Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:562

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
02-04-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
18/03090
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:830
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Doodslag door nieuwe vriend van zijn ex-vriendin n.a.v. ruzie op straat in Amsterdam meermalen met mes in borstkas en hals te steken. 1. Noodweerexces. 2. Vordering b.p. toegewezen wat betreft shockschade. 3. Schriftuur b.p. Vordering b.p. n-o wat betreft vergoeding van kosten van stille tocht. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/03090

Zitting: 2 april 2019

Mr. P.C. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 26 juni 2018 door het hof Amsterdam wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van een inbeslaggenomen voorwerp en de vorderingen van benadeelde partijen en betalingsverplichtingen opgelegd, een en ander als in het arrest nader omschreven.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het tweede middel is tegengesproken door mr. C. Bijl, advocaat te Amsterdam en zij heeft tevens namens de benadeelde partij een middel van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen namens de verdachte

  4. Het eerste middel klaagt over de motivering van de beslissing van het hof op het beroep op noodweerexces.

  5. In het bestreden arrest heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte:

"op 4 juli 2016 te Amsterdam [slachtoffer ] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met een mes in de borstkas en in de hals van die [slachtoffer ] te steken".

6. In het bestreden arrest heeft het hof naar aanleiding van een gevoerd verweer onder meer overwogen:

"Het oordeel van het hof

(…)

In de onderhavige zaak ziet het hof zich in het bijzonder voor de vraag gesteld of het aannemelijk is geworden dat de verdachte op 4 juli 2016 vlak voor de steekpartij in een wurggreep werd aangehouden door [slachtoffer ] , en zo ja, hoe lang en hoe intensief deze wurggreep is geweest.

(…)

De verdachte, die zich naar eigen zeggen "gebroken, gebruikt, vernederd, verdrietig, bedrogen en boos" voelde, liep scheldend en tierend achter [betrokkene] en [slachtoffer ] aan. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer ] niets aan wilde doen - hij was juist bang voor hem - maar hij wilde wel duidelijkheid. [betrokkene] heeft verklaard dat zij hoorde dat de verdachte bleef schelden en "K-woorden" tegen haar zei. Dat ging minutenlang door totdat [slachtoffer ] zich omdraaide en tegen de verdachte zei: "Weet je? Je hebt nu genoeg gescholden, nu is het genoeg. Nu moet je weggaan!" De verdachte bleef schelden, waarop een gevecht ontstond tussen de verdachte en [slachtoffer ] .

De verdachte heeft verklaard dat hij bij dit gevecht door [slachtoffer ] werd gewurgd en met de vuist werd geslagen in zijn maag. Hij kreeg geen lucht meer en alles werd licht in zijn hoofd. Hij dacht dat hij doodging, er kwam een soort waas voor zijn ogen en hij voelde paniek en angst. De verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat dit het moment is geweest waarop hij het mes heeft gepakt en open heeft geklapt. De verdachte heeft verklaard dat hij zich op het moment zelf niet bewust was van wat hij deed. Hij denkt dat hij drie of vier keer heeft gestoken.

Het hof merkt allereerst op dat de angst die de verdachte heeft verklaard te hebben gehad voor [slachtoffer ] sterk gerelativeerd moet worden aangezien hij - ondanks meerdere verzoeken van [slachtoffer ] om op te houden met schelden en weg te gaan - op 4 juli 2016 scheldend en tierend achter [slachtoffer ] en [betrokkene] aan is blijven lopen en daarmee de confrontatie met hen beiden steeds heeft opgezocht, terwijl [slachtoffer ] steeds door wilde lopen en, duidelijk waarneembaar voor de verdachte, geen zin had in een confrontatie.

