Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:571

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
31-05-2019
Zaaknummer
18/03092
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. De vraag die het eerste middel aan de orde stelt, is of het tanken van brandstof met een gestolen tankpas aangemerkt kan worden als diefstal van die brandstof. De AG beantwoordt die vraag ontkennend en stelt zich dan ook op het standpunt dat de Hoge Raad het arrest van het hof moet vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03092

Zitting 28 mei 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

  1. De verdachte is bij arrest van 20 november 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken.

  2. Het cassatieberoep is (beperkt)1 ingesteld namens de verdachte en mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3 De bewezenverklaring en de bewijsvoering

3.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 april 2015 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 150 liter diesel, geheel of ten dele toebehorende aan Total Nederland N.V., waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en die weg te nemen 150 liter diesel, onder bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel zijnde een tankpas.”

3.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 26 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016127385) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Op dinsdag 7 april 2015 zag ik dat de tankpas, gerelateerd aan [kenteken 1] , was weggenomen. Ik heb de pas gelijk geblokkeerd bij Total Nederland N.V.

Ik trok de tankhistorie na en zag dat op zondag 5 april 2015, omstreeks 22:25 uur, 150 liter diesel was getankt bij tankstation Total Nederland. Mocht ten onrechte valselijk gebruik worden gemaakt van de ontvreemde tankpas, dan geef daar bij dezen geen toestemming voor.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op p. 55 e.v. van het proces-verbaal, genummerd PL0900-2016127385) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van de [verbalisant 1] :

Op zondag 5 april tussen 22:15 uur en 22:45 uur is er bij tankstation Total Dijkhuizen, gelegen aan de Atoomweg 46B te Utrecht, getankt met een gestolen tankpas. Hiervan zijn beelden veiliggesteld. Na het zien van de bewegende beelden heb ik twee personen herkend.

De licht getinte jongeman op de beelden, gekleed in een zwarte jas, hieronder een geel shirt en donkere joggingsbroek, herkende ik als de mij ambtshalve bekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1996.

Ik zag op de camerabeelden dat [verdachte] als bijrijder in een Ford Focus, voorzien van het [kenteken 2] , zat en hier uiteindelijk ook weer instapte nadat hij deze had afgetankt.

Op de beelden herkende ik [verdachte] aan zijn opvallend opgeschoren haarlijn, de vorm van zijn gezicht, zijn kleine en licht aanstaande oren en zijn wat dikke lippen.

[verdachte] heb ik tijdens mijn werkzaamheden in de Utrechtse wijk Kanaleneiland meerdere malen gezien en staande gehouden onder verdachte omstandigheden.

De licht getinte jongeman op de beelden, gekleed in een zwart vest met op de rug een witte opdruk van het merk Lonsdale, donkergrijze broek en zwarte schoenen, herkende ik als de mij ambtshalve bekende [medeverdachte] . Ik zag op de camerabeelden dat [medeverdachte] als bestuurder in een grijze Seat Leon stapte, nadat hij deze had afgetankt.”

3.3

Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging:

“ [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben de beelden van het incident bekeken. Verdachte is door [verbalisant 1] op de beelden herkend. [verbalisant 1] heeft verdachte ambtshalve herkend aan zijn opvallend opgeschoren haarlijn, de vorm van zijn gezicht, zijn kleine en licht afstaande oren en zijn wat dikke lippen. [verbalisant 1] heeft tijdens zijn werkzaamheden in de Utrechtse wijk Kanaleneiland verdachte meermalen gezien en staande gehouden. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de herkenning door [verbalisant 1] . De screenshots van verdachte zijn van voldoende kwaliteit om de afgebeelde persoon te kunnen herkennen.”

3.4

Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:

“diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.”

4 Het eerste middel

4.1

Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat het tanken van de diesel in dit geval diefstal oplevert.

4.2

Het middel stelt een vraag aan de orde waarvan de beantwoording lang is uitgesteld. Een vergelijkbaar geval deed zich al voor in de zaak die heeft geleid tot het arrest HR 25 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3780. Ten laste van de verdachte was toen bewezenverklaard dat:

“hij (…) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid brandstof geheel of ten dele toebehorende aan tankstation Total en/of vliegtuigonderhoudsbedrijf KLM-UK, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de bedrijfstankpas van vliegtuigonderhoudsbedrijf KLM-UK.”

4.3

Aan de orde was de vraag of het louter intoetsen van een bij een pas behorende pincode ter betaling, terwijl degene die de pincode intoetst niet bevoegd is die betaling te doen ten laste van de bij die pas behorende rekening, het gebruik maken van een valse sleutel oplevert. A-G Vellinga merkte in zijn conclusie voorafgaand het arrest nog het volgende op:

“Ambtshalve heb ik nog de vraag onder ogen gezien of de verdachte wel is vervolgd ter zake van het juiste delict. Heeft de verdachte wel weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening nu hij de pomphouder – ten laste van zijn werkgever maar toch – keurig heeft betaald?

Ik zou dat niet willen uitsluiten. Het wederrechtelijke zit hierin dat de verdachte de benzine ten onrechte heeft betaald van geld van zijn werkgever. Dat zijn oogmerk daarop was gericht is onmiskenbaar. Maar vervolging ter zake van verduistering had misschien meer voor de hand gelegen. Hij heeft immers zijn aankoop betaald met geld van zijn werkgever dat hij anders dan door misdrijf, namelijk na intoetsen van de pincode van de tankpas, onder zich had. Het onderhavige geval verschilt in wezen niet van betaling van privé-aankopen met geld uit de kas van de werkgever of door betaling van een rekening met geld van de baas, typische gevallen van verduistering.

Van een te ver oprekken van de delictsomschrijving van art. 310 jo. 311 Sr is mijns inziens in het onderhavige geval geen sprake. Het legaliteitsbeginsel is niet wezenlijk in het geding nu hetgeen de verdachte heeft gedaan strafbaar is, of het nu diefstal met een valse sleutel of verduistering is.”

4.4

De zaak is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 (oud) RO afgedaan. De vraag die mijn voormalige ambtgenoot ambtshalve opwierp, is daarmee onbeantwoord gebleven. Het is juist die vraag die in de onderhavige zaak expliciet aan de orde wordt gesteld, namelijk: is het tanken van brandstof met een tankpas waarvan de verdachte onrechtmatig gebruikmaakt het wegnemen van die brandstof door de verdachte met “het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” als bedoeld in art. 310 Sr?

4.5

Strafrechtelijke vervolgingen ter zake van het op onrechtmatige wijze aftanken van brandstof hebben in cassatie in allerlei feitelijke en juridische varianten de revue gepasseerd. Ik noem een paar voorbeelden:

- tanken zonder te betalen, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van diefstal van de getankte brandstof2;

- diverse malen tanken (en ‘kopen’ van andere goederen) zonder te betalen, waarbij de verdachte voor die feiten tezamen is veroordeeld ter zake van flessentrekkerij3;

- tanken en betalen met een tankpas van zijn voormalige werkgever, welk feit opleverde diefstal door de verdachte van het geldbedrag waarvoor is getankt4;

- privé tanken en betalen met een tankpas van zijn werkgever, waarbij de verdachte – na wijziging van de aanvankelijk tenlastegelegde diefstal door middel van een valse sleutel van giraal geld toebehorende aan die werkgever – is veroordeeld ter zake van oplichting van het tankstation, dat door de verdachte is bewogen tot de afgifte van benzine5;

- tanken en trachten te betalen met een gestolen creditcard, gekwalificeerd als poging tot oplichting van het desbetreffende tankstation6;

- tanken en betalen met een gestolen creditcard, welk feit opleverde diefstal met valse sleutels van het geldbedrag waarvoor is getankt7; en tot slot

- tanken en betalen met een vervalste/geskimde tankpas, waarbij diefstal van de getankte brandstof door middel van een valse sleutel is bewezenverklaard8.

4.6

In de boven opgesomde zaken is de vraag of het tenlastegelegde feitencomplex eigenlijk wel onder art. 310 Sr valt te rubriceren, enkele keren expliciet aan de orde gesteld, namelijk in HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:367 en HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029. Het eerstgenoemde arrest (HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:367) had betrekking op tanken zonder te betalen en laat zich daarom niet goed vergelijken met het onderhavige geval, waarin wél betaald is, zij het met een gestolen tankpas. Het arrest is desalniettemin in zoverre van belang dat de Hoge Raad daarin benadrukte dat “van diefstal sprake [is] als de betrokkene de brandstof met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wegneemt; dat oogmerk dient hij (reeds) ten tijde van het tanken te hebben” (rov. 2.2.1.). Het als tweede genoemde arrest (HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029) had wel betrekking op een soortgelijke casus als het onderhavige geval, maar het onrechtmatig gebruik van de tankpas was hier tenlastegelegd als het wegnemen van geld dat toebehoorde aan de rechthebbende op de tankpas. De Hoge Raad achtte kennelijk beslissend dat de rechthebbende op de tankpas waarmee de brandstof ten laste van diens rekening was afgerekend, door dat gebruik “in zijn vermogen is aangetast”.

4.7

De vraag is of in deze casus gesproken kan worden van de wederrechtelijke toe-eigening van brandstof, zodat het oogmerk van de verdachte op die wederrechtelijke toe-eigening gericht kan zijn geweest. Betoogd zou kunnen worden – zoals A-G Vellinga in zijn hiervoor vermelde conclusie deed – dat het wederrechtelijke hierin zit dat de verdachte de benzine ten onrechte heeft betaald van geld van een ander. Als wederrechtelijk in de zin van art. 310 Sr moet worden opgevat in de meest ruime betekenis die aan dit begrip toekomt (te weten: in strijd met het geschreven of ongeschreven recht), valt er voor dit betoog wat te zeggen. Het kopen van benzine met gestolen geld levert het overdragen en omzetten van een van misdrijf afkomstig voorwerp op. Het afrekenen van benzine met een gestolen tankpas kan aangemerkt worden als het gebruiken van een van misdrijf afkomstig voorwerp. Dit als witwassen te kwalificeren gedrag is onmiskenbaar wederrechtelijk in de ruime zin van het woord.

4.8

Niet duidelijk is echter of de Hoge Raad van deze ruime betekenis uitgaat als het om art. 310 Sr gaat. Machielse verdedigt een beperktere uitleg, waarbij aan ‘wederrechtelijk’ de betekenis toekomt van: zonder eigen (civiel- of publiekrechtelijke) bevoegdheid. Hij meent dat voor die opvatting steun kan worden gevonden in de jurisprudentie met betrekking tot art. 321 Sr (verduistering).9 In dat artikel moet onder ‘wederrechtelijke toe-eigening’ volgens de Hoge Raad worden verstaan: het zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikken over een goed dat aan een ander toebehoort. 10 Nu verdient het vanuit een oogpunt van kenbaarheid van het recht in het algemeen inderdaad de voorkeur om een wetsterm (in dit geval ‘wederrechtelijke toe-eigening’) die in twee verschillende delictsomschrijvingen voorkomt’(in dit geval art. 310 en art. 321), op dezelfde wijze uit te leggen, zeker als die delictsomschrijvingen aan elkaar verwant zijn. Ik wijs er echter op dat de Hoge Raad een uitspraak over de betekenis van ‘wederrechtelijke’ toe-eigening in art. 310 Sr lijkt te willen vermijden. In HR 14 februari 1938, NJ 1938/731 wordt gesteld dat voor diefstal vereist is dat het wegnemen van andermans goed “geschiedt met het oogmerk zich dit wederrechtelijk toe te eigenen, dat wil zeggen om wederrechtelijk over het aldus weggenomene als heer en meester te beschikken”. Wat ‘wederrechtelijk’ in art. 310 Sr inhoudt, blijft zo in het midden. Dat gebeurt voor zover ik weet ook in latere jurisprudentie. In bijvoorbeeld HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1425 wordt bijvoorbeeld overwogen dat het hof kon oordelen dat de verdachte “door te trachten als heer en meester te beschikken over het in de bewezenverklaring genoemde [aan een ander toebehorende] voorwerp” heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat hieraan niet afdoet dat de verdachte “heeft gehandeld met de bedoeling die ander te bewegen tot de nakoming van een op hem rustende verplichting”. Hoewel het in dit arrest ging om de vraag of sprake was van ‘wederrechtelijke’ toe-eigening, werd geen precisering gegeven van de betekenis van deze term.11 Misschien is de reden voor deze voorzichtigheid wel gelegen in de jurisprudentie met betrekking tot het bestanddeel ‘oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’ in onder meer art. 317 Sr. In het befaamde Dreigbriefarrest (HR 9 februari 1971, NJ 1972/1 m.nt. C. Bronkhorst) aanvaardde de Hoge Raad een uitleg van dit bestanddeel die juist als (zeer) ruim te boek staat. Van de ‘wederrechtelijke’ bevoordeling waarop het oogmerk moet zijn gericht is ook sprake als die bevoordeling wordt gerealiseerd door gedrag dat de grenzen van het maatschappelijk betamelijke ver overschrijdt. Mogelijk is de gedachte dat ‘wederrechtelijke toe-eigening’ en ‘wederrechtelijke bevoordeling’ op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd.

4.9

Hoewel de Hoge Raad zich in het algemeen niet geroepen lijkt te voelen om de grenzen tussen de verschillende vermogensdelicten scherp te bewaken12, meen ik dat grensbewaking in deze zaak wel geboden is. Het gaat hier niet om een keuze tussen twee alternatieven (bijvoorbeeld diefstal of verduistering) die in elk geval in zoverre overeenkomen dat het slachtoffer dezelfde persoon is. Als ingeval van het afrekenen van benzine door middel van het onbevoegde gebruik van andermans tankpas gekozen zou kunnen worden tussen diefstal van geld en diefstal van benzine, gaat het niet om een keuze tussen twee delictsomschrijvingen, maar om een keuze tussen twee diefstallen die bepalend is voor de vraag wie als slachtoffer moet worden gezien. Als het gebeuren als diefstal van geld wordt geconstrueerd, is de rechthebbende op de tankpas het slachtoffer; als gekozen wordt voor diefstal van benzine kan dat moeilijk iets anders betekenen dan dat degene aan wie de benzine toebehoorde (zeg maar de pomphouder) als het slachtoffer wordt aangemerkt. Dat verschil in slachtofferschap maakt dat het de vraag is of nog wel sprake is van alternatieven. Gaat het niet om twee diefstallen die cumulatief tenlastegelegd kunnen worden en die ingeval van een bewezenverklaring meerdaadse samenloop opleveren? Het is deze cumulatie van strafbaarstellingen die het argument van A-G Vellinga in zijn hiervoor genoemde conclusie dat het legaliteitsbeginsel “niet wezenlijk in het geding is nu hetgeen de verdachte heeft gedaan [hoe dan ook] strafbaar is”, minder overtuigend maakt. Het maakt voor de verdachte wel verschil of hij voor één, dan wel voor twee misdrijven kan worden gestraft. Ik wijs er daarbij op dat strafbaarheid wegens diefstal van benzine niet alleen cumuleert met diefstal van geld, maar ook, zoals hiervoor al bleek, met heling en witwassen. Dergelijke consequenties zullen zich op een breed terrein voordoen. Zo maakt de dealer die een auto koopt met het geld dat hij met de drugshandel heeft verdiend, zich dan niet alleen schuldig aan witwassen, maar ook aan diefstal van die auto. De vraag is dan zelfs of hij het met de drugshandel verdiende geld niet ook heeft gestolen. Maakt het feit dat de onderliggende drugstransacties wederrechtelijk waren niet dat de toe-eigening van het geld wederrechtelijk is? Het bezwaar is kort gezegd dat van de bijzondere delicten een stamppot wordt gemaakt die van de gedifferentieerde strafbaarstelling die de wetgever met de verschillende delictsomschrijvingen beoogde, weinig overlaat.

4.10

Er zijn naar mijn mening goede argumenten om in deze zaak een streep te halen door de constructie van het wederrechtelijke handelen als diefstal van benzine. Het eerste argument heeft te maken met het slachtofferschap. In HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029 was zoals wij zagen het beslissende argument dat de rechthebbende op de tankpas door het gebruik ervan in zijn vermogen werd aangetast. Van de pomphouder kan bezwaarlijk gezegd worden dat hij door het gebruik van de tankpas vermogensschade leed. Aannemelijk is veeleer dat de verkoop van de benzine hem winst opleverde. Van een jegens de pomphouder gepleegd vermogensdelict kan dan ook bezwaarlijk gesproken worden. De rol van slachtoffer past hem niet.

4.11

Het tweede argument sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in onder meer art. 317 Sr. De achterliggende gedachte is als ik het goed zie dat de vermogensdelicten niet alleen de (rechtmatige) eigendom beschermen, maar ook het bezit, zelfs als dat te kwader trouw is. Die bescherming van bestaande bezitsverhoudingen als ratio legis van de vermogensdelicten maakt dat bestraffing van eigenrichting als vermogensdelict (waarvoor de Hoge Raad in het Dreigbriefarrest koos) met de ratio legis in overeenstemming is. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1786, waarin de slachtoffers van een ripdeal de desbetreffende tas met cocaïne weer in hun bezit kregen door middel van bedreiging met geweld. Het argument dat van afpersing geen sprake was omdat de tas niet toebehoorde aan de plegers van de ripdeal werd door de Hoge Raad van tafel geveegd met de overweging dat “de bezitter van een goed, ongeacht of hij tevens de eigenaar daarvan is, kan worden aangemerkt als degene aan wie het goed toebehoort in de zin van art. 317 Sr”. Dat in dit geval sprake was van (het oogmerk van) wederrechtelijke bevoordeling sluit daarbij goed aan: het ging om een bevoordeling die de bestaande bezitsverhoudingen doorbrak. Daarin ligt echter, en daar is het mij om te doen, ook een begrenzing besloten van de ruime uitleg waarvoor in het Dreigbriefarrest werd gekozen. Het ging in dat arrest nog steeds om handelen dat wederrechtelijk was jegens degene aan wie het desbetreffende goed toebehoorde. Dat is een belangrijk verschil met deze zaak. Jegens de pomphouder is het onbevoegde gebruik van de tankpas niet wederrechtelijk. Van een doorbreking van de bestaande bezitsverhoudingen was dan ook geen sprake. Daarvan zou zelfs geen sprake zijn geweest als de pomphouder had geweten dat het gebruik van de tankpas onrechtmatig was. Die pomphouder zou dan voor witwassen kunnen worden vervolgd, maar een slachtoffer van diefstal wordt hij daarmee niet. Dat brengt ons terug bij het eerste argument. Van een jegens de pomphouder gepleegd vermogensdelict kan bezwaarlijk worden gesproken.

4.12

Mijn conclusie is dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte (in vereniging met een ander) 150 l diesel heeft weggenomen “met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening”, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

4.13

Het middel slaagt.

5 Het tweede middel

5.1

Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde ontoereikend is gemotiveerd, voor zover bewezen is verklaard dat de verdachte “tezamen en in vereniging met een ander” diefstal heeft gepleegd. Dit middel behoeft alleen bespreking als de Hoge Raad meent dat het eerste middel faalt. Ik ga er daarom bij de bespreking van dit middel vanuit dat het betalen met een gestolen tankpas diefstal van benzine kan opleveren.

5.2

Uit de bewijsmiddelen die door het hof zijn gebezigd kan het volgende worden afgeleid:

(i) op zondag 5 april 2015, tussen 22:15 uur en 22:45 uur, is er bij tankstation Total Dijkhuizen, gelegen aan de Atoomweg 46B te Utrecht, 150 liter diesel getankt met een ontvreemde tankpas, gerelateerd aan het [kenteken 1] ;

(ii) hiervan zijn camerabeelden veiliggesteld; waarop te zien is dat:

(iii) de verdachte als bijrijder zat in een Ford Focus, voorzien van het [kenteken 2] , en weer hierin instapte nadat hij deze had getankt;

(iv) [medeverdachte] als bestuurder in een grijze Seat Leon stapte, nadat hij deze had getankt.

