Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:566

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
31-05-2019
Zaaknummer
18/00416
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1136
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Bewijsklacht medeplegen: is de verdachte aan te merken als medepleger van vier oplichtingen? Klacht inzake (de begrijpelijkheid van) ’s hofs toewijzingen van de vorderingen van de benadeelde partijen. Beide klachten falen. Klacht inzake overschrijding redelijke termijn slaagt. Strekt tot vernietiging v.w.b. de strafoplegging en verwerping van het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/00416

Zitting 28 mei 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 23 november 2017, wegens de onder 1 bewezenverklaarde ‘diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ en het onder 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde ‘medeplegen van oplichting’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft beslist op de vordering van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest omschreven.

  2. Er bestaat samenhang met de zaak 18/00417. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

  4. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de onder 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde feiten, dan wel over ‘s hofs verwerping van het hieromtrent namens de verdediging gevoerde verweer.

  5. Ten laste van de verdachte is onder 2 primair, 3 primair, 4 primair en 5 primair bewezenverklaard dat:

“(…)

2 primair:

in de periode van 13 februari 2013 tot en met 21 februari 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] en [A] en/of [getuige] heeft bewogen tot de afgifte van een mengpaneel (Pioneer DJM900) en twee CD spelers (CDJ2000) en een monitor (RcfTt25 Sma) en twee microfoons (Shure Six Beta 58) en drie kisten (flightcases) en bijbehorende kabels en/of het aangaan van een schuld, te weten het (op [getuige] naam) overeenkomen van een contract met het [A] voor de huur van voornoemde goederen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- het [e-mailadres 1] ” aangemaakt, zijnde een e-mailadres dat de suggestie wekte het e-mailadres te zijn van [getuige] en

- telefonisch contact opgenomen met voornoemd bedrijf en daarbij zich voorgedaan als [getuige] en een offerte gevraagd voor het huren van (zogenaamde) DJ-apparatuur, en

- het e-mailadres “ [e-mailadres 1] ” opgegeven aan voornoemd bedrijf voor het ontvangen van bovengenoemde offerte, en

- tegen die [getuige] gezegd dat hij feesten zou organiseren en

- aan die [getuige] gevraagd of hij voor verdachte DJ apparatuur wilde huren voor voornoemde feesten en zich daarbij wilde legitimeren met zijn, [getuige] , identiteitsbewijs, en

- aan die [getuige] (contant,) geld gegeven teneinde aan dat bedrijf de huur en de borg van voornoemde apparatuur te betalen, en

- die [getuige] vervolgens naar voornoemd bedrijf gebracht/vervoerd, alwaar die [getuige] een contract voor de huur van voornoemde apparatuur heeft getekend,

waardoor die [betrokkene 1] en/of die [getuige] werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

3 primair:

in de periode van 13 februari 2013 tot en met 20 februari 2013 te Emmeloord tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, [alias 1]

en het [benadeelde 1] en/of [getuige] heeft bewogen tot de afgifte van twee CD spelers (Pioneer CDJ2000) en een mengtafel (Pioneer DJM900) en een koffer (flightcase) en/of het aangaan van een schuld, te weten het (op [getuige] naam) overeenkomen van een contract met het [benadeelde 1] voor de huur van voornoemde goederen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- het [e-mailadres 1] ’ aangemaakt, zijnde een e-mailadres dat de suggestie wekte het e-mailadres te zijn van [getuige] , en

- het [e-mailadres 1] ” opgegeven aan voornoemd bedrijf voor het ontvangen van bovengenoemde offerte, en

- tegen die [getuige] gezegd dat hij feesten zou organiseren en

- aan die [getuige] gevraagd of hij voor verdachte DJ apparatuur wilde huren voor voornoemde feesten en zich daarbij wilde legitimeren met zijn, [getuige] , identiteitsbewijs, en

- aan die [getuige] (contant) geld gegeven teneinde aan dat bedrijf de huur en de borg van voornoemde apparatuur te betalen, en

- die [getuige] vervolgens naar voornoemd bedrijf gebracht/vervoerd, alwaar die [getuige] een contract oor de huur van voornoemde apparatuur heeft getekend,

waardoor die [benadeelde 1] en/of die [getuige] werd(en) bewogen tot het aangaan van bovenomschreven schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