(…)

Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de verdachte pas geruime tijd na het incident voor het eerst met een verklaring is gekomen. Hij was er naar eigen zeggen nog niet klaar voor om eerder een verklaring af te leggen. De enige personen met wie de verdachte wél direct na het incident heeft gesproken over wat er was voorgevallen zijn de moeder en een tante van de verdachte. Het zou in de rede hebben gelegen dat de verdachte de door hem beschreven bijna-doodervaring door de aanval van [slachtoffer ] meteen uitvoerig met deze vertrouwde personen zou hebben gedeeld, hetgeen niet blijkt uit de verklaringen van moeder en tante. Het hof is van oordeel dat deze opvallende omissie in grote mate afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht van de fatale steekpartij.

De enige getuige die het door de verdachte geschetste scenario enigszins ondersteunt is getuige [getuige 1] , die tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij heeft gezien dat het slachtoffer boos reageerde op de dader en dat het slachtoffer de dader had vastgepakt, waarbij hij zijn linkerarm om het hoofd van de dader had geslagen. [getuige 1] heeft verder verklaard dat zij heeft gezien dat de dader inmiddels niet meer met zijn hoofd onder de arm van het slachtoffer zat toen hij het mes uit zijn tasje pakte. [getuige 1] verklaart dat ze zag dat de dader op het slachtoffer instak. Zij heeft één stekende beweging gezien.

Het valt op dat [getuige 1] in haar vlak na het voorval tegenover de politie afgelegde verklaring niet heeft gerept over het in een nekklem houden van de verdachte door het slachtoffer. Voorts merkt het hof op dat de verklaring van [getuige 1] in belangrijke mate afwijkt, niet alleen van wat door de andere getuige is waargenomen en verklaard, maar ook van hetgeen objectief kan worden vastgesteld. [getuige 1] heeft één stekende beweging gezien, terwijl de schouwarts dertien steekwonden bij het slachtoffer heeft vastgesteld en heeft geconcludeerd dat het intreden van de dood kan worden verklaard door verwikkelingen van vijf steken in de borstkas en de hals. De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat de dader zeker acht à tien keer op het slachtoffer in heeft gestoken. De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat de dader een mes pakte en meermalen op de andere man (het hof begrijpt: [slachtoffer ] ) instak. [getuige 3] heeft voorts verklaard dat ze heeft gezien dat de dader bovenhandse, slaande bewegingen maakte richting de ander (het hof begrijpt: [slachtoffer ] ) die toen op de grond lag. Een ander verschil tussen de versie van [getuige 1] en die van andere getuigen is dat [slachtoffer ] volgens meerdere getuigenverklaringen door de dader tegen een muur of een heg werd geduwd en ten val kwam waarna de dader zich over hem heen boog en meermalen op hem instak.

Mede gelet op de discrepantie tussen de verklaring van [getuige 1] zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris en de andere getuigenverklaringen, die wat het aantal steekbewegingen betreft worden ondersteund door objectieve feiten, acht het hof de door [getuige 1] geschetste gang van zaken niet aannemelijk en zal daarom deze verklaring niet gebruiken voor het bewijs.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de door de verdachte geschetste gang van zaken ten aanzien van het in een wurggreep gehouden worden door [slachtoffer ] niet aannemelijk geworden. Het hof neemt als vaststaand aan dat er vlak vóór de fatale steekpartij een gevecht - bestaande uit duw- en trekwerk - is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer ] , waarbij [slachtoffer ] uiteindelijk op de grond is terechtgekomen en is neergestoken door de verdachte, die over [slachtoffer ] heen gebogen was.

Gelet op het vorenstaande is het hof, met de advocaat-generaal en anders dan de raadsman, van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in (of vlak na) een noodweersituatie.

(…)”.

7. Het kader voor de beoordeling van het middel vormt het overzichtsarrest van de Hoge Raad uit 2016.1 De verwerping van het hof2 komt er op neer dat het hof niet aannemelijk acht dat er sprake was van een aanranding van het lijf van verdachte. Dat is de eerste feitelijke vaststelling die moet worden gedaan alvorens de voor noodweerexces als bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr vereiste noodweersituatie aannemelijk te kunnen achten. Het komt daarbij aan op de selectie en waardering van de feiten en voor de verdere toetsing is in cassatie niet veel andere ruimte dan een begrijpelijkheidstoets.