5.3

Deze feiten en omstandigheid rechtvaardigen de gevolgtrekking dat de brandstof die door de verdachte en door een ander is getankt, de 150 liter diesel betreft die is getankt met de ontvreemde tankpas gerelateerd aan het [kenteken 1] . De vraag is of hieruit ook kan volgen dat de verdachte en die ander de diefstal van de brandstof ‘tezamen en in vereniging’ hebben gepleegd. Tezamen en in vereniging plegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. Dat betekent dat beiden het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening moeten hebben gehad en dat dit gezamenlijke oogmerk aanwezig moet zijn geweest op het moment dat er werd getankt (zie onder punt 4.6). Op zich is van weinig belang wie de getankte benzine met de gestolen tankpas heeft betaald. Wel moet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat beiden op het moment van tanken opzet hadden op het feit dat met een gestolen tankpas zou worden betaald. Degene die de gestolen tankpas in handen heeft gehad, zal hebben geweten dat het om de tankpas van een ander ging en dus dat het gebruik daarvan wederrechtelijk was. In zoverre is wel van belang wie er met de tankpas heeft betaald. Die persoon heeft de tankpas immers voorhanden gehad. Dat de andere persoon wist dat er met een gestolen tankpas zou worden betaald, volgt daaruit echter niet.

5.4

De gebezigde bewijsmiddelen houden niets in omtrent de vraag wie met de tankpas heeft betaald dan wel wie de tankpas in zijn bezit heeft gehad. In dit verband verdient opmerking dat het hof de verdachte, zoals de steller van het middel aanvoert, heeft vrijgesproken van de aan hem onder 2 tenlastegelegde heling van de tankpas, op de grond dat “het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat verdachte de beschikking over de gestolen tankpas heeft gehad”.13

5.5

Uit de bewijsmiddelen kan misschien worden afgeleid dat het tanken een gezamenlijke onderneming is geweest, nu daarin sprake is van één grote hoeveelheid getankte diesel en niet van afzonderlijke hoeveelheden diesel. Het is dus goed mogelijk dat de diesel in één keer is afgerekend. Daar komt bij dat er meer dan twee auto’s bij het tanken betrokken lijken te zijn geweest. De gezamenlijke tankinhoud van een Ford Focus en een Seat Leon is in elk geval aanmerkelijk kleiner dan 150 liter.14 Dat versterkt de indruk dat het tanken een georganiseerd gebeuren was. Uit dat georganiseerde karakter zou mogelijk kunnen worden afgeleid dat alle betrokkenen wisten hoe er betaald zou gaan worden. Dat vergt dan wel een nadere bewijsoverweging die onderbouwd is met feiten en omstandigheden die meer duidelijkheid verschaffen over de precieze gang van zaken. In het door het hof vernietigde vonnis van de politierechter was een dergelijke bewijsoverweging opgenomen. Het hof heeft gemeend het daarzonder te kunnen doen. Naar mijn mening ten onrechte.

5.6

Het middel is terecht voorgesteld.

6. Het eerste middel slaagt. Indien de Hoge Raad aan de bespreking daarvan toekomt, slaagt het tweede middel eveneens.

7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak moeten leiden.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, zover deze aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen, en tot een zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast voorkomt.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Het beroep is blijkens de daarvan opgemaakte akte niet gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.

2 Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:367. Zie ook HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2432.

3 Zie de conclusie van AG Spronken, ECLI:NL:PHR:2013:2437, voorafgaand aan HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:236.

4 Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2029.

5 Vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6723.

6 Vgl. HR 17 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9732.

7 Zie mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2015:1126, voorafgaand aan HR 23 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2291.

8 Zie de conclusie van AG Machielse, ECLI:NL:PHR:2016:1362, voorafgaand aan HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:3169 (art. 80a RO).

9 Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 6 op art. 310, zoals bijwerkt tot augustus 2007.

10 Vgl. o.m. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9110.

11 Een vergelijkbare aanpak werd gevolgd in HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0649 en HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1426.

12 Vgl. V.M.A. Sinnige, De systematiek van de vermogensdelicten, 2017, p.254/255.

13 Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat: “hij op of omstreeks 5 april 2015 te Utrecht , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een tankpas heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”

14 Een kleine zoektocht op internet leerde mij dat beide auto’s een tankinhoud van 55 liter hebben.