Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:567

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
18/01243
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1034
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 344a.3 en 360 Sv. Motiveringseisen. 1. Heeft het hof schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van een persoon wier identiteit niet blijkt tot het bewijs gebezigd zonder in het bijzonder de reden te geven? Vergt het gebruik voor het bewijs van een verklaring van een getuige onder nummer afgelegd bij de politie nadere motivering van de rechter wanneer diezelfde getuige ook door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord? 2. Falende bewijsklachten. Strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/01243

Zitting: 28 mei 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 21 augustus 2017, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr.

  2. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

  3. Het eerste middel klaagt dat het hof twee “schriftelijke bescheiden houdende de verklaring van een persoon waarvan de identiteit niet blijkt” als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen tot het gebruik van deze schriftelijke bescheiden als bewijsmiddel geeft. Het tweede middel klaagt dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Hij op 20 april 2016 te Arnhem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, Distellaan, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het met een vuurwapen, en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand vastpakken bij de kleding en het meermalen, slaan, schoppen en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] .”

5. De bewezenverklaring steunt op de navolgende (9) bewijsmiddelen (vetgedrukt en onderstreept in het origineel):

“1.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte, genummerd PL0600-2016195087-1 gesloten en getekend op 21 april 2016 door [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Oost- Nederland (p. 54-59), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van aangever [slachtoffer]:

Op 20 april 2016 ben ik naar het café Tanger toe gegaan. (...) Nog geen 10 minuten later, terwijl ik met [betrokkene 4] buiten het café stond, zag ik dat 5 mannen; waaronder [betrokkene 1] , de broer van [betrokkene 1] genaamd [betrokkene 2] en een jongen met de bijnaam ‘ [betrokkene 3] ’, vanaf de Groene Weide rechtsaf de Distellaan in liepen en richting het café Tanger kwamen. (...) Ik was helemaal gefocust op [betrokkene 1] en de jongen met de bijnaam [betrokkene 3] . Dit omdat ik zag dat zij een wapen bij zich hadden. Ik kan [betrokkene 2] als volgt omschrijven:

- Marokkaanse jongen;

- Rond de 29 jaar oud;

- Dun postuur, niet sportief;

- Hij was langer dan ik, ik denk 1.85 meter;

- De zijkant van zijn haren opgeschoren en bovenop een beetje zwarte krullen;

- Spijkerbroek met zwarte schoenen en gewatteerd zwart North Face jasje. (...)

Toen ik de 5 mannen richting het café zag lopen zag ik dat de jongen met de bijnaam [betrokkene 3] iets zwarts in zijn hand vast had, het leek duidelijk op een pistool. Ik zag dat hij met beide handen een beweging bij het pistool maakte alsof hij het wapen doorlaadde. (...) Ik keek vervolgens naar [betrokkene 1] en zag dat [betrokkene 1] ook iets in zijn hand in zijn jaszak vast hield. Ik zag dat hij mij de helft ervan vanuit zijn jaszak liet zien en ik zag dat het een pistool was. Ik ben hierop het café in gerend en heb door het café geroepen ‘Ze hebben wapens’. (...) Ik ben hierop voor de voordeur gaan staan om de deur dicht te houden, maar nog voordat ik de voordeur dicht kon duwen zag ik dat [betrokkene 2] tegen de voordeur aan trapte en dat de voordeur open sloeg. (...) Ik zag dat [betrokkene 1] ook het café binnen kwam. Op het moment dat ik naar buiten wilde lopen stond [betrokkene 1] voor de deur. Ik zag dat [betrokkene 1] mij de helft van een zwart pistool vanuit zijn jaszak liet zien. Ik zag het handvat. Ik zag en voelde dat [betrokkene 1] mij direct vast pakte. Ik zag en voelde dat hij mij met zijn linker hand bij de kraag van mijn T-shirt aan de voorzijde vastpakte. (...) Ik zag en voelde dat [betrokkene 1] mij, terwijl hij mij met zijn linker hand vast hield, met krach[t] en opzet met zijn rechter vuist op mijn gezicht sloeg. Hij bleef maar op mij inslaan. Ik zag en voelde dat [betrokkene 2] mij ook met zijn vuisten begon te slaan en voelde dat hij mij op mijn kaak raakte. Ook [betrokkene 2] heeft mij meerdere keren geslagen, ik weet niet hoe vaak. (...) Op een gegeven moment heb ik mij op de grond laten vallen zodat ze mij niet mee naar buiten konden nemen. Toen ik op de grond lag begonnen ze op mij in te slaan en te schoppen. Ik heb gezien dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op mij in aan het slaan en schoppen waren.

2.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2016195087-8 gesloten en getekend op 21 april 2016 door [verbalisant 4] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 82), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:

Op 20 april 2016 was ik ter plaatse op de Distellaan 19, café Tanger, te Arnhem. Daar sprak ik een persoon aan die mogelijk wat had gezien. Deze persoon verklaarde aan mij wel wat dingen gezien te hebben maar geen personalia aan mij wilde geven. Vervolgens verklaarde de persoon aan mij:

Omstreeks 20:00 uur zat ik buiten met nog wat personen waaronder [slachtoffer] en [betrokkene 4] voor op de stoep bij café Tanger. Op een gegeven moment zag ik vanaf de Groene Weide 5 mannen aan komen lopen. (...) Toen de 5 mannen op ongeveer 5 meter afstand van mij genaderd waren zag ik dat een van de mannen een revolver uit zijn binnenzak haalde. Ik weet zeker dat het een revolver betrof. Deze was helemaal zwart, maar wel een klein model. (...) 2 mannen herkende ik wel. Dit waren [betrokkene 2] (fonetisch) en zijn broer [betrokkene 1] (fonetisch). (...) Ik zag dat [slachtoffer] veel klappen en schoppen kreeg. Hij kreeg van iedereen schoppen.

3.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer 11663388, genummerd PL0600-2016195087-62 gesloten en getekend op 10 juni 2016 door [verbalisant 3] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 305), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige onder nummer 11663388;

Op 20 april 2016 zag dat vier mannen bij koffiehuis Tanger in Arnhem iemand uit het koffiehuis trokken en deze man in elkaar sloegen en schopten. (...) Van de vier mannen hadden er volgens mij twee een wapen. Ik ken aan aantal van deze personen. Man 1: [betrokkene 1] . Man 2: [betrokkene 2] . (...) Een van de twee [betrokkene 1+2] had volgens mij een wapen bij zich. Ik weet dat er nog twee andere [betrokkene 1+2] zijn, namelijk [betrokkene 7] en [betrokkene 6] . (...) Ik weet duizend procent zeker dat ik [betrokkene 6] en [betrokkene 7] niet heb gezien bij het incident.

4.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL0600-2016195087-17 gesloten en getekend op 23 april 2016 door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , beiden brigadier politie Eenheid Oost-Nederland (p. 85-90), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige]:

Ik ben op 20 april 2016 in café Tanger geweest. (...) [slachtoffer] komt binnen in het café en hij riep: ‘Opa heeft een pistool.’ (...) Ik zag [verdachte] (fon.) binnenkomen, dat is de broer van [betrokkene 1] . Ik ken deze twee jongens goed. (...) Ik zag toen het wapen bij [betrokkene 1] . Hij trok deze uit zijn zak. (...) Ik zag dat de jongen met de zonnebril iets uit zijn jas haalde. Ik zag dat het een kleine revolver was. Ik zag dat het een zwarte revolver was omdat er een soort van draaiding aan zat. (...) Ik zag dat de man een zwarte handschoen aan had, dit was de hand waarmee hij de revolver vasthield. (...) Ik zag dat [betrokkene 1] een groter wapen bij zich had. (...) [slachtoffer] kreeg een paar stoten met vuisten en werd getrapt, dit meerdere keren. Door alle drie de mannen. (...) Op de beelden van de mishandeling heb ik [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] herkend.

5.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden koffiehuis Tanger, genummerd PL0600-2016195087-502 gesloten en getekend op 22 april 2016 door [verbalisant 10] , brigadier, Senior Tactische Opsporing werkzaam bij de Eenheid Oost-Nederland (p. 120-122), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:

Collega’s ter plaatse spraken met de beheerder van koffiehuis Tanger genaamd [betrokkene 5] . Hij gaf aan beelden te hebben van het incident op 20 april 2016. (...) NN man 01 is gekleed in zwarte jas en spijkerbroek, zwarte schoenen met witte zool.

Opmerking

Door aangever [slachtoffer] werd NN man 01 omschreven als de persoon welke hij herkende als [verdachte] .

(...)

NN man 02 draagt om zijn rechterhand een zwarte handschoen en hij houdt met zijn hand kennelijk iets vast wat achter zijn broekriem en jas verstopt zit.

Opmerking

Door aangever [slachtoffer] werd NN man 02 omschreven als de persoon welke hij herkende als [betrokkene 3] .

(...)

Door aangever [slachtoffer] werd NN man 03 omschreven als de persoon welke hij herkende als [betrokkene 1] .

Te zien is dat NN man 02 en 03 duwen/trekken aan een persoon [aangever] die naar binnen wil.

Te zien is dat NN man 01 met zijn rechterhand een wapen vanachter zijn jas trekt. Dit wapen tot na de worsteling in zijn rechterhand vast houdt.

(...)

Te zien is dat de NN 01 t/m 05 naar buiten komen en, naar later bleek op de aangever [slachtoffer] inslaan en schoppen. (...) NN man 01 maakt slaande bewegingen richting aangever. (...) Aangever wordt door NN man 01 t/m 05 geschopt/geslagen.

6.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2016195087-19 gesloten en getekend op 23 april 2016 door [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 131-134), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisant:

Op 23 april 2016 werden door mij de eerder van Casino Suikerland verkregen camerabeelden van 20 april 2016 vanaf omstreeks 19:45 uur bekeken. (...) Vier mannen; NN01, NN03, NN04 en NN05, komen over de Distellaan aangelopen. (...) NN02 komt vanaf de overzijde van de straat Distellaan in beeld van de camera, steekt de straat over en loopt over de stoep ook in de richting van café Tanger. (...) duidelijkheidshalve is de volgorde van richting het café Tanger lopen dus NN01, NN03, NN02, NN04 en NN05. (...) NN02 en NN03, welke over de stoep richting café Tanger lopen, beginnen kort nadat NN01 het café binnen was gegaan te rennen richting het café. [NN]02 houdt hierbij zijn rechter hand met zwarte handschoen in de linker binnenzijde van zijn jas. Kennelijk omdat hij daar iets vast houdt. (...) NN02 en NN03 lopen samen op aangever af en NN03 pakt aangever direct met zijn linkerhand vast. NN02 en NN03 gaan samen met aangever het café binnen en NN03 haalt in de deuropening met zijn rechterhand uit, vermoedelijk richting aangever. (...) Aangever komt het café uit, met beide handen achterwaarts vastgehouden door NN03. NN01 maakt voor de deuropening tweemaal met zijn rechter hand een slaande beweging richting het hoofd van aangever. (...) NN04 maakt voor het café met zijn rechter hand een slaande beweging richting aangever. (...) NN03 hangt boven aangever die op dat moment op zijn zij/rug ligt en lijkt aangever nog altijd vast te houden. NN04 maakt met zijn rechter been (in ieder geval) tweemaal een schoppende beweging richting aangever. (...) NN02 loopt achter NN04 langs en maakt tweemaal een schoppende beweging naar de aangever die nu op zijn buik op de grond ligt. NN-03 maakt ook een schoppende beweging met zijn rechter been richting aangever, vermoedelijk richting het hoofd en meerdere keren.

7.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, genummerd PL0600-2016195087-112 gesloten en getekend op 3 augustus 2016 door [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 7] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 375-388), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte 1]:

Het wapen wat jullie op de camerabeelden hebben gezien was geen echt wapen. (...) Ik heb het nepvuurwapen bij het café op [slachtoffer] gericht. (...) Het nepvuurwapen was van mij. Het vuurwapen dat is aangetroffen op de [a-straat] is van [medeverdachte 2] .

8.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, genummerd PL0600-2016195087-96 gesloten en getekend op 21 juni 2016 door [verbalisant 1] , inspecteur van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 523-532), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [medeverdachte 2]:

(...) Nadat die andere jongens binnen waren gekomen heeft [betrokkene 1] ze het hele verhaal uitgelegd. Ik heb [betrokkene 1] horen zeggen dat hij naar café Tanger was gegaan, daar twee mannen tegengekomen is, ze daar ruzie kregen, dat één hem achterna had gezeten en dat ze dood moesten. Ook heb ik [betrokkene 1] horen zeggen dat één van die jongens zo snel mogelijk een vuurwapen op moest halen en vervolgens hoorde ik [betrokkene 1] een adres gaf waar dat vuurwapen zou liggen en opgehaald zou kunnen worden. Dit heeft die jongen vervolgens ook gedaan. (...) Ik zag dat ze jongen die van [betrokkene 1] het vuurwapen ergens in Arnhem op moest halen, voor café Tanger een vuurwapen in zijn buiktasje had en eruit trok. (...) Ik hoorde [betrokkene 1] tegen deze jongen zeggen: ‘Als het uit de hand loopt, moet je schieten.‘ (...) Met mijn huis bedoel ik de [a straat 1] te Arnhem. (...) Ik heb het vuurwapen alleen voor café Tanger gezien. Het was een kleine zwart revolver. (...) [betrokkene 1] had ook de sleutel van de kelderbox en ook van ons huis. Meer dan de helft van de spullen die daar in de kelderbox liggen zijn van hem.

9.

Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0600-2016195087-33 gesloten en getekend op 7 juni 2016 door [verbalisant 9] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland en [verbalisant 11] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (p. 194), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van bevindingen van verbalisanten:

Naar aanleiding van een ernstige mishandeling op 20 april 2016 vond op 7 juni 2016 een doorzoeking plaats in de woning [a straat 1] te Arnhem. (...) Bij het betreden van de bergruimte zagen wij een geel tasje op een kartonnen pak liggen. Dit tasje lag deels geopend en toen ik, [verbalisant 8] , dit tasje oppakte om het te onderzoeken zag ik direct een vuurwapen, revolver in het tasje liggen. (...) Uit eerste onderzoek bleek het te gaan om een revolver:

merk: Bruni

Type: Olympus 38

Voorzien van 5 patronen kaliber .22

Voorzien van een huls.”

6. Het hof heeft ten aanzien van de in hoger beroep gevoerde verweren voorts het volgende overwogen (cursief in het origineel):

“Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij niet bij het incident aanwezig was. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – beknopt weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verdachte is slachtoffer geworden van een persoonsverwisseling, omdat hij is aangezien voor één van zijn broers. De verklaring van [slachtoffer] is onbetrouwbaar wat betreft de herkenning van verdachte, omdat hij verdachte eigenlijk niet goed kent. De eerste verklaring van [getuige] is onbetrouwbaar, omdat hij deze verklaring niet heeft herhaald bij de rechter-commissaris. De herkenning van verdachte door de N.N. getuige mist overtuigingskracht, omdat dit hem door de politie is voorgezegd. Voorts kan er geen herkenning plaatsvinden aan de hand van de camerabeelden dan wel de ‘stills’.

Beknopte weergave verklaringen

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte d.d. 21 april 2016 verklaard dat hij (onder andere) verdachte naar café Tanger zag komen lopen en dat hij zag en voelde dat verdachte hem begon te slaan.

[getuige] heeft bij de politie d.d. 23 april 2016 verklaard dat hij in het café Tanger was en zag dat verdachte het café binnen kwam. Ook gaf hij aan dat hij verdachte en zijn broer goed kent en dat verdachte, samen met zijn broer en een derde persoon, het slachtoffer hebben geschopt of geslagen.

De N.N. getuige heeft bij de politie d.d. 20 april 2016 verklaard dat hij buiten bij het café Tanger op de stoep zat en hij vijf mannen aan zag komen lopen. Twee mannen, waaronder verdachte, herkende hij.

Oordeel hof

Het hof heeft, mede gezien de overeenstemming op essentiële punten tussen de afgelegde verklaringen, geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van bovengenoemde verklaringen van [slachtoffer] , [getuige] en de N.N. getuige te twijfelen en gaat derhalve uit van hetgeen zij bij de politie hebben verklaard. De lezing van deze personen met betrekking tot de aanwezigheid van verdachte en de gebeurtenissen worden daarnaast naar het oordeel van het hof niet of niet voldoende ontkracht door de camerabeelden dan wel de ‘stills’ die zich in het dossier bevinden. Het hof is aldus van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige] en de N.N. getuige betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd.”

7. Met betrekking tot het bewijs overweegt het hof:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.”

8. In de kern klaagt het eerste middel dat de als bewijsmiddelen 2 en 3 gebezigde processen-verbaal, verklaringen bevatten van personen wier identiteit niet blijkt, terwijl uit het arrest niet in het bijzonder de reden blijkt die het hof ingevolge artikel 360, eerste lid, Sv op straffe van nietigheid voor het gebruik van die processen-verbaal had moeten geven.

9. De hier van belang zijnde artikelen uit het Wetboek van Strafvordering luiden als volgt:

Artikel 344a Sv:

“(…)

3. Een schriftelijke bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan, buiten het geval omschreven in het tweede lid, alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan;

a. de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en

b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon de ondervragen of te doen ondervragen.

4. (…)”

Artikel 360 Sv:

“1. Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of rechtbank, houdende de verklaring

(…)

- van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de artikelen 190, derde lid, en 290, derde lid,

of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het bijzonder reden.

(…)

4. Alles op straffe van nietigheid.“

10. Indien de verklaring van een anonieme getuige in een proces-verbaal wordt vastgelegd, bijvoorbeeld als de politie de verklaring optekent van een toevallige passant die niet wil dat zijn naam bekend wordt, is in beginsel sprake van een “schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt” als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv.1 Voorwaarden voor het gebruik van een dergelijk bescheid tot het bewijs zijn dat de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en dat door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de betreffende persoon te ondervragen of te doen ondervragen. Ingevolge artikel 360, eerste jo. vierde lid, Sv behoort de rechter op straffe van nietigheid het gebruik voor het bewijs van een dergelijk bescheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter expliciet zal moeten aangeven dat aan de eisen van artikel 344a, derde lid, Sv is voldaan terwijl hij er tevens blijk van dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht.2

11. De in artikel 344a, derde lid, Sv gebezigde term “een persoon wiens identiteit niet blijkt” omvat echter niet “personen wier persoonsgegevens weliswaar niet (volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst zijn verhoor als getuige door de RC of ter terechtzitting kan verzoeken”.3 Indien bijvoorbeeld blijkt dat de naam van de NN-getuige bekend is bij de politie, dan betreft het proces-verbaal van politie bevattende een verklaring van deze getuige, niet een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv en is het in artikel 360, eerste lid, Sv vervatte bijzondere motiveringsvoorschrift niet van toepassing.4

12. Het hof heeft een proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2016, bevattende de verklaring van een bij het incident aanwezige persoon die zijn personalia niet wilde geven (bewijsmiddel 2), alsmede een proces-verbaal van verhoor getuige van 10 juni 2016 bevattende de verklaring van een getuige onder nummer 11663388, afgelegd tegenover de politie (bewijsmiddel 3) tot het bewijs gebezigd. Een vraag die gelet op het middel moet worden beantwoord, is of deze processen-verbaal inderdaad zijn aan te merken als een “schriftelijke bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt” als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv. Ik begin met de beantwoording van deze vraag voor het proces-verbaal van verhoor getuige onder nummer.

13. Ter terechtzitting van de rechtbank van 16 september 2016 heeft de raadsman het volgende medegedeeld:

“(…) Cliënt ontkent en wil vier getuigen horen, te weten: [slachtoffer] , [getuige] , de anonieme getuige en de NN-getuige. Ondanks dat deze laatste twee getuigen misschien moeilijk te bereiken zijn, vraag ik toch formeel om ze als getuigen te horen. (…)”

De rechtbank heeft als volgt op deze verzoeken beslist:

“(…)

Nadat de rechtbank in raadkamer heeft beraadslaagd, deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mee dat de stukken in handen worden gesteld van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank om als getuigen te horen:

(…)

3. de anonieme getuige met nummer 11663388 (bijlage 43 van het dossier). De officier van justitie heeft medegedeeld te beschikken over de persoons- en adresgegevens.

(…)

De rechtbank wijst het verzoek tot het horen van de NN-getuige af, nu van deze persoon geen gegevens bekend zijn en hij niet binnen aanvaardbare termijn kan worden gevonden.

(…)”

14. Uit het voorgaande blijkt dat de verdediging ter terechtzitting de rechtbank heeft verzocht onder meer de getuige onder nummer te horen, welk verzoek is toegewezen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de persoons- en adresgegevens van deze getuige bij de officier van justitie bekend zijn. Hieruit volgt dat de getuige onder nummer individualiseerbaar is. Gelet op hetgeen onder randnummer 10 is besproken − en in weerwil van hetgeen de steller van het middel betoogt − betreft het tot bewijsmiddel 3 gebezigde proces-verbaal van verhoor getuige, bevattende de verklaring van een getuige onder nummer, dus niet een schriftelijke bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, derde lid Sv. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

15. Daarmee kom ik toe aan de beantwoording van dezelfde vraag, maar nu met betrekking tot het proces-verbaal bevattende de verklaring van een anonieme getuige die als bewijsmiddel 2 is gebruikt.

16. Uit het proces-verbaal terechtzitting van het hof van 7 augustus 2017 blijkt dat de raadsman heeft opgemerkt:

“(…) De NN getuige en de getuige onder nummer betreft dezelfde persoon.”

17. Uit de pleitnota die tijdens dezelfde terechtzitting door de raadsman aan het hof is overgelegd blijkt dat de raadsman voorts heeft aangevoerd:

“Ik merk nog op dat de anonieme getuige en de niet geïdentificeerde politiegetuige dezelfde persoon zijn volgens de rechter-commissaris [….]”

18. Ter terechtzitting in hoger beroep is de raadsman er – kennelijk in navolging van de rechter-commissaris − vanuit gegaan dat ‘de NN getuige en de getuige onder nummer dezelfde persoon [betreft]’. Daarmee is het aannemelijk dat ook het hof er vanuit is gaan dat sprake is van één en dezelfde getuige en dat de anonieme getuige daarmee eveneens individualiseerbaar is. Het gebruik van beide verklaringen voor het bewijs dwingt in ieder geval niet tot de conclusie dat het hof daarvan niet is uitgegaan. Het proces-verbaal van bevindingen van 21 april 2016, bevattende de verklaring van de anonieme getuige, kan dan evenmin worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt.

19. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat ook als moet worden aangenomen dat de NN-getuige en de getuige die onder nummer is aangeduid een en dezelfde persoon betreffen en deze persoon zodanig kan worden geïndividualiseerd dat zijn verhoor als getuige kon worden verzocht en waarbij aan de getuige (kennelijk) beperkte anonimiteit is toegekend, het gebruik van de door die getuige afgelegde verklaring voor het bewijs door het hof nader had dienen te worden gemotiveerd. Onder verwijzing naar HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3300, wordt aangevoerd dat meer in het bijzonder dan de reden voor toekenning van de beperkte anonimiteit uit die motivering zou dienen te blijken, alsmede dat de toekenning van de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.

20. Het arrest waarop in het middel een beroep doet, heeft betrekking op de motiveringsplicht die geldt bij het gebruik van een bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van een beperkt anonieme getuige. De Hoge Raad overwoog ten aanzien daarvan:

“Uit de ingevolge art. 360, eerste lid, Sv vereiste motivering van het gebruik van een aldus afgelegde verklaring dient allereerst de reden voor toekenning van de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet uit die motivering blijken dat de toekenning van de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging (vgl. HR 23 september 1997, NJ 1998/135).”

21. In de onderhavige zaak heeft het hof voor het bewijs echter geen gebruik gemaakt van een proces-verbaal van verhoor van een persoon als beperkt anonieme getuige door de rechter-commissaris, maar van een proces-verbaal, houdende de verklaring van een getuige onder nummer, afgelegd bij de politie. De toelichting op het middel werpt daarmee de vraag op i) of de getuige in de onderhavige zaak op enig moment door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord en, zo ja, ii) of het gebruik voor het bewijs van een verklaring van een (te individualiseren) getuige onder nummer afgelegd bij de politie nadere motivering van de rechter behoeft, wanneer dezelfde getuige naderhand door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord.

22. Gelet op de stukken van het geding moet de eerste vraag bevestigend worden beantwoord. De rechter-commissaris heeft op 7 december 2016 de getuige onder nummer 11663388 gehoord en uit het proces-verbaal van dit verhoor blijkt het volgende (vetgedrukt en cursief in het origineel):

“(…)

Buiten aanwezigheid van de raadslieden en de officier van justitie is de identiteit van de getuige onder nummer 11663388, waarvan de identiteit bij de rechter-commissaris bekend is, geverifieerd aan de hand van zijn paspoort.

De rechter-commissaris heeft eenieder voorafgaand aan het verhoor medegedeeld dat de vragen die bij beantwoording kunnen leiden tot het prijsgeven van de identiteit van de getuige belet zullen worden.”

Hieruit blijkt dat de rechter-commissaris de getuige kennelijk ex artikel 190, derde lid, Sv als beperkt anonieme getuige heeft verhoord.

23. Voor de beantwoording van de tweede vraag is HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362 m.nt. J.M. Reijntjes, van belang, waarin de Hoge Raad overweegt:

“2.4.2. De omstandigheid dat in het onderhavige geval de betrokkene […] naderhand door de Rechter-Commissaris is gehoord op de voet van art. 190, derde lid, Sv, brengt mee dat aan het gebruik van het proces-verbaal, houdende de verklaring van A 3018 dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van verklaringen van beperkt anoniem verhoorde getuigen. Uit de ingevolge art. 360, eerste lid, Sv vereiste motivering van het gebruik van een aldus afgelegde verklaring dient allereerst de reden voor de beperkte anonimiteit te blijken. Voorts moet uit die motivering blijken dat de beperkte anonimiteit geen afbreuk heeft gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging (vgl. HR 23 september 1997, ECLI:NL:HR:ZD0799, NJ 1998/135).”

24. Gelet op dit arrest behoeft het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een getuige onder nummer die is afgelegd bij de politie, terwijl dezelfde getuige naderhand door de rechter-commissaris als beperkt anonieme getuige is gehoord, inderdaad nadere motivering van de rechter5, die in het arrest echter ontbreekt. Daarover klaagt de steller van het middel dus terecht. Wanneer wordt aangenomen dat de getuige onder nummer één en dezelfde persoon is als de anonieme getuige, geldt in dit geval uiteraard hetzelfde voor zijn verklaring als anonieme getuige.

25. Dit hoeft evenwel bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring ook met weglating van beide verklaringen toereikend is gemotiveerd. De bewezenverklaring wordt immers voldoende ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zoals vermeld onder randnummer 5.

26. Het eerste middel slaagt ten dele, maar hoeft niet tot cassatie te leiden.

27. Het tweede middel klaagt in de eerste plaats over de tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen 3 en 4, te weten dat de getuige onder nummer 11663388 heeft verklaard dat hij [betrokkene 6] (een broer van de verdachte, niet zijnde de boer die een medeverdachte was in de onderhavige zaak) niet heeft gezien tijdens het incident op 20 april 2016, terwijl de [getuige] verklaart dat hij op de beelden (stills) van het incident [betrokkene 6] heeft herkend. Deze klacht kan niet slagen. Het hof heeft bewezenverklaard dat de groep waar de verdachte deel van uitmaakte – kort gezegd – geweld heeft gepleegd met een (op een) wapen (gelijkend voorwerp) tegen de aangever. Beide getuigen verklaren dat zij de verdachte, die zij (goed) kennen, op 20 april 2016 café Tanger in zagen komen en geweld zagen plegen. Hoewel de getuige onder nummer 11663388 en de [getuige] ten aanzien van [betrokkene 6] niet geheel overeenkomstig verklaren, is deze tegenstrijdigheid zodoende van zodanig ondergeschikt belang dat niet gezegd kan worden dat daardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet is omkleed.6 Voor zover door de steller van het middel wordt geklaagd dat het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte ten onrechte is aangewezen als de dader onvoldoende gemotiveerd is verworpen, vindt dit verweer zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. In zoverre faalt het middel.

28. In de tweede plaats wordt geklaagd over de tegenstrijdigheid tussen de bewijsmiddelen 1, 4 en 5, meer in het bijzonder dat in bewijsmiddel 5, anders dan in de bewijsmiddelen 1 en 4, aan de verdachte het bezit van het wapen wordt toegeschreven. Over deze klacht kan ik kort zijn. Hetgeen in de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van medeplegen is beslist, geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. In art. 141 is dat het geval. Dientengevolge kan in beginsel in het midden blijven wie van de betrokkenen wat precies heeft gedaan.7 Van het in vereniging plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld.8 In deze zaak heeft het hof vastgesteld de voor de bewezenverklaring van openlijke geweldpleging relevante omstandigheid dat de aangever door de groep waar de verdachte deel van uitmaakte met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) is geslagen, geschopt en getrapt. Dat (enigszins) afwijkend wordt verklaard over wie de/het wapen(s) op welke moment onder zich had, doet daaraan niet af. Ook deze klaagt faalt.

29. De navolgende deelklachten zien op (de afwezigheid van) de redengevendheid van de bewijsmiddelen 6, 7, 8 en 9 voor de bewezenverklaring. Bij de beoordeling van deze deelklachten stel ik voorop dat de eis dat een rechterlijke beslissing moet steunen op redengevende feiten en omstandigheden een relevantietoets betreft. Er dient een logisch verband te bestaan tussen de feiten die tot uitdrukking komen in het te bezigen bewijsmateriaal en de bewezenverklaring.9

30. Ten aanzien van bewijsmiddel 6 wordt geklaagd dat onduidelijk is wie met de als NN01 t/m NN05 aangeduide personen wordt bedoeld. Bewijsmiddel 6 betreft het relaas van bevindingen van de verbalisant inzake de beelden die hij van het gewelddadige incident op 20 april 2016 bij Café Tanger heeft bekeken. De verbalisant relateert naar aanleiding van die beelden waaruit het door vijf personen gepleegde geweld uit bestond. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging en de overige bewijsmiddelen, in samenhang bezien, genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat de groep waar de verdachte deel van uitmaakte bij het in bewijsmiddel 6 beschreven gewelddadige incident betrokken was. De klacht dat dit bewijsmiddel niet redengevend zou zijn voor de bewezenverklaring faalt dan ook. In dat licht staat ook vast dat het in bewijsmiddel 6 beschreven incident het onderhavige incident betreft. Daaraan doet niet af dat de betreffende beelden uit een andere bron (Casino Suikerland) zijn verkregen dan die van bewijsmiddel 5 (Café Tanger). Ook het in bewijsmiddel 6 genoemde tijdstip van de beelden, te weten vanaf omstreeks 19:45 uur, volgt, in tegenstelling tot de steller van het middel betoogt, onder meer ook uit de in bewijsmiddel 2 gebezigde verklaring omtrent het incident (“omstreeks 20:00 uur zat ik buiten met nog wat personen (…)”).

31. Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen (7, 8 en 9) niet blijkt:

(i) wie [medeverdachte 1] is (de medeverdachte [medeverdachte 1] , D.P.);

(ii) op welke camerabeelden van welk incident een wapen te zien was;

(iii) om welk café het gaat;

(iv) wie [medeverdachte 2] is (de medeverdachte [medeverdachte 2] , D.P.);

(v) wie [medeverdachte 2] is (de medeverdachte [medeverdachte 2] , D.P.);

(vi) op welke wijze de verklaring van [medeverdachte 2] verband houdt met het incident en in welke relatie hij tot de verdachte en de gebeurtenissen op 20 april 2016 staat;

(vii) dat de bewijsmiddel 9 door de verbalisanten gerelateerde doorzoeking in verband staat met het gewelddadige incident op 20 april 2016,

kunnen die klachten, gezien ’s hofs bewijsoverweging en bewijsmiddelen, in samenhang bezien, dan wel vanwege een verkeerde lezing van het arrest, niet slagen.

32. Het tweede middel faalt in al haar onderdelen.

33. Het eerste middel is ten dele terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.

34. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

35. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9774, NJ 2011/451 m.nt. J.M. Reijntjes.

2 Zie: HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526 en HR 20 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0710, NJ 1998/22 m.nt. J.M. Reijntjes.

3 Vgl. 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416, rov. 3.3, onder verwijzing naar HR 29 april 1997, NJ 1997/666, HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2082, NJ 2010/390, HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362, en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:722.

4 Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416, rov. 3.4.

5 Vgl. E.T. Luining, De beperkt anonieme getuige: een puzzel, Strafblad 2018/8, 12 maart 2018.

6 Zie bijvoorbeeld: HR 6 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1245.

7 Zie: J. de Hullu, Materieel strafrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 467. Zie voorts HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320, r.o. 3.2: “(…)De rechter zal derhalve moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging zich, gelet op de aard van het delict, in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is mede toepasselijk op — en wordt ook frequent toegepast bij — openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen — soms moeilijk doorzichtige — dynamiek. (…)

8 Zie onder ander HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209.

9 Zie o.a. M.J. Dubbelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs; totstandkoming en waardering van strafrechtelijke getuigenverklaringen in perspectief, Kluwer: Deventer 2014, p. 304.