Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:626

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
24-05-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
18/03955
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1281, Gevolgd
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Procesrecht. Vergoeding van studiekosten en verlenen van studiefaciliteiten. Enkelvoudige comparitie en meervoudig beslissen. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264 en 3259.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0883
JIN 2019/163 met annotatie van Loon, N.A. van
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03955

Zitting 24 mei 2019

CONCLUSIE

F.F. Langemeijer

In de zaak

[de werknemer]

tegen

het openbaar lichaam

Sociale Werkvoorziening Drechtsteden “Drechtwerk”

In deze zaak is de beslissing in hoger beroep genomen door een meervoudige kamer, nadat partijen tijdens een comparitie ten overstaan van een raadsheer-commissaris hun standpunten hebben mogen toelichten. Zijn de daarvoor geldende vormvoorschriften juist toegepast?

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vastgesteld in het bestreden arrest van 19 juni 2018.

1.2

Drechtwerk is een publiekrechtelijk ingesteld leerbedrijf in de sociale werkvoorziening1 en heeft tot doel mensen, die vanwege hun lichamelijke of psychische beperkingen moeite hebben om werk te vinden, te begeleiden naar een arbeidsplaats in het reguliere bedrijfsleven. Eiser tot cassatie (hierna: de werknemer) is vanwege zijn lichamelijke beperkingen sinds 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst van Drechtwerk.

1.3

De toepasselijke CAO en de Regeling studiefaciliteiten SW-medewerkers bieden mogelijkheden voor vergoeding van studiekosten, zoals beschreven in het bestreden arrest. Bij brief van 10 februari 2014 heeft de werknemer Drechtwerk verzocht om vergoeding van bepaalde studiekosten. Drechtwerk heeft dit verzoek in juli 2014 afgewezen. Vervolgens heeft de werknemer zich gewend tot de Geschillencommissie SW die op 15 oktober 2014 weliswaar het bezwaar ongegrond heeft verklaard, maar ook advies heeft gegeven over mogelijkheden voor (bovenwettelijke) voorwaardelijke vergoeding van bepaalde studiekosten. Daarna hebben partijen over die mogelijkheden gecorrespondeerd.

1.4

De werknemer heeft op 30 november 2015 Drechtwerk doen dagvaarden voor de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (zittingsplaats Dordrecht). Hij heeft vorderingen ingesteld die, naast een verklaring voor recht, hierop neerkomen dat Drechtwerk wordt veroordeeld tot het vergoeden aan hem van bepaalde studiekosten.

1.5

Bij tussenvonnis van 30 juni 2016 heeft de kantonrechter aan de werknemer opgedragen te bewijzen dat de door hem gevolgde opleiding zijn uitstroom bevordert en dat na het volgen van die opleiding een reële kans bestaat op werk in de branche waarop de opleiding is gericht. Bij vonnis van 19 januari 2017 heeft de kantonrechter een verklaring voor recht uitgesproken en de vorderingen grotendeels toegewezen.

1.6

Drechtwerk heeft bij exploot van 13 april 2017 tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Op 23 mei 2017 heeft Drechtwerk een memorie van grieven genomen. Bij tussenarrest van 13 juni 2017 heeft het gerechtshof een comparitie van partijen bevolen. Volgens het tussenarrest was het doel van deze comparitie: “het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling”. Indien geen regeling tot stand komt en de zaak niet naar mediation wordt verwezen, zal de zaak in beginsel naar de rol worden verwezen; de comparitie zal dan verder worden benut om procedure-afspraken te maken. Mr. M.J. van Cleef-Metsaars werd in het tussenarrest aangewezen als raadsheer-commissaris.

1.7

De werknemer heeft een memorie van antwoord genomen, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel. Bij die gelegenheid heeft de werknemer ook een onderdeel van zijn eis gewijzigd. De comparitie van partijen is gehouden op 3 oktober 2017 ten overstaan van voormelde raadsheer-commissaris. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

1.8

Nadat Drechtwerk had geantwoord op het incidenteel hoger beroep, heeft het gerechtshof bij arrest van 19 juni 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:1606) het eindvonnis van 19 januari 2017 vernietigd. Opnieuw rechtdoende, heeft het hof de vorderingen van de werknemer afgewezen en de werknemer veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen Drechtwerk ter uitvoering van het vernietigde eindvonnis aan hem heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren, waaronder de raadsheer die was opgetreden als raadsheer-commissaris.

1.9

De werknemer heeft – tijdig – beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Tegen Drechtwerk is in cassatie verstek verleend. Namens de werknemer is het cassatieberoep op 1 februari 2019 schriftelijk toegelicht.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het middel van cassatie is uitgewerkt in vijf onderdelen die samengevat het volgende inhouden.

2.2

Ter inleiding op de klachten is aangevoerd dat uit het proces-verbaal onmiskenbaar blijkt dat partijen tijdens de comparitie nader op het geschil zijn ingegaan en hun stellingen nader hebben toegelicht. Onderdeel 1.1 klaagt dat, nu de door het hof bevolen comparitie van partijen (mede) is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, de comparitie in deze, door het hof in meervoudige samenstelling te beslissen zaak in beginsel had moeten plaatvinden ten overstaan van alle leden van de meervoudige kamer.

2.3

Indien het hof van oordeel is geweest dat in dit geval van de hoofdregel mocht worden afgeweken, is dat oordeel volgens onderdeel 1.2 rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd. In dat geval heeft het hof immers de regel miskend dat tijdig vóór de comparitie aan partijen mededeling moest worden gedaan dat zij gelegenheid hadden om het hof te verzoeken, de comparitie ten overstaan van de meervoudige kamer te houden2. Volgens eiser is een zodanige mededeling vooraf niet gedaan.

2.4

Indien het hof van oordeel is geweest dat in dit geval sprake was van een zgn. ‘comparitie na aanbrengen in hoger beroep’, is dat oordeel volgens onderdeel 1.3 rechtens onjuist althans ontoereikend gemotiveerd3.

2.5

In onderdeel 1.4 stelt de werknemer dat juist voor dit geschil van belang was dat hij persoonlijk aan de raadsheren die de beslissing in hoger beroep zouden nemen kon toelichten waarom de door hem gevolgde opleiding zijn uitstroom bevordert en dat na het volgen van die opleiding een reële kans bestaat op werk in de branche waarop deze opleiding is gericht. Het voorgaande mondt in onderdeel 1.5 uit in de klacht dat het hof het fundamentele beginsel van burgerlijk procesrecht dat partijen hun standpunt mondeling mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechters die de beslissing zullen geven, heeft miskend.

2.6

De klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld. Art. 16 lid 5 Rv houdt in dat de meervoudige kamer van een gerechtshof kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een zoveel als mogelijk uit haar midden aangewezen raadsheer-commissaris. Deze oefent daarbij de bevoegdheden uit, aan het gerechtshof toegekend.

2.7

In een verzoekschriftzaak heeft de Hoge Raad kort geleden de jurisprudentie hierover samengevat4. Een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, dient in beginsel plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen. Dit houdt, gelet op hetgeen is overwogen in HR 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076) 5, verband met de betekenis van de mondelinge behandeling, waarbij de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en die interactie niet altijd volledig in een proces-verbaal kan worden weergegeven. Indien in een meervoudig te beslissen zaak in hoger beroep wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, zal uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Aan partijen dient (in een procesreglement of op andere wijze, zie HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976) gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zodanig verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

2.8

Dezelfde jurisprudentieregels heeft de Hoge Raad toegepast in vorderingszaken. In gevallen waarin de door het hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, dient de comparitie (in een zaak die in meervoudige samenstelling wordt beslist) in beginsel te worden gehouden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen. Van deze regel kan worden afgeweken door tijdig vóór de comparitie schriftelijk of electronisch aan partijen mee te delen dat zij gelegenheid hebben om te verzoeken dat de comparitie wordt gehouden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zullen nemen6.

2.9

In dit geval moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat bedoelde voorafgaande mededeling niet aan partijen is gedaan, nu het tussenarrest en het proces-verbaal van de comparitie hierover niets vermelden. Evenmin blijkt van een daartoe strekkende regeling in het destijds geldende procesreglement7. Dan blijft nog de vraag of de veronderstelling in het cassatiemiddel juist is, dat de door het hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten. Op het eerste gezicht lijkt dat niet het geval: zoals gezegd was het doel van de comparitie volgens het tussenarrest slechts het (desgevraagd) geven van inlichtingen aan de benoemde raadsheer-commissaris, onderscheidenlijk het beproeven van een schikking door deze. Daarnaast bood het tussenarrest de mogelijkheid om ter comparitie procesafspraken te maken voor het verdere verloop van de procedure.

2.10

Inzage van het proces-verbaal van de comparitie leert dat, nadat duidelijk was geworden dat een minnelijke regeling niet kon worden bereikt, verklaringen zijn afgelegd door twee vertegenwoordigers van Drechtwerk, door de werknemer en door de wederzijdse advocaten, waarna de zaak naar de rol werd verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord in het incidenteel appel. Het proces-verbaal vermeldt op blz. 2 dat partijen uitdrukkelijk blijven bij hetgeen in de gedingstukken is vermeld en in aanvulling daarop mededelingen hebben gedaan. Hoewel een gedeelte van deze verklaringen is afgelegd in antwoord op vragen van de raadsheer-commissaris (“U vraagt mij …”, enz.), laat het proces-verbaal weinig ruimte voor twijfel dat partijen daarnaast de gelegenheid hebben aangegrepen om hun standpunt mondeling nader toe te lichten aan de raadsheer-commissaris. Dit laatste vindt bevestiging in het slot van het proces-verbaal (blz. 4), waar de raadsheer-commissaris vermeldt dat partijen gelegenheid zullen krijgen om onjuistheden of omissies in het aan hen toe te zenden proces-verbaal kenbaar te maken, maar dan “geen napleiten of nieuwe feiten of standpunten”. Het woord ‘napleiten’ duidt erop dat partijen hun standpunten naar voren hebben gebracht. Dit is precies het verwarringseffect waarvoor annotator Asser waarschuwt in paragraaf 5.2 van zijn noot in NJ 2019/271. Ik haast mij, hieraan toe te voegen dat de dienstdoende raadsheer-commissaris op 3 oktober 2017 nog niet bekend kon zijn met de jurisprudentie van na die datum.

2.11

Het voorgaande voert tot de gevolgtrekking dat de middelonderdelen 1.1 en 1.2 slagen. Het voorwaardelijk voorgestelde onderdeel 1.3 mist mijns inziens feitelijke grondslag, omdat het hier niet gebleven is bij een zgn. ‘comparitie na aanbrengen’. Weliswaar was aan de hand van een destijds op de website van het gerechtshof gepubliceerde “Werkwijze comparitie na aanbrengen gerechtshof Den Haag”8 een ‘comparitie na aanbrengen’ met beperkte doeleinden ook nog mogelijk nadat de memorie van grieven al is genomen en zelfs de inhoud van de (tevoren aan het hof en aan de wederpartij toegestuurde) memorie van antwoord bekend is, maar dit neemt niet weg dat in dit geval de comparitie een ruimer karakter heeft gekregen. Onderdeel 1.4 bevat geen klacht. Onderdeel 1.5 mist zelfstandige betekenis naast de daaraan voorafgaande klachten.

2.12

Het slagen van onderdeel 1 brengt mee dat ook de daarop voortbouwende overwegingen en beslissingen niet in stand kunnen blijven. In zoverre slaagt ook onderdeel 2.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

plv

1 Drechtwerk is een openbaar lichaam in de zin van art. 8 lid 1 Wet gemeenschappelijke regelingen en daarom een zelfstandige rechtspersoon.

2 De toelichting op dit middelonderdeel verwijst naar HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971.

3 De toelichting op dit middelonderdeel verwijst naar HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662.

4 Deze alinea is ontleend aan rov. 3.4.1 van HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, NJ 2019/147 m.nt. W.D.H. Asser.

5 Ook gepubliceerd in NJ 2015/181 m.nt. W.D.H. Asser.

6 HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971, reeds aangehaald (rov. 3.4.3 – 3.4.4). Zie ook HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145 (rov. 3.5.1 en 3.6.2 – 3.6.3).

7 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, 7e versie, te raadplegen via rechtspraak.nl.

8 De tekst daarvan is inmiddels gewijzigd.