Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:6

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
08-01-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17/05677
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:487
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

CAG. Middelen o.m. over de vraag of inbeslagneming van een vordering ten behoeve van de waarheidsvinding mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/05677 B

Zitting: 8 januari 2019

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 10 november 2017 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag op een vordering van de klaagster op [A] Nederland NV ter waarde van USD 21.939.447,42, gegrond verklaard.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens het openbaar ministerie en de plaatsvervangend officier van justitie, mr. M.E. de Meijer, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De advocaat van de klaagster, mr. J.T.C. Leliveld, heeft een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

Inleiding

3. Het gaat in deze zaak om het volgende. [B] houdt zich bezig met telefoondiensten waarbij telefoonverkeer wordt ingekocht door het bedrijf [C] en via [A] Verenigd Koninkrijk (hierna: [A] UK) en [A] Nederland (hierna: [A] NL) wordt doorgezet aan [B] , die ervoor zorgt dat het telefoonverkeer uiteindelijk terechtkomt bij de ontvanger (de gebelde persoon). [C] betaalt [A] middels een prepaid account voorafgaand aan het passeren van het telefoonverkeer. [B] maakt voor het ontvangen van de betalingen voor de door haar geleverde diensten gebruik van de Amerikaanse factoringmaatschappij [klaagster] . Naar aanleiding van een aangifte van [A] NL is de verdenking ontstaan dat [B] en de eigenaar [betrokkene 1] zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen. De verdenking is dat op grote schaal telefoonverkeer is gegenereerd zonder dat daadwerkelijk werd gebeld, met het enkele doel een aanzienlijke geldstroom op gang te brengen, waarvan zowel de herkomst als de uiteindelijke bestemming onbekend is.

4. Omdat [B] gebruik maakt van [klaagster] voor het ontvangen van de betaling van de facturen die zij aan [A] stuurt, is naar aanleiding van de verdenking beslag gelegd op een vordering van [klaagster] op [A] NL ter waarde van USD 21.939.447,42. [klaagster] heeft daarop een klaagschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot opheffing en teruggave van het beslag. De rechtbank heeft vervolgens dit beklag gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

‘’Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 april 2017 is onder [A] beslag gelegd op de vordering. Het betreft beslag ten laste van [B] die ervan wordt verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan witwassen (artikel 420bis Sr).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien met hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

Hoewel het onderzoek nog niet is afgerond en daargelaten de vraag of het mogelijk is in verband met de waarheidsvinding beslag op een vordering te leggen, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoeksbelang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. De rechtbank vermag niet in te zien dat het nodig is een vordering in beslag te nemen om daar onderzoek naar te kunnen doen.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de vordering zal uitspreken.

Niet ter discussie staat dat klaagster als rechthebbende op de vordering kan worden aangemerkt.

Voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) als bedoeld in het eerste lid van artikel 33a Sr, die niet aan de veroordeelde toebehoren, kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren, bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden (artikel 33a, tweede lid Sr). Met andere woorden, verbeurdverklaring kan alleen plaatsvinden als de klaagster — kort gezegd — te kwader trouw was.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier zoals dat thans voorligt niet gezegd kan worden dat dit laatste bij klaagster het geval is. Klaagster heeft in rubriek 2 van haar pleidooi uitgelegd hoe de in de ogen van het Openbaar Ministerie verdacht geachte omstandigheden ten aanzien van haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van het Openbaar Ministerie op dit punt afdoende kunnen ontkrachten.

Het dossier bevat verder onvoldoende aanknopingspunten dat, voor zover sprake is van witwassen door [B] , klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van [B] niet door de beugel kon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren.

Bij het ontbreken van strafvorderlijk belang dient het beslag te worden opgeheven.’’

5. De rechtbank heeft vastgesteld dat [klaagster] een klaagschrift heeft ingediend tegen het beslag dat ten laste van de verdachte [B] is gelegd onder [A] NL. Dat betekent dat zich dus het geval voordoet dat een ander dan de beslagene1, stellende dat het inbeslaggenomen voorwerp aan haar in eigendom toebehoort, zich bij de rechter beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan haar. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.2 Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is onder meer het geval wanneer het desbetreffende voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.3

6. De rechtbank heeft – blijkens de hiervoor onder 4 aangehaalde overwegingen – geoordeeld dat de vordering aan de klaagster toebehoort en dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Aan dit laatste oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat 1) het onderzoeksbelang zich niet tegen opheffing van het beslag verzet en dat 2) geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering verbeurd zal verklaren. Het openbaar ministerie komt met twee middelen achtereenvolgens op tegen deze laatste twee door de rechtbank gegeven oordelen.

Het eerste middel

7. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat het onderzoeksbelang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag omdat de rechtbank niet vermag in te zien dat het nodig is een vordering in beslag te nemen om daar onderzoek naar te kunnen doen.

7.1.

De steller4 van het middel voert aan dat het oordeel van de rechtbank – voor zover dat inhoudt dat een vordering niet vatbaar is voor inbeslagneming ten behoeve van de waarheidsvinding, dan wel dat de inbeslagneming van een vordering niet dienstig kan zijn voor de waarheidsvinding als bedoeld in art. 94 Sv – getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel zijn vorderingen ‘voorwerpen’ als bedoeld in art. 94 Sv. Uit de wetsgeschiedenis en art. 94b Sv zou blijken dat vorderingen niet alleen ter verbeurdverklaring in beslag kunnen worden genomen maar ook ten behoeve van de waarheidsvinding. Daarnaast beroept de steller van het middel zich op een beschikking van de Hoge Raad waarin is bepaald dat onderzoek naar de waarde, de herkomst en de oorspronkelijke eigenaar van inbeslaggenomen antieke tegels van belang kan zijn voor de waarheidsvinding omtrent strafbare feiten. Uit deze beschikking volgt volgens de steller van het middel dat het belang van waarheidsvinding niet alleen kan worden gediend door onderzoek naar het inbeslaggenomen voorwerp zelf, maar ook door onderzoek naar feiten en omstandigheden die in een ruimer verband staan tot dat voorwerp, zoals de waarde, de herkomst en de oorspronkelijke eigenaar van het voorwerp.

7.2.

Voor zover het oordeel van de rechtbank inhoudt dat (slechts) in onderhavige zaak het belang van waarheidsvinding niet is gediend met de handhaving van het beslag op de vordering, is dat oordeel volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk gelet op wat door de officier van justitie is aangevoerd.

7.3.

Alvorens ik overga tot de beoordeling van het middel merk ik op dat het eerste middel strikt genomen geen bespreking behoeft aangezien ik van mening dat het tweede middel reeds slaagt. Toch zal ik ingaan op het eerste middel omdat dit rechtsvragen opwerpt die van belang kunnen zijn voor de rechtspraktijk en de steller van het middel ook nadrukkelijk om beantwoording van deze vragen heeft verzocht.

Beoordeling van het middel

7.4.

Allereerst merk ik op dat het tamelijk evident is dat een vordering valt onder het begrip ‘voorwerp’ als bedoeld in zowel art. 94 als 94a Sv. Dat valt niet alleen af te leiden uit de door de steller van het middel aangehaalde wetsgeschiedenis5 maar volgt ook uit art. 94b Sv. Deze bepaling luidt als volgt:

‘’Voor de toepassing van de artikelen 94 en 94a geldt:

1° dat beslag op vorderingen wordt gelegd en beëindigd door een schriftelijke kennisgeving aan de schuldenaar;

2° dat beslag op rechten aan toonder of order geschiedt door beslag op het papier;

3° dat bij het leggen van beslag op aandelen en effecten op naam en bij het leggen en beëindigen van beslag op onroerende registergoederen de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder wordt ingeroepen en formaliteiten in acht genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden ten aanzien van de mededeling of aanzegging van de inbeslagneming, dan wel de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, de aantekening, inschrijving of doorhaling in registers en de betekening daarvan aan derden;

4° dat bij het leggen en beëindigen van beslag op schepen en luchtvaartuigen formaliteiten in acht genomen worden welke ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gelden ten aanzien van de betekening van het proces-verbaal van inbeslagneming, en ingevolge enige regeling inzake teboekgestelde schepen, onderscheidenlijk luchtvaartuigen ten aanzien van de inschrijving en doorhaling daarvan in registers.’’

Als alleen wordt gekeken naar art. 94 Sv merkt de steller van het middel in navolging van Corstens op dat uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat er met name met het oog op de verbeurdverklaring behoefte bestaat aan de mogelijkheid van beslag op alle zaken en alle vermogensrechten (waaronder dus vorderingen).6 Over de vraag of een vordering op grond van art. 94 Sv in beslag kan worden genomen ten behoeve van verbeurdverklaring bestaat aldus geen twijfel. Dit volgt overigens reeds uit art. 33a lid 4 Sr.7 Maar geldt dat ook voor de andere in art. 94 Sv genoemde doeleinden, namelijk de onttrekking aan het verkeer, het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel en, in het bijzonder, de waarheidsvinding?

7.5.

Voor de beantwoording van die vraag merk ik op dat hoewel in art. 94 Sv wat betreft het begrip ‘voorwerp’ geen onderscheid wordt gemaakt tussen de daarin genoemde verschillende strafvorderlijke doeleinden, in de wetsgeschiedenis alleen ten aanzien van verbeurdverklaring nadrukkelijk is vastgesteld dat vorderingen daarvoor in beslag kunnen worden genomen.8 Ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer lijkt die vraag door de wetgever daarentegen juist ontkennend te worden beantwoord aangezien volgens hem naar het voorkomt alleen lichamelijke roerende zaken voor onttrekking aan het verkeer in aanmerking komen.9 De inbeslagneming ten behoeve van de waarheidsvinding (en overigens ook het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel) blijft daarmee dus, zoals de steller van het middel terecht opmerkt, in een grijs gebied hangen.

7.6.

Op grond van de wetsgeschiedenis en onder meer art. 94b aanhef en onder 1 is de steller van middel evenwel van mening dat vorderingen voorwerpen in de zin van art. 94 Sv zijn en dat het kennelijk ook de bedoeling van de wetgever is geweest dat ten behoeve van de waarheidsvinding klassiek beslag kan worden gelegd op vorderingen.

7.7.

Het is de vraag of dit laatste juist is. De wetsgeschiedenis waaruit dit volgens de steller van het middel valt af te leiden, ziet namelijk op de invoering van de mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv. Bij die invoering werden daarnaast enkele wijzigingen ten aanzien van de verbeurdverklaring voorgesteld. Met deze wetswijziging beoogde de wetgever dat voorwerpen niet alleen tijdig veilig konden worden gesteld voor de verbeurdverklaring (en onttrekking aan het verkeer), maar ook voor de ontnemingsmaatregel en de geldboete, waarvoor een vergelijkbare regeling ontbrak.10 De wetgever was van mening dat het aan hem en niet de rechtspraak was om duidelijkheid te verschaffen over de vraag welke voorwerpen daarvoor in beslag kunnen worden genomen.11 Ten behoeve van de verbeurdverklaring konden destijds op grond van art. 125a t/m 125e Sv (oud) Sv12 reeds vorderingen in beslag worden genomen maar nu zou dat nadrukkelijk mogelijk worden voor alle zaken en vermogensrechten.13 Met de invoering van art. 94a Sv zouden tevens alle zaken en vermogensrechten conservatoir in beslag kunnen worden genomen ten behoeve van de ontnemingsmaatregel. Om dit te verduidelijken werd zowel in de bepaling van de ontnemingsmaatregel (art. 36e Sr) als in de bepaling van de verbeurdverklaring (art. 33a Sr) een definitie gegeven wat onder voorwerpen dient te worden verstaan.14 Dat maakte de eerdere afzonderlijke bepalingen over de verbeurdverklaring van vorderingen overbodig zodat zij werden geschrapt.15 Ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer achtte de wetgever inbeslagneming van vorderingen zoals gezegd niet aannemelijk.16 De in de wetsgeschiedenis nader gegeven uitleg over wat onder ‘’voorwerpen’’ moet worden verstaan, was daarmee gericht op (de beslaglegging ten behoeve van) de verbeurdverklaring en de ontnemingsmaatregel, en in mindere mate de geldboete. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de toelichting die de wetgever geeft bij art. 94b Sv – de bepaling waar de steller van het middel haar opvatting grotendeels aan ontleent – en in dat verband specifiek met betrekking tot vorderingen:

‘’Ook in de bepalingen over inbeslagneming, of zulks nu geschiedt met het oog op toekomstige verbeurdverklaring (art. 94) of met het oog op eventueel verhaal voor op te leggen geldboeten of verplichtingen uit hoofde van art. 36e Sr (art. 94a), is verduidelijkt dat het beslag op alle voorwerpen in de zin van art. 3.1.1.0 Nieuw BW kan worden gelegd. Dat maakt het wel nodig te regelen welke procedures ten behoeve van zulk beslag in acht genomen moeten worden als het gaat om beslagen op voorwerpen die tot dusver niet of nauwelijks aan strafrechtelijk beslag onderworpen plachten te worden, te weten vorderingen, rechten aan toonder of order, aandelen en effecten op naam of registergoederen. In die regeling beoogt het voorgestelde artikel 94b Sv te voorzien. Het gestelde onder 1° in het voorgestelde art. 94b Sv komt inhoudelijk overeen met het bestaande artikel 125e Sv. Voor het overige kan, zoals gezegd, naar het oordeel van de ondergetekende het bepaalde in de bestaande afdeling over beslag op vorderingen vervallen.’’

7.8.

Dit alles leidt er toe dat er in de wetsgeschiedenis omtrent strafvorderlijk conservatoir beslag en de verbeurdverklaring geen (concrete) aanwijzingen zijn te vinden die de stelling ondersteunen dat ook ten behoeve van de waarheidsvinding beslag op vorderingen kan worden gelegd. Dat wil niet zeggen dat daarmee is aangetoond dat beslag om die reden niet toegelaten is.17

7.9.

Dat brengt mij op het criterium dat de wetgever heeft gegeven aan de beslaggrond ‘ten behoeve van de waarheidsvinding’:

‘’Het Wetboek van Strafvordering maakt ingevolge artikel 94 inbeslagneming mogelijk van alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, of welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Het criterium dat het dient te gaan om voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen heeft betrekking op de waarheid omtrent de toedracht van het feit terzake waarvan opsporingsonderzoek en een vervolging wordt ingesteld, en die tot het bewijs van dat feit kunnen bijdragen.’’18

Uit dit criterium blijkt dat het voorwerp moet dienen om de toedracht van het strafbare feit te kunnen achterhalen en die tot het bewijs van dat feit kan bijdragen.

7.10.

Op het eerste gezicht valt een vordering niet snel onder het bovenstaande criterium te brengen. Het beslag op een vordering, zoals ook blijkt uit de wetsgeschiedenis, wordt immers primair gelegd om daarmee de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel zeker te stellen. De redenen die het openbaar ministerie aandraagt om ten behoeve van de waarheidsvinding beslag te leggen op een vordering, kortweg neerkomend op een onderzoek naar de toedracht van de vordering en in het verlengde daarvan de geldstromen die daarmee verband houden19, komen op het eerste gezicht dan ook niet sterk voor. Het onderzoek naar de toedracht van de vordering (en in het verlengde daarvan het witwassen) vindt naar ik mag aannemen hoofdzakelijk plaats op (basis van inlichtingen en) andere voorwerpen dan de vordering zelf. Dat kunnen (juist) voorwerpen zijn die zelf niet voor verbeurdverklaring of als vermogensbestanddeel waarop eventueel verhaal zou kunnen worden genomen, in aanmerking komen.20 Daarbij kan gedacht worden aan documenten en bescheiden (ofwel de ‘papertrail’) die aangeven hoe hoog de vordering is, aan wie deze toebehoort en wie de schuldenaar is.

7.11.

Toch zijn er in dit verband aanwijzingen te vinden die de stelling ondersteunen dat vorderingen mogelijk wel in beslag kunnen worden genomen ten behoeve van de waarheidsvinding, althans deze mogelijkheid niet uitsluiten.

7.12.

Zo heeft de Hoge Raad het hierboven bedoelde criterium van waarheidsvinding al eens opgerekt in een beschikking waar het ging om de inbeslagname van (gestolen) antieke tegels die de klager in kwestie had gekocht op een beurs.21 De rechtbank had in die zaak geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag omdat er nog onderzoek wordt verricht naar de waarde van de inbeslaggenomen tegels, de herkomst van de tegels en de oorspronkelijke eigenaar van de tegels. De Hoge Raad liet het oordeel in stand omdat dit onderzoek van belang kan zijn voor de waarheidsvinding omtrent strafbare feiten. Hoewel de beschikking casuïstisch van aard is22, lijkt deze wel te suggereren dat het criterium van waarheidsvinding zich verder uitstrekt dan het hierboven weergegeven criterium. Waarheidsvinding lijkt ook onderzoek te kunnen omvatten naar feiten en omstandigheden die in een ruimer verband staan tot het ‘voorwerp’ of het strafbare feit in kwestie.23

7.13.

Daarnaast kan een aanwijzing worden gevonden in de regeling die van toepassing is bij de inbeslagname van vorderingen op grond van art. 94a Sv. Op grond van art 94c Sv is daarbij de vierde Titel van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing, behoudens de in voornoemd artikel onder a tot en met f genoemde uitzonderingen. Civielrechtelijk gezien is bij een beslag op vorderingen sprake van een derdenbeslag als bedoeld in art. 475 Rv. Indien een dergelijk beslag onder de derde wordt gelegd, betekent dit dat op hem de verplichting rust om het aan de beslagene verschuldigde onder zich te houden. Ook heeft die derde ingevolge art. 720 jo art. 476a Rv een verklaringsplicht ten aanzien van de voorwerpen die door het beslag worden getroffen. De derde dient deze verklaring ingevolge art. 476a lid 1 Rv te doen zodra 4 weken zijn verstreken na het leggen van het beslag. Indien de derde in gebreke blijft die buitengerechtelijke verklaring op te maken, bestaat voor de beslaglegger, in dit geval dus het openbaar ministerie, op grond van art. 477a lid 1 Rv de mogelijkheid om in een verklaringsprocedure te vorderen dat die derde wordt veroordeeld tot “betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij zelf schuldenaar”. Daarnaast kan de beslaglegger ingevolge art. 477a lid 2 Rv ook een verklaringsprocedure initiëren indien hij de door de derde opgemaakte buitengerechtelijke verklaring in zijn geheel of gedeeltelijk wil betwisten, dan wel die verklaring onvolledig acht.24

7.14.

Hieruit volgt dat door (conservatoir) beslag te leggen op vorderingen die een (rechts)persoon heeft op een derde, deze derde verplicht is gegevens te verstrekken over de aard en hoogte van de vorderingen die voornoemd (rechts)persoon op hem heeft. Dit zal met name van belang zijn wanneer de aard en hoogte van de vordering nog niet (helemaal) bekend zijn, een geval dat zich ook kan voordoen in strafvordering. Daarnaast kan in een zogenaamde verklaringsprocedure de toedracht rond de vermeende vordering(en) worden betwist en vervolgens door de (civiele) rechter worden vastgesteld. Het onderzoek naar de toedracht en hoogte van de vordering (en achterliggende geldstromen) kan daarmee dus (ook) plaatsvinden naar aanleiding van en dus door middel van het beslag op de vordering zelf. Anders gezegd: door de beslaglegging kan informatie worden verkregen omtrent de rechtsverhouding tussen twee partijen, alsmede over de verplichtingen c.q. vorderingen die daaraan zijn verbonden en de hoogte van die vorderingen.25 Deze beslaglegging kan ook in strafvorderlijke zin dienen om de waarheid aan de dag te brengen, bijvoorbeeld om bepaalde geldstromen en daarmee verband houdende vorderingen in kaart te brengen.

7.15.

Er zijn twee kanttekeningen tegen deze aanwijzing dat vorderingen ook in beslag kunnen worden genomen ten behoeve van de waarheidsvinding. De eerste is dat de verklaringsprocedure volgens de wet alleen van toepassing is op vorderingen die op grond van art. 94a Sv in beslag zijn genomen. Ik vermag echter niet in te zien waarom deze regeling niet analoog van toepassing zou kunnen zijn op de inbeslagname van vorderingen op grond van art. 94 Sv. In beide gevallen is immers in feite sprake van derdenbeslag als bedoeld in art. 475 Rv.

Een andere tegenwerping is dat de inlichtingenplicht of verklaringsprocedure, gelet op het civielrechtelijk karakter, naar hun aard tot doel hebben vast te stellen op welke vermogensbestanddelen zekerheid tot verhaal kan worden gesteld en dus niet in het leven zijn geroepen de waarheidsvinding te dienen. De waarheidsvinding in strafrechtelijke context is dus in dat opzicht slechts mogelijke bijvangst. De mogelijkheid van deze bijvangst bevestigt echter mijns inziens wel dat het belang van waarheidsvinding kan worden gediend naar aanleiding van de beslaglegging op een vordering.

7.16.

Ik komt tot een conclusie. Uit de wet en wetsgeschiedenis volgt dat de mogelijkheid om vorderingen op grond van art. 94 Sv in beslag te nemen primair is gericht op de verbeurdverklaring. Desalniettemin volgt strikt genomen daaruit nog niet dat de wet de inbeslagname van vorderingen ten behoeve van de waarheidsvinding niet zou toelaten. In beginsel zal, gelet op de aard van een vordering en het criterium van de waarheidsvinding, het beslag op een vordering doorgaans de waarheidsvinding niet kunnen dienen. Toch valt, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van het criterium van waarheidsvinding en de inlichtingenplicht en verklaringsprocedure die geldt bij een derdenbeslag, onder omstandigheden niet uit te sluiten dat de waarheidsvinding als bedoeld in art. 94 Sv gediend kan zijn door middel van beslaglegging op een vordering. Daarmee is echter nog niet gezegd dat in de onderhavige zaak het beklag om deze reden zonder meer had moeten worden afgewezen. Op die vraag ga ik nu verder in.

7.17.

De rechtbank heeft overwogen dat ‘’daargelaten de vraag of het mogelijk is in verband met de waarheidsvinding beslag op een vordering te leggen, (…) de rechtbank van oordeel [is] dat onderzoeksbelang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag.’’ De rechtbank heeft daarmee in het midden gelaten of (in algemene zin) een vordering vatbaar is voor beslaglegging ten behoeve van de waarheidsvinding als bedoeld in art. 94 Sv. Een negatief antwoord op de gestelde vraag valt daaruit, anders dan het middel stelt, niet af te leiden. De rechtsklacht in het middel gaat dan ook niet op, meen ik. Ik versta het oordeel van de rechtbank dan ook zo dat zij meent dat in onderhavig geval de waarheidsvinding niet gediend is met de inbeslagneming van de vordering.26 Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank heeft kunnen vaststellen wat de hoogte van de vordering is en aan wie deze vordering toebehoort, en dat uit hetgeen het openbaar ministerie heeft aangevoerd de rechtbank kennelijk niet voldoende concreet heeft kunnen afleiden welke onderzoekshandelingen ten aanzien van die vordering nog zouden moeten plaatsvinden.

8. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

9. Het tweede middel bevat de klacht dat de rechtbank bij haar oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren, te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak. Zoals gezegd, slaagt dit middel. Ik zal in het navolgende uiteenzetten waarom.

Juridisch kader

9.1.

De beklagrechter dient bij de beoordeling van een klaagschrift in aanmerking te nemen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat hij niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure mag treden.27 Het onderzoek in raadkamer kan dus slechts beperkt zijn. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt af te leiden dat dit betekent dat de beklagrechter geen beslissing mag nemen die berust op een afweging die eerst in het (latere) strafproces kan (of dient te) geschieden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag of het inbeslaggenomen voorwerp als vrucht van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft te gelden28, de vraag of een voorwerp geheel dan wel gedeeltelijk vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer29, of de vraag of het strafbare feit waarvan de klager30 of belanghebbende31 wordt verdacht, kan worden bewezen. Kortom, de beklagrechter heeft zeer weinig ruimte om een beklag gegrond te verklaren, ook al heeft de klager een mogelijk plausibel verhaal dat tegen de later oordelende strafrechter een kans van slagen heeft. Alleen als het hoogst onwaarschijnlijk is dat bijvoorbeeld verbeurdverklaring zal volgen (anders gezegd: haast evident is dat dit niet zal gebeuren), kan de beklagrechter een klaagschrift gegrond verklaren zonder daarbij vooruit te hebben gelopen op het latere oordeel van de strafrechter. Als voorbeeld voor een dergelijk evident geval noem ik een verdenking van witwassen waarbij de partner van de verdachte een horloge bezit dat daarmee in verband wordt gebracht en in beslag wordt genomen. Wanneer dan – met onder andere overlegging van betaalbewijzen – onomstotelijk kan worden vastgesteld dat het horloge nog ver voordat de vermeende strafbare feiten hebben plaatsgevonden op legale wijze is verkregen, en dus kan worden gezegd dat het horloge niets te maken heeft met het vermoede witwassen, is het hoogst onwaarschijnlijk dat verbeurdverklaring zal volgen.

Beoordeling van het middel

9.2.

In de overwegingen van de rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering verbeurd zal verklaren. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat op grond van het dossier dat thans voorligt niet gezegd kan worden dat bij de klaagster – kortgezegd – sprake is van kwade trouw, de bedenkingen van het openbaar ministerie over de bedrijfsvoering van de klaagster door de klaagster afdoende zijn ontkracht en het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten bevat dat de klaagster wetenschap had of redelijkerwijs kon vermoeden dat de praktijk van [B] niet door de beugel kon. Hiermee heeft de rechtbank als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat niet ervan kan worden uitgegaan dat aan de in art. 33a lid 2 onder a Sr gestelde voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt echter dat de vraag of aan de in art. 33a lid 2 onder a Sr gestelde voorwaarden voor verbeurdverklaring is voldaan, eveneens moet worden beantwoord aan de hand van de “niet hoogst onwaarschijnlijk”-formule.32 Het middel klaagt dus terecht dat de rechtbank met haar oordeel is vooruitgelopen op het in de hoofdzaak te nemen beslissing. De bestreden beschikking lijdt daarmee aan een motiveringsgebrek.

10. Het tweede middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Preciezer gezegd is in onderhavig geval sprake van de bijzondere situatie van anderbeslag (namelijk de verhouding [klaagster] – [B] ), tevens derdenbeslag (verhouding [klaagster] – [A] NL).

2 HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:253, rov. 2.3; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.8 en 2.11.

3 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.9.

4 In deze conclusie wordt met ‘steller van het middel’ de geslachtsneutrale vorm bedoeld.

5 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 20-22.

6 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (9e druk), bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 561 en Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 20-22.

7 Zie ook Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 16-17. Deze mogelijkheid bestond reeds op grond van art. 125a (oud) Sv, ingevoerd op 1 februari 1959 en vervallen per 1 maart 1993, toen onder meer art 94a Sv werd ingevoerd en art. 33a (verbeurdverklaring) werd aangepast.

8 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 21.

9 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 21.

10 Zie Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 19-20. Zie ook p. 54: ‘’Niettemin ontbreekt een regeling van het conservatoir beslag in het Wetboek van Strafvordering, behoudens voor het beslag met het oog op de bewaring van het recht tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.’’

11 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 20.

12 Ook bij de invoering van die bepalingen in 1958 rept de wetgever alleen over verbeurdverklaring en niet over waarheidsvinding. Zie bijv. HR 17 september 1990, NJ 1991/113, rov 4.1: ‘’Blijkens de m.v.t. bij het ontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 22 mei 1958, houdende wijziging van de bepalingen betreffende verbeurdverklaring en inbeslagneming, (Stb. 1958, 296) is het bij die wet ingevoerde, in de zevende afdeling van titel IV van het eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering — art. 125a t/m 125e— geregelde, 'beslag op vorderingen' een conservatoire maatregel welke ertoe strekt om, met het oog op de bij dezelfde wet ingevoerde mogelijkheid tot verbeurdverklaring van 'aan de veroordeelde toebehorende (…) vorderingen, die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen' (art. 33a Sr), voor de duur van het strafgeding de vordering aan de beschikking van de verdachte te onttrekken.(…)’’

13 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 16-17: ‘’Het voorgestelde vierde lid verduidelijkt dat in beginsel alle zaken en alle vermogensrechten voor verbeurdverklaring in aanmerking kunnen komen.’’ Zie ook p. 21: ‘’Aldus wordt duidelijk gemaakt dat niet alleen roerende zaken en vorderingen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, maar ook onroerende zaken en andere registergoederen, alsmede rechten aan toonder of order en aandelen en effecten op naam.’’

14 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 21.

15 Zie Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 21: ‘’Nu onder de voorgestelde definitie van voorwerpen alle zaken, roerend of onroerend, registergoed of niet, vallen alsmede onlichamelijke zaken, lijkt het niet langer nodig afzonderlijke voorzieningen met het oog op de mogelijkheid tot inbeslagneming, verbeurdverklaring of levering van vorderingen te handhaven.’’ Zie ook p. 22: ‘’Hieronder worden dus mede verstaan onroerende zaken en vorderingen. Het laatste blijkt uit de voorgestelde schrapping van afzonderlijke vermeldingen van dat begrip, waar dat thans nog voorkomt.’’

16 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 21.

17 Zie (wederom) Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 20: ‘’Het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering bevatten tot dusver geen definitie van wat onder «voorwerpen» die voor inbeslagneming, verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer in aanmerking komen dient te worden verstaan. (…) Op sommige plaatsen worden in beslag genomen vorderingen naast voorwerpen afzonderlijk genoemd (bijv. art. 552a Sv). Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat waar dat niet het geval is, het begrip in beslag genomen voorwerp niet mede betrekking zou hebben op onlichamelijke zaken.’’ En vgl. het daarbij genoemde HR 2 juni 1936, NJ 1936/1015.

18 Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 19.

19 Namelijk onderzoeken waar de geldvordering vandaan komt, waar het geld heen gaat, voorkomen dat het geld uit zicht verdwijnt, voorkomen dat schuldenaar zich schuldig maak aan witwassen en het onderzoek naar de eigendom van het geld/de geldvordering, zie p. 5 van het proces-verbaal van de behandeling raadkamer d.d. 5 september 2017.

20 Vgl. ook het criterium ten aanzien van het ‘aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel’, het ander strafvorderlijk doel genoemd in art. 94 Sv. Zie Kamerstukken II 1989/90, 21504, 3, p. 20.

21 Vgl. HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6224.

22 De Hoge Raad oordeelt immers in rechtsoverweging 3.5. van bedoelde beschikking dat het oordeel van de Rechtbank dat de door haar genoemde onderzoeksgronden in het onderhavige geval moeten worden gerekend tot het belang van strafvordering niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.

23 Zie ook Conclusie AG Vellinga voor de hierboven bedoelde beschikking van de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2008:BC6224.

24 Conclusie AG Machielse voor HR 13 september 2005 (NJ 2006/472), ECLI:NL:PHR:2005:AS8830, onder 3.2, met verwijzing naar Handboek Strafzaken, Hoofdstuk 11.1.4.c.2., bewerkt door A.M. Berkhout-Van Poelgeest en R.M. Vennix, Boef en Beslag, Hoofdstukken 6.2.1 en 6.3.2.

25 Vgl. ook F. Vellinga-Schootstra, Inbeslagneming en huiszoeking: de dwangmiddelen ter inbeslagneming, Tjeenk Willink: Alphen aan den Rijn 1982, p. 204: ‘’En voor het bewijs is – zoals reeds gesteld – veelal toereikend dat de bescheiden waaruit het bestaan van de vordering blijkt, in beslag worden genomen’’. Hoewel Vellinga-Schootstra vooropstelt dat de inbeslagname van vorderingen ten behoeve van de waarheidsvinding op basis van art. 125a t/m 125e (oud) Sv niet is toegelaten, duiden de woorden ‘’veelal toereikend’’ erop dat zij niet uitsluit dat – althans in theorie – daarmee de waarheidsvinding in bepaalde gevallen gediend kan zijn.

26 In zoverre is het gebruik van de woorden ‘’een vordering’’ wat ongelukkig.

27 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.2.

28 HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2818.

29 HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:555.

30 HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:656.

31 HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:784.

32 HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:865. Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:238.