Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:629

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
03-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
19/01103
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Procesrecht; wraking. Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Wrakingsverzoek tijdens mondelinge behandeling. Mag de rechter over de verzochte machtiging beslissen, terwijl nog niet is beslist op het wrakingsverzoek? In acht te nemen beslistermijn. Hoor en wederhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01103

Zitting 3 juni 2019

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[betrokkene]

tegen

Officier van justitie Den Haag

In deze Bopz-zaak is beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking waarbij een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend nadat de rechter ter zitting door de patiënt was gewraakt.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij beschikking van 21 november 2018 heeft de burgemeester van Den Haag ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) een last tot inbewaringstelling gegeven.

1.2

Op 26 november 2018 heeft de officier van justitie in het arrondissement Den Haag aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling te verlenen (art. 27 Wet Bopz).

1.3

Op 29 november 2018 heeft een enkelvoudige kamer van de rechtbank het verzoek mondeling behandeld, in aanwezigheid van betrokkene en haar advocaat, haar moeder, de (behandelend) psychiater, een coassistent en een verpleegkundige. Tijdens deze zitting heeft betrokkene een verzoek gedaan tot wraking van de behandelende rechter. De rechter heeft de behandeling van de hoofdzaak geschorst in afwachting van de beslissing op dit wrakingsverzoek.

1.4

Bij beschikking van diezelfde datum heeft dezelfde rechter de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor het tijdvak tot en met 20 december 2018. Met betrekking tot het wrakingsincident overwoog zij:

“De betrokkene heeft kort na aanvang van de zitting de rechter gewraakt. Voor de gang van zaken wordt verwezen naar het ter zake opgemaakte proces-verbaal. Omdat de uiterlijke beslisdatum van het verzoek heden expireert, heeft de rechter na de zitting zich genoodzaakt gezien het verzoek toe te wijzen.”

1.5

Bij beschikking van 12 december 20181 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen, na te hebben overwogen als volgt:

“3.2. Uit het procesdossier in de hoofdzaak blijkt dat het verhoor van verzoekster op 29 november 2018 heeft plaatsgevonden en dat verzoekster kort na aanvang van dat verhoor een wrakingsverzoek heeft gedaan, waarna de rechter de zitting heeft geschorst. Vervolgens heeft de rechter op 29 november 2018 alsnog een beschikking gewezen op het verzoek van de officier van justitie. Uit de beschikking blijkt dat de rechter zich na de zitting genoodzaakt heeft gezien het verzoek toe te wijzen, omdat de uiterlijke beslisdatum van het verzoek van de officier van justitie per 29 november 2018 expireerde. Gelet hierop gaat de wrakingskamer er van uit dat de rechter van oordeel was dat de te nemen beslissing geen uitstel gedoogde en dat zij de beslissing heeft genomen op grond van het bepaalde in artikel in artikel 6.2 van het Wrakingsprotocol rechtbank Den Haag. In dit artikel is bepaald dat de rechter zich na het wrakingsverzoek van verdere bemoeiingen met de zaak onthoudt voor zover die uitstel gedogen. Uit de beschikking blijkt verder dat de rechter van oordeel is dat aan de gronden voor de verzochte machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis is voldaan. Er is machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 20 december 2018. Daarmee is het verzoek van de officier van justitie in volle omvang toegewezen.

3.3

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan slechts een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. Omdat de rechter reeds in volle omvang op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist, is zij thans geen behandelend rechter meer. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om in die situatie een wrakingsverzoek toe te wijzen en verzoekster kan dan ook niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Het verzoek zal daarom wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid worden afgewezen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.”

1.6

Namens betrokkene is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van 29 november 2018. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Ingevolge het bepaalde in art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen de beschikking op het verzoek om een machtiging tot voortzetting van een inbewaringstelling geen cassatieberoep of ander rechtsmiddel open. Zo’n wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken indien in cassatie wordt geklaagd dat de rechter in de vorige instantie de regeling waarop dit verbod betrekking heeft ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte heeft toegepast of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast. Specifiek voor het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz geldt dat dit ook kan worden doorbroken indien in cassatie wordt geklaagd over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen, bij of krachtens de wet bepaald.2

2.2

Het cassatiemiddel komt primair neer op de klacht dat de behandelend rechter niet langer bevoegd was om de door de officier van justitie gevraagde machtiging te verlenen zolang niet een beslissing was genomen op het wrakingsverzoek. De klacht betreft daarmee het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald. Ik acht betrokkene daarom ontvankelijk in haar cassatieberoep.

2.3

De regeling van de wraking in de artikelen 36 – 41 Rv is ook van toepassing op een machtigingsprocedure als bedoeld in de Wet Bopz.3 De wrakingsprocedure in het burgerlijk procesrecht komt op hoofdpunten overeen met die in het strafprocesrecht (art. 512 – 516 Sv) en die in het bestuursprocesrecht (art. 8:15 – 8:18 Awb).

2.4

Art. 37 lid 5 Rv bepaalt dat aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling van de hoofdzaak wordt geschorst. Deze schorsing duurt in beginsel voort totdat de wrakingskamer over het wrakingsverzoek heeft beslist.4 Deze regel berust op een keuze van de Nederlandse wetgever: rechtsvergelijkend beschouwd, bestaan in Europa diverse stelsels waarin wel of geen schorsende werking wordt toegekend aan een wrakingsverzoek dan wel een tussenvorm is gekozen, waarbij de behandeling van de hoofdzaak slechts onder bepaalde voorwaarden mag worden voortgezet in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek.5

2.5

Voorheen bepaalde art. 520 lid 1 (oud) Sv: “De rechter die gewraakt wordt is, in afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht”. Dit voorschrift is geschrapt bij gelegenheid van de invoering van de eenvormige wrakingsprocedure bij wet van 16 december 1993, Stb. 650. De toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel hield in dat geen behoefte meer bestond aan een stelsel van verboden processuele handelingen; dit werd onnodig bevoogdend geacht en impliceerde in zekere zin geïnstitutionaliseerd wantrouwen.6 A-G Machielse en annotator Lückers hebben uiteengezet dat deze passage in de toelichting ziet op in de wet opgesomde incompabiliteiten die aanleiding tot wraking van een rechter zouden kunnen geven; niet op de situatie waarin een rechter reeds is gewraakt7. Op grond van een redelijke wetsuitleg wordt aangenomen dat het bepaalde in art. 37 lid 5 Rv over de schorsende werking van een wrakingsverzoek de gewraakte rechter niet verhindert om beslissingen te nemen of handelingen te verrichten die geen uitstel kunnen verdragen8. Hetzelfde kan worden aangenomen voor de overeenkomstige bepalingen in het strafprocesrecht (art. 513 lid 5 Sv) en in het bestuursprocesrecht (art. 8:16 lid 5 Awb). Een uitzondering voor beslissingen die geen uitstel verdragen komt ook tot uitdrukking in de wrakingsregelingen die de gerechten hebben vastgesteld. De Aanbeveling wrakingsprotocol gerechtshoven en rechtbanken bepaalt onder 6.2:

“De rechter wiens wraking is verzocht, onthoudt zich na het wrakingsverzoek van verdere bemoeiingen met de zaak voor zover die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht. (…) Handelingen die geen uitstel gedogen dienen te worden uitgevoerd.”9

2.6

Daarmee is nog niet onmiddellijk duidelijk wat moet worden verstaan onder ‘bemoeiingen die geen uitstel gedogen’. De zo-even genoemde Aanbeveling wrakingsprotocol bevat in voetnoot 16 de aanwijzing: “Het verdient aanbeveling om de gevallen waarin verdere bemoeiingen geen uitstel gedogen zo beperkt mogelijk te houden”. De onderhavige zaak maakt de ratio van deze aanbeveling aanschouwelijk. Een procespartij heeft recht op behandeling van zijn of haar zaak door een onpartijdige rechter. Achteraf, na de beslissing, kan een procespartij klagen over onvoldoende onpartijdigheid van de rechter die de zaak heeft behandeld, namelijk door het aanwenden van een rechtsmiddel tegen diens beslissing. Een wrakingsverzoek maakt een toetsing vooraf van de onpartijdigheid van de rechter mogelijk. Een wrakingsverzoek strekt immers ertoe dat een voor de behandeling van de zaak aangewezen rechter die onvoldoende onpartijdig is, wordt vervangen door een andere rechter. De onpartijdigheid van de rechter wordt getoetst aan de hand van een subjectieve en een objectieve maatstaf, ontwikkeld in de rechtspraak van het EHRM.10 Naarmate meer uitzonderingen worden gemaakt op de schorsende werking van een wrakingsverzoek, daalt de mogelijkheid om de toetsing van de onpartijdigheid van de rechter vooraf (vóór de beslissing in de hoofdzaak) te doen plaatsvinden. Door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen heeft een geslaagde wraking geen gevolg nadat de behandeling van de hoofdzaak met een rechterlijke beslissing is geëindigd: de gegrondbevinding van een wrakingsverzoek maakt de uitspraak in de hoofdzaak niet ongedaan.

2.7

Rechtspraak waarin uitdrukkelijk een uitzondering wordt gemaakt op de schorsende werking van een wrakingsverzoek is schaars. Dit kan betekenen dat in de praktijk voor spoedeisende gevallen wel een oplossing wordt gevonden: hetzij doordat de gewraakte rechter, hoewel daartoe niet verplicht, snel in de wraking berust en een collega-rechter de behandeling van de zaak overneemt; hetzij doordat het lukt met grote spoed een (meervoudige) wrakingskamer bijeen te roepen. Een voorbeeld van een uitzondering op de schorsende werking is te vinden in de zo-even al genoemde uitspraak HR 10 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BR1143)11. Het ging toen om een strafzaak waarin de leden van het hof werden gewraakt na de aankondiging dat een proces-verbaal van meineed van een getuige zou worden opgemaakt. De Hoge Raad was van oordeel dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de schorsing van de behandeling van de zaak niet in de weg stond aan het alsnog opmaken van dit proces-verbaal. Verder zijn voorbeelden te vinden in de lagere rechtspraak, waarin een gewraakte rechter heeft beslist over verlenging van preventieve hechtenis in gevallen waarin de termijn snel zou aflopen12. De rechtbank te Utrecht nam aan dat de gewraakte rechters (in raadkamer) weliswaar bevoegd waren om op de vordering tot gevangenhouding te beslissen omdat die beslissing geen uitstel gedoogde, maar de gevangenhouding niet had mogen bevelen voor een langere termijn dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de wrakingskamer de gelegenheid te bieden op het wrakingsverzoek te beslissen.13

2.8

Wat betreft civiele zaken, heeft Hammerstein het voorbeeld genoemd van een kort geding in zaken met een groot en zeer spoedeisend belang.14 Voor toekomstig recht heeft Hammerstein, in navolging van Giesen c.s., een voorkeur uitgesproken voor een systeem waarin de gewraakte rechter de vrijheid heeft om de procedure te schorsen in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek, maar ook de vrijheid heeft om dat niet te doen.15

2.9

De verhouding tussen de schorsende werking van een wraking en de beslistermijnen in de Wet Bopz is eerder aan de orde geweest in (alinea 2.8 van) de conclusie voor HR 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:140 (art. 81 lid 1 RO). Ik heb toen het standpunt ingenomen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat indien een wrakingsverzoek is ingediend, de in art. 17 lid 2 Wet Bopz neergelegde beslistermijn niet doorloopt zolang niet op dat wrakingsverzoek is beslist. De hoofdregel van art. 48 lid 1 Wet Bopz (die inhoudt dat de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis verleent zodra de beslistermijn is verstreken, tenzij opneming als vrijwillig patiënt gewenst is en de betrokken patiënt daartoe bereid is) blijft in deze opvatting gelden, maar kan pas worden toegepast nadat de aldus verlengde beslistermijn is verstreken. Indien de patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, moet een afweging worden gemaakt tussen het belang bij een spoedige rechterlijke beslissing op het verzoek van de officier van justitie en, anderzijds, het belang van de patiënt om vooraf – niet pas achteraf, door het instellen van een rechtsmiddel tegen de eindbeslissing – de onpartijdigheid van de rechter te laten toetsen. Annotator Dijkers (JGZ 2019/9) heeft een “lichte voorkeur” voor de mogelijkheid dat de gewraakte rechter in zeer spoedeisende gevallen zelf een eindbeslissing geeft, ook al is nog niet op het wrakingsverzoek beslist. Tot zover mijn inleidende opmerkingen.

2.10

Met middelonderdeel A klaagt verzoekster dat de rechter niet langer bevoegd was om over het inleidend verzoek van de officier van justitie te beslissen vanaf het tijdstip van indiening van het wrakingsverzoek, althans dat de rechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij wel daartoe bevoegd zou zijn.

2.11

Deze klacht faalt. Zij gaat eraan voorbij dat een uitzondering op de hoofdregel mogelijk is indien de door de rechter te nemen beslissing zodanig spoedeisend is dat een beslissing van de wrakingskamer op het wrakingsverzoek niet kan worden afgewacht; zie alinea 2.5 hiervoor.

2.12

Onderdeel B gaat – subsidiair aan onderdeel A − uit van de mogelijkheid dat de gewraakte rechter in spoedeisende gevallen beslissingen mag nemen die geen uitstel gedogen. De klacht houdt in dat de rechtbank in dat geval ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, tot het oordeel is gekomen dat de beslissing op het inleidend verzoek van de officier van justitie geen uitstel gedoogde. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat betrokkene ter zitting akkoord is gegaan met uitstel van de beslissing in de hoofdzaak in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek.

2.13

Blijkens het proces-verbaal is betrokkene ter zitting door haar advocaat gewaarschuwd dat als zij bij haar wrakingsverzoek blijft, het langer gaat duren. Betrokkene heeft te kennen gegeven dat zij niettemin in haar wrakingsverzoek volhardde. Ik stel voorop dat de gewraakte rechter niet de toestemming van de betrokken procespartij nodig heeft om de behandeling van de hoofdzaak te schorsen in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek: de hoofdregel van schorsing van de behandeling van de hoofdzaak volgt rechtstreeks uit de wet. Wel lijkt mij juist, dat er “in casu geen redenen waren om aan te nemen dat uitstel niet gedoogd kon worden”. De wettelijke beslistermijn kon geen argument zijn om een uitzondering op de hoofdregel van de schorsende werking van een wrakingsverzoek te maken, indien moet worden aangenomen dat de beslistermijn als bedoeld in de Wet Bopz wordt verlengd totdat op het wrakingsverzoek is beslist. Zo opgevat, is het middelonderdeel gegrond en kan de bestreden beschikking m.i. niet in stand blijven. Daartoe zal deze conclusie strekken. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat het indienen van een wrakingsverzoek geen wijziging brengt in de wettelijke beslistermijn (art. 29 lid 3 Wet Bopz), heeft de rechtbank tot het oordeel kunnen komen dat de beslissing geen uitstel gedoogde.

2.14

In het kader van onderdeel B is voorts aangevoerd dat in noodgevallen een andere rechter ingeschakeld had kunnen worden. Dat lijkt mij geen houdbaar argument: het inschakelen van een andere rechter zou neerkomen op een berusting in de wraking. Tot berusting in de wraking kan de voor de behandeling van de zaak aangewezen rechter niet worden verplicht.

2.15

Tot slot is in het kader van onderdeel B aangevoerd dat de rechter zich niet heeft “beperkt tot een (deel)beslissing over de vrijheidsberoving via de voortzetting van de inbewaringstelling van een paar dagen in plaats van voor de volle drie weken termijn”. De steller van het middel doelt hiermee kennelijk op de mogelijkheid van een deelbeschikking, waarbij de gewraakte rechter – onder aanhouding van iedere verdere beslissing – het verzoek van de officier van justitie toewijst voor een korter tijdvak dan de wettelijke maximumduur van drie weken (zie art. 30 Wet Bopz). In dat korte tijdvak kan dan een (meervoudige) wrakingskamer bijeen worden geroepen; vgl. het slot van alinea 2.7 hiervoor.

2.16

Een deelbeschikking komt in het familie- en jeugdprocesrecht wel voor; bijvoorbeeld indien verlenging van een ondertoezichtstelling is verzocht en de kinderrechter besluit om dit verzoek niet meteen voor de maximumtermijn toe te wijzen, maar voor een korte periode in afwachting van nader onderzoek of nieuwe ontwikkelingen, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. In Bopz-zaken heeft een deelbeschikking nauwelijks praktische betekenis, omdat een beslissing tot vrijheidsbeneming op de in art. 5, lid 1 onder e, EVRM bedoelde grond (geestelijke stoornis) steeds moet berusten op actuele medische gegevens. Hoe dan ook, voor de onderhavige zaak lijkt een deelbeschikking mij geen oplossing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat een beslissing op het wrakingsverzoek gevolgen heeft voor het gedeelte van het verzoek in de hoofdzaak waarover de gewraakte rechter al een eindbeslissing heeft genomen. Een toewijzing van het wrakingsverzoek zou uitsluitend voor het nog onbesliste gedeelte van het inleidende verzoek van de officier van justitie de consequentie hebben dat een andere rechter voor de behandeling van de hoofdzaak wordt aangewezen. In de wetenschap dat een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, gelet op art. 30 Wet Bopz, een geldigheidsduur kan hebben van ten hoogste drie weken, heeft het splitsen van het verzoek in de hoofdzaak in een gedeelte waarvoor de wraking wel en een gedeelte waarvoor de wraking geen gevolgen heeft, niet of nauwelijks zin.

2.17

Onderdeel C, behelst kort samengevat de klacht dat, toen de rechter – na ter zitting de behandeling van de hoofdzaak te hebben geschorst in verband met het wrakingsverzoek – bij nader inzien had besloten diezelfde dag toch een eindbeslissing in de hoofdzaak te geven, aan betrokkene het recht is onthouden om over het verzoek van de officier van justitie te worden gehoord. Volgens de klacht is dit in strijd met art. 8 lid 1 en lid 9 Wet Bopz, in verbinding met art. 5, 6 en 13 EVRM.

2.18

Voor zover de klacht inhoudt dat aan betrokkene in het geheel het recht is onthouden om over het verzoek van de officier van justitie te worden gehoord, mist de klacht feitelijke grondslag. Zowel uit de bestreden beschikking als uit het proces-verbaal volgt immers dat betrokkene ter zitting van 29 november 2018 door de rechtbank is gehoord, in het bijzijn van haar advocaat. Betrokkene heeft ter zitting in eerste aanleg aangevoerd dat zij al geruime tijd bezig was om inzage te verkrijgen in haar dossier bij GGZ Rivierduinen. Haar verzoek aan de rechter om dat dossier bij het psychiatrisch ziekenhuis op te vragen, heeft de rechtbank nog tijdens de zitting afgewezen. Die tussenbeslissing is in cassatie onbestreden. Blijkens het proces-verbaal heeft verzoekster zich ook inhoudelijk uitgelaten over het verzoek van de officier van justitie. Indien met deze klacht is bedoeld dat de rechtbank na heropening van het geschorste onderzoek betrokkene nogmaals had moeten horen, volgt dat niet uit de in het middel genoemde wettelijke bepalingen en verdragsbepalingen. De fundamentele regel van hoor en wederhoor (zie art. 19 Rv) zou de rechtbank hebben genoodzaakt tot het nader horen van betrokkene indien de rechtbank tussentijds informatie zou hebben ingewonnen waarover betrokkene en haar advocaat zich nog niet hadden kunnen uitlaten, maar in cassatie is niet aangevoerd dat die situatie zich hier heeft voorgedaan

2.19

Voor het geval dat de Hoge Raad het middelonderdeel opvat in die zin dat in de klacht besloten ligt dat betrokkene in haar verdedigingsmogelijkheden is geschaad door de procedurele gang van zaken (eerst schorsen vanwege het ingediende wrakingsverzoek, vervolgens toch diezelfde dag beslissen in de hoofdzaak)16, merk ik het volgende op. In het cassatieverzoekschrift is niet uitdrukkelijk gesteld dat de verdediging nog niet was voltooid toen de behandeling van de hoofdzaak werd geschorst. De beschrijving van de gang van zaken in het proces-verbaal rechtvaardigt evenwel de gevolgtrekking dat, nadat betrokkene zelf het woord had gevoerd, de behandeling van de hoofdzaak is onderbroken. Haar advocaat is, als gevolg van de schorsing van de behandeling wegens het wrakingsverzoek, niet meer toegekomen aan een mondelinge toelichting over de inhoud van het verzoek van de officier van justitie. Na de hervatting van de behandeling diezelfde dag is aan de advocaat geen gelegenheid meer gegeven om haar pleidooi af te maken; ook blijkt niet dat betrokkene of haar advocaat daarvan afstand hebben gedaan. Bij deze interpretatie van het cassatieverzoekschrift zou onderdeel C slagen.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Rb. Den Haag 12 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15162, JGZ 2019/9 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.

2 Zie bijv. HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2104, NJ 2018/451, JGZ 2019/6.

3 Vgl. W.J.A.M. Dijkers, SDU-commentaar Wet Bopz, Inleidend commentaar bij Hoofdstuk II Wet Bopz, aant. C.7.5 en C.7.6.

4 Zie hierover onder meer: A. Hammerstein, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 37, aant. 4; Asser Procesrecht/Giesen I 2015/279.

5 Zie I. Giesen e.a., Op weg naar een nieuwe wrakingsprocedure, NJB 2013/384 (par. 3); I. Giesen e.a., De wrakingsprocedure. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de mogelijkheden tot herziening van de Nederlandse wrakingsprocedure, Research Memoranda Raad voor de Rechtspraak 2012/5, blz. 106.

6 MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 112 – 113.

7 Zie de conclusie van de A-G Machielse voor HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR1143; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, noot onder dezelfde uitspraak in JIN 2012/41.

8 P.A.M. Mevis, in zijn noot onder HR 10 januari 2012, NJ 2012/439, vindt een ‘redelijke wetsuitleg’ een nogal magere basis en pleit daarom voor een uitdrukkelijke wettelijke regeling.

9 De aanbeveling, vastgesteld door de vergadering van gerechtspresidenten, is te raadplegen via rechtspraak.nl. Het wrakingprotocol van de rechtbank Den Haag (vastgesteld op 28 november 2017) bevat onder 6.2 een gelijkluidende bepaling.

10 Zie over de wrakingsgronden laatstelijk en met verwijzing naar eerdere vindplaatsen: M.L.C.C. Lückers, Wraking in familiezaken, wanneer wel en wanneer niet?, EB 2019/47.

11 NJ 2012/439 m.nt. P.A.M. Mevis.

12 Zie bijv. Gerechtshof Arnhem 25 juli 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX2863; Rb. Dordrecht 2 mei 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BW4464; Rb Amsterdam 23 april 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:9138; J.M. Reijntjes, Minkenhof’s Nederlandse Strafvordering 2017/8.9 (voetnoot 26). Het wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag (2014) noemt onder 6.2 (voetnoot 16) als voorbeeld van een bemoeiing die geen uitstel gedoogt: “de beslissing op een vordering tot verlenging van de gevangenhouding kort vóór het verstrijken van een termijn”.

13 Rb. Utrecht 12 juli 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1636).

14 Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, art. 37, aant. 4 (A. Hammerstein). Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:2928, vernietigde vonnissen van een voorzieningenrechter, gewezen na wraking, omdat niet was komen vaststaan dat “het bijzonder spoedeisend karakter van de zaak een uitzondering rechtvaardigde op de hoofdregel dat de behandeling van de zaak na een verzoek tot wraking wordt geschorst”.

15 A. Hammerstein, Onpartijdigheid in het geding, Trema 2014, blz. 148 e.v., in het bijzonder blz. 153 (punt d). Zie, in het kader van de discussie over wetswijziging ter bestrijding van oneigenlijke wrakingsverzoeken, hierover ook: P. Smits, Waar wringt het bij de wraking?, TCR 2014, blz. 21 e.v., in het bijzonder blz. 23 – 24.

16 Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat tussen de rechtbank en partijen hierover overleg heeft plaatsgehad. De rechtbank vermeldt dat de beslissing door de griffier telefonisch is medegedeeld aan de advocaat en aan het psychiatrisch ziekenhuis.