8. Het hof neemt bij de vaststelling dat van een aanranding in de zin van art. 41 Sr geen sprake is geweest niet alleen de verklaring van de verdachte, maar ook die van de getuige [getuige 1] in aanmerking. Het lijkt mij gelet daarop kennelijk anders dan de stellers van het middel niet aangewezen de verklaring van [getuige 1] volledig geïsoleerd te bezien. Het hof noemt twee factoren die in hoge mate afbreuk doen aan de verklaring van de verdachte over een aanranding van zijn lijf (wurggreep) en wel kort samengevat: de relativering van zijn angst voor het slachtoffer en het tijdstip waarop hij tegenover de politie en justitie, maar ook tegenover degenen die hem vertrouwd zijn komt met de verklaring die erop neer komt dat hij door het slachtoffer is aangevallen. Onbegrijpelijk is dat niet.

9. Het kan moeilijk anders dan dat de waardering door het hof van de verklaring van verdachte over een aanval licht werpt op de waardering van de verklaring van de getuige [getuige 1] . In de toelichting op het middel wordt niet weersproken dat de getuige pas bij de rechter-commissaris over een wurggreep heeft verklaard, terwijl zij hier tegenover de politie niets over heeft verklaard. Dat niet onbegrijpelijke argument om te twijfelen aan de verklaring van de getuige blijft daarmee in ieder geval staan. In de toelichting op het middel wordt niet betwist dat er discrepantie bestaat tussen de verklaring van de getuige [getuige 1] en die van andere getuigen en evenmin dat de verklaring van de getuige [getuige 1] dat er een keer is gestoken niet aansluit bij andere waarnemingen. In zoverre is de motivering van de beslissing van het hof op het gevoerde verweer dus reeds niet ontoereikend of onbegrijpelijk.

10. Voor de discrepantie en het ontbreken van aansluiting als boven bedoeld wordt nu in cassatie (evenals overigens in feitelijke aanleg) een verklaring gegeven, te weten dat [getuige 1] de eerste fase van de confrontatie heeft gezien en de verklaringen van andere getuigen slechts relateren over hetgeen na de aanranding heeft plaatsgehad. Die versie in de toelichting op het middel zou de motivering van de verwerping van het verweer onbegrijpelijk maken (schriftuur 1.12), maar ik kan daarin niet meegaan omdat die versie wel degelijk haaks staat op een verklaring van een andere getuige. De als bewijsmiddel 4 in de aanvulling op het arrest gebezigde verklaring van de getuige [getuige 2] houdt namelijk in:

“U vraagt of ik heb gezien wat er zojuist is gebeurd. Ik zat op een bankje op het [a-straat] (het hof begrijpt: te [plaats] ) en zag en hoorde een ruzie tussen drie personen. Twee mannen en een vrouw. De vrouw probeerde de ruzie te sussen, maar de mannen gingen vechten. De vrouw rende ineens weg, richting [b-straat] . Toen zag ik dat een van de twee mannen een mes pakte, een scherp klein mes (5 à 10 centimeter lang). Hij stak zeker acht à tien keer op de andere man in. Hij (het hof begrijpt uit de context: de verdachte) raakte de man (het hof begrijpt uit de context: [slachtoffer ] ) op zijn linkerborst, ter hoogte van zijn hart.”

11. In de toelichting wordt verder nog (schriftuur onder 1.13) aandacht gevraagd voor de indringendheid van de verklaring van de getuige [getuige 1] en de omstandigheid dat de rechtbank de verklaring van de getuige betrouwbaar heeft geacht. Dergelijke argumenten zijn in cassatie niet relevant. Ze zijn namelijk niet te operationaliseren, omdat zij vragen om feitelijke waardering. Aan te nemen valt dat het hof ook oog heeft gehad voor de indringendheid van de verklaring en de omstandigheid dat de rechtbank de verklaring van de getuige [getuige 1] wel betrouwbaar achtte.

12. Het eerste middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt over de motivering van de beslissing van het hof tot toewijzing van de benadeelde partij voor zover het betreft de shockschade.

14. Het bestreden arrest bevat, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, de volgende overwegingen inzake de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] :

'Verder is komen vast te staan dat de benadeelde partij, zoals zij heeft gesteld en onderbouwd, als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden. Daarbij is van belang dat van de zijde van de verdachte op zichzelf niet gemotiveerd is betwist dat door de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen geachte feit dergelijke schade is geleden. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat begroting van de shockschade geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal de omvang van de shockschade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid schatten op € 15.000,00, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat de benadeelde partij:

- werd geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het misdrijf en met de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden aangezien zij haar overleden zoon [slachtoffer ] moest identificeren en daarbij het letsel dat onder andere zichtbaar was in de nek van haar zoon heeft gezien. Uit het schouwverslag en het rapport van het NFI blijkt dat er diepe steekwonden waren in de hals;

- aannemelijk is dat dit bij haar een hevige schok teweeg heeft gebracht, mede getuige het feit dat zij met een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) is gediagnosticeerd, waarvoor zij zich langdurig onder psychologische behandeling heeft moeten stellen en dat er bij haar als gevolg van het bewezen verklaarde sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld in de vorm van DSM-V;

- nog altijd kampt met ernstige psychische klachten. (…).”

15. De beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 18.205,08 (achttienduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) bestaande uit € 3.205,08 (drieduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

(…)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 18.205,08 (achttienduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) bestaande uit € 3.205,08 (drieduizend tweehonderdvijf euro en acht cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 126 (honderdzesentwintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. (…).”

16. Voor de beoordeling van het middel is de volgende overweging uit de (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad3 van betekenis:

“Gelet op HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201).”

17. In de toelichting op het middel wordt bestreden dat uitsluitend de omvang van shockschade is betwist en gesteld dat niet blijkt dat het hof de schade heeft onderzocht aan de hand van de vereisten uit de vaste rechtspraak.

18. In de hierboven geciteerde overweging uit het bestreden arrest heeft het hof het standpunt namens verdachte als volgt samengevat: van de zijde van verdachte is op zichzelf niet gemotiveerd betwist dat door benadeelde partij ten gevolge van het bestreden geachte feit dergelijke shockschade is geleden. Die samenvatting wordt onbegrijpelijk geacht omdat de verdediging “uitdrukkelijk naar het vonnis van de rechtbank heeft verwezen”. De rechtbank heeft na beslissingen over materiële schade en affectieschade bepaalt dat “de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is”. Het vonnis bevat daarvoor als motivering:

“Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat vooralsnog niet kan worden vastgesteld dat bij de benadeelde partijen ten gevolge van het waarnemen van of de confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De vorderingen, zoals deze thans voorliggen, zijn hiertoe niet genoegzaam onderbouwd.”

19. Ik merk allereerst op dat de klacht in de toelichting op het middel nogal onbepaald is. Immers, een vindplaats van en een passage waarop is gedoeld ontbreekt. Kennelijk wordt dus niet gedoeld op een eventuele betwisting van de verdediging van de shockschade in eerste aanleg, maar in het algemeen op de beslissing van de rechtbank die zojuist is geciteerd. Ook als de klacht op deze wijze wordt gelezen moet worden opgemerkt dat ik zonder nadere toelichting in het proces-verbaal van de zitting van het hof niet lees dat de verdediging heeft betoogd dat voor de beslissing inzake shockschade wordt verwezen naar (en kennelijk dan ook moet aangesloten bij) de beslissing van de rechtbank. De stelling in de toelichting dat de verdediging bij de behandeling van de vordering, voor zover deze shockschade betreft, heeft verwezen naar het vonnis van de rechtbank mist, voor zover ik kan overzien, feitelijke grondslag.

20. Indien er desondanks van uit zou worden gegaan dat er door de verdediging in hoger beroep voor de shockschade is verwezen naar de beslissing van de rechtbank blijft de klacht mistig. Volgens de hierboven geciteerde passage uit het vonnis van de rechