 april 2012 in Nederland, door feitelijkheden opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met een derde, bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- met die [slachtoffer 1] een (liefdes)relatie is aangegaan en heeft onderhouden en

- die [slachtoffer 1] heeft gehuisvest in Amsterdam en

- telefonisch en in persoon die [slachtoffer 1] heeft gecontroleerd en/of laten controleren en

- een deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] heeft laten afstaan en

- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat verdachte een exclusieve relatie met haar had en

- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat hij kinderen met haar wilde en

- die [slachtoffer 1] verzwegen dat hij een ex-vrouw en drie kinderen had’.

6. In ’s hofs verkort arrest is een bewijsoverweging inzake dit deel van de bewezenverklaring opgenomen. In de aanvulling op ’s hofs arrest is deze bewijsoverweging vervangen. Het middel gaat uit van de in de aanvulling opgenomen overwegingen; ook ik ga van die overwegingen uit.2 Zij luiden als volgt (met weglating van verwijzingen):

‘ [slachtoffer 1] heeft geen aangifte van mensenhandel gedaan tegen [verdachte] . Het hof is desondanks van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] door feitelijkheden opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] , die als prostituee werkzaam was in Amsterdam. Het hof neemt hierbij in aanmerking de volgende feiten en omstandigheden, die blijken uit de in de voetnoten aangeduide te bezigen bewijsmiddelen.

Woonsituatie, aangaan liefdesrelatie met [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] werkte vanaf 2001/2002 als prostituee in Amsterdam. Zij heeft [verdachte] , door haar aangeduid als [verdachte] , leren kennen toen zij een jaar of drie op de Wallen werkte. Zij had zeven jaar een relatie met de verdachte. [verdachte] leerde [slachtoffer 1] , wier werknaam volgens hem [slachtoffer 1] was, kennen “achter het raam” in de [a-straat] in Amsterdam. Hij kende haar vanaf 17 juli 2005 en noemde haar zijn vrouw of vriendin. [verdachte] stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Hoogeveen en hij woonde daar ook. Volgens [verdachte] was hij een van degenen die van [naam 1] de woning aan de [c-straat 1] te Amsterdam (waar [slachtoffer 1] woonde) huurde. Volgens [slachtoffer 1] overhandigde [verdachte] soms het huurbedrag van die woning aan [naam 1] . [slachtoffer 1] had als prostituee een vaste kamer aan de [e-straat 1] . Dit adres lag op loopafstand van enkele minuten van haar woning.

[verdachte] heeft [slachtoffer 1] tijdens haar werk laten controleren of gecontroleerd

Op 17 mei 2009 schoten [verdachte] en [betrokkene 1] [slachtoffer 1] te hulp toen zij op haar werkplek het “hoerenalarm” had ingedrukt. Ook [betrokkene 1] had veel aandacht voor [slachtoffer 1] , terwijl zij destijds achter het raam stond van de […] en aan het werk was.

Op 15/16 augustus 2009 is gezien dat [verdachte] op de hoek stond bij de [f-straat] , waar [slachtoffer 1] als prostituee werkte. Dat [verdachte] bemoeienis had met prostituees blijkt ook uit zijn eigen verklaring. [verdachte] heeft op 22 februari 2009 tegen de politie gezegd dat hij, als hij een telefoontje van één van hen kreeg, probeerde zo snel mogelijk ter plaatse te zijn.

Tijdens een observatie op 16 november 2008 omstreeks 01:00 uur is [verdachte] op de Wallen gezien toen hij zich samen met [betrokkene 1] en een andere persoon in een personenauto in [g-straat] bevond. [verdachte] en [betrokkene 1] zijn eveneens in de nacht van 1 op 2 december 2011 samen op de Wallen gezien toen zij met een onbekende man spraken. Deze zei tegen [verdachte] in de Engelse taal: This is not the conditions that I like. [verdachte] was een bekende binnen de prostitutiescene. Volgens een prostituee op de Wallen, [naam 5] , was [verdachte] ook druk en zeer regelmatig in de wijk actief.

Volgens [benadeelde 4] controleerden [betrokkene 1] en [verdachte] o.a. haarzelf en [slachtoffer 1] : Ze wisten: daar is de vrouw van [betrokkene 1] , daar is die van [verdachte] , en die andere van [verdachte] . Niet alleen zij werd gecontroleerd maar ook de rest. [benadeelde 4] stuurde veelvuldig sms’jes met (in aantal wisselende) kruisjes naar [betrokkene 1] . De vermelding van een ‘x’ in de sms betekende dat zij € 50 had verdiend; de vermelding van “xx’ betekende € 100. Volgens [benadeelde 4] deed [slachtoffer 1] dat ook voor [verdachte] . Wat [verdachte] deed, moest [betrokkene 1] ook met [benadeelde 4] doen. Hij zei: je moet precies doen als [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] , hun sturen een smiley, je moet ook zoiets gaan doen. Dat kruisje was een idee van [betrokkene 1] of [verdachte] .

[verdachte] heeft [slachtoffer 1] voorgehouden dat zij een exclusieve relatie hadden.

[verdachte] had vanaf ongeveer 2006 niet alleen een relatie met [slachtoffer 1] maar ook met [slachtoffer 2] , die enige tijd als adres [c-straat 2] had en die eveneens vanaf 2006 in Amsterdam als prostituee op de Wallen werkte. Hij heeft zijn relatie met [slachtoffer 1] verzwegen voor [slachtoffer 2] en zijn relatie met [slachtoffer 2] verzwegen voor [slachtoffer 1] . Volgens [benadeelde 4] was de verdachte bang dat zij [slachtoffer 1] over [slachtoffer 2] zou vertellen en andersom. [verdachte] heeft op 12 juni 2012 in een telefoongesprek met [betrokkene 2] gezegd dat hij niet wilde dat “de blonde/blanke” en “de krullebol” elkaar zouden zien. Volgens [slachtoffer 1] wilde [verdachte] kinderen met haar. Volgens [slachtoffer 2] had zij zes jaar een relatie met [verdachte] en was zij op een leeftijd dat zij nog wel een kind zou willen hebben; [verdachte] zou gezegd hebben: “wanneer komt de kleine [verdachte] nou”. [verdachte] heeft er nooit met [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] over gesproken dat hij een vrouw (hof: ex-partner) en drie kinderen had.

[verdachte] heeft een deel van de verdiensten uit prostitutiewerk van [slachtoffer 1] laten afstaan.

[slachtoffer 1] onderhield [verdachte] . Zij gaf hem haar pinpas, betaalde een auto voor hem, een grijze Golf, en verzekeringen “en dat soort dingen”. De grijze Golf die op naam stond van [verdachte] was door [slachtoffer 1] betaald. Zij betaalde ook voor het eten en tankte benzine voor de auto. Zij had ook een scooter aangeschaft voor gezamenlijk gebruik en deze betaald. [verdachte] maakte daadwerkelijk gebruik van die scooter, met [kenteken 1] . Voor een gezamenlijke vakantie die bijvoorbeeld 500 euro kostte, betaalde [verdachte] zo’n 100 euro en [slachtoffer 1] de rest. Hij liet [slachtoffer 1] ook geld voor hem overmaken. Volgens [benadeelde 4] had [verdachte] een huis aan [c-straat 1] , waar [slachtoffer 1] “zat”. Alle vriendinnen van [verdachte] werkten volgens [benadeelde 4] in de prostitutie. [benadeelde 4] heeft ( [betrokkene 1] en) [verdachte] nooit zien werken. Zij waren bezig met fitnessen en zaten op terrasjes te wachten op de sms-berichten met de verdiensten van de prostituees [benadeelde 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De verdachte had bij zijn aanhouding op 16 april 2012 een ING-betaalpas van [slachtoffer 1] in zijn portemonnee in een buideltas. In de woning van [verdachte] aan [b-straat 1] in Hoogeveen is in een jas een pakketje aangetroffen met een bedrag van € 50.000, bestaande uit 100 biljetten van 500 euro. Op dezelfde datum is in de woning van [slachtoffer 1] in de meterkast een pakketje aangetroffen met in totaal € 45.000 aan bankbiljetten, eveneens in coupures van € 500 euro, dat op identieke wijze was verpakt als het bij [verdachte] aangetroffen pakket met € 50.000. Volgens [verdachte] was het bedrag van € 50.000 van [slachtoffer 1] . Het hof acht dit aannemelijk nu het geld dezelfde coupures betrof en op dezelfde wijze was verpakt als het in de woning van [slachtoffer 1] aangetroffen bedrag dat volgens haar haar verdiensten in de prostitutie betrof; de verdachte wist daar volgens haar van. De verdachte heeft verklaard het geld te hebben ingepakt en een deel ervan te hebben meegenomen naar Hoogeveen. Ook heeft [slachtoffer 1] , toen zij werd geconfronteerd met het in de jas van de verdachte op [b-straat 1] Hoogeveen aangetroffen geld, verklaard dat zij dat bedrag had gespaard van haar inkomsten als prostituee.

De teruggaven inkomstenbelasting van [slachtoffer 1] over de belastingjaren 2011 en 2012 kwamen op de rekening van [verdachte] .’

7. Het hof heeft niet de tekst van de tenlastelegging uitgestreept, maar op basis van de tenlastelegging zelfstandig een bewezenverklaring opgesteld. Die bewezenverklaring omvat de bestanddelen van art. 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr. Ingevolge die strafbaarstelling wordt als schuldig aan mensenhandel gestraft ‘degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander’. Het tweede lid maakt duidelijk dat uitbuiting ‘ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie’ omvat.3 De bewezenverklaring is minder nauwkeurig toegesneden op art. 273f, eerste lid, onderdeel 9 Sr. Daar is strafbaar gesteld ‘degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen’. Die in onderdeel 1 genoemde middelen zijn dwang, geweld of een andere feitelijkheid, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie alsmede het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft. De ‘feitelijkheden’ hebben in de bewezenverklaring betrekking op het voordeel trekken, terwijl de delictsomschrijving van onderdeel 9 de feitelijkheden koppelt aan het een ander bewegen de verdachte te bevoordelen.

8. Tegen die achtergrond rijst de vraag of het hof de bewezenverklaring ook onder de strafbaarstelling van onderdeel 9 heeft gekwalificeerd. De bewijsoverweging zou er op kunnen duiden dat het hof daar niet aan heeft gedacht; die spreekt alleen over het ‘wettig en overtuigend bewezen’ verklaren dat verdachte ‘door feitelijkheden opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] ’. Toch houd ik het er op dat het hier een minder gelukkige aanduiding van de bewezenverklaring in zijn geheel betreft, en dat het hof die tevens op de strafbaarstelling van onderdeel 9 heeft willen toesnijden. In die lezing zijn de bewezenverklaarde feitelijkheden naar ‘s hofs oordeel tevens de factoren die [slachtoffer 1] hebben bewogen de verdachte te bevoordelen. Voor de uitkomst maakt een en ander in zoverre weinig verschil dat Uw Raad ‘uitbuiting’ bij de strafbaarstelling van onderdeel 9 als impliciet bestanddeel heeft aangemerkt.4 En de centrale vraag is of de bewezenverklaring van uitbuiting uit de bewijsmotivering kan volgen.

9. Mede in dat licht verdient de aandacht dat de formulering van de bewezenverklaring misverstanden kan oproepen. Bewezenverklaard is door feitelijkheden opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting. Dat laat zich zo lezen dat de feitelijkheden los staan van de uitbuiting. Van die lezing ga ik in het navolgende niet uit. De bewezenverklaarde feitelijkheden en de bewijsoverweging wijzen erop dat het hof in deze feitelijkheden (mede) de uitbuiting heeft gezien.

10. De steller klaagt in de toelichting op het middel dat uit ’s hofs bewijsvoering niet kan volgen dat [slachtoffer 1] is uitgebuit, en al helemaal niet dat de verdachte daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken. Dat [slachtoffer 1] de verdachte onderhield is gelet op ’s hofs vaststelling dat zij en de verdachte een langdurige relatie met elkaar hadden en het ontbreken van de vaststelling dat [slachtoffer 1] dat niet vrijwillig deed, volgens de steller niet redengevend voor ’s hofs kennelijke oordeel dat [slachtoffer 1] is uitgebuit. De steller van het middel bestrijdt voorts dat enkele bewezenverklaarde gedragingen feitelijkheden in de zin van art. 273f, eerste lid, onderdeel 9, Sr opleveren. Die klachten betrek ik bij de beoordeling of de bewezenverklaring van ‘uitbuiting’ toereikend is onderbouwd.

11. De strafbaarstelling van het ‘opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander’ is de opvolger van een strafbaarstelling die door de Wet opheffing algemeen bordeelverbod is ingevoerd.5 Ingevolge die wet was met ingang van 1 oktober 2000 in art. 250a, eerste lid, onderdeel 4, Sr strafbaar ‘degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen’. Die omstandigheden waren geweld of een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. De huidige strafbaarstelling kwam daarvoor in de plaats door de inwerkingtreding van de Wet tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel.6 Zij was opgenomen in art. 273a, eerste lid, onderdeel 6, Sr; dat artikel is nadien door de inwerkingtreding van de Wet computercriminaliteit II vernummerd tot art. 273f Sr.7

12. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van art. 273a Sr leidde, werden de onderdelen 6 tot en met 9 van het voorgestelde eerste lid als volgt toegelicht:

‘In de onderdelen 6° tot en met 9° zijn allerlei vormen van het trekken van profijt uit mensenhandel en uitbuiting strafbaar gesteld. Voor een effectieve bestrijding van mensenhandel is het immers wenselijk dat niet alleen de mensenhandelaren zelf, maar ook de uitbaters van de uitbuiting waarop de mensenhandel is gericht, uitdrukkelijk strafbaar worden gesteld en daardoor effectief kunnen worden aangepakt. Voor deze uitbreiding heeft model gestaan artikel 250a, eerste lid, onderdelen 4° tot en met 6°.

In het voorgestelde onderdeel 6° wordt het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting, zoals omschreven in het tweede lid, strafbaar gesteld. Daarmee wordt het bepaalde in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 4°, uitgebreid tot andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting.’8

13. Uit deze toelichting kan niet worden afgeleid dat de wetgever waar het om de uitbuiting van een ander in de prostitutie ging een verandering van de reikwijdte voor ogen stond. Dat pleit ervoor om bij de vaststelling of sprake is van uitbuiting van een ander in de prostitutie, als voorheen, gewicht te hechten aan de omstandigheid dat de ander zich door geweld of een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dan wel misleiding beschikbaar heeft gesteld tot het plegen van seksuele handelingen.9 Dat sluit ook aan bij de omschrijving van uitbuiting die in dezelfde memorie van toelichting werd gegeven: ‘Kenmerkend voor uitbuiting is de aanwezigheid van dwang in ruime zin of misleiding, in de uitgebreide formulering in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 1°: een persoon door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging daarmee dwingen of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling, dan wel onder deze omstandigheden enige handeling ondernemen waarvan de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die persoon zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt.’10 Ook het gebruik van andere, in het huidige eerste onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr genoemde, ‘dwangmiddelen’ kan tegen deze achtergrond bij de vaststelling van uitbuiting worden betrokken.11 Deze benadering sluit naar het mij voorkomt aan bij de conclusie van A-G Knigge bij HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma, in zoverre daarin de onvrijwilligheid van het geëxploiteerd worden als een belangrijk element van de ‘uitbuitingssituatie’ wordt gezien (ov. 51).12 Uit HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, rov. 2.4.1 blijkt dat ook Uw Raad bij prostitutie vrijwilligheid tegenover uitbuiting stelt.13

14. Blijkens de toelichting op het middel hecht de steller ook belang aan vaststellingen inzake (1) de aard en duur van de tewerkstelling, (2) de beperkingen die zij voor [slachtoffer 1] met zich meebracht, en (3) het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte zou zijn behaald. Aldus verwijst de steller naar de duiding die in HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma aan het begrip ‘uitbuiting’ is gegeven. Uw Raad overwoog in dat arrest dat ‘in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe(komt) aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’ (rov. 2.6.1). In dat arrest was evenwel niet sprake van uitbuiting van een ander in de prostitutie, maar van personen die tewerkgesteld waren in een Chinees restaurant. Als ik het goed zie gebruikt Uw Raad deze formulering tot dusver alleen in situaties waarin niet van seksuele uitbuiting sprake is.14 Daarmee is niet gezegd dat aan deze factoren geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting15, het accent ligt evenwel op meer rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid. Bij de invulling van de vereiste mate van onvrijwilligheid kan er belang aan worden gehecht dat Uw Raad in HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235, NJ 2002/546 uit de wetsgeschiedenis van art. 250ter Sr (een voorganger van art. 273f Sr) heeft afgeleid dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid.16

15. Ik keer terug naar het middel. Uit de bewezenverklaarde feitelijkheden en de bewijsoverwegingen blijkt niet dat de verdachte [slachtoffer 1] door een ‘dwangmiddel’ ertoe heeft gebracht zich (initieel) beschikbaar te stellen tot het plegen van seksuele handelingen. Uit de bewijsoverweging volgt dat [slachtoffer 1] vanaf 2001/2002 als prostituee in Amsterdam werkte en dat zij de verdachte pas heeft leren kennen toen zij een jaar of drie op de Wallen werkte.

15. Uit bewezenverklaring en bewijsoverweging blijkt wel van vormen van misleiding (al spreekt de bewezenverklaring alleen over ‘feitelijkheden’). Bewezen is dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat hij een exclusieve relatie met haar had. Het hof geeft aan dat de verdachte zijn relatie met [slachtoffer 2] heeft verzwegen voor [slachtoffer 1] . Bewezen is ook dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft voorgehouden dat hij kinderen met haar wilde en heeft verzwegen dat hij een ex-vrouw en drie kinderen had. Uit ’s hofs overwegingen volgt echter niet, daar wijst ook de steller van het middel op, dat [slachtoffer 1] zich door het verzwijgen van deze informatie en door deze belofte beschikbaar is blijven stellen tot het plegen van seksuele handelingen. De misleiding is ook niet rechtstreeks op die beschikbaarstelling gericht, maar op het in stand houden van de liefdesrelatie met [slachtoffer 1] .

15. Uit de bewezenverklaring blijkt ook zelfstandig dat de verdachte een liefdesrelatie is aangegaan met [slachtoffer 1] en die heeft onderhouden. Dat kan een belangrijke factor zijn geweest bij het in de prostitutie werkzaam blijven van [slachtoffer 1] . Een verklaring van die strekking van [slachtoffer 1] ontbreekt evenwel, zo wordt ook in de toelichting op het middel vastgesteld. En het enkele aangaan van een liefdesrelatie is geen concrete gedraging waar dwang van uit gaat. In die zin is een liefdesrelatie van andere orde dan geweld, bedreiging, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding. Het aangaan van een liefdesrelatie is vooral van belang in zoverre het erin resulteert dat lichtere vormen van druk, die buiten een liefdesrelatie geen effect sorteren, dat wel doen.17 Dan is het evenwel nog altijd de druk die onvrijwilligheid meebrengt. Dat uit geen van de bewijsmiddelen blijkt dat de liefde niet oprecht is geweest, zoals de steller van het middel signaleert, doet mijns inziens niet ter zake. Ook onbehoorlijke druk op basis van oprechte liefde kan tot een situatie van uitbuiting leiden.

18. ’ ’s Hofs vaststellingen maken duidelijk dat de verdachte op verschillende manieren betrokken was bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gehuisvest in Amsterdam. Het overweegt in die context dat de verdachte één van degenen was die de woning waar [slachtoffer 1] woonde huurde, en dat hij het huurbedrag soms aan de verhuurder overhandigde. Uit ‘s hofs bewijsoverweging volgt voorts dat de verdachte en [betrokkene 1] [slachtoffer 1] eens te hulp zijn geschoten toen zij op haar werkplek het ‘hoerenalarm’ indrukte. De verdachte is ook enkele malen in de buurt gezien van de straat waar [slachtoffer 1] als prostituee werkte. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte en [betrokkene 1] [slachtoffer 1] hebben gecontroleerd of laten controleren. Daarbij lijkt (ook) een verklaring van [benadeelde 4] een rol te hebben gespeeld. Volgens [benadeelde 4] stuurde [slachtoffer 1] sms’jes met kruisjes naar de verdachte; daaruit werd duidelijk wat zij verdiend had.

18. ’ Deze vaststellingen, in het bijzonder het controleren, kunnen duiden op een zekere mate van onvrijheid bij het zich beschikbaar stellen voor prostitutie. Tegelijk is niet volledig duidelijk hoe ver dit controleren ging; het hof heeft de verdachte vrijgesproken van het [slachtoffer 1] verantwoording laten afleggen over en/of controleren op haar werktijden en/of pauzes en/of hoeveel klanten zij heeft gehad. Uit de bewijsoverweging blijkt voorts niet dat de verdachte en [betrokkene 1] dwang toepasten of druk uitoefenden om [slachtoffer 1] tot haar prostitutiewerkzaamheden te brengen. Uit de bewijsoverweging blijkt ook niet dat de verdachte [slachtoffer 1] naar haar werk bracht of ophaalde. Er blijkt evenmin van lange werkdagen of van druk om langer of bij ziekte te blijven werken. Ook van het enkele huisvesten behoeft geen druk uit te gaan, al kan het een zekere ‘macht’ over de ander opleveren. In dat opzicht is het min of meer van dezelfde orde als het aangaan van een liefdesrelatie.

18. ’ Wat de verdiensten uit het prostitutiewerk betreft volgt uit de bewijsoverweging dat [slachtoffer 1] de verdachte onderhield. Zij gaf hem haar pinpas, betaalde een auto voor hem, verzekeringen en ‘dat soort dingen’. Zij betaalde voor het eten, tankte benzine voor de auto en kocht een scooter voor gezamenlijk gebruik. Voor een gezamenlijke vakantie die bijvoorbeeld 500 euro kostte betaalde de verdachte 100 euro en [slachtoffer 1] de rest. De verdachte liet [slachtoffer 1] geld aan hem overmaken. In de woning van de verdachte in Hoogeveen is € 50.000.- aangetroffen; het hof acht het aannemelijk dat de verdachte dit van [slachtoffer 1] heeft gekregen. De teruggaven inkomstenbelasting van [slachtoffer 1] over de jaren 2011 en 2012 zijn voorts op de rekening van de verdachte gekomen. Daarmee volgt uit de bewijsoverweging dat de verdachte sterk van [slachtoffer 1] profiteerde, en ook op wijzen die op grote afhankelijkheid wijzen (afgifte pinpas, teruggaven inkomstenbelasting). Uit de bewijsoverweging volgt evenwel niet dat [slachtoffer 1] onder druk werd gezet om het door haar verdiende geld, of een groot deel daarvan, aan de verdachte af te dragen. Bewezenverklaard is ook alleen dat de verdachte [slachtoffer 1] een deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden heeft laten afstaan, niet dat daar een vorm van druk aan ten grondslag lag.

18. ’ In zoverre ook (1) de aard en duur van de tewerkstelling, (2) de beperkingen die zij voor [slachtoffer 1] met zich meebracht, en (3) het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte zou zijn behaald in deze context van belang zijn, volgt uit de geciteerde overweging dat [slachtoffer 1] zeven jaar een relatie had met de verdachte en in die tijd als prostituee werkzaam is geweest. In hoeverre [slachtoffer 1] in die periode door de verdachte tewerk is gesteld, is evenwel niet helemaal duidelijk. Zij was reeds als prostituee werkzaam voor de verdachte haar leerde kennen; hij heeft zich nadien met haar werkzaamheid als prostituee bemoeid en haar gecontroleerd, maar uit de bewijsoverweging blijkt niet zonder meer dat zij daardoor haar verdiensten aan hem afdroeg. Inzake de beperkingen die haar ‘tewerkstelling’ voor [slachtoffer 1] meebracht, kan worden vastgesteld dat uit de bewijsoverweging niet volgt dat [slachtoffer 1] in haar bewegingsvrijheid is belemmerd. Wat het economisch voordeel dat door de verdachte is behaald betreft, is duidelijk dat [slachtoffer 1] heel veel geld aan de verdachte heeft gegeven. Uit ‘s hofs overweging kan evenwel niet worden afgeleid dat het niet telkens haar keus was het door haar verdiende geld aan hem te geven. Daarmee kan het minder eenvoudig worden aangemerkt als geld dat de verdachte door haar ‘tewerkstelling’ verdiende. Al met al biedt een benadering langs deze weg naar het mij voorkomt geen goed handvat om in deze zaak tot een afweging te komen inzake de ‘onvrijwilligheid’ die de kern van uitbuiting vormt.

18. ’ Is sprake van een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’? Aanwijzingen in die richting kunnen worden ontleend aan het onderhouden van een liefdesrelatie, het huisvesten van [slachtoffer 1] , het controleren van [slachtoffer 1] , alsmede in aard en omvang van de financiële voordelen die de verdachte door [slachtoffer 1] genoot. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kunnen deze omstandigheden naar het mij voorkomt evenwel niet het oordeel dragen dat sprake was van uitbuiting. Daarbij neem ik in aanmerking dat zowel van een liefdesrelatie als van het huisvesten op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke druk uitgaat, dat de misleiding ten dienste stond van het in stand houden van de liefdesrelatie, en dat uit ‘s hofs bewijsoverweging niet volgt dat de ‘controle’ die de verdachte uitoefende door [slachtoffer 1] als onprettig is ervaren. Ook bij het verstrekken van de financiële voordelen ontbreekt in ’s hofs bewijsoverweging elke indicatie van ‘onvrijwilligheid’. Bij de bewezenverklaarde vormen van misleiding kan men zich afvragen of zij zelfs niet een contra-indicatie van uitbuiting opleveren. Dat de verdachte leugens en verzwijging nodig vond en er volgens de bewijsoverweging zelfs ‘bang’ voor was dat [benadeelde 4] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou informeren over de relatie met de ander, duidt erop dat [slachtoffer 1] bij het uitkomen van de leugens een reële keus had met betrekking tot het voortzetten van de relatie. Daarmee is de misleiding van andere orde dan (bijvoorbeeld) onjuiste informatie over in Nederland te verrichten werk teneinde het slachtoffer in een uitbuitingssituatie te brengen. Naar het mij voorkomt mag in situaties als de onderhavige van het hof gevraagd worden dat het uitlegt waar het de ‘onvrijwilligheid’ uit afleidt die de kern van uitbuiting vormt.18 Hierbij neem ik in aanmerking dat het oordeel dat sprake is van uitbuiting in een geval als het onderhavige leidt tot strafbaarheid ter zake van mensenhandel, een misdrijf dat ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde met betrekking tot [slachtoffer 1] werd bedreigd met een gevangenisstraf van aanvankelijk zes en later acht jaren (thans twaalf jaren).19 Die wettelijke strafbedreiging heeft een rol gespeeld bij het hiervoor genoemde oordeel van Uw Raad dat ‘uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, onderdeel 9, Sr.20 In het licht van die rechtspraak, die kennelijk beoogt een al te ruime toepassing van de strafbaarstelling van mensenhandel tegen te gaan, ligt het in de rede eisen te stellen aan het oordeel dat sprake is van uitbuiting.21

23. De steller van het middel klaagt er voorts over, zo begrijp ik, dat ook in het geval de vaststelling dat van uitbuiting sprake is toereikend gemotiveerd zou zijn, de bewezenverklaring voor zover daarin besloten ligt dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting onvoldoende met redenen is omkleed.

23. In HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467, NJ 2015/374, rov. 3.3, heeft Uw Raad inzake de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 6, Sr overwogen:

‘Het middel, dat klaagt over de opvatting van het Hof dat het opzet van de dader niet gericht behoeft te zijn op de uitbuiting van een ander, is gegrond. Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wet en in aanmerking genomen dat in de delictsomschrijving het woord "opzettelijk" is geplaatst vóór "de uitbuiting van een ander", moet worden aangenomen dat voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander. 's Hofs opvatting geeft dus blijk van een onjuiste uitleg van voormelde bepaling.’

25. Dat leidde in het betreffende arrest evenwel niet tot cassatie: uit de bewijsmiddelen kon naar het oordeel van Uw Raad worden afgeleid dat ‘het opzet van de verdachte mede was gericht op de uitbuiting’ van twee prostituees die in de bewezenverklaring werden genoemd. De verdachte verrichte werkzaamheden als bodyguard, hield beide prostituees tijdens hun werk in de gaten en bracht beiden van en naar hun werkplek. De beide prostituees werkten voor andere betrokkenen. Dat zij werden uitgebuit was door de raadsman niet bestreden; wel dat de verdachte daarvan wist.

25. In de onderhavige strafzaak ligt het in zoverre anders dat, in het geval Uw Raad de bewezenverklaring van uitbuiting toereikend gemotiveerd zou achten, uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte op de hoogte was van de omstandigheden waar de uitbuiting in bestond. Dat wordt in cassatie ook niet bestreden. Dat brengt mee dat in voornoemd geval de bewezenverklaring van het opzet op de uitbuiting mij toereikend gemotiveerd voorkomt.

25. Indien Uw Raad met mij van oordeel is dat de bewezenverklaring van uitbuiting ontoereikend gemotiveerd is, brengt dat mee dat de bewezenverklaring voor zover deze tevens is toegesneden op de strafbaarstelling in onderdeel 9 eveneens ontoereikend is gemotiveerd. Voor het andere geval bespreek ik de klachten die zien op het ‘kennelijke oordeel van het hof dat [slachtoffer 1] door feitelijkheden is bewogen’ de verdachte te bevoordelen. Alvorens deze klachten te bespreken maak ik enkele algemene opmerkingen over het begrip ‘feitelijkheid’.

25. Het begrip ‘feitelijkheid’ komt in het Wetboek van Strafrecht in een aantal artikelen voor. Daarbij is het gewoonlijk een ‘dwangmiddel’; een middel waarmee een derde wordt gedwongen. Als zodanig komt het begrip ‘feitelijkheid’ voor in de artikelen 179, 242, 246, 248f en 284 Sr. Lindenberg heeft de betekenis van het begrip ‘feitelijkheid’ in de context van de strafbare dwang onderzocht.22 De dwangmiddelen ‘enige andere feitelijkheid’ en ‘bedreiging met enige andere feitelijkheid’ zijn in 1903 door de Stakingswet aan art. 284 Sr toegevoegd.23 Op basis van de parlementaire behandeling concludeert Lindenberg dat voor de uitleg ‘nooit een eenduidig richtsnoer is gegeven.’24 Voor het geval toch ‘een poging gewaagd zou moeten worden’, formuleert hij de volgende omschrijving: ‘een ‘feitelijkheid’ is volgens de bedoeling van de wetgever een positieve en objectief vast te stellen vijandige daad – zoals handtastelijkheden, maar daartoe niet beperkt – die een onduldbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid oplevert’.25 De bestanddelen ‘een andere feitelijkheid’ en ‘bedreiging met een andere feitelijkheid’ zijn in 1991 toegevoegd aan de artikelen 242 en 246 Sr.26 Lindenberg meent ‘dat de bedoeling van de wetgever aldus moet worden verstaan, dat een ‘feitelijkheid’ in art. 242 en 246 Sr elke gedraging inhoudt die in de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen seksuele handelingen te dulden of te plegen’.27

29. Uit de jurisprudentie betreffende het begrip ‘feitelijkheid’ in de context van de zedendelicten volgt dat de aard van de ‘feitelijkheden’ sterk verschilt.28 Genoemd kunnen onder meer worden: fysieke handelingen,29 het uitspreken van woorden,30 het aanwenden van gezag of overwicht,31 bedreigende mededelingen,32 het brengen in een afhankelijkheidssituatie33 en onverhoeds handelen.34 Het scala van in aanmerking te nemen feitelijkheden is derhalve breed. De nadruk ligt vooral op de vaststelling van het ‘dwingen’. Van door een feitelijkheid dwingen kan slechts sprake zijn ‘indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan’.35

30. In de onderdelen van de strafbaarstelling van mensenhandel waar het begrip ‘feitelijkheid’ in voorkomt, is dat begrip evenwel niet alleen gekoppeld aan het bestanddeel ‘dwingen’. Dat blijkt meteen al bij het eerste onderdeel, waar het begrip feitelijkheid naast het begrip dwang staat, en strafbaar is gesteld het werven, vervoeren etc. met het oogmerk van uitbuiting. Het vierde onderdeel stelt strafbaar hij die ‘een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid’ (etc.) dan wel ‘onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid’ (etc.). En het negende onderdeel stelt strafbaar ‘degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen’. Het bestanddeel ‘feitelijkheid’, dat in de context van de zedendelicten met name inhoud krijgt door de koppeling aan het dwingen36, is bij deze strafbaarstelling ook aan het werkwoord ‘bewegen’ gekoppeld. Dat drukt in de kern enkel een causaal verband uit.37

31. Dat brengt mee dat de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 9, Sr, in beginsel een zeer ruime reikwijdte heeft als het bestanddeel ‘feitelijkheid’ hier, net als in de artikelen 242 en 284 Sr, betrekkelijk ‘kleurloos’ wordt uitgelegd.38 Van het door feitelijkheden een ander bewegen de verdachte te bevoordelen kan dan al snel sprake zijn. Zo bezien riep de (her)formulering van de gecreëerde strafbaarstelling het gevaar in het leven dat de strafbaarstelling van de souteneur die ooit door de Wet Bestrijding van Zedeloosheid als overtreding in het leven is geroepen, als misdrijf waarop (thans) twaalf jaar gevangenisstraf is gesteld zou terugkeren.39 Dat gevaar had mogelijk (ten dele) kunnen worden gekeerd door een restrictieve uitleg van het begrip ‘feitelijkheid’. Voor zo’n restrictieve uitleg is wel steun te vinden in de memorie van toelichting; daaruit volgt dat beoogd werd hier ‘de gedwongen afdracht van uit seksuele dienstverlening afkomstige opbrengst’ strafbaar te stellen.40 De noodzaak om het begrip ‘feitelijkheid’ in deze context restrictief uit te leggen lijkt evenwel te ontbreken nu Uw Raad ‘uitbuiting’ als impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid, onderdeel 9, Sr heeft aangemerkt.41 Die beslissing wijst eerder in de richting van een ruime interpretatie van het begrip ‘feitelijkheid’. Als genoegzaam vaststaat dat van uitbuiting sprake is, bestaat er weinig grond het bewegen tot bevoordelen daaruit in te perken via een restrictieve interpretatie van het begrip ‘feitelijkheid’.42

32. Ik keer terug naar het middel, in zoverre het zich keert tegen het kennelijke oordeel van het hof dat [slachtoffer 1] door feitelijkheden is bewogen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden. Ik meen dat het middel in zoverre in het licht van het voorgaande faalt. Het hof heeft het aangaan en onderhouden van een liefdesrelatie, het huisvesten van [slachtoffer 1] in Amsterdam en het telefonisch en in persoon [slachtoffer 1] controleren of laten controleren kunnen aanmerken als feitelijkheden die [slachtoffer 1] hebben bewogen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengsten van seksuele handelingen van haar met derden. Dat uit geen van de bewijsmiddelen volgt dat de liefde niet oprecht was, doet er niet aan af dat [slachtoffer 1] door het aangaan en onderhouden van de liefdesrelatie bewogen is geld aan de verdachte af te staan. Het huisvesten van [slachtoffer 1] kan worden gezien als een element van het onderhouden van de (liefdes-)relatie die [slachtoffer 1] ertoe bracht aan de verdachte geld en goederen te geven. Ook het controleren van [slachtoffer 1] en het haar in dat kader beschermen is een element dat in die relatie een rol speelt. Het hof heeft voorts kunnen aannemen dat het door de verdachte misleiden van [slachtoffer 1] , door haar voor te spiegelen dat hij een exclusieve relatie met haar had en kinderen met haar wilde, en te verzwijgen dat hij al een ex-vrouw en drie kinderen had, in het teken stond van het behouden van deze relatie. Het hof heeft daarmee ook deze gedragingen (in samenhang met de andere feitelijkheden) kunnen aanmerken als feitelijkheden die [slachtoffer 1] hebben bewogen de verdachte te bevoordelen uit haar prostitutiewerkzaamheden.

32. Uit de eis dat de verdachte het slachtoffer met een van de in art. 273f, eerste lid, onderdeel 1, Sr genoemde middelen moet hebben bewogen hem te bevoordelen vloeit in deze benadering geen wezenlijke beperking van de reikwijdte van deze strafbaarstelling voort. Die beperking vloeit, als gezegd, wel voort uit de door Uw Raad gestelde eis dat van uitbuiting sprake is. Die beperking brengt, zo bleek eerder, mee dat het eerste middel doel treft.

32. Het eerste middel slaagt.

32. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A onder 2 niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat ’s hofs oordeel dat sprake is van witwassen ontoereikend is gemotiveerd alsmede dat het oordeel dat het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden als ‘witwassen’ getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

32. Ten laste van de verdachte is in zaak A onder 2 bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 16 april 2012 in Nederland (contante) geldbedragen en een scooter ( [kenteken 1] ) voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dat voorwerp en die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf’.

37. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de in de aanvulling opgenomen bewijsoverweging van het hof (met verwijzingen naar bewijsmiddelen) die bij de bespreking van het eerste middel is geciteerd.

37. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de strafbaarheid van het bewezenverklaarde voorts overwogen:

‘Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde, voor zover betrekking hebbende op contante geldbedragen, levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve in zoverre van alle rechtsvervolging te worden ontslagen. Voornoemde contante geldbedragen zijn immers onmiddellijk uit het (in zaak A onder 1 bewezenverklaarde) eigen misdrijf van de verdachte afkomstig en het enkele voorhanden hebben daarvan kan niet hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, zodat het feit in zoverre niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.’

39. De steller van het middel meent dat uit de door het hof aangehaalde bewijsmiddelen noch uit de bewijsoverweging kan volgen dat de scooter onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit misdrijf en dat de verdachte dit wist. De scooter is, zo blijkt uit de bewijsvoering, door [slachtoffer 1] aangekocht met geld dat zij kennelijk heeft verdiend met haar (legale) werk als prostituee. Wat betreft de contante geldbedragen leidt de steller van het middel uit ’s hofs bewijsvoering af dat het alleen doelt op de 50.000 euro die in de woning van de verdachte in een jas is aangetroffen. Uit de bewijsvoering zou ook niet kunnen volgen dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig was en dat verdachte dit wist.

39. Indien Uw Raad, met mij, van oordeel is dat het eerste middel slaagt, vloeit daaruit voort dat ook het tweede middel slaagt. De vaststelling van het misdrijf waaruit de scooter en de geldbedragen afkomstig zijn (ook ik meen dat het gaat om de 50.000 euro die in de woning van de verdachte in zijn jas is aangetroffen) vervalt in dat geval. Voor het geval Uw Raad daar anders over zou oordelen, bespreek ik hierna de overige klachten van het middel.

39. De steller van het middel vraagt blijkens de cursivering van een deel van de tekst van het middel in het bijzonder de aandacht voor het bewijs van de wetenschap dat de scooter en de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. Die eis kan op zichzelf beschouwd naar het mij voorkomt evenwel niet meebrengen dat het tweede middel slaagt. Zoals aangegeven slaagt het tweede middel in het geval Uw Raad oordeelt dat het eerste middel slaagt, omdat de bewezenverklaring van ‘uitbuiting’ ontoereikend met redenen is omkleed. In het geval Uw Raad oordeelt dat de bewezenverklaring van uitbuiting, en het opzet op de uitbuiting, toereikend met redenen omkleed zijn, is daarmee ook toereikend met redenen omkleed dat de verdachte wist dat de geldbedragen en de scooter afkomstig waren uit (eigen) misdrijf.

39. De steller van het middel wijst er voorts op dat in het geval de veroordeling wegens mensenhandel wel in stand zou blijven, de scooter onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is en er geen sprake is van enige verhullingshandeling. Het kennelijke oordeel van het hof dat het voorhanden hebben van de scooter gekwalificeerd kan worden als ‘witwassen’ zou in dat geval getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.43

43. Van de scooter kan niet worden gezegd dat deze ‘onmiddellijk’ afkomstig is uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .44 Het hof heeft overwogen dat zij de scooter heeft aangeschaft en betaald (met door prostitutie verdiend geld). Daarom faalt het beroep op de rechtspraak inzake de kwalificatie-uitsluitingsgrond.

44. Het tweede middel slaagt.

44. Het derde middel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak A, feiten 5 en 6, ontoereikend is gemotiveerd.

44. Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 5 en 6 bewezen verklaard dat:

‘5. hij op 16 april 2012 te Amsterdam wapens van categorie II onder 5°, te weten drie voorwerpen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

6. hij op 16 april 2012 te Amsterdam voorhanden heeft gehad voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen met verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof;’

47. Het hof heeft in de aanvulling inzake de bewezenverklaring van deze beide feiten het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen):

Zaak A feiten 5 en 6

Bij een doorzoeking in de woning aan de [c-straat 1] te Amsterdam is een zogeheten paralyser aangetroffen, alsmede een busje pepperspray/traangas. De paralyser was een stroomstootwapen waarmee personen weerloos konden worden gemaakt of hun pijn kon worden toegebracht (wapen van categorie II). Het busje pepperspray was een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof.

Bij een doorzoeking in de woning aan de [d-straat 1] te Amsterdam zijn twee tasers en acht busjes pepperspray aangetroffen. De paralysers waren stroomstootwapens waarmee personen weerloos konden worden gemaakt of hun pijn kon worden toegebracht (wapens van categorie II). De busjes pepperspray zijn voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof.

[verdachte] heeft verklaard dat hij spullen had liggen in de [c-straat 1] , dat Dali (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) “spray” had (in Amsterdam) voor als er iets gebeurde en dat “we” deze spullen hebben die 3 à 4 euro kosten in Duitsland. Hij sprak in dit verband van gas, waarmee hij doelde op pepperspray. Op de [c-straat 1] (in Amsterdam) lag (ook) (…)een stroomstootwapen/taser dat [verdachte] had gekocht voor Dali (hof: [slachtoffer 1] ). Hij had tasers gekocht voor 20 euro. Hieruit en uit het feit dat [verdachte] met regelmaat bij [slachtoffer 1] op de [c-straat 1] verbleef, zoals uit de bewijsmiddelen ten aanzien van zaak A feit 1 en 2 blijkt, leidt het hof af dat [verdachte] over de pepperspray en de taser in die woning kon beschikken.

De verdachte kwam ook op de [d-straat 1] (het hof begrijpt: 19c) te Amsterdam bij [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) met wie hij eveneens een relatie had; van het pand had hij een sleutel. Hij kwam wel eens in die woning als [slachtoffer 2] er niet was. Volgens [verdachte] lag in de [d-straat 1] “gas”; gevraagd naar de daar aangetroffen tasers (twee stuks) heeft hij gezegd dat hij wel eens tasers kocht. [slachtoffer 2] had de twee tasers nooit gezien en wist niet hoe deze in haar woning terecht waren gekomen; hetzelfde gold voor de busjes met traangas. Hieruit leidt het hof af dat de tasers en de busjes pepperspray van [verdachte] waren en dat hij daarover kon beschikken.’

48. De steller van het middel meent dat de bewezenverklaring wat betreft het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ ontoereikend met redenen is omkleed. Wat betreft de stroomstootwapens wijst hij er op dat één van de drie wapens is gevonden in de woning van [slachtoffer 1] en dat het wapen haar zou toebehoren.

48. Uit de bewijsoverweging volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het stroomstootwapen heeft gekocht voor [slachtoffer 1] , dat hij regelmatig bij [slachtoffer 1] op de Lange Niezel verbleef en dat hij daar spullen had liggen. Daaruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte over de taser kon beschikken. Mij komt het voor dat het hof uit deze omstandigheden heeft kunnen afleiden dat de verdachte het stroomstootwapen op dat adres voorhanden had. Aan de eis dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van dat wapen in die woning is voldaan.45 En uit de vaststellingen inzake de aard van de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer 1] , die het hof door de verwijzing naar de bewijsmiddelen ten aanzien van zaak A feit 1 en 2 ook bij de bewijsmotivering van de feiten 5 en 6 betrekt, heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte ook de vereiste ‘machtsrelatie’ had met dit wapen. Daaraan doet niet af dat het wapen aan [slachtoffer 1] toebehoorde.46

50. Wat betreft het busje pepperspray dat bij [slachtoffer 1] is aangetroffen klaagt de steller van het middel dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het op 16 april 2012 aangetroffen traangasbusje heeft gekocht voor (ik begrijp:) [slachtoffer 1] en dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van dat busje in die woning.

50. Het hof wijst in de bewijsoverweging op een verklaring van de verdachte dat [slachtoffer 1] ‘spray’ had in Amsterdam ‘voor als er iets gebeurde en dat ”we” deze spullen hebben die 3 à 4 euro kosten in Duitsland’. Daaruit heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen afleiden dat de verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van dit busje pepperspray op de [c-straat 3] . Dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het busje heeft gekocht staat niet aan een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ in de weg.

50. De steller van het middel meent dat de bewijsvoering ook tekortschiet wat de bij [slachtoffer 2] ( [d-straat 1] ) aangetroffen wapens betreft. Dat de verdachte ‘wel eens tasers kocht’ zou niet bijdragen aan ‘de stelling dat hij de specifiek in de woning van [slachtoffer 2] aangetroffen tasers heeft gekocht’. Verder heeft het hof niets overwogen over mogelijke andere personen die toegang hadden tot de woning van [slachtoffer 2] , terwijl de verdediging had gesteld dat ook familie en vrienden in die woning kwamen.

50. Het hof heeft erop gewezen dat de verdachte heeft gezegd dat in de [d-straat 1] ‘gas’ lag en ‘gevraagd naar de daar aangetroffen tasers (twee stuks) heeft hij gezegd dat hij wel eens tasers kocht’. Mede tegen die achtergrond is de verklaring van de verdachte redengevend voor de bewezenverklaring dat hij de tasers voorhanden had. Dat het hof niets heeft overwogen over andere personen die toegang hadden tot de woning staat voorts niet aan een bewezenverklaring in de weg. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een relatie had met [slachtoffer 2] , dat hij een sleutel had van het pand, dat hij wel eens in de woning kwam als [slachtoffer 2] er niet was en dat [slachtoffer 2] niets van de tasers wist. Wat de ‘familieleden en vrienden’ betreft, geldt dat de mogelijkheid dat deze niet nader aangeduide personen de wapens in die woning (van een persoon waar zij geen liefdesrelatie mee hebben) zouden bewaren op geen enkele wijze is onderbouwd. Gesteld is bijvoorbeeld niet dat nader aangeduide personen ook een sleutel hadden en daar regelmatig verbleven. Tegen die achtergrond behoefde het hof naar het mij voorkomt aan deze mogelijkheid geen afzonderlijke aandacht te besteden.47

54. De steller van het middel wijst er nog op dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris hebben verklaard dat de wapens van hen waren. Uit ’s hofs bewijsmotivering kan worden afgeleid dat het hof aan de verklaring van [slachtoffer 2] op dit punt geen geloof heeft gehecht. Dat behoefde naar het mij voorkomt geen nadere toelichting. Ik teken daarbij aan dat ook in het geval het hof wel geloof had gehecht aan deze verklaring van [slachtoffer 2] , zulks niet zonder meer aan een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ in de weg had behoeven te staan.48

55. Het derde middel faalt.

55. Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring in zaak B feit 1 ontoereikend is gemotiveerd.

55. Ten laste van de verdachte is in zaak B feit 1 bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 juni 2005 tot en met 30 juli 2005 in Nederland en Duitsland en Slowakije, tezamen en in vereniging met een ander, door misleiding en misbruik van een kwetsbare positie [benadeelde 3] heeft medegenomen met het oogmerk die [benadeelde 3] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, immers heeft de verdachte tezamen en in vereniging met een ander die [benadeelde 3] gezegd dat zij als serveerster in Spanje zou kunnen werken en die [benadeelde 3] met de auto naar Nederland vervoerd en die [benadeelde 3] (schreeuwend) gezegd dat als zij niet wilde werken als prostituee zij maar naar huis moest gaan, terwijl de verdachte en zijn mededader hadden moeten weten dat die [benadeelde 3] geen geld of middelen had om huiswaarts te keren.’

58. In ‘s hofs arrest is de volgende bewijsoverweging inzake dit deel van de bewezenverklaring opgenomen (met weglating van verwijzingen):

‘ [benadeelde 2] heeft op 6 december 2005 aangifte van mensenhandel gedaan. Op 13 en 17 januari 2013 is zij, in het bijzijn van de raadsvrouw van [verdachte] , gehoord door de politie. De verklaringen van [benadeelde 2] houden onder meer het volgende in.

In de lente van 2005 heeft [benadeelde 2] in Amsterdam een man ontmoet die zich [naam 2] noemde. Een tijd later heeft [naam 2] haar aan [naam 3] voorgesteld. [benadeelde 2] is in juni 2005 samen met [naam 2] en [naam 3] naar Slowakije gegaan. In Slowakije heeft zij [benadeelde 3] aan [naam 2] en [naam 3] voorgesteld. [benadeelde 2] had aan haar eigen familie en aan [benadeelde 3] verteld dat zij in Spanje als serveerster werkte. [naam 2] en [naam 3] wilden dat zij [benadeelde 3] zou meelokken om zogenaamd ook als serveerster in Spanje te werken; ze wilden echter dat [benadeelde 3] meeging naar Nederland om in de prostitutie te gaan werken. Het was niet moeilijk [benadeelde 3] over te halen want werken in Spanje was aantrekkelijk. [naam 2] en [naam 3] zeiden tegen [benadeelde 3] dat het werk als serveerster in Spanje goed betaalde. [benadeelde 2] heeft toen niet aan [benadeelde 3] verteld wat de werkelijke bedoelingen waren. [benadeelde 3] wilde heel graag met hen mee omdat zij haar voorhielden dat zij in Spanje als serveerster kon gaan werken. Ongeveer eind juni 2005 zijn ze uit Slowakije vertrokken. In Groningen heeft zij aan [benadeelde 3] verteld dat zij in Nederland waren en wat voor werk zij moesten gaan doen. [benadeelde 3] was onthutst, in shock. [naam 2] zei tegen [benadeelde 3] : “als het je niet aanstaat, kun je naar huis; je hebt geen andere keus". [benadeelde 3] is vervolgens daadwerkelijk in de prostitutie gaan werken.

Op 6 september 2007 is aan [benadeelde 2] een foto van [betrokkene 3] en [verdachte] getoond en heeft zij de mannen herkend als respectievelijk [naam 2] en [naam 3] .

Op 30 november 2005 heeft [benadeelde 3] aangifte gedaan. Op 24 en 25 januari 2013 is zij, in het bijzijn van de raadsvrouw van [verdachte] , gehoord in Slowakije. De verklaringen van [benadeelde 3] houden onder meer het volgende in.

[benadeelde 2] kwam in juni 2005 in Presov (Tsjechië) bij [benadeelde 3] op bezoek. Zij was samen met twee mannen die zich [naam 2] en [naam 3] noemden. [benadeelde 2] vertelde [benadeelde 3] dat zij als serveerster in Spanje werkte. Onderweg naar Nederland vertelde [benadeelde 2] aan haar dat zij als prostituee werkte. [naam 2] en [benadeelde 2] zeiden dat ook [benadeelde 3] dit werk zou gaan doen. Toen [benadeelde 3] toen zei dat zij dat niet wilde, begon [naam 2] tegen haar te schreeuwen en zei dat zij dan naar huis kon gaan. [benadeelde 3] had helemaal geen geld om naar huis te gaan en sprak de Nederlandse taal niet.

[naam 2] , [naam 3] en [benadeelde 2] hebben [benadeelde 3] met behulp van leugens naar Nederland gebracht; ze hebben haar voorgelogen en haar prostitutiewerk laten doen, wat zij nooit van haar leven had willen doen. Zij kwamen in een plaats aan waarvan zij later hoorde dat het Groningen was. Kort daarna is [benadeelde 3] in de prostitutie gaan werken.

Op 2 oktober 2007 heeft de politie aan [benadeelde 3] een foto van [verdachte] en [betrokkene 3] getoond. [benadeelde 3] heeft de mannen als respectievelijk [naam 3] en [naam 2] herkend.

De verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] hebben verklaard met [benadeelde 2] naar Slowakije te zijn gegaan en later naar Nederland te zijn teruggekeerd in gezelschap van [benadeelde 3] .

Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten [verdachte] en [betrokkene 3] tezamen en in vereniging [benadeelde 3] vanuit Slowakije naar Nederland hebben meegenomen om haar in de prostitutie te laten werken en dat zij daartoe noodgedwongen is overgegaan.

De in 2005 door beide slachtoffers gedane aangiften komen op dit punt op essentiële onderdelen overeen. De omstandigheid dat in hun nadien afgelegde verklaringen op sommige onderdelen enigszins anders is verklaard, valt te begrijpen uit het tijdsverloop tussen de onderhavige gebeurtenis (juni/juli 2005) en die latere verklaringen (januari 2013). Voorts acht het hof de door de verdediging geconstateerde inconsistenties van ondergeschikte aard, zodat deze niet in de weg staan aan een bewezenverklaring.

Het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] onbetrouwbaar zijn en dus onbruikbaar voor het bewijs, wordt dan ook verworpen.’

59. In de aanvulling op ’s hofs arrest is een overweging opgenomen die verwijst naar de inhoud van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in (de voetnoten van) het verkort arrest, in de tekst en voetnoten een aantal verbeteringen aanbrengt (die waar het de tekst betreft in het voorgaande randnummer zijn verwerkt), en deze overweging als volgt aanvult (met weglating van verwijzingen):

‘Het hof voegt aan het bewijs (…) als verklaring van [benadeelde 2] toe:

“Het was ongeveer eind juni toen we zijn weggegaan uit Slowakije. We zijn toen via Duitsland naar Nederland gegaan ”.

(…)

Het hof voegt aan het bewijs (…) als verklaring van [benadeelde 3] toe:

“Onderweg in de auto vertelde [benadeelde 2] mij wat voor werk zij deed. Ze legde me uit dat ze als prostituee werkte. [naam 2] stelde voor dit werk 1 week te proberen. Ik heb toen gezegd dat ik dat werk niet wilde doen. [naam 2] begon toen tegen me te schreeuwen en zei dat ik dan naar huis kon gaan. Ik zei toen dat hij mij hier naar toe had gebracht en helemaal geen geld had om naar huis te gaan ”.

60. De steller van het middel wijst erop dat de in art. 273f, eerste lid, onder 3°, Sr omschreven gedragingen volgens rechtspraak van Uw Raad alleen dan als mensenhandel kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Uit ’s hofs bewijsvoering zou niet volgen dat bij de bewezenverklaarde gedragingen sprake was van uitbuiting. Zo zou het hof niets hebben vastgesteld over (1) de aard en duur van de tewerkstelling; (2) de beperkingen die zij voor [benadeelde 3] met zich meebracht, en (3) het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte zou zijn behaald. Daarbij vermeldt de steller dat het gerechtshof heeft vrijgesproken van een aantal onderdelen van de tenlastelegging die met name betrekking hebben op omstandigheden die wijzen op uitbuiting. En dat het gerechtshof expliciet heeft overwogen dat moet worden vrijgesproken van het voordeel trekken uit de uitbuiting van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en het hen dwingen of bewegen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van hun prostitutiewerkzaamheden.

60. De strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 3, Sr houdt in dat als schuldig aan mensenhandel wordt gestraft ‘degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling’.49 Uit de bewezenverklaring volgt dat de bestanddelen van deze delictsomschrijving zijn vervuld. De bewezenverklaring maakt daarnaast ook duidelijk dat het meenemen is gepaard gegaan met misleiding en misbruik van een kwetsbare positie. En in de bewezenverklaring is ook uitgewerkt waarin de misleiding bestond (aan [benadeelde 3] is gezegd dat zij als serveerster in Spanje zou kunnen gaan werken) en waarin het misbruik van een kwetsbare positie bestond (aan [benadeelde 3] is schreeuwend gezegd dat als zij niet wilde werken als prostituee zij maar naar huis moest gaan, terwijl de verdachte en zijn mededader hadden moeten weten dat zij daarvoor geen geld of middelen had). Daarmee volgt reeds uit de bewezenverklaring dat en waarom het meenemen is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.50 In dit verband wijs ik er voorts op dat het hof heeft vastgesteld dat [benadeelde 3] , nadat de verdachte en [betrokkene 3] haar door middel van voornoemde misleiding vanuit Slowakije naar Nederland hadden meegenomen, noodgedwongen is overgegaan tot het werken in de prostitutie. Het hof heeft dit kunnen afleiden uit de verklaring van [benadeelde 3] dat zij ‘onthutst, in shock’ was toen haar werd verteld wat voor werk zij moest gaan doen, dat zij is voorgelogen en nooit van haar leven prostitutiewerk had willen doen, dat zij de Nederlandse taal niet sprak en geen geld had om naar huis te gaan en dat [betrokkene 3] tegen haar zei dat zij geen andere keus had.

62. Steun voor de opvatting dat de aanwending van ‘dwangmiddelen’ als misleiding en misbruik van een kwetsbare positie in beginsel meebrengt dat van omstandigheden sprake is waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, volgt uit de eerder weergegeven wetsgeschiedenis van de strafbaarstelling van mensenhandel,51 in het bijzonder ook uit de omstandigheid dat de formulering ‘uitbuiting’ in onderdeel 6 de vervanger is van een formulering waarin de ‘dwangmiddelen’ een centrale plaats innamen.52 Voor het standpunt dat misleiding en het misbruik maken van een kwetsbare positie omstandigheden zijn waarbij uitbuiting kan worden verondersteld is naar het mij voorkomt ook steun te vinden in rechtspraak van Uw Raad. In HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:884 was de bewezenverklaring toegespitst op art. 273f, eerste lid, onderdeel 1, 3, 4, 6 en 9, Sr. Sub 1 was bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer ‘door een of meer feitelijkheden, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd en overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting’ van dat slachtoffer. De rechtbank had in het door het hof met overneming van gronden bevestigde vonnis toegelicht waar deze dwangmiddelen in bestonden. Uw Raad oordeelde dat in de bestreden uitspraak als ’s hofs oordeel besloten lag ‘dat de bewezenverklaarde gedragingen ”aanwerven” en ”medenemen” zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’. Mij lijkt aannemelijk dat Uw Raad daarmee (onder meer) doelde op de aangewende dwangmiddelen.53

63. Dat het hof het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als mensenhandel staat naar het mij voorkomt niet op gespannen voet met de duiding die in HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma aan het begrip ‘uitbuiting’ is gegeven. Daarbij herhaal ik dat Uw Raad de betreffende verduidelijking formuleerde voor ‘een geval als het onderhavige’. Het ging in de betreffende zaak om personen die werkten in een Chinees restaurant. Daarmee is niet gezegd dat aan de bedoelde factoren (de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor [benadeelde 3] met zich meebracht en het economisch voordeel voor de verdachte) geen betekenis toekomt in de situatie van seksuele uitbuiting, het accent ligt daar evenwel op meer rechtstreekse vaststellingen van onvrijwilligheid.

63. Ook het stadium waarin de in onderdeel 3 omschreven gedragingen plaatsvinden wijst er niet op dat vaststellingen inzake voordeel noodzakelijk zijn. Het delict is voltooid door het enkele aanwerven of meenemen met het in de delictsomschrijving beschreven oogmerk; van het daadwerkelijk verrichten van seksuele handelingen54 laat staan van het verkrijgen van voordeel in verband daarmee55 behoeft nog geen sprake te zijn. Daaruit volgt ook dat vaststellingen inzake de duur van de prostitutiewerkzaamheden en de beperkingen die daarbij aan het slachtoffer worden opgelegd niet strikt noodzakelijk zijn. Die zijn slechts van belang in zoverre zij de juistheid van de tekenen die ten tijde van het aanwerven of meenemen op een situatie van uitbuiting wijzen bevestigen.

65. Het voorgaande is ook van belang in verband met de vrijspraak van hetgeen de verdachte is ten laste gelegd ‘voor zover dat ziet op het voordeel trekken uit de uitbuiting van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en het hen dwingen of bewegen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden van beide dames’. Het hof spreekt daarvan vrij omdat ‘hun verklaringen hierover zodanig innerlijk en onderling tegenstrijdig zijn, dat niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen wat zich precies heeft afgespeeld rondom het afstaan van de verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ’. Dat op deze punten onvoldoende zekerheid is ontstaan, doet er niet aan af dat met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld dat het meenemen van [benadeelde 3] gepaard ging met misleiding en misbruik van een kwetsbare positie. Daarmee is gegeven dat het meenemen is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

65. Het vierde middel faalt.

65. Het vijfde middel klaagt dat het hof de verbeurdverklaring van een geldbedrag van 50.000 euro ontoereikend heeft gemotiveerd.

65. Het hof heeft de verbeurdverklaring van 50.000 euro als volgt gemotiveerd:

‘In een jas in de woning van de verdachte in Hoogeveen is onder meer een bedrag van € 50.000 aangetroffen, in coupures van € 500. Het geld was in folie verpakt en geseald.

De verdachte profiteerde van de opbrengsten van de door [slachtoffer 1] bedreven prostitutie. Hij heeft erkend dat de € 50.000 in zijn woning door [slachtoffer 1] verdiend geld betrof, hetgeen ook door [slachtoffer 1] is verklaard.

Daarmee staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast (BFK: dat) de € 50.000 die in zijn woning is aangetroffen door middel van het door hem gepleegde strafbare feit is verkregen, zodat het zal worden verbeurd verklaard op grond van artikel 33a, eerste lid, aanhef en onder a, Sr.’

69. De steller van het middel klaagt dat het hof heeft vastgesteld dat het bij de verdachte in beslag genomen geldbedrag niet aan de verdachte maar aan [slachtoffer 1] toebehoorde. Ter onderbouwing wijst hij op een in de aanvulling op ’s hofs arrest opgenomen passage. Die passage maakt deel uit van de volgende overweging die reeds bij de bespreking van het eerste middel is geciteerd en die ik hier voor het lezersgemak opnieuw weergeef (met weglating van verwijzingen):

‘In de woning van [verdachte] aan [b-straat 1] in Hoogeveen is in een jas een pakketje aangetroffen met een bedrag van € 50.000, bestaande uit 100 biljetten van 500 euro. Op dezelfde datum is in de woning van [slachtoffer 1] in de meterkast een pakketje aangetroffen met in totaal € 45.000 aan bankbiljetten, eveneens in coupures van € 500 euro, dat op identieke wijze was verpakt als het bij [verdachte] aangetroffen pakket met € 50.000. Volgens [verdachte] was het bedrag van € 50.000 van [slachtoffer 1] . Het hof acht dit aannemelijk nu het geld dezelfde coupures betrof en op dezelfde wijze was verpakt als het in de woning van [slachtoffer 1] aangetroffen bedrag dat volgens haar haar verdiensten in de prostitutie betrof; de verdachte wist daar volgens haar van. De verdachte heeft verklaard het geld te hebben ingepakt en een deel ervan te hebben meegenomen naar Hoogeveen. Ook heeft [slachtoffer 1] , toen zij werd geconfronteerd met het in de jas van de verdachte op [b-straat 1] Hoogeveen aangetroffen geld, verklaard dat zij dat bedrag had gespaard van haar inkomsten als prostituee.’

70. Naar het mij voorkomt leest de steller van het middel in deze passage iets anders dan het hof erin tot uitdrukking heeft willen brengen. Het hof heeft niet aannemelijk geacht dat het geld nog steeds aan [slachtoffer 1] toebehoorde, maar dat het geld door [slachtoffer 1] is verdiend en derhalve (eerder) van haar (afkomstig) was. Daarop wijst reeds het gegeven dat het hof de betreffende passage heeft opgenomen onder het kopje ‘ [verdachte] heeft een deel van de verdiensten uit prostitutiewerk van [slachtoffer 1] laten afstaan’. Dat het hof ervan uit is gegaan en ervan uit heeft kunnen gaan dat het geld inmiddels aan de verdachte toebehoorde in de zin van art. 33a, eerste lid, aanhef en onder a, Sr en daarmee op zichzelf vatbaar was voor verbeurdverklaring volgt voorts uit de verwijzing naar de verklaring van de verdachte dat hij het geld heeft ingepakt en meegenomen, en uit het aantreffen van het geld in een jas van de verdachte in zijn woning in Hoogeveen.

70. Het vijfde middel, dat enkel klaagt dat niet is voldaan aan de eis dat het geldbedrag aan de verdachte toebehoort, faalt.

70. Het zesde middel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn.

70. Het beroep in cassatie is op 13 april 2016 ingesteld. De stukken van het geding zijn op 15 februari 2018 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de termijn voor het inzenden van de stukken met iets meer dan 14 maanden is overschreden. Tevens is met het voorgaande gegeven dat, zoals het middel reeds signaleert, Uw Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het beroep uitspraak zal doen. Een en ander dient, in het geval Uw Raad het cassatieberoep verwerpt, te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde straf. In het geval Uw Raad het bestreden arrest mede ten aanzien van de opgelegde straf vernietigt en de zaak in zoverre terugwijst kan het middel onbesproken blijven omdat het tijdsverloop na terugwijzing bij het hof aan de orde kan worden gesteld.

70. Het zesde middel slaagt.

70. Het zevende middel klaagt dat het hof van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken terwijl de daartoe in het bijzonder opgegeven redenen niet begrijpelijk zijn. Dat standpunt betreft het verweer dat de voor het bewijs van zaak A feit 1 gebezigde verklaringen van [benadeelde 4] onbetrouwbaar zijn.

70. Voor een goed begrip geef ik alvorens het middel te bespreken de bewezenverklaring van dit feit, voor zover betrekking hebbend op [benadeelde 4] , weer alsmede ’s hofs samenvatting en verwerping van het verweer.

70. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

‘hij in de periode van 1 februari 2010 tot 1 december 2012 te Amsterdam en Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, [benadeelde 4] door geweld en één of meer andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en dreiging met één of meer andere feitelijkheden en door misbruik van een kwetsbare positie heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde 4] en die [benadeelde 4] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten prostitutiewerkzaamheden en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [benadeelde 4] en die [benadeelde 4] met één of meer van de voornoemde middelen en omstandigheden heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [benadeelde 4] met een derde,

bestaande dat geweld en die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld en bedreiging met die andere feitelijkheden en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte tezamen en/of zijn mededader

- met die [benadeelde 4] een liefdesrelatie is aangegaan en heeft onderhouden en

- die [benadeelde 4] heeft gehuisvest in Amsterdam en die [benadeelde 4] onderdak heeft verschaft en

- die [benadeelde 4] meermalen onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht in de prostitutie te werken en te blijven werken en

- voor die [benadeelde 4] heeft gezorgd voor het vervoer van en naar de werkkamer en

- terwijl die [benadeelde 4] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch die [benadeelde 4] heeft gecontroleerd en

- die [benadeelde 4] verantwoording heeft laten afleggen over en heeft gecontroleerd op haar werktijden en hoeveel klanten zij heeft gehad en

- die [benadeelde 4] heeft beperkt in haar bewegingsvrijheid en die [benadeelde 4] nauwlettend in de gaten heeft gehouden en

- die [benadeelde 4] meermalen heeft geslagen tegen haar lichaam en

- een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [benadeelde 4] heeft afgenomen of door die [benadeelde 4] heeft laten afstaan en

- die [benadeelde 4] een auto voor hem, verdachte (BFK: bedoeld zal zijn: voor de medeverdachte), heeft laten bekostigen en op haar naam heeft laten zetten’.

78. Het hof heeft het betrouwbaarheidsverweer in het arrest als volgt samengevat:

Bewijsverweer ten aanzien van [benadeelde 4] (zaak A feit 1 en 2)

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 4] , afgelegd bij gelegenheid van haar aangifte en verhoren bij de rechter-commissaris, veel inconsistenties en onjuistheden bevatten, en heeft daartoe het volgende betoogd.

De aangifte van [benadeelde 4] is grotendeels onjuist en leugenachtig. Om die redenen kunnen deze verklaringen niet bijdragen aan de bewijsvoering en dienen ze van het bewijs te worden uitgesloten. De verdediging is ermee bekend dat aan vermeende slachtoffers van mensenhandel vaak van alles wordt voorgehouden, zodat zij een belastende verklaring zullen afleggen. [benadeelde 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de politie haar had medegedeeld dat zij alles terug zou krijgen wat ze kwijt was als ze de waarheid zou spreken. Ook heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar een geldbedrag was toegezegd als zij aangifte zou doen.

In haar eerste verklaring heeft [benadeelde 4] beweerd dat zij uit vrije wil in de prostitutie werkzaam was. Zij heeft meermalen gezegd dat geen sprake was van enige dwang. Zij heeft ook gezegd dat [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) voor haar zorgde en op haar lette, hetgeen in een relatie gewoon is. De ouders van [benadeelde 4] en haar broer hebben verklaard dat zij een liefdevolle relatie had met [betrokkene 1] . [benadeelde 4] loog in telefoongesprekken. De verdediging acht het, als alternatief scenario, waarschijnlijker dat ze nu liegt omdat ze niet de aandacht krijgt die ze wil nu [betrokkene 1] weg is.

De tapgesprekken zijn voor verschillende uitleg vatbaar; [betrokkene 1] en [benadeelde 4] hadden een relatie. Voor de verklaringen van [benadeelde 4] bestaat, naast enkele tapgesprekken, geen steunbewijs.

De oom van [betrokkene 1] heeft verklaard dat [benadeelde 4] kapot was van de scheiding na de aanhouding van [betrokkene 1] . Dit ondersteunt de onjuistheid van hetgeen [benadeelde 4] heeft verklaard omtrent haar angst voor [betrokkene 1] .

De verklaring van [benadeelde 4] in haar aangifte over de personen die bij haar en haar vriend op bezoek zijn geweest, is tegenstrijdig met de verklaring die zij later heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris, nu zij het eerst had over vrienden en later over personen die door [verdachte] en [betrokkene 1] waren gestuurd en zij in haar aangifte een te betalen bedrag van € 25.000 noemde en bij de raadsheer-commissaris een bedrag van € 30.000. De aangifte door [benadeelde 4] is ingegeven door de omstandigheid dat zij ervan baalde dat de relatie met [betrokkene 1] over was.

De contacten die zij op Facebook had met de neef van [betrokkene 1] , genaamd [naam 4] , spreken boekdelen. Daaruit blijkt dat zij degene is geweest die contact met [naam 4] heeft gezocht en dat deze contacten hebben geduurd van 6 juli 2012 tot 20 augustus 2013. Hoe kan zij bang zijn geweest voor [betrokkene 1] als zij helemaal geen contact meer met hem had? Uit deze Facebook-contacten volgt dat haar aangiften sowieso grotendeels leugenachtig zijn.’

79. Het hof heeft het verweer in het arrest verworpen. Een deel van de verwerping is in de aanvulling op ’s hofs arrest vervangen. Het eerste, in het arrest opgenomen en niet vervangen, deel van de verwerping luidt als volgt:

‘Met de rechtbank slaat het hof er acht op dat [benadeelde 4] , vóór haar aangifte van 25 september 2013 en (gedeeltelijk) in tegenspraak daarmee, heeft verklaard dat zij een normale relatie met [betrokkene 1] had, vrijwillig in de prostitutie werkzaam was en geen aangifte wilde doen.

Dit betekent echter niet dat de betreffende aangifte en de daarna door haar afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, indien er een aannemelijke verklaring voor de wijziging van relevante onderdelen hiervan is en deze ook overigens op wezenlijke onderdelen voldoende consistent en betrouwbaar zijn.

In de onderhavige situatie is hiervan naar het oordeel van het hof sprake.

De verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor de wijziging van haar verklaringen, te weten angst voor [betrokkene 1] , diens familie en [verdachte] , acht het hof niet onaannemelijk en hiervoor voldoende redengevend zodat hierin op zichzelf geen grond wordt gevonden haar (latere) verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Het hof acht voorts, anders dan de verdediging, de voor de bewezenverklaring te bezigen verklaringen van [benadeelde 4] op wezenlijke punten voldoende eenduidig, consistent en betrouwbaar om deze bij de bewijsbeslissing in aanmerking te nemen. De door de verdediging geconstateerde verschillen, voor zover hiervan al sprake is, tasten niet de kern aan van de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot het ten laste gelegde.

Hierbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

[benadeelde 4] is over haar Facebook-contacten met [naam 4] door de verdediging bevraagd tijdens haar verhoor als getuige bij de rechter-commissaris op 11 november 2014. Haar zijn gedeelten van de als bijlagen bij dit verhoor gevoegde Facebook-contacten met [naam 4] voorgehouden, waaronder haar uitlating dat zij nog van [betrokkene 1] houdt. Zij heeft verklaard dat het klopt dat zij aan [naam 4] mededelingen van deze strekking heeft gedaan om te zorgen dat de verhoudingen goed bleven. Zij wilde geen problemen en was nog steeds bang voor [betrokkene 1] , bang dat hij haar via anderen zou bedreigen. [benadeelde 4] heeft tijdens dit verhoor ook verklaard dat de gesprekken niet in hun geheel zijn weergegeven op de kopieën die de verdediging daarvan had overgelegd. Het hof merkt hierover allereerst op dat [benadeelde 4] en [naam 4] beiden in deze contacten diverse talen door elkaar gebruikten en deze voornamelijk fonetisch zijn genoteerd. Aldus zijn flarden tekst zichtbaar waarvan de context ontbreekt. Er kan dus nauwelijks iets uit worden opgemaakt. De verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor het feit dat een deel van de inhoud ervan niet overeenkomstig de waarheid was, acht het hof niet onaannemelijk. Het hof trekt hieruit derhalve niet de verregaande conclusie die de verdediging daaraan verbindt.

De omstandigheid dat familieleden van [benadeelde 4] zouden hebben gesproken van een liefdevolle relatie tussen [benadeelde 4] en [betrokkene 1] is evenmin reden de (latere) verklaringen van [benadeelde 4] van het bewijs uit te sluiten. Het betreft slechts een interpretatie over de aard van de relatie van [benadeelde 4] met [betrokkene 1] . Deze familieleden, die in het buitenland woonden en [benadeelde 4] sporadisch met [betrokkene 1] samen hebben ontmoet, hebben geen concrete waarnemingen gemeld die op wezenlijke onderdelen in tegenspraak zijn met hetgeen [benadeelde 4] in belastende zin over de verdachte en [betrokkene 1] heeft verklaard.

Evenmin is er een concreet aanknopingspunt dat [benadeelde 4] , als geopperd door de verdediging, haar voor [betrokkene 1] belastende verklaringen opzettelijk in strijd met de waarheid heeft afgelegd om redenen van geldelijk gewin dan wel op grond van andere onzuivere motieven.

De aangehaalde inconsistenties van de verdediging in de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 10 januari 2015 zijn van dusdanig ondergeschikt belang dat daaraan, nog daargelaten dat deze niet zien op de ten laste gelegde feiten, niet de door de verdediging getrokken conclusie dient te worden verbonden.’

80. Het tweede, uit de aanvulling op het arrest overgenomen deel van de verwerping luidt als volgt (met weglating van verwijzingen):

‘Het hof acht de belastende verklaringen van [benadeelde 4] wel degelijk betrouwbaar, temeer nu deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, die onder meer de volgende omstandigheden inhouden:

 Uit het telecomdossier blijkt, dat [benadeelde 4] veelvuldig sms-berichten verstuurde, met in aantal wisselende kruisjes. Dit ondersteunt de verklaring van [benadeelde 4] dat zij een sms-bericht aan [betrokkene 1] moest sturen als zij een klant had, waarbij een “x” in het bericht € 50 (BFK: betekende) en de vermelding van “xx” € 100 (aan verdiensten).

 [betrokkene 1] is op 7 maart 2010 in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] op de Wallen in Amsterdam aangehouden.

 De broer van [benadeelde 4] heeft op 11 november 2014 als getuige bij de raadsheer-commissaris verklaard een keer op de webcam te hebben gezien dat [benadeelde 4] blauwe plekken had op haar arm en middel.

 [betrokkene 1] heeft op 5 januari 2012 in een telefoongesprek tegen [verdachte] gezegd dat hij een auto gevonden had in Den Bosch, een S4 voor 9600. Verbalisanten hebben op 5 januari 2012 gezien dat [betrokkene 1] en [verdachte] op 5 januari 2012 bij autobedrijf “Europacar” in Den Bosch naar binnen zijn gegaan en in een auto gingen zitten. Op 6 januari 2012 heeft [verdachte] in een telefoongesprek met een onbekende gezegd dat [betrokkene 1] de auto op haar (het hof begrijpt: [benadeelde 4] ’s) naam had gekocht en verzekerd. Blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer stond een auto, merk Audi A4, S4-uitvoering, met het [kenteken 2] vanaf 6 januari 2012 te 11.40 uur tot 6 januari 2012 13:47 uur op naam van [betrokkene 1] , waarna de auto op naam van [benadeelde 4] is gezet. Deze gegevens ondersteunen de verklaringen van [benadeelde 4] dat [betrokkene 1] met [verdachte] een auto had gekocht van haar geld.’

81. De steller van het middel klaagt dat ‘s hofs overweging inhoudende dat de verklaring die [benadeelde 4] heeft gegeven voor de wijziging van haar verklaringen, namelijk angst voor [betrokkene 1] , diens familie en de verdachte, ‘niet onaannemelijk en hiervoor voldoende redengevend’ is, zodat hierin ‘op zichzelf geen grond wordt gevonden haar (latere) verklaringen uit te sluiten van het bewijs’, niet begrijpelijk is. Geklaagd wordt dat het hof ‘in het bijzonder niet (heeft) aangegeven op grond van welk bewijsmiddel’ het van oordeel is dat de angst van [benadeelde 4] niet onaannemelijk is.

81. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het oordeel van het hof omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 4] diende te berusten op één of meer (wettige) bewijsmiddelen gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. Het gaat om een begrijpelijkheidstoets. Daarbij zijn ’s hofs overwegingen aldus te verstaan dat het hof het niet onaannemelijk acht dat angst de reden is geweest voor [benadeelde 4] om aanvankelijk anders (namelijk in voor [betrokkene 1] ontlastende zin) te verklaren dan later. Dat oordeel, dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal betreft en derhalve tot het domein van de feitenrechter behoort, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in de nadere bewijsoverwegingen op basis van de aangiften van [benadeelde 4] van 25 september en 21 oktober 2013 alsmede weergaven van telefoongesprekken onder meer de volgende passages opgenomen (met weglating van verwijzingen): ‘Volgens [benadeelde 4] heeft [betrokkene 1] haar behandeld alsof zij een dier was’; ‘ [betrokkene 1] sloeg en schopte haar. Hij heeft haar psychisch kapot gemaakt’; ‘Zij mocht met niemand contact hebben, behalve haar familie en de familie van de verdachte (BFK: [betrokkene 1] )’; ‘Na acht maanden kwam [betrokkene 1] vrij en toen begonnen volgens [benadeelde 4] de mishandelingen’; ‘Elke keer als zij contact met iemand had, werd zij mishandeld’; ‘Als zij aan [betrokkene 1] uitleg vroeg over waar het geld was, werd zij in elkaar geslagen’; ‘Daarnaast overlegde [benadeelde 4] met hem over wanneer zij met werken moest stoppen, vroeg zij hem om toestemming voor hetgeen zij at en dronk en vroeg hem of zij zich kon omkleden’; ‘ [benadeelde 4] werd door [betrokkene 1] geslagen en geschopt’; ‘ [benadeelde 4] wilde weg bij [betrokkene 1] . Dan was zijn reactie: als je mij verlaat , heb je één week de tijd om Nederland te verlaten. Anders wordt je leven een nachtmerrie. [benadeelde 4] zei: Nederland is toch niet van jou? Hij zei: je ziet het wel, het is wel van mij. [benadeelde 4] had het gevoel dat zij geen kant op kon. [benadeelde 4] sprak over gedwongen liefde’.

81. De steller van het middel klaagt voorts dat het hof heeft overwogen dat de ‘door de verdediging geconstateerde verschillen, voor zover hiervan al sprake is’, niet de kern aantasten van de verklaringen van [benadeelde 4] met betrekking tot het ten laste gelegde. Die overweging zou niet begrijpelijk zijn, nu [benadeelde 4] na de vrijspraak in eerste aanleg en nadat haar relatie met [betrokkene 1] ten einde was honderdtachtig graden gedraaid is in haar verklaringen.

81. Het lijkt mij evident dat het hof met de zin over de geconstateerde verschillen niet het oog had op verschillen tussen de aanvankelijke verklaringen van [benadeelde 4] en de aangiften, maar op verschillen tussen de belastende verklaringen van [benadeelde 4] . Het hof heeft met deze overweging gereageerd op de stelling van de verdediging ‘dat de verklaringen van [benadeelde 4] , afgelegd bij gelegenheid van haar aangifte en verhoren bij de rechter-commissaris, veel inconsistenties en onjuistheden bevatten’. Zo gelezen is ’s hofs overweging niet onbegrijpelijk. In de toelichting op het middel wordt ook niet gewezen op verschillen tussen de belastende verklaringen, laat staan op verschillen die aan de begrijpelijkheid van dat oordeel doen twijfelen.

81. De steller van het middel bekritiseert vervolgens de overweging dat de verklaring van [benadeelde 4] ‘wel degelijk betrouwbaar’ wordt geacht omdat zij wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo zou het feit dat de broer van [benadeelde 4] heeft verklaard dat hij een keer blauwe plekken heeft gezien op haar arm en middel niet ‘redengevend voor de bewezenverklaring’ zijn, te minder nu de verdediging heeft gesteld dat de ouders en broer van [benadeelde 4] hebben verklaard dat [benadeelde 4] een liefdevolle relatie had met [betrokkene 1] . Dat [betrokkene 1] op 7 maart 2010 in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] is aangehouden op de Wallen en dat uit tapgesprekken volgt dat [verdachte] en de verdachte een auto hebben gekocht met geld van [benadeelde 4] zou evenmin ‘redengevend voor een bewezenverklaring van mensenhandel’ zijn.

81. Ook op dit punt kan ik de steller van het middel niet volgen. Dat de broer van [benadeelde 4] zou hebben verklaard dat [benadeelde 4] een liefdevolle relatie had met [betrokkene 1] , lijkt mij niet een reden om aan de objectiviteit van de broer en (daarmee) betrouwbaarheid van diens waarneming te twijfelen. Dat het hof in die waarneming steun heeft gezien voor de verklaring van [benadeelde 4] inhoudend dat zij door [betrokkene 1] is mishandeld, is geenszins onbegrijpelijk. Dat [betrokkene 1] in verband met de mishandeling van een klant van [benadeelde 4] is aangehouden, bevestigt zijn betrokkenheid bij haar werk als prostituee en biedt steun aan haar verklaring, waarin de veroordeling van [betrokkene 1] wegens deze mishandeling en de verandering in zijn gedrag na het uitzitten van de opgelegde gevangenisstraf een belangrijk element vormen. De informatie over de aankoop van de auto maakt duidelijk dat niet alleen [betrokkene 1] maar ook de verdachte voordeel trok uit de prostitutiewerkzaamheden van [benadeelde 4] en bevestigt haar verklaring over de aankoop van de auto.

81. Het zevende middel faalt.

81. Het eerste, tweede en zesde middel slagen. Het derde, vierde, vijfde en zevende middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende formulering.

81. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

81. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in zaak A, feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 1] ten laste gelegde, het in zaak A, feit 2 ten laste gelegde, alsmede de strafoplegging, tot terugwijzing naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.56

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het beroep is blijkens de daarvan opgemaakte akte niet gericht tegen de vrijspraken in zaak A feit 1 (t.a.v. [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] ), zaak A feit 2 (t.a.v. [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] ), zaak A feit 3, zaak B feit 1 (t.a.v. [benadeelde 2] ) en zaak B feit 2.

2 Vgl. HR 16 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1153, NJ 1999/387, rov. 3.4 en HR 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4162, NJ 2002/629, rov. 3.4.

3 Zie over deze omschrijving Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18.

4 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941. Deze uitspraak is gewezen na het indienen van de (aanvullende) schriftuur in de onderhavige zaak. Helemaal helder is de formulering niet. Dat voldaan moet zijn aan de ‘voorwaarde dat die gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’ is niet exact hetzelfde als het aanmerken van uitbuiting als impliciet bestanddeel. De eerste formulering lijkt mij meer toegesneden op situaties waarin de uitbuiting zich nog moet realiseren (en ziet daarmee vooral op onderdeel 3); de tweede formulering past beter bij situaties waarin de uitbuiting zich al heeft gerealiseerd (en past daarmee beter bij onderdeel 9). Bij de bespreking van het eerste middel zal ik daarom spreken van uitbuiting als impliciet bestanddeel.

5 Wet van 28 oktober 1999, Stb. 464.

6 Wet van 9 december 2004, Stb. 645.

7 Wet van 1 juni 2006, Stb. 300.

8 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18-19.

9 Zo ook M. Alink en J. Wiarda, Materieelrechtelijke aspecten van mensenhandel in het Nederlands strafrecht, Preadvies vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: BJu 2010, p. 217.

10 Vgl. Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 8. Bij deze omschrijving past dat Alink en Wiarda de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 4, Sr aanmerken als een strafbaarstelling van uitbuiting (a.w., p. 224). Relevant is in dit verband wellicht ook dat de wetgever ervoor gekozen heeft bepalingen in het Palermo protocol (Trb. 2001, 69) en het EU-kaderbesluit inzake bestrijding van mensenhandel (2002/629/JBZ) inhoudend dat instemming met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant is indien een van de dwangmiddelen is gebruikt, niet afzonderlijk in art. 273f Sr tot uitdrukking te brengen (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 19). Dat zou ook op de gedachte kunnen berusten dat de uitbuiting met het gebruik van die dwangmiddelen gegeven is. Zie inmiddels art. 2 van richtlijn 2011/36/EU, die dit kaderbesluit heeft vervangen.

11 Die uitbreiding is terug te voeren op de verplichtingen voortvloeiend uit het Palermo protocol (Trb. 2001, 69). Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18.

12 Vgl. nadien ook de conclusie van A-G Hofstee voor HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1504 en recent de conclusie van P-G Silvis voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:662.

13 Alink en Wiarda, a.w., p. 176, spreken bij mensenhandel over onvrijwilligheid en uitbuiting als twee samenhangende ‘hoofdelementen’. Vgl. ook hun uiteenzetting op p. 230-242.

14 Vgl. HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:39; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1945; HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1946; HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556; HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315 m.nt. Van Kempen; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen onder NJ 2016/315; HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0448.

15 Daarvan gaat ook A-G Vegter uit in zijn conclusie (ov. 12) voor HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928 en P-G Silvis in zijn conclusie voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:662.

16 Naar dit arrest wordt verwezen in HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7097 en HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma. Uw Raad omschrijft ‘uitbuitingssituatie’ in beide arresten meer in het algemeen als ‘een situatie die gelegenheid tot uitbuiting schiep’.

17 Vgl. Gerechtshof Amsterdam 8 oktober 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3844. Daar blijkt uit de strafmotivering dat het hof heeft aangenomen dat de verdachte drie jonge vrouwen te kennen heeft gegeven ‘dat zij door als prostituee te werken het geld moesten verdienen voor die gezamenlijke toekomst dan wel hen daartoe (heeft) overgehaald’. Daarvan blijkt in de onderhavige zaak niet. Daarbij waren er in die zaak jegens alle drie vrouwen ook andere redengevende omstandigheden. Vgl. ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2810, waar bewezen is verklaard dat de verdachte het slachtoffer bewoog tot prostitutiewerkzaamheden en de misleiding betrekking had op de bestemming van door haar afgedragen gelden. Daarnaast was overigens ook sprake van bedreigingen.

18 Zie in verband met factoren waar in die motivering aandacht aan kan worden besteed Gerechtshof Amsterdam 6 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4125, vrijspraak feit 1, waar het gerechtshof zich uitlaat over de psychische gesteldheid en mentale weerbaarheid van het slachtoffer; Gerechtshof Amsterdam 8 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5236 (cassatieberoep verworpen in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941).

19 Vgl. de wet van 12 juni 2009, Stb. 245 en de wet van 28 februari 2013, Stb. 84.

20 Zie HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941. De wettelijke strafbedreiging van mensenhandel vormde eerder voor Uw Raad mede aanleiding om uitbuiting aan te merken als impliciet bestanddeel van de onderdelen 3 en 4 van art. 273f, eerste lid, Sr (HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554, NJ 2016/315, beide m.nt. Van Kempen).

21 Dat ligt naar het mij voorkomt ook niet anders in het licht van de omstandigheid dat instemming van het slachtoffer met uitbuiting ingevolge art. 2, vierde lid, richtlijn 2011/36/EU irrelevant is indien een in het eerste lid genoemd middel (waaronder misleiding) is gebruikt. Ook in die situatie moet uitbuiting worden vastgesteld.

22 K. Lindenberg, Strafbare dwang. Over het bestanddeel ‘dwingen’ en strafbaarstellingen van dwang, in het bijzonder art. 284 Sr, Apeldoorn/Antwerpen 2007.

23 Wet van 11 april 1903, Stb. 101.

24 Lindenberg, a.w., p. 124.

25 Lindenberg, a.w., p. 130.

26 Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519.

27 Lindenberg, a.w., p. 208.

28 Vgl. Lindenberg, a.w., p. 208 e.v.. De navolgende categorisering is in belangrijke mate aan zijn dissertatie ontleend, de ter illustratie genoemde arresten zijn geactualiseerd.

29 Vgl. HR 11 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0483, NJ 1996/672 (vastpakken; art. 242 Sr).

30 Vgl. HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3365, NJ 2002/500 (slachtoffer zeggen op bed te gaan liggen en kleren uit te trekken; art. 246 Sr); HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78 (met barse stem toespreken; art. 242 Sr).

31 Vgl. HR 10 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6940, NJ 2006/624 m.nt. Buruma (intelligentieverschil; art. 242 Sr); HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2833 (geestelijk en lichamelijk overwicht; art. 242 Sr).

32 HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494, NJ 2013/427 (bangmakerij door geloof; art. 246 Sr).

33 HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1653, NJ 2000/125 (leider leefgemeenschap; art. 242 Sr).

34 HR 13 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4825 (bij borsten vastpakken; art. 246 Sr); HR 22 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0862, NJ 2007/315 (onverhoeds binnenlopen; doorgaan met ontucht; leeftijd; art. 246 Sr).

35 HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8315, NJ 2004/439; HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422 m.nt. Buruma.

36 Art. 248f Sr (ingevoerd bij de wet van 12 februari 2014, Stb. 74) is in zoverre afwijkend, dat het bestanddeel feitelijkheid daarin is gekoppeld aan het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van het plegen van ontucht.

37 Vgl. HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1013, NJ 2018/301 t.a.v. ‘bewegen’ in de zin van art. 248a Sr. De aandacht verdient dat de feitelijkheid in de voorganger van de strafbaarstelling van art. 273f, eerste lid, onderdeel 9, Sr, wel uitsluitend aan het dwingen was gekoppeld. Art. 250a, eerste lid, onderdeel 6, Sr stelde strafbaar ‘degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar uit de opbrengst van zijn of haar seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen’. Vgl. over de totstandkoming van deze formulering Alink en Wiarda, a.w., p. 187-197.

38 Ik kan uit de parlementaire behandeling van de verschillende wijzigingen van de strafbaarstelling van mensenhandel (in het bijzonder Kamerstukken II 2003/04 e.v., 29 291) niet afleiden dat de wetgever zich dat heeft gerealiseerd.

39 Het voormalige art. 432, onderdeel 3, Sr stelde strafbaar: ‘de souteneur die uit de opbrengst der ontucht van een vrouw voordeel trekt’. Vgl. Alink en Wiarda, a.w., p. 180. Het regeerakkoord van de huidige coalitie wil een ‘pooierverbod’ realiseren ‘in aanvulling op de mogelijkheden die artikel 273f Sr biedt voor de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel in de prostitutie’ (te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/regering/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst/, p. 4). In het conceptwetsvoorstel herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen was een artikel 206a Sr opgenomen dat ter uitvoering van dit voornemen strekte, met een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf (zie www.internetconsultatie.nl). Dat onderdeel is evenwel ‘on hold’ gezet totdat het wetsvoorstel Regulering prostitutie klaar is (Kamerstukken II 2018/19, 28 638 en 34 193, nr. 163, p. 36-37).

40 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 19. Vgl. ook Alink en Wiarda, a.w., p. 229.

41 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941. Mogelijk heeft het voorgaande een rol gespeeld bij die beslissing. Uw Raad wijst erop dat de opsomming van strafbare gedragingen en 'middelen' in art. 250a, eerste lid aanhef en onder 6°, (oud) Sr beduidend beperkter is dan die in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9º in samenhang met art. 273f, eerste lid aanhef en onder 1°, Sr (rov. 2.4.1). Niet alleen de opsomming van gedragingen en middelen is uitgebreid; ook door de koppeling van de ‘feitelijkheid’ aan het ‘bewegen’ is de grens van strafbaarheid (sterk) verlaagd.

42 Wel rijst bij deze interpretatie de vraag naar de meerwaarde van onderdeel 9 naast onderdeel 6; vgl. de conclusie van A-G Bleichrodt voor HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1941, ov. 19. Dat zou er voor kunnen pleiten dat de wetgever zich nog eens over (de vormgeving van) deze strafbaarstelling buigt.

43 In de aanvankelijke schriftuur heeft de steller een klacht met dezelfde strekking geformuleerd ten aanzien van de geldbedragen, bij faxbericht d.d. 5 juni 2018 (ontvangen op 6 juni 2018) is deze klacht (in het licht van het ontslag van rechtsvervolging inzake de geldbedragen) ingetrokken. In zoverre zal ik de aanvankelijke schriftuur buiten bespreking laten.

44 Vgl. HR 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2527, NJ 2016/479.

45 HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169, NJ 1999/537 m.nt. Schalken; HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1193.

46 Vgl. G. Knigge, ‘Delicten I: het voorhanden hebben van wapens en munitie’, in: D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe (red.), De Wet Wapens en Munitie, Alphen aan den Rijn: Samsom H.D. Tjeenk Willink 1989, p. 84 e.v..

47 Daarvoor is dit ‘alternatieve scenario’ te onwaarschijnlijk. Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, 13e druk, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 527.

48 Vgl. reeds HR 19 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB5333, NJ 1975/134 over het verbod tot het voorhanden hebben van vuurwapens in de voorloper van de Wet wapens en munitie. Uw Raad overwoog dat ‘art. 3 Vuurwapenwet 1919 verbiedt het voorhanden hebben van een vuurwapen en niet rept van de eigendom daarvan’.

49 Ten tijde van het in zaak B feit 1 bewezenverklaarde was deze strafbaarstelling opgenomen in art. 273a, eerste lid, onderdeel 3, Sr. Zoals bij de bespreking van het eerste middel is opgemerkt, is art. 273a Sr vernummerd tot art. 273f Sr door de inwerkingtreding van de Wet van 1 juni 2006, Stb. 300. De wet is in werking getreden met ingang van 1 september 2006 (besluit van 4 juli 2006, Stb. 301).

50 De bewezenverklaring verschilt op dit punt van de bewezenverklaring in HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:857, NJ 2016/314 m.nt. Van Kempen onder NJ 2016/315 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2928.

51 Vgl. in het bijzonder de omschrijving van uitbuiting in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 8).

52 Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18-19.

53 A-G Vegter wijst erop dat het slachtoffer in Nederland alle dagen moest werken, werkdagen maakte van wel 16 uur, al het geld diende af te staan, zelfs als ze bloedingen had moest werken en (intensief) werd gecontroleerd. Dat zijn omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer na het ‘aanwerven’ en ‘medenemen’ inderdaad in een uitbuitingssituatie belandde. Vgl. over het verband tussen ‘dwangmiddelen’ en uitbuiting ook HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2909, NJ 2017/16, waarin (vooraf) sprake was van dreiging met geweld en (nadien) van het opzettelijk voordeel trekken.

54 Vgl. HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9215, NJ 2006/525 ten aanzien van art. 250a, eerste lid, onderdeel 1, (oud) Sr.

55 Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma, rov. 2.6.1 ten aanzien van - het wat betreft het stadium waarin de gedragingen zich afspelen vergelijkbare - art. 273f, eerste lid, onderdeel 1, Sr: voor de vervulling van de delictsomschrijving is niet nodig dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.

56 Volledigheidshalve zij opgemerkt dat in de voorgestelde vernietiging wel zijn begrepen de beslissingen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] , maar niet de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (vgl. HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430, NJ 2014/42).