Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
16-04-2019
Datum publicatie
12-06-2019
Zaaknummer
17/04407
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Katvanger die via bankrekeningen van aangevers van ‘phishing’ betaalde auto’s op zijn naam liet zetten. Schuldwitwassen, art. 420quater Sr. Middel van verdachte: leiden aangevers van ‘phishing’ door het handelen van verdachte “rechtstreekse schade” a.b.i. 361.2.b Sr? HR: art. 81.1 RO. Middelen van b.p. over (motivering van) ’s hofs beslissingen t.a.v. gevorderde beredderingskosten. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/04411P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/04407

Zitting: 16 april 2019

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

Het cassatieberoep

  1. De verdachte is bij arrest van 6 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “schuldwitwassen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen, waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis. Tot slot heeft het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, maar aan de verdachte wel een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte ook in dit verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

  2. De zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/04411), waarin ik vandaag ook concludeer.

  3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

  4. Namens de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend, houdende twee middelen van cassatie.

Feiten en achtergronden

5. Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is door het hof veroordeeld voor het meermalen plegen van schuldwitwassen. De verdachte heeft auto’s op zijn naam laten zetten, terwijl bij de desbetreffende transacties van misdrijf afkomstige geldbedragen zijn gebruikt. Deze auto’s werden betaald via bankrekeningen van verschillende personen die door één of meer anderen door middel van “phishing” van hun pincodes waren verkregen. Zonder medeweten van de slachtoffers zijn de bedragen waarmee de auto’s werden gekocht van hun bankrekeningen overgeboekt naar die van autohandelaren. Die auto’s werden vervolgens (tijdelijk) op naam van de verdachte gezet.

Het namens de verdachte voorgestelde middel

6. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht aan de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:

“Ter terechtzitting is verschenen een persoon opgevende te zijn [benadeelde 1] die mededeelt zich in hoger beroep te hebben gevoegd als benadeelde partij en die thans de vordering wenst toe te lichten.

De voorzitter stelt het volgende vast:

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg geen vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij vonnis waarvan beroep is de (niet ingediende) vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep middels een voegingsformulier d.d. 20 augustus 2017 gevoegd in het geding tot een bedrag van € 10.000,-.

Op vragen van de voorzitter deelt de benadeelde partij [benadeelde 1] mede als volgt:

Het klopt dat ik in eerste aanleg bij de rechtbank geen vordering tot schadevergoeding heb ingediend. Pas in hoger beroep heb ik een voegingsformulier ingevuld tot een schadevergoedingsbedrag van € 10.000,-. Ik heb op het schadebedrag van € 20.000,- in mindering gebracht het bedrag dat is vergoed door de Rabobank. Dat is de helft van de geleden schade, € 10.000,-. Het overgebleven bedrag aan schade is thans € 10.000,-.

Deze hele zaak heeft verschrikkelijke gevolgen voor mij gehad. Het heeft persoonlijk heel veel met mij gedaan, omdat het weggenomen geld van mijn overleden man was. Mijn man is kort voor het gebeuren in 2013 overleden. Een bedrag van € 10.000,- ben ik nog altijd kwijt. Ik vind het verschrikkelijk.

Ter terechtzitting is tevens verschenen een persoon opgevende te zijn [benadeelde 2] die mededeelt zich in hoger beroep opnieuw te hebben gevoegd als benadeelde partij en die de vordering wenst toe te lichten. Voorts is verschenen mr. C.J. Nierop als advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] .

De benadeelde partij [benadeelde 2] deelt mede als volgt.

Ik spreek ook namens mijn echtgenote. Zij kan het emotioneel niet aan om vandaag ter zitting aanwezig te zijn. Mede door de verdachte is ons bijna € 80.000,- ontnomen. De financiële zorgen zijn hierdoor enorm toegenomen. Mijn vrouw en ik hebben een extra hypotheek moeten nemen. Onze relatie is door de hele zaak onder grote druk komen te staan. Door een kort moment van onachtzaamheid is ons leven beschadigd. Zeker voor mijn vrouw is het een zware last.”

8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2017 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord heeft gevoerd overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen, het volgende in:

“De schade van de benadeelde partijen is veroorzaakt door de oplichtingshandelingen, het ontfutselen van de codes en de overboeking van de gelden naar de betreffende autohandelaren. Met deze overboeking was de schade een feit. Betrokkenheid van cliënt bij die handelingen is niet vastgesteld. Daar heeft cliënt part noch deel aan gehad. Dat cliënt vervolgens auto's op zijn naam heeft gezet die met de door oplichting en diefstal verkregen gelden zijn betaald kan niet aan de al reeds veroorzaakte schade hebben bijgedragen. Daarbij neem ik in aanmerking dat client’s handelen, opzet er in het geheel niet op was gericht het door oplichting/diefstal verkregen geld in auto’s om te zetten. Cliënt wist niet beter dan dat het geld voor de auto’s werd betaald door de mensen die hem vervolgens hebben gevraagd de auto op zijn naam te zetten. Het handelen van cliënt zoals dat in het dossier en terechtzitting naar voren is gekomen staat dus niet in zodanig rechtstreeks verband met de geleden schade dat cliënt voor die schade aansprakelijk is. Het causale verband tussen het bewezen verklaarde handelen en de schade ontbreekt. Ik verzoek u de vorderingen niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair ben ik van oordeel dat deze vordering gezien het complexe vraagstuk inzake de causaliteit van het eventueel bewezenverklaarde witwassen en de door de benadeelde partijen geleden schade niet van zo eenvoudige aard is dat deze vordering zich lenen behandeld te worden in de strafzaak tegen cliënt.

Meer subsidiair voer ik wat betreft de vorderingen van de heer en mevrouw [benadeelde 2] nog het volgende aan. De kosten van de juridische procedures tegen de Rabobank en [B] kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse kosten als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De kosten komen immers voort uit de weigering van de Rabobank en [B] om de overgeboekte gelden terug te betalen. De juridische kosten zijn bovendien ten laste gekomen van Bouwbedrijf [A] BV en niet van het slachtoffer. Van een opeisbare vordering jegens het slachtoffer is niet gebleken.”

9. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] het volgende in:

“De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg geen vordering tot schadevergoeding ingediend.

Het hof is niet gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich overeenkomstig de wet in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd. Bij vonnis waarvan beroep is de (niet ingediende) vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep middels een voegingsformulier zoals bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, gedateerd 20 augustus 2017, gevoegd in het geding tot een bedrag van € 10.000,- aan schadevergoeding. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij een toelichting gegeven op deze vordering, inhoudende dat de Rabobank de helft van de schade, te weten een bedrag van
€ 10.000,- heeft vergoed.

Gelet op het vorenstaande is de benadeelde partij op grond van artikel 421, eerste lid, Wetboek van Strafvordering onbevoegd zich te voegen in het geding in hoger beroep, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]


Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof wel gebleken dat door verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,-, voor welke schade verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Het hof ziet ambtshalve aanleiding ter dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.
(…)

BESLISSING

Het hof:
(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij [benadeelde 1] in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamde [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.”

10. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] het volgende in:1

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 58.191,- (€ 79.900,- aan materiële schade te verminderen met € 21.799,-), kosten van bereddering tot een bedrag van €2.920,38 en € 1.000,- aan immateriële schade, alsmede tot vergoeding van de proceskosten ad € 2.682,-. Voorts is verzocht de wettelijke rente op te leggen vanaf 6 augustus 2013. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de proceskosten zijn verhoogd tot € 4.470,-.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 50.950,-, te weten de gevorderde schade ter zake de overboeking van de Landrover (€ 49.950,-),alsmede de gevorderde immateriële schade (€ 1.000,-).

Het hof sluit zich aan bij hetgeen door mr. C.J. Nierop, advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] , naar voren is gebracht. Het hof stelt vast dat de gevorderde schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging, maar naar het oordeel van het hof staat de door de benadeelde partij geleden schade wel in zodanig nauw verband met het bewezen verklaarde feit, waaronder het telkens schuldwitwassen van de geldbedragen waarmee de auto’s zijn gefinancierd, dat die schade redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, voor wat betreft de overboeking van de [C] ten bedrage van € 29.950,-, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet worden ontvangen.

Voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde proceskosten overweegt het hof als volgt.

De advocaat van de benadeelde partij, mr. Nierop, is aanwezig geweest op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 juni 2015 en in hoger beroep op 23 augustus 2017.

Het hof zal de proceskosten overeenkomstig tarief IV van het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven toewijzen tot een bedrag van 2 x € 894,- (indienen voegingsformulier en bijwonen terechtzitting in eerste aanleg) en 1 x € 1.631,- (bijwonen terechtzitting in hoger beroep), zijnde in totaal € 3.419,-.


Als onderdeel van de proceskosten is tevens gevorderd een bedrag van
€ 2.920,38 ter zake kosten van bereddering ex artikel 6:96 BW. Naar het oordeel van het hof zijn de gevorderde kosten van bereddering niet voor toewijzing vatbaar.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

(…)

BESLISSING
Het hof:
(…)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1B bewezen verklaarde tot het bedrag van € 50.950,00 (vijftigduizend negenhonderdvijftig euro) bestaande uit € 49.950,00 (negenveertigduizend negenhonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

(…)

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2]
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 50.950,00 (vijftigduizend negenhonderdvijftig euro) bestaande uit € 49.950,00 (negenveertigduizend negenhonderdvijftig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 280 (tweehonderdtachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

(…)

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

(…).”

11. De steller van het middel betoogt dat de verdachte niet betrokken was bij de leugens waarmee [benadeelde 1] en [benadeelde 2] werden bewogen om de codes van hun bankrekening af te staan en waarmee vervolgens bedragen van die bankrekeningen zijn overgeboekt naar de rekeningen van de autohandelaren. De schade is ontstaan door de overboekingen. Het ten laste van de verdachte bewezen verklaarde handelen staat in een te ver verwijderd verband tot de geleden schade, aldus de steller van het middel.

12. Het middel komt met het voorafgaande op tegen het oordeel van het hof dat de door de benadeelde partijen gevorderde schade als rechtstreekse schade van het meermalen plegen van schuldwitwassen is aan te merken. In navolging van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer, ziet het middel op de vraag of het hof kon aannemen dat de schade kan worden aangemerkt als het gevolg van het bewezen verklaarde feit. Daarmee is het middel beperkt tot het oordeel van het hof over de causaliteit. Daarop zal ik mij in het onderstaande concentreren.

13. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Zowel voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij dient sprake te zijn van causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit. Dat volgt voor de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij uit art. 361, tweede lid, onder b, Sv in combinatie met het in art. 6:98 BW bepaalde.2 Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Daardoor is ook de schadevergoedingsmaatregel slechts toepasbaar in geval causaal verband bestaat tussen de schade en het strafbare feit in de zin van art. 6:98 BW.

14. In de onderhavige zaak is de bewezenverklaring geënt op schuldwitwassen. Het hof heeft niet vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij het bemachtigen van de rekeningnummers en de pincodes van de aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Evenmin heeft het hof vastgesteld dat het de verdachte is geweest die bedragen van de rekeningnummers van de aangevers heeft overgeboekt naar die van autohandelaren. Die omstandigheden behoeven er op zichzelf niet aan in de weg te staan dat de desbetreffende schade (ook) wordt aangemerkt als het rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde schuldwitwassen. Daartoe wijs ik op het volgende.

15. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezen verklaarde handelen en de door de benadeelde geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.3 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het vereiste dat de schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit niet strikt moet worden uitgelegd. Niet uitgesloten is dat de schade weliswaar niet het rechtstreekse gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging als zodanig, maar dat - gelet op de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte - de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, dat die schade redelijkerwijs moet worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht, zoals bedoeld in art. 361, tweede lid, onder b, Sv en art. 51f, eerste lid, Sv.

16. Die benadering sluit aan bij de in wezen civielrechtelijke aard van de beoordeling van de aansprakelijkheid. De nauwe samenhang met het bewezen verklaarde feit vormt de sleutel tot de voeging van de civiele vordering in het strafproces. Indien van een dergelijke nauwe samenhang sprake is, kan onder omstandigheden ook worden aangenomen dat rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit, ook al moet daarvoor in zekere zin buiten de oevers van de formulering van de bewezenverklaring worden getreden. Centraal staat de schade die is geleden ten gevolge van de overboeking van geldbedragen aan autohandelaren. Bestaat voldoende verband tussen het bewezen verklaarde schuldwitwassen en deze schade om te kunnen aannemen dat de benadeelden door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade hebben geleden? Deze vraag is eerder in cassatie aan de orde geweest. Ik wijs op drie arresten.

17. In HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216, m.nt. Schalken waren de tenlastelegging en de bewezenverklaring geënt op witwassen. Uit de vaststellingen van het hof volgde dat de schade die de benadeelde partij had geleden, was ontstaan nadat met ontvreemde overschrijvingspapieren geld van de rekening van de benadeelde partij was overgemaakt op de rekening van de moeder van een medeverdachte. De verdachte was niet veroordeeld wegens diefstal van de overschrijvingspapieren. Het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde witwassen van grote geldbedragen en het in de bewezenverklaring bedoelde misdrijf waaruit die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren, in zodanig nauw verband stonden tot elkaar dat de benadeelde partij door het 'medeplegen van witwassen' rechtstreeks schade had geleden, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was naar zijn oordeel niet onbegrijpelijk.

18. In een andere zaak had het hof de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 10.550 euro toegewezen. Daarbij was het hof er kennelijk vanuit gegaan dat het geldbedrag dat door verdachte was witgewassen, hetzelfde geldbedrag betrof als het onverschuldigd betaalde bedrag, dat door een onbekend gebleven persoon was overgemaakt naar de rekening van een stichting. De verdachte was bij de oprichting van de stichting betrokken. Mijn ambtgenoot Harteveld betoogde dat het hof kon aannemen dat de door de benadeelde partij geleden schade in zodanig nauw verband stond met het bewezen verklaarde witwassen, dat die schade redelijkerwijs moest worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht. De Hoge Raad deed de zaak met toepassing van art. 81, eerste lid, RO af.4

19. In een derde zaak5 was de verdachte van de ten laste gelegde diefstal van een auto vrijgesproken en veroordeeld wegens de subsidiair ten laste gelegde schuldheling van deze auto. Het hof wees de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van deze schade, onder meer bestaande uit een kapot contactslot, toe. In cassatie werd namens de verdachte aangevoerd dat de schade niet het gevolg was van de schuldheling, maar van de diefstal, waarvan de verdachte was vrijgesproken. De Hoge Raad overwoog dat het kennelijke oordeel van het hof dat voldoende rechtstreeks verband bestond tussen de helingshandeling en de door de rechthebbende op het geheelde goed geleden schade geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het bestaan van zodanig verband in gevallen als dit niet is uitgesloten en in feitelijke aanleg dienaangaande geen verweer was gevoerd.

20. Het hof heeft ten aanzien van de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] overwogen dat de gevorderde schade weliswaar niet het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde gedraging, maar dat naar het oordeel van het hof de door de benadeelde partij geleden schade wel in zodanig nauw verband staat met het bewezen verklaarde feit, waaronder het telkens schuldwitwassen van de geldbedragen waarmee de auto’s zijn gefinancierd, dat die schade redelijkerwijs kan worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij door dat feit te zijn toegebracht.

21. Het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde 1] op grond van art. 421, eerste lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Het hof heeft aan de verdachte wel een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.6 Daartoe heeft het hof overwogen dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wel is gebleken dat door verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade aan [benadeelde 1] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,-.

22. Voor zowel de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] als de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van hem en [benadeelde 1] geldt dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook is dat oordeel, in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Ik wijs daartoe op het volgende.

23. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen, meermalen gepleegd, door auto’s op zijn naam te laten zetten, terwijl bij de desbetreffende transacties van misdrijf afkomstige geldbedragen zijn gebruikt. Daarbij heeft het hof onder meer overwogen dat de verdachte bij enig nadenken over de door hem verrichte gedragingen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen die nodig waren voor de aankoop van de auto’s van misdrijf afkomstig waren en dat hij zonder nader onderzoek niet keer op keer had mogen handelen zoals hij heeft gedaan. Het hof heeft in zijn strafmotivering voorts overwogen dat de verdachte weliswaar als katvanger heeft gefungeerd, maar daarmee wel een onmisbare rol in het geheel heeft gehad. Onder die omstandigheden heeft het hof kunnen aannemen dat de geldbedragen die door middel van “phishing” van de verschillende bankrekeningen zijn weggenomen en de witwasgedragingen die in de bewezenverklaring centraal staan, in zodanig nauw verband met elkaar staan dat het door de verdachte gepleegde schuldwitwassen rechtstreeks de door de benadeelde partijen geleden schade heeft veroorzaakt.7 Tot een nadere motivering van dit oordeel was het hof niet gehouden.

24. Het middel faalt.

De namens de benadeelde partij [benadeelde 2] ingediende middelen

25. Het eerste middel behelst de klacht dat de afwijzende beslissing ten aanzien van de gevorderde “beredderingskosten” niet op de voet van art. 361, vierde lid, Sv met redenen is omkleed.

26. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] in hetgeen hiervoor onder 10 van deze conclusie is weergegeven.

27. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 augustus 2017 blijkt dat [benadeelde 2] als benadeelde partij ter terechtzitting is verschenen, vergezeld door zijn advocaat, mr. C.J. Nierop. Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat mr. C.J. Nierop het woord heeft gevoerd overeenkomstig zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt ten aanzien van de “kosten van bereddering” het volgende in:

“Kosten van bereddering
22. Als kosten van bereddering ex art. 6:96 BW is gevorderd € 2.920,38. Deze kosten zien op advocaatkosten.
23. De acties van de advocaat van cliënten mr. Snel ten einde de schade te beperken hebben kosten met zich meegebracht. Het gaat om een bedrag van in totaal € 2.920,38. De facturen met specificaties zijn bijgevoegd. De juridische kosten zijn voorgeschoten door het bouwbedrijf van de zoon van cliënten en betreffen in die zin verplaatsbare schade.
24. Deze kosten voor rechtsbijstand zijn aan te merken als vermogensschade in de zin van art. 6:96 BW. Het zijn redelijke kosten ter beperking van de schade.
25. Tussen het ten laste gelegde feit en deze kosten bestaat causaal verband, de kosten kunnen aan het ten laste gelegde feit worden toegerekend. De verdachte kon verwachten dat cliënte alle juridische middelen zou inzetten ten einde zijn schade te beperken en dat daar kosten aan verbonden zou zijn.
26. De acties en bijbehorende kosten vloeien dan ook direct voort uit de schadebeperkingsplicht van cliënten.
27. De werkzaamheden van de advocaat zouden niet nodig geweest zijn wanneer de verdachte het ten laste gelegde feit niet had begaan. Daarenboven mag de verdachte blij zijn dat mr. Snel deze acties heeft ondernomen anders was de vordering ter zake de overboekingen nog groter geweest.
28. Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij (Pari. Gesch. Boek 6, p. 337), behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (art. 6:96 lid 3 BW). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd (ECLI:NL:HR:2014:2797).
29. De term "redelijk" heeft in deze context een dubbele betekenis: niet alleen het maken van de kosten, maar ook de omvang ervan moet redelijk zijn. Bij de weging van de redelijkheid kunnen de verhouding tussen de omvang van hoofdvordering en buitengerechtelijke kosten, en de houding van partijen jegens elkaar een rol spelen (ECU:NL:PHR:2013:BY9086).
30. Ook indien slechts een beperkt deel van de hoofdvordering wordt toegewezen kunnen de kosten voor bereddering redelijk zijn (ECLI:NL:HR:2013:BY9086).
31. In onderhavig geval heeft het cliënte in het kader van art. 6:96 BW € 2.920,38 betaald voor werkzaamheden van mr. Snel. Deze bestonden uit het incassowerkzaamheden, waaronder beslaglegging en nadere correspondentie door mr. Heeringa met de Rabobank ten einde de Rabobank de schade te laten dragen c.q. de vordering op [verdachte] te cederen naar de Rabobank. Deze werkzaamheden vallen niet onder art. 241 Rv. Art. 241 Rv beperkt zich tot voorbereiding van de processtukken van de procedure en nadere instructie van de zaak.
32. De gevorderde juridische kosten zijn redelijk; cliënte is slachtoffer geworden van omvangrijke phishing. Cliënten hebben onder deze omstandigheden redelijkerwijs een advocaat mogen inschakelen ten einde hun schade zoveel mogelijk te beperken. De werkzaamheden die de advocaat heeft verricht zijn redelijk in het licht van de omvang van de schade. Uit de overgelegde specificaties blijkt dat er geen nodeloze acties door de raadsman zijn verricht.

33. De LOVS heeft bepaald dat kosten voor bereddering voor vergoeding in aanmerking komen (p. 24 LOVS benadeelde partij).
34. Ik verzoek u de vordering ter zake de kosten voor bereddering toe te wijzen.”

28. Hiervoor onder 8 van deze conclusie is het pleidooi van de raadsman van de verdachte weergegeven. Dat pleidooi hield ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] onder meer het volgende in:

“(…)
Meer subsidiair voer ik wat betreft de vorderingen van de heer en mevrouw [benadeelde 2] nog het volgende aan. De kosten van de juridische procedures tegen de Rabobank en No vus Auto kunnen niet worden aangemerkt als rechtstreekse kosten als gevolg van het bewezen verklaarde feit. De kosten komen immers voort uit de weigering van de Rabobank en [B] om de overgeboekte gelden terug te betalen. De juridische kosten zijn bovendien ten laste gekomen van Bouwbedrijf [benadeelde 2] & [benadeelde 2] BV en niet van het slachtoffer. Van een opeisbare vordering jegens het slachtoffer is niet gebleken.”

29. Daarop heeft de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] nog het volgende naar voren gebracht:

“(…)
Door de verdediging is meer subsidiair aangevoerd dat de kosten van de juridische procedures tegen de Rabobank en [B] niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse kosten. Ik ben het daar niet mee eens. De acties richting de Rabobank en [B] waren niet nodig geweest indien de verdachte de auto’s niet op zijn naam had laten zetten of indien hij naar de politie was gegaan. Nu er door het openbaar ministerie voor is gekozen om de tenlastelegging zo op te stellen, komen de kosten voor rekening van de verdachte. Daarbij laat ik meewegen dat door verdachte een verhullende handeling is verricht, waardoor het terugkrijgen van de vermogensbestanddelen voor cliënt is bemoeilijkt. De omstandigheid dat de zoon van mijn cliënt is ingesprongen om de kosten van de juridische bijstand te betalen, doet niet af aan de toewijsbaarheid.”

30. Het hof heeft in de bestreden uitspraak onder de aanhef “Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] ” de gevorderde kosten van bereddering tot een bedrag van € 2.920,38 in aanmerking genomen in zijn overwegingen ten aanzien van de proceskosten. Naar het oordeel van het hof zijn die kosten niet voor toewijzing vatbaar.

31. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

– Art. 361 Sv:

“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, (…) gemaakt. (…)
2. De benadeelde partij zal alleen ontvankelijk zijn in haar vordering indien:
a. de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en
b. aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit, waarvan in de dagvaarding is meegedeeld dat het door de verdachte is erkend en ter kennis van de rechtbank wordt gebracht, en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.
3. (…)
4. Het vonnis houdt, tenzij de rechtbank met toepassing van artikel 333 zonder nader onderzoek van de zaak de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij heeft uitgesproken, ook in de beslissing van de rechtbank over de vordering van de benadeelde partij. Deze beslissing is met redenen omkleed.
5. (…)
6. Voorts bevat het vonnis de beslissing van de rechtbank over de verwijzing in de kosten door de benadeelde partij, (…) gemaakt.”

– art. 592a Sv:

“Indien een benadeelde partij zich in het geding heeft gevoegd, beslist de rechter die een uitspraak als bedoeld in artikel 333 of 335 doet, over de kosten door de benadeelde partij, (…) gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.”

– art. 6:96 BW

“1. Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde winst.
2. Als vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
a. redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht;
b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
3. Lid 2 onder b en c is niet van toepassing voor zover in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn.
(…)”

– art. 237 Rv:

“1. De partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. De kosten mogen echter geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd tussen echtgenoten of geregistreerde partners of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte lijn, broers en zusters of aanverwanten in dezelfde graad, alsmede indien partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.
2. (…)
3. Het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld, wordt, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt en niet aan haar zijde zijn gevallen, bij het vonnis vastgesteld.
4. De na de uitspraak ontstane kosten worden op verzoek van de partij in het voordeel van wie een kostenveroordeling is uitgesproken, begroot door de rechter die het vonnis heeft gewezen. Deze geeft daarvoor een bevelschrift af. Hiertegen is geen hogere voorziening toegelaten.
5. (…)”

– art. 238 Rv:

“1. In zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen, wordt, indien de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij zonder gemachtigde procedeert, onder de kosten waarin laatstgenoemde partij wordt veroordeeld, opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten van die wederpartij. De rechter kan onder de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld, ook opnemen een door hem te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van de wederpartij.
2. Procedeert de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij met een gemachtigde, dan wordt onder die kosten een door de rechter te bepalen bedrag opgenomen voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist.”

– art. 239 Rv:

“In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, kunnen van de kosten van de wederpartij slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van die wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht.”

– art. 241 Rv:

“Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.
(…)”

32. De advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft er op de terechtzitting in hoger beroep op gewezen dat de gevorderde beredderingskosten redelijke kosten zijn ter beperking van de schade.

33. De redelijke kosten ter vaststelling van de schade en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen als vermogensschade op grond van art. 6:96, tweede lid, onder b en c, BW voor vergoeding door de aansprakelijke partij in aanmerking, behoudens voor zover de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn.8

34. Het hof heeft de namens de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde juridische kosten
tot een bedrag van € 2.920,38 niet aangemerkt als redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht (art. 6:96, tweede lid, onder a, BW), maar als proceskosten als bedoeld in art. 241 Rv. Het hof heeft immers overwogen dat als onderdeel van de proceskosten een bedrag is gevorderd ter zake kosten van bereddering ex art. 6:96 BW. Deze in cassatie niet bestreden uitleg dient tot uitgangspunt te worden genomen. Die uitleg betekent dat de gevorderde juridische kosten voor rechtsbijstand niet zijn aan te merken als vermogensschade en dus evenmin als rechtstreekse schade die is toegebracht door het bewezen verklaarde feit, maar zijn te rekenen tot de proceskosten waarover de rechter op de voet van art. 592a Sv een beslissing dient te geven.9 Dat heeft het hof ook gedaan.

35. Met het middel wordt geklaagd dat het hof deze beslissing niet heeft gemotiveerd.

36. In zijn arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:663, NJ 2017/365, m.nt. Reijntjes is de Hoge Raad ingegaan op de motivering van de beslissing ten aanzien van de proceskosten. De Hoge Raad beklemtoonde dat de wettelijke voorschriften inzake de motivering van rechterlijke uitspraken zich niet uitstrekken tot de daarin opgenomen beslissing over de proceskosten. De begroting van de proceskosten is een feitelijke beslissing die geen motivering behoeft.10

37. Het voorafgaande brengt mee dat de beslissing van het hof ten aanzien van de kosten, voor zover die door het hof zijn aangemerkt als proceskosten, geen nadere motivering behoefde.

38. Het middel faalt.

39. Het tweede middel bevat een motiveringsklacht. De klacht houdt in dat door het hof niet nader is gemotiveerd op grond van welke redenen de behandeling van de gevorderde beredderingskosten tot een onevenredige belasting van het strafgeding zou leiden.

40. De klacht faalt omdat deze berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van het hof en daarmee feitelijke grondslag mist. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.

41. Het hof heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat de benadeelde partij
[benadeelde 2] ten aanzien van de overboeking van de [C] van € 29.950,- niet in de vordering kan worden ontvangen. In zoverre is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

42. Het voorafgaande brengt mee dat deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering niet ziet op de gevorderde beredderingskosten. Het hof heeft die kosten immers als proceskosten aangemerkt en daarover inhoudelijk beslist.

43. Voor zover het middel de klacht bevat dat indien het in het middel bedoelde criterium op de juiste wijze zou zijn toegepast dat ertoe had moeten leiden dat de gevorderde beredderingskosten zouden worden toegewezen, faalt het op grond van hetgeen hiervoor onder 31 tot en met 37 van deze conclusie is uiteengezet.

44. Het middel faalt.

45. Het namens de verdachte voorgestelde middel en de namens de benadeelde partij voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging.

46. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

47. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met weglating van voetnoten.

2 Art. 6:98 BW luidt: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.” Zie voorts art. 51f, eerste lid, Sv.

3 Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959. Zie met nadere verwijzingen mijn vordering tot cassatie in het belang der wet: PHR:2016:626; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522.

4 Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld voorafgaand aan HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:651 (PHR:2017:247).

5 HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:779.

6 Voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel is niet vereist dat het slachtoffer aanspraak op schadevergoeding heeft gemaakt. Zie daarover ook F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces, Deventer: Kluwer 2010, p. 100-101.

7 Vgl. ook HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:651, HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3354 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:216.

8 HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84, m.nt. Lindenberg, rov. 3.4.1.

9 Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653, NJ 2017/366, m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.2 – 3.4.4 en HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533, NJ 1999/801. Zie ook J. Candido (red.), Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, tweede druk, 2017, p. 134-135.

10 Vgl. ook HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571.