4 primair:

in de periode van 2 februari 2013 tot en met 3 februari 2013 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels het [B] en/of [betrokkene 2] heeft bewogen tot afgifte van een luidspreker (JBL PRX 612) en een microfoon (Sennheiser e835S) en een microfoonstandaard (K&M speakerstand) en

twee CD spelers (Pioneer CDJ2000) en een mengpaneel (Pioneer DJM700) en een storage box en een hoeveelheid elektronica en/of het aangaan van een schuld, te eten het (op [betrokkene 2] naam) overeenkomen van een contract met liet [B] voor de huur van voornoemde goederen hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat hij een feest had aankomend weekend en daarvoor een DJ-set nodig had, en

- tegen die [betrokkene 2] gezegd dat hij geen identiteitskaart had en dat hij genoemde apparatuur derhalve niet zelf kon huren, en

- aan die [betrokkene 2] gevraagd of hij voor verdachte DJ apparatuur wilde huren voor voornoemd feest en zich daarbij wilde legitimeren met zijn, [betrokkene 2] , identiteitsbewijs, en

- die [betrokkene 2] contant geld gegeven en naar een bankfiliaal gebracht/vervoerd zodat die [betrokkene 2] dat geldbedrag op zijn rekening kon storten teneinde aan voornoemde bedrijf de huur van voornoemde apparatuur te betalen en

- die [betrokkene 2] vervolgens naar voornoemd bedrijf gebracht/vervoerd, alwaar die [betrokkene 2] een contract voor huur van voornoemde apparatuur heeft getekend,

waardoor voornoemde [betrokkene 2] en/of een medewerker van voornoemd bedrijf werd(en) bewogen tot het aangaan van bovengenoemde schuld en/of tot bovenomschreven afgifte;

5 primair:

in de periode van 13 juni 2013 tot en met mei 28 juni 2013 te Elst tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een vaIse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 5] en het bedrijf [C] heeft bewogen tot de afgifte van twee CD-spelers (Pioneer CDJ2000 Nexus) en een

soundmixer (Pioneer MDJ900) en drie koffers (flightcases) en bijbehorende kabels, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- het e-mailadres “ [e-mailadres 2] ” aangemaakt, zijnde een e-mailadres dat de suggestie wekte het e-mailadres te zijn van een ander dan verdachte en/of zijn mededaders, en

- via voornoemd e-mailadres een e-mail gestuurd naar voornoemde bedrijf met de mededeling dat de afzender DJ apparatuur wilde huren, en

- zich bij voornoemd bedrijf gelegitimeerd met een identiteitsbewijs op naam van [betrokkene 5] en op die naam een contract voor de huur van voornoemde apparatuur getekend,

waardoor die [benadeelde 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte”.

6. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging aangevoerd – kort samengevat – dat de bijdrage van de verdachte aan de bewezenverklaarde feiten slechts hierin bestond dat hij de eigenaar dan wel chauffeur van de auto’s was waarmee [getuige] , [betrokkene 2] en de gehuurde apparatuur zouden zijn vervoerd. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de winkels is geweest van de mensen die zijn opgelicht, noch kan hem een andere bijdrage aan de tenlastegelegde feiten dan het zojuist genoemde vervoer worden toegeschreven.1

7. De bewezenverklaring steunt op de volgende (van de rechtbank overgenomen, maar deels aangepaste) overwegingen, zoals genoemd in het arrest van het hof:

“De rechtbank merkt allereerst op dat bij de feiten 2 tot en met 7 en feit 9 telkens sprake is van de huur van soortgelijke (DJ-)apparatuur en dat telkens voorafgaand aan de huur telefonisch contact is gelegd met de verhuurder, waarna een bevestiging per e-mail is verzonden met daarin de door de verhuurder gevraagde gegevens. De gebruikte e-mailadressen zijn veelal kort voor de huur aangemaakt op het IP-adres [...] . behorend bij [a-straat 1] te Almere. Het IP-adres is via een open wifi verbinding zonder wachtwoordbeveiliging te bereiken vanaf [a-straat 2] te Almere, het adres van [medeverdachte] . Daarnaast is voor het ophalen van de apparatuur gebruik gemaakt van een auto met [kenteken 1] van verdachte [verdachte] , van een auto met [kenteken 2] van de vader van [verdachte] die tevens door verdachte gebruikt wordt en van een huurauto die op naam van [verdachte] en [medeverdachte] is gehuurd. Voorts is in alle gevallen de gehuurde apparatuur niet retour gebracht na afloop van de huurperiode.

De rechtbank komt voor alle hierna besproken feiten tot een bewezenverklaring, ook ten aanzien van verdachte. De rechtbank baseert deze bewezenverklaring op de inhoud van de telkens per feit opgenomen bewijsmiddelen, die naar het oordeel van de rechtbank, zeker gelet ook op het gegeven dat daaruit betrokkenheid van verdachte bij meerdere gelijksoortige feiten blijkt, nadrukkelijk vragen om een uitleg van verdachte, terwijl verdachte die door zijn consequente beroep op zijn zwijgrecht niet heeft verschaft.

Uit de hierna per feit opgenomen bewijsmiddelen, ieder voor het feit waarop ze betrekking hebben, maar ook in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat er in alle gevallen sprake is geweest van een werkwijze waarbij voor een korte periode (DJ)apparatuur werd gehuurd, die daarna echter niet werd teruggebracht. Telkens werd daarbij aangegeven dat de apparatuur nodig was voor een feest en werden door of namens de daadwerkelijke huurders (verdachte en zijn medeverdachte(n)) identiteits- en/of adresgegevens opgegeven die niet van hen waren. Ook de voor het aangaan van de huurovereenkomst gebruikte e-mailadressen waren niet van verdachte en zijn mede- verdachte(n). In een aantal gevallen identificeerde de feitelijke huurder zich met een identiteitsbewijs dat niet van hem of haar was. Door op deze wijze gebruik te maken dan wel te laten maken van dergelijke gegevens en informatie zijn de betreffende bedrijven en de betrokken personen telkens op het verkeerde been gezet bij het aangaan van de huurovereenkomsten. Deze handelwijze is te typeren als oplichting, zodat de navolgende bewijsmiddelen moeten worden begrepen als telkens bewijs voor het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 tot en met 5 is daarbij telkens ook sprake van medeplegen, omdat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder hun eigen noodzakelijke rol hebben gehad in de uitvoering van het delict, zodat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking.

(…)”

8. In de kern klaagt het middel dat geen sprake was van medeplegen, hoogstens van handelingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht. Uit de bewijsvoering van het hof kan immers niet méér worden afgeleid dan dat de verdachte verantwoordelijk was voor het vervoer naar en van de opgelichte huurbedrijven. Die bewijsvoering ontbeert volgens de steller van het middel een omschrijving van de rol van de verdachte en de betekenis daarvan voor het bewezenverklaarde medeplegen van oplichting. Aangezien uit de bewijsvoering de ‘gezamenlijke uitvoering’ van de bewezenverklaarde feiten niet blijkt en het hof heeft nagelaten (nader) te motiveren waaruit de eventuele ‘wezenlijke bijdrage’ aan die feiten dan wel bestond, is ’s hofs oordeel hieromtrent onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende met redenen omkleed, aldus het middel. Voorts is ’s hofs overweging dat ‘gelet ook op het gegeven dat daaruit [uit de bewijsmiddelen, D.P] betrokkenheid van de verdachte bij meerdere gelijksoortige feiten blijkt, nadrukkelijk vragen om een uitleg van verdachte, terwijl verdachte die door zijn consequente beroep op zijn zwijgrecht niet heeft verschaft’, gezien verdachtes proceshouding en hetgeen namens de verdediging is aangevoerd onjuist. Tot slot klaagt het middel over de redengevendheid van de bewijsmiddelen 2 en 3, alsmede over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 5 primair bewezenverklaarde feit.

9. Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat de verdachte aangemerkt kan worden als medepleger van de bewezenverklaarde feiten. In zo’n geval moet sprake zijn van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen bij het plegen van het strafbare feit.2 De vraag of die samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken, vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de vorming van zijn oordeel kan de rechter hieromtrent rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, hoewel aan dat laatste op zichzelf geen al te grote betekenis toekomt. De bijdrage van de medepleger zal in de regel, maar niet uitsluitend, worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

10. Naast de bovengenoemde factoren die in aanmerking genomen kunnen worden bij de bepaling van de vraag of van medeplegen kan worden gesproken, kan ook de procesopstelling van de verdachte van belang zijn.3 Indien een verdachte wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij een strafbaar feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of van medeplegen kan worden gesproken. Aan het ontbreken van een dergelijke verklaring kunnen dus bewijsrechtelijke gevolgen worden verbonden.

11. Het middel klaagt dat uit ’s hofs bewijsvoering niet blijkt dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering. In zijn door de rechtbank overgenomen oordeel heeft het hof overwogen dat sprake was van medeplegen aangezien ‘verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder hun eigen noodzakelijke rol hebben gehad in de uitvoering van het delict, zodat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking’. Het heeft daartoe per bewezenverklaard feit, voor zover relevant, het volgende vastgesteld:

Feit 4:

(i) de aangever (mede namens het [B] te Almere) heeft verklaard dat hij DJ apparatuur heeft gehuurd voor een vriend, te weten de [medeverdachte] , terwijl die DJ apparatuur niet is geretourneerd. De [medeverdachte] is hem met nog een andere man komen halen met de auto, een Peugeot 307 met [kenteken 1] , waarna aangever met die andere man naar het verhuurbedrijf is gereden. De aangever heeft daarop de apparatuur gehuurd onder vertoon van zijn identiteitsbewijs. Die andere man heette ‘ [verdachte] ’ (de verdachte, D.P. );

(ii) De genoemde auto, de Peugeot 307 met [kenteken 1] , is van de verdachte;

(iii) Het verhuurbedrijf heeft als kenteken van de auto [kenteken 1] genoteerd;

(iv) Het (niet op naam van de verdachte of de medeverdachte gestelde) e-mailadres waarmee de reservering voor de DJ apparatuur is gedaan, is aangemaakt vanaf een netwerk dat toebehoort aan het adres van de [medeverdachte] ;

Feiten 2 en 3:

(v) (feit 2) Op vrijdag 15 februari 2013 kwamen omstreeks 11:30 uur twee mannen, één daarvan was [getuige] , de ander had een donkere huidskleur en had iets met een goudkleur bij zich, een tand, ketting of ring, het [A] te Tilburg binnen om de door hen gereserveerde DJ apparatuur op te halen. Die apparatuur is daarop niet geretourneerd;

(vi) (feit 2) De twee zojuist genoemde mannen reden in een Volkswagen Passat, grijs van kleur en voorzien van het [kenteken 2] ;

(vii) (feit 3) Op vrijdag 15 februari 2016 kwamen omstreeks 14:30 uur twee personen, één daarvan was [getuige] , de ander was vermoedelijk van Surinaamse afkomst, het [benadeelde 1] verhuur te Emmeloord binnen om de door [getuige] geserveerde DJ apparatuur op te halen. Die apparatuur is daarop niet geretourneerd;

(viii) (feit 3) De twee zojuist genoemde mannen reden in een Volkswagen Passat, grijs van kleur en voorzien van het [kenteken 2] ;

(ix) (feiten 2 en 3) Voornoemde [getuige] verklaart dat hij door de [medeverdachte] is gevraagd om DJ apparatuur te huren;

(x) Hij verklaart voorts dat hij met twee mannen, te weten [alias 2] (de [medeverdachte] ) en een blanke man (waarvan het hof later (zie onder xii) vaststelt dat dit de verdachte betreft, D.P.), naar de beide zojuist genoemde bedrijven is gegaan. [getuige] verklaart dat hij beide keren met die [alias 2] naar binnen is gegaan en dat die [alias 2] ongeveer 1.78 meter lang is, een beetje gespierd is en een gouden tand en kort, blokachtig haar heeft. De blanke man (volgens de vaststelling van het hof dus de [medeverdachte] ), die de auto bestuurde, had opgeschoren haar en zag er ‘duur uit. Qua kleding’;

(xi) [getuige] verklaart voorts dat hij niet wist dat onder zijn naam naar beide bedrijven is gemaild teneinde de DJ apparatuur te reserveren;

(xii) de voornoemde auto is van [betrokkene 3] , de vader van de verdachte die, zo blijkt uit het politiesysteem, zijn auto soms uitleent aan zijn zoon, te weten de verdachte;

(xiii) Het hof stelt vast dat uit de getuigenverklaring van MacDonald blijkt dat de verdachte naar Tilburg is gereden en dat het bovendien om uitleg van de verdachte vraagt waarom zijn (vaders) auto die dag twee keer is gebruikt voor het vervoer van apparatuur waarvan achteraf is gebleken dat die apparatuur niet is geretourneerd;

Feit 5:

(xiv) Aangever [benadeelde 5] van [C] te Elst heeft verklaard:

“Op donderdag 13 juni 2013 om 10.38 uur ontving ik een email van een persoon genaamd [betrokkene 4] . Haar emailadres was [e-mailadres 2] . Zij schreef dat ze as vrijdag 14 juni een surpriseparty gaf, maar dat haar dj zonder apparatuur zat. (...) Ik liet de man binnen en maakte een kopie van ‘zijn’ legitimatie. Hierop stond: ‘ [betrokkene 5] (...). De man betaalde mij zoals afgesproken 212 euro contant. (...) Ik zag dat de auto waarmee de man gekomen was voor mijn woning stond. Dit was een zwarte Opel Astra met [kenteken 3] . Ik zag dat er een jongen met blank uiterlijk achter het stuur van deze auto zat. Ik zag dat er een vrouw achterin de auto zat (...) Op de kentekenplaat van bovengenoemde auto stond het volgende vermeldt: ‘Autohuren? Bel 0800-8040, Multirent.nl'.(...) De volgend[e] dag, (...) hoorde ik niets van [betrokkene 4] of haar vriend [betrokkene 5] . Omstreeks 9.00 uur belde ik het telefoonnummer wat ik van [betrokkene 4] via de email ontvangen had. Dit nummer was [telefoonnummer] . (...) Ik sprak met de medewerker van Multirent Almere en ontving vervolgens vrijwillig een kopie van de rijbewijzen van de huurders van de zwarte Opel Astra met [kenteken 3] . De gegevens van het rijbewijs 1 waren: [medeverdachte] (...) Toen ik de foto van de man op het rijbewijs zag, herkende ik direct deze man. Dit was dezelfde man die op vrijdag 15 juni 2013 bij mij de gehuurde apparatuur had meegenomen. (...) De gegevens van rijbewijs 2 waren: [verdachte] (...) Toen ik de foto van de man op dit rijbewijs zag, herkende ik de man direct. Dit was de man die de zwarte opel Astra (...) bestuurde. (...) Omstreeks 11.15 uur zag ik (...) [medeverdachte] (...) het terrein van Multirent op reed. (...) Hierbij werd verduisterd: (...) Cd speler (...) Aantal 2 (...) Pioneer Cdj2000 Nexus (...) Soundmixer Pioneer Mdj 90025 26(...) Kabel Aantal 10 (...) Oa 3 flightcase; kabels; usb27”

(xv) Dezelfde aangever verklaart op een later moment dat hij zeker weet dat de man die hij bij Multirent Almere trof, de man was aan wie hij de DJ apparatuur had verhuurd (de [medeverdachte] ), hij herkende hem aan een tattoo aan de binnenzijde van zijn arm en aan zijn gouden tanden;

(xvi) Het kort voor dit feit aangemaakte (niet op naam van de verdachte of de medeverdachte gestelde) e-mailadres waarmee de reservering voor de DJ apparatuur is gedaan, is aangemaakt vanaf een netwerk dat toebehoort aan het adres van de [medeverdachte] ;

(xvii) De [medeverdachte] heeft verklaard dat hij wel eens een auto heeft gehuurd bij Multirent en dat hij daar op 17 juni 2013 is aangesproken door een man.

(xviii) Het hof heeft geconcludeerd dat de verdachte en zijn [medeverdachte] door de aangever zijn herkend, de reservering voor de DJ apparatuur via het niet op naam van de verdachte of medeverdachte gestelde e-mailadres is gedaan en dat de [medeverdachte] de persoon was die is aangesproken bij de Multirent, terwijl de auto waarmee dit feit is gepleegd gehuurd was op naam van de verdachte en zijn [medeverdachte] .

12. Ter terechtzitting van het hof is de verdachte gevraagd naar zijn betrokkenheid bij de oplichting van deze bedrijven.4 De verdachte verklaart hieromtrent dat hij ‘daar niets mee te maken [heeft]’ en dat hij ‘die auto’ verschillende keren heeft uitgeleend. Ook verklaart hij dat hij zich niet kan herinnneren dat hij ‘ooit met [medeverdachte] mee [is] geweest om ergens apparatuur op te halen.’ Tot slot verklaart hij dat hij van de politie voor het eerst over de oplichtingen heeft gehoord.

13. Gezien ’s hofs bewijsoverwegingen is bij alle tenlastegelegde oplichtingsfeiten sprake van overeenkomstige modus operandi en blijkt bij al die feiten de betrokkenheid van de verdachte. Het vervoer van en naar de opgelichte bedrijven en van de DJ apparatuur vond immers plaats in verdachtes auto, die van zijn vader (zelfs twee keer op één dag) of met een op zijn naam en die van de medeverdachte gehuurde auto met de verdachte als chauffeur. Voorts is hij door meerdere getuigen, te weten de personen die de apparatuur op hun naam hebben gehuurd, dan wel de eigenaren van de opgelichte bedrijven, tijdens het vervoer naar en van de bedrijven en/of bij de desbetreffende bedrijven gezien. In dit specifieke geval lag het dan ook op de weg van de verdachte om voor deze omstandigheden, in samenhang bezien, een aannemelijke verklaring te geven en kon het hof, mede gezien hetgeen ik zojuist heb vooropgesteld, aan het uitblijven van een dergelijke verklaring (bewijs)consequenties verbinden. Het hof heeft, mede gelet op de nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte bij een reeks van feiten met overeenkomstige modus operandi en de onderlinge taakverdeling tussen beiden, de verdachte daarmee mogen beschouwen als medepleger en niet als medeplichtige. Voor zover het middel klaagt dat het hof de procesopstelling van de verdachte niet had mogen meenemen in zijn oordeel nu hij wel iets heeft verklaard over de tenlastegelegde feiten, merk ik op dat het volgens vaste rechtspraak moet gaan om een door de rechter in het licht van de omstandigheden van het geval aannemelijk te achten verklaring. Gezien ’s hofs bewijsvoering heeft het hof geoordeeld dat daar in dit geval geen sprake van was. Uit deze en de in het voorgaande beschreven omstandigheden van het geval heeft het hof niet onbegrijpelijk kunnen oordelen dat de verdachte en zijn medeverdachte tezamen en vereniging deze oplichtingen hebben gepleegd. Daarin ligt voorts besloten ’s hofs verwerping van de hieromtrent namens de verdediging gevoerde verweren. ‘s Hofs oordeel dat de ‘verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder hun eigen noodzakelijke rol hebben gehad in de uitvoering van het delict, zodat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking’ is voorts toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.

13. Voorts klaagt het middel dat uit de bewijsvoering van de feiten 2 en 3 de betrokkenheid van de verdachte als chauffeur niet volgt. Ten aanzien van deze feiten heeft het hof op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsvoering zijn vervat, waaronder de verklaring van de [getuige] , geconcludeerd dat ‘verdachte [verdachte] naar Tilburg is gereden’ en dat ‘twee maal op één dag de auto van (de vader) van [verdachte] is gebruikt voor het huren van apparatuur, waarvan achteraf is gebleken dat deze niet geretourneerd zijn’. Dergelijke gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht en gezien hetgeen het hof daaromtrent heeft vastgesteld acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk.5

15. Tot slot wordt geklaagd dat de bewezenverklaring van feit 5 niet toereikend is gemotiveerd. Waarop het middel zijn pijlen ter zake van de bewijsvoering van feit 5 precies richt, maakt de toelichting niet geheel duidelijk. Niettemin acht ik ook ’s hofs oordeel hieromtrent niet onbegrijpelijk. De eigenaar van [C] verklaart immers dat hij de verdachte en zijn medeverdachte bij zijn bedrijf heeft gezien toen zij de DJ apparatuur kwamen ophalen en uit onderzoek is voorts gebleken dat de auto die zij daarvoor hebben gebruikt op naam van de verdachte en de medeverdachte is gehuurd. Ook in zoverre faalt het middel.

16. Het eerste middel faalt in al haar onderdelen.

17. Het tweede middel klaagt over de motivering van ’s hofs beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

18. Het hof heeft in zijn arrest ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende overwogen (vetgedrukt in het origineel):

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Ten aanzien van alle benadeelde partijen geldt, dat door of namens verdachte tegen de vorderingen inhoudelijk geen verweer is gevoerd. Dit maakt dat, nu de

Vordering van de [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.801,48. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 731,48. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter zake het bedrag zoals gevorderd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.146,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.874,10. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd oor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige, te weten de betaalde borgsom, is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van liet Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de [benadeelde 2] .

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.963,76. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.369,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter zake het bedrag zoals gevorderd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [C]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.093,80. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.905,30. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke ordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter zake het bedrag zoals gevorderd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

19. Ter terechtzitting van het hof van 9 november 2017 heeft de verdediging ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als standpunt aangevoerd: ‘Niet-ontvankelijk gezien standpunt vrijspraak’.6

20. Het middel klaagt over: (1) ’s hofs overweging ‘dat door of namens verdachte tegen de vorderingen inhoudelijk geen verweer is gevoerd. Dit maakt dat, nu de betreffende schadeveroorzakende feiten zijn bewezenverklaard, de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’, (2) ’s hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde [benadeelde 4] nu de gestelde materiële en immateriële schade onvoldoende is onderbouwd, dan wel dat de immateriële schade geen rechtstreekse schade betreft, en (3) ’s hofs toewijzingen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , aangezien de gestelde schade en/of hoogte van het schadebedrag onvoldoende is onderbouwd en het hof heeft verzuimd de afschrijving van de apparatuur te betrekken.

21. Bij de beoordeling van de klachten stel ik het volgende voorop. De vordering van de benadeelde partij in het strafproces betreft een vordering naar burgerlijk recht, op grond van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De regels van het burgerlijk recht zijn in dit geval overigens slechts van toepassing, voor zover die niet botsen met de dwingende regels van strafvordering en/of de beginselen van een eerlijk proces.7 De onrechtmatigheid van de schadeveroorzakende gedraging, de toerekenbaarheid aan de dader, en het causaal verband tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de schade zullen in de regel rechtstreeks volgen uit de bewezenverklaring van een (of meer) strafbar(e) feit(en). Waar het – na een bewezenverklaring – dan ook voornamelijk op aankomt, is het vaststellen van de omvang van de vergoedingsplicht (art. 6:95-110 BW).8

22. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij zijn de artikelen 51f en 361 Sv van belang. Art. 51f, eerste lid, Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Een vordering van een benadeelde partij komt op de voet van art. 361 Sv (slechts) voor toewijzing in aanmerking indien aan haar rechtstreeks schade is toegebracht door – voor zover hier relevant – het bewezenverklaarde feit. Het verschil tussen beide bepalingen is er in gelegen dat art. 51f Sv betrekking heeft op de vraag wie zich als benadeelde partij in het strafproces mag voegen – degene die rechtstreeks schade heeft ondervonden van de tenlastegelegde feiten - , terwijl de rechter in het stadium waar art. 361 Sv betrekking op heeft, toetst of de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

23. Van rechtstreekse schade is sprake indien er voldoende verband of samenhang bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde feit en anderzijds die schade. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde geleden schade. De voorwaarde van ‘voldoende verband’ hoeft overigens niet al te strikt te worden uitgelegd. De benadeelde partij doet daartoe opgave van de geleden schade en van de gronden waarop deze berust. Die schade kan van zowel materiële als immateriële aard zijn. Bij de vaststelling van de materiële schade zijn de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling van overeenkomstige toepassing. Indien de schade van immateriële aard is, wordt die ‘naar billijkheid’ toegekend en blijven de regels van stelplicht en bewijslast verdeling buiten beschouwing.9

24. Art. 361, vierde lid, Sv bepaalt dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen dient te zijn omkleed. De wet bedreigt niet-naleving van dit voorschrift niet met nietigheid. Aan de motivering van die beslissing worden door de Hoge Raad echter eisen gesteld, met name in het geval dat er verweer is gevoerd op de vordering van de benadeelde partij. Wanneer de verdachte de vordering niet heeft betwist en de vordering de rechter overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, mag de rechter met die constatering volstaan.10 Aan de vereisten van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv hoeft een dergelijke beslissing niet te voldoen.11 De beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing op een vordering van de benadeelde partij geschiedt in het licht van het gehele arrest en de diverse onderdelen daarvan in onderlinge samenhang bezien.

25. Terug naar het onderhavige geval. Ten aanzien van de eerste deelklacht betoogt het middel dat ’s hofs overweging ‘dat door of namens verdachte tegen de vorderingen inhoudelijk geen verweer is gevoerd. Dit maakt dat, nu de betreffende schadeveroorzakende feiten zijn bewezenverklaard, de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’ besloten ligt de rechtsopvatting dat wanneer ter zake van een vordering van een benadeelde partij geen (inhoudelijk) verweer is gevoerd, het enkele feit dat die schadeveroorzakende feiten bewezen zijn verklaard, betekent dat die vorderingen kunnen worden toegewezen, hetgeen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht is gebaseerd op een verkeerde lezing van het arrest. In de bestreden overweging brengt het hof slechts tot uitdrukking dat, indien door of namens de verdediging wél verweer was gevoerd, hij daar bij zijn beslissing op had moeten responderen, maar, nu dat niet het geval is, ‘de vorderingen in voege als na te melden kunnen worden toegewezen’. Voor zover het middel veronderstelt dat in de bestreden overweging besloten zou liggen dat het hof een (inhoudelijke) beoordeling van de vorderingen achterwege heeft gelaten (en heeft toegewezen) op de enkele grond dat de schadeveroorzakende feiten bewezen zijn verklaard en door of namens de verdachte geen verweer is gevoerd op die vorderingen, kan het niet slagen. Iets dergelijks volgt immers niet uit het arrest, hetgeen bevestiging vindt in de omstandigheid dat de vordering van de benadeelde partij Luimes AV niet volledig is toegewezen. De eerste deelklacht faalt dan ook.

26. In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof de vordering van de benadeelde [benadeelde 4] inzake de door hem geleden materiële en immateriële schade niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd heeft toegewezen. Ik deel dit standpunt niet. Het hof heeft bewezenverklaard dat – voor zover in dit kader relevant – de verdachte (en de medeverdachte) ten aanzien van de benadeelde partij geweld heeft/ hebben gepleegd ten tijde van een beroving, welk geweld onder meer bestond uit het slaan en stompen tegen het lichaam van die [benadeelde 4] en het trappen tegen zijn hoofd. Uit de aan het formulier ‘verzoek tot schadevergoeding’ (hierna: schadeformulier) gehechte bijlagen blijkt dat de benadeelde partij materiële schadeposten als de gestolen portemonnee met inhoud, hechtingen en gemiste werkdagen heeft opgevoerd. Daartoe zijn onder meer een medische verklaring en loonstrookjes overgelegd. Daarnaast volgt een beschrijving van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade. In het licht van de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte en hetgeen ik hieromtrent heb vooropgesteld, acht ik de toewijzing van deze (onderbouwde) schadeposten, die volgens het hof rechtstreeks het gevolg zijn van die bewezenverklaarde handelingen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij speelt ook een rol dat de rechter de immateriële schade naar billijkheid kan vaststellen en de verdediging de schadeposten ter terechtzitting van het hof niet heeft betwist. De tweede deelklacht faalt.

27. Tot slot klaagt het middel over de toewijzingen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Meer in bijzonder zou het hof hebben verzuimd de afschrijving van de apparatuur te betrekken. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de genoemde benadeelde partijen heeft opgelicht door – kort gezegd – met valse persoonsgegevens (DJ-)apparatuur te huren en niet te retourneren. De benadeelde partijen hebben, gezien de schadeformulieren, onderbouwd welke (materiële) schade zij door de bewezenverklaarde strafbare feiten hebben geleden. Onder meer hebben zij gevorderd de kosten van de apparatuur als beschreven in de bewezenverklaringen en gederfd loon. Door de verdediging zijn deze schadeposten ter terechtzitting van het hof niet betwist. Het hof heeft genoemde vorderingen (gedeeltelijk, in het geval van [benadeelde 1] ) toegewezen. Die beslissingen acht ik, gezien hetgeen ik heb vooropgesteld en wederom in het licht van de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel klaagt dat het hof niet begrijpelijk heeft nagelaten de afschrijving van de apparatuur bij de vaststelling van de hoogte van de schade te betrekken, kan het niet slagen. Hieromtrent is door of namens de verdediging in feitelijke aanleg geen verweer gevoerd en dit punt kan niet eerst in cassatie te berde worden gebracht. De beoordeling van de gegrondheid van dit verweer zou een onderzoek van feitelijke aard vergen waarvoor in cassatie geen plaats is.12 Ook deze deelklacht faalt.

28. Het tweede middel faalt.

29. Het derde middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn.

30. Namens de verdachte is op 29 november 2017 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 13 november 2018 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken (van de niet preventief gehechte verdachte) naar de Hoge Raad bedraagt acht maanden en is derhalve met drie en een halve maand overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Reparatie van deze schending door een voortvarende behandeling behoort niet meer tot de mogelijkheden. Dit zal er toe dienen te leiden dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf door de Hoge Raad wordt verminderd.13

31. Ambtshalve heb ik voor het overige geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 november 2017 gehechte pleitaantekeningen, p. 7-9.

2 Zie voor deze en volgende beschouwingen van algemene aard onder meer HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413 m.nt. N. Rozemond, HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P. Mevis en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716, NBSTRAF 2015/99 m.nt. J.S. Nan.

3 Zie: HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:415.

4 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 november 2017, p. 2.

5 Vlg. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530.

6 Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 9 november 2017 gehechte pleitaantekeningen, p. 10.

7 Zie onder andere HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755.

8 Zie: F I. Schild & A. Felix, ‘Stelplicht, bewijslastverdeling en de civiele vordering van de benadeelde partij in het strafproces’, NJB 2019/686, afl. 13.

9 Zie: HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256, HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1522, NJ 2016/335 en HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:175. Zie wederom ook I. Schild & A. Felix, ‘Stelplicht, bewijslastverdeling en de civiele vordering van de benadeelde partij in het strafproces’, NJB 2019/686, afl. 13.

10 Zie F.F. Langemeijer, Het slachtoffer en het strafproces (Studiepockets strafrecht, nr. 35), Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 114.

11 Zie: HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762: “3.3 Voor zover het middel berust op de opvatting dat ten aanzien van de motivering van een op een vordering van een benadeelde partij te nemen beslissing ‘aansluiting dient te worden gezocht’ bij het motiveringsvoorschrift van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv faalt het. Die opvatting is niet juist.”

12 Vlg. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Wolters Kluwer: Deventer 2018, p. 258.

13 Zie: HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 (Redelijke termijn II), NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis.