Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:674

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
26-06-2019
Zaaknummer
17/05918
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1033
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Onderdeel b.m. strijdig met bewezenverklaring? Hof heeft bewezenverklaring zonder nadere motivering mede doen steunen op verklaring van verdachte dat het niet klopt dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard, dat hij brief van CBR heeft dat zijn rijbewijs weer geldig is en dat hij zijn rijbewijs zelfs thuisgestuurd heeft gekregen. Nu die verklaring in strijd is met bewezenverklaring, is bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05918

Zitting: 14 mei 2019 (bij vervroeging)

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is bij arrest van 8 november 2017 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.M. Spooren, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op of omstreeks 9 december 2016 te Enspijk, gemeente Geldermalsen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de A2, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.”

5. Het hof heeft in een aanvulling op het arrest de volgende bewijsmiddelen opgenomen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (genummerd PL2600-2016089997-2) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van [verbalisant] :

“Ik, [verbalisant] , reed op 9 december 2016 omstreeks 15:37 uur over de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 89.0 links. Ik hoorde de catchken van het voertuig waarin ik reed afgaan en zag op het display de melding staan dat de tenaamgestelde van het voertuig voor mij een ongeldig verklaard rijbewijs had. Ik zag dat de auto voor mij het [kenteken] had. Dit betrof een grijze Opel Corsa. Ik heb deze auto meegenomen naar de afrit en heb daar de bestuurder van de auto gecontroleerd. Ik vroeg de bestuurder naar zijn rijbewijs, echter had hij deze niet bij zich vertelde hij mij. Hij had ook geen identiteitsbewijs of paspoort bij zich. Hierop heb ik aan de bestuurder zijn naam en geboortedatum gevraagd. Hij gaf op te zijn:

[verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] )

Geboren op [geboortedatum] 1994 Wonende op dat [a-straat 1] te Amsterdam, [postcode] .

Ik heb in de politiesystemen gekeken of dit klopte en dit was het geval. Toen ik deze naam in MEAS intypte, kwam er een foto van BE mee naar voren welke gelijkend was op de man die achter het stuur zat.

Ik ben teruggelopen naar het voertuig en deelde de man mede dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij vanaf nu verdachte was van artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Hierop hoorde ik verdachte zeggen: ‘dat klopt niet. Ik ben in juli ook al aan de kant gezet met hetzelfde verhaal, maar het klopt niet, want ik heb een brief van het CBR dat mijn rijbewijs weer geldig is.’ Ik heb hem zelfs thuisgestuurd gekregen, alleen heb ik hem nu niet bij mij.

Ik heb in het politiesysteem gekeken en zag dat de verdachte op 19 juli 2016 eerder was staandegehouden ter zake artikel 9 van de Wegenverkeerswet.

Omdat ik niet kon controleren of het rijbewijs nu wel of niet ongeldig verklaard was, heb ik de verdachte een proces-verbaal aangezegd en hem verteld dat hij een dagvaarding zal krijgen en dat hij dan de papieren van het CBR moest meenemen.

Ik hoorde hem zeggen dat hij dit ook al gedaan had voor de zaak in juli en dat hij daar nooit meer wat van had gehoord.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, gedateerd 16 januari 2015, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 24 oktober 2014 hebben we u een brief gestuurd. In die brief staat dat u een cursus over verantwoord rijgedrag moet volgen. Helaas heeft u de cursus niet of niet op tijd betaald. U heeft de cursus dan ook niet gevolgd. Daarom hebben we besloten uw rijbewijs ongeldig te verklaren. U mag niet meer rijden vanaf 23 januari 2015.

3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een mailbericht van het CBR gedateerd 21 december 2016 als reactie op het verzoek de parketstukken met betrekking tot de kennisgeving van de ontzegging, het opleggen van een maatregel of overige correspondentie aan het CVOM toe te sturen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Hierbij de door u opgevraagde stukken omtrent betrokkene [verdachte] . De brief d.d. 24 oktober 2014 is zowel aangetekend als onaangetekend verzonden. Beide brieven zijn niet retour gekomen. De brief d.d. 16 januari 2015 is zowel aangetekend als onaangetekend verzonden. Beide brieven hiervan zijn ook niet retour gekomen. Betrokkene heeft geen bezwaar ingediend. Het rijbewijs van betrokkene hebben wij ontvangen op 22 juli 2016 van het CVOM te Utrecht.

6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof de bewezenverklaring heeft doen steunen op een tegenstrijdig bewijsmiddel, nu het hof onder meer de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat zijn rijbewijs weer geldig is verklaard tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl nu juist is bewezen verklaard dat verdachte heeft gereden met een ongeldig rijbewijs.

7. Het middel lijkt daarover op het eerste gezicht zonder meer terecht te klagen. Immers, de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte dat zijn rijbewijs weer geldig is en hij deze zelfs thuis opgestuurd heeft gekregen, is niet te verenigen met de bewezenverklaring, met name wat betreft de zinsnede ‘terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën van motorrijtuigen was afgegeven’.

8. De bewijsconstructie is zonder nadere toelichting zacht gezegd ongelukkig, maar ik vraag mij af of dit tot cassatie moet leiden. Aan de in bewijsmiddel 1 opgenomen verklaring van verdachte dat hij in juli ook al aan de kant is gezet met hetzelfde verhaal, maar dat het niet klopt is toegevoegd dat verdachte op 19 juli 2016 is staande gehouden ter zake artikel 9 van de Wegenverkeerswet. Bewijsmiddel 3 bevat de inhoud van een mailbericht van het CBR van 21 december 2016: Het rijbewijs van betrokkene hebben wij ontvangen op 22 juli 2016 van het CVOM te Utrecht.1 Het hof heeft kennelijk voor ogen gehad dat de verklaring van verdachte over hetzelfde verhaal in juli 2016 in samenhang met de gebleken staande houding op 19 juli 2016 en het op 22 juli 2016 aan het CBR toegezonden rijbewijs juist bewijs oplevert voor de wetenschap van verdachte dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard.

9. Het hof had in ieder geval niet de volledige verklaring van verdachte als bewijsmiddel dienen op te nemen. Het gedeelte van de verklaring dat het niet klopt omdat verdachte een brief van het CBR zou hebben dat zijn rijbewijs weer geldig is, is overbodig. Hoewel het hof daaraan naar ik meen te mogen aannemen geen geloof heeft gehecht is deze overbodige passage wel opgenomen onder het bewijs. Omdat de geloofwaardigheid van een gedeelte van een verklaring een in hoofdzaak feitelijke kwestie is, acht ik het niet aangewezen om ondanks de aanwezige tegenstrijdigheid in het bewijs te concluderen dat cassatie achterwege kan blijven.

10. Het middel slaagt.

11. Het tweede middel klaagt dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk, althans onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het hof ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat hij eerder is veroordeeld voor het besturen van een voertuig nadat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, terwijl dit niet blijkt uit het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 september 2017.

12.. Het bestreden arrest houdt – voor zover relevant – het volgende in:

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een on voorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte niet alleen eerder is veroordeeld voor het besturen van een voertuig nadat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar ook voor het verlaten van een plaats ongeval, het rijden zonder rijbewijs en het veroorzaken van gevaar op de weg. Verdachte lijkt zich weinig aan te trekken van de verkeersregels. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Er zijn geen omstandigheden gebleken die aanleiding geven een mildere straf aan verdachte op te leggen, zoals door de raadsvrouw bij appelschriftuur is verzocht.”

13. De toelichting op het middel specificeert dat niet uit het bedoelde Uittreksel blijkt dat er sprake is van een onherroepelijke veroordeling ter zake van art. 9 lid 2 WVW 1994. Het Uittreksel bevat onder meer de volgende drie mutaties inzake rijden zonder geldig rijbewijs: veroordelingen ter zake van feiten gepleegd op 14 maart 2017 en 7 april 2017 en een openstaande zaak van een feit gepleegd op 16 augustus 2017. Wel twee veroordelingen derhalve, maar het betreft feiten gepleegd na het feit dat aan de orde is in de onderhavige zaak en de steller van het middel heeft gelijk dat het daarbij niet gaat om onherroepelijke veroordelingen.

14. In HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:112, NJ 2019/76 wordt verwezen naar de volgende overwegingen uit HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391:

"2.4.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.

2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd - al dan niet soortgelijk - feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.

2.4.3. Indien de rechter in verband met de strafoplegging melding maakt van een niet tenlastegelegd feit mag ervan worden uitgegaan dat die omstandigheid in strafverzwarende zin is betrokken in de strafoplegging. Dit kan anders zijn indien uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd."

15. Vooropgesteld moet worden dat de feitenrechter vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht.2

16. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hof hetgeen door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 september 2017 is overwogen (randnummer 14), niet heeft miskend. Het hof heeft bij de strafoplegging niet alleen rekening gehouden met (weliswaar nog niet onherroepelijke) veroordeling van de verdachte voor het besturen van een voertuig nadat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar ook met veroordeling ter zake van het verlaten van een plaats ongeval, het rijden zonder rijbewijs en het veroorzaken van gevaar op de weg, welke veroordelingen wél onherroepelijk zijn. Bovendien blijkt niet dat het hof in de strafmotivering met deze omstandigheden rekening heeft gehouden in de zin van recidive als bedoeld in art. 43a Sr. Het hof heeft op basis van de gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet onherroepelijke veroordelingen niet meer overwogen dan dat de verdachte zich weinig lijkt aan te trekken van de verkeersregels en dat in aanmerking genomen bij de keuze voor oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

17. Het middel faalt.

18. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het uittreksel Justitiële Informatie van 26 september 2017 is vermeld dat het CVOM op 20 juli 2016 een overtreding van artikel 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 op 12 juli 2016 te Amsterdam wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd. Verder vermeldt dat uittreksel overigens openstaande zaken ter zake van ditzelfde feit met de pleegdata 14 maart 2017, 7 april 2017 en 16 augustus 2017. Van enige overtreding gepleegd op 19 juli 2016 blijkt overigens niet.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2018, p. 264.