Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:654

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-04-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/03688
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:990
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Mishandeling bestaande uit met kracht duwen en meermalen slaan tegen aangevers lichaam. 1. Noodweer(exces) verweer, 2. Uos dat onttrekking aan de aanranding geen reële optie was die van verdachte kon worden gevergd. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03688

Zitting: 23 april 2019

(bij vervroeging)

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 21 april 2017, met overneming van gronden, het vonnis van de politierechter van de rechtbank Den Haag van 16 september 2016 bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan. De verdachte is ter zake van “mishandeling” veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv strekkende tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer(exces).

4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:

hij op 9 mei 2016 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door

- (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en

- meerdere malen tegen het lichaam te slaan.

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

(…)

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 september 2016, voor zover inhoudende:

Op 9 mei 2016 was ik thuis in Den Haag. Ik deed de deur open en zag daar mijn schoonvader staan. (…) Ik heb hem geduwd;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2016133921-1, d.d. 13 mei 2016 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, inhoudende:

“Op 9 mei 2016 was ik op de [a-straat 1] Den Haag. Hier woont mijn dochter met [betrokkene 1] . (…) Toen ik aankwam deed [betrokkene 1] open. Ik zag dat hij naar mij uit wilde halen met zijn vuist of elleboog. Zover ik me kan herinneren was dat met zijn rechter arm. Ik kon de stomp nog net ontwijken door mijn hoofd naar rechts te draaien. Vrijwel direct hierna zag en voelde ik dat [betrokkene 1] mij een enorm harde duw gaf, waardoor ik uit balans raakte en over de scooter heen viel. Deze duw moet hij mij met een enorme kracht en met zijn gehele gewicht gegeven hebben, want de scooter stond tenminste vier meter van de plaats waar ik stond af. Ik viel dus over de scooter en lag op mijn rug over de scooter, gedeeltelijk op de straat. Ik wilde opstaan, maar [betrokkene 1] stond alweer over me heen gebogen en ik zag en voelde dat hij mij sloeg. Ik voelde dat zijn slagen terecht kwamen op mijn armen (…).”

(zoals vermeld op blz. 4);

- een geschrift, inhoudende foto’s van het letsel van aangever [slachtoffer] (blz. 8-14);

- het proces-verbaal van verhoor getuige, van de politie Eenheid Den Haag, nr. PL1500-2016133921-3, D.D. 20 juni 2016, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar inhoudende:

“ [slachtoffer] belde aan en [betrokkene 1] deed open en gaf [slachtoffer] met volle kracht met beide handen een enorme duw waardoor [slachtoffer] heel hard naar achteren viel over een scooter. [betrokkene 1] was door het dolle en viel meteen [slachtoffer] aan met slaande vuisten. Ik zag dat [slachtoffer] met zijn armen en benen de slagen van [betrokkene 1] probeerde af te weren.”

(zoals vermeld op blz. 15 en 16);

6. In het door het hof bevestigde vonnis van de politierechter is het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Bewijsoverwegingen
(…)
De raadsman heeft voorts betoogd dat er sprake is van noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangever met een gebalde rechtervuist voor de deur stond, klaar om uit te halen naar de verdachte. Verdachte wist dat hij deze vuist vol op zijn gezicht zou krijgen en heeft in een reflex gehandeld.

De politierechter verwerpt het noodweerverweer, nu niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie. Dit scenario wordt immers niet ondersteund door de verklaring van aangever, noch door de verklaring van getuige [getuige] .

Maar ook indien er wel sprake zou zijn geweest van een gebalde vuist aan de kant van de aangever, dan had verdachte anders kunnen en moeten reageren door simpelweg de deur dicht te doen en zich te distantiëren van de situatie. Dat aangever dan, zoals door de verdediging gesteld, zijn voet tussen de deur zou hebben gedaan en de situatie nog steeds niet opgelost zou zijn, doet daaraan niet af. De eerste aanval met de gebalde vuist zou daarmee wel degelijk zijn gestopt waarmee de gestelde noodweersituatie voor dat moment tot een einde zou zijn gekomen.

De politierechter komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake is van een gerechtvaardigd beroep op noodweer.

7. Voor zover het middel klaagt dat de motivering niet voldoet aan het in artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge artikel 358, derde lid, Sv bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling.1 Reeds daarom faalt het middel.

8. Voor zover het middel aldus dient te worden opgevat dat het klaagt over ontoereikende motivering van de verwerping van het beroep op noodweer geldt het volgende.

9. Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Bovendien moet de verdediging noodzakelijk zijn geweest. Het strafbare feit moet vanwege die verdediging zijn geboden.2 De verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is evenwel niet noodzakelijk indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken.3 Dat is het geval indien voor de verdachte daartoe een reële en redelijke mogelijkheid heeft bestaan.4 Onttrekking moet van de verdachte kunnen worden gevergd.5

10. Het hof heeft door de bevestiging van het vonnis de motivering van de politierechter tot de zijne gemaakt. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat zich een noodweersituatie heeft voorgedaan, omdat dit scenario niet wordt ondersteund door de verklaring van de aangever en de getuige. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel klaagt eveneens dat het hof niet (afdoende) heeft gerespondeerd op een ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv inhoudende dat onttrekking aan de aanranding geen reële optie was die van de verdachte kon worden gevergd.

13. Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt (als dat het is), te weten dat onttrekking aan de aanranding voor de verdachte geen reële optie was, veronderstelt dat zich een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft voorgedaan. Het hof heeft echter geoordeeld dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. In de motivering van het oordeel van het hof ligt dus besloten dat en op welke gronden het standpunt moet worden gepasseerd.

14. Beide voorgestelde middelen falen en lenen zich voor afdoening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering.

15. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van cassatieberoep uitspraak zal doen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.

16. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding zal worden volstaan en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 29 april 2009, ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009/130 m.nt. Y. Buruma (r.o. 6.3); HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3474; HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6734, NJ 2012/1294.

2 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 327 e.v., en HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. N. Rozemond.

3 Vgl. HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2947, NJ 2013/166 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:205.

4 Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding. Vgl. HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0035.

5 Vgl. HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3874, NJ 2010/301 m.nt. M.J. Borgers en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7944, NJ 2012/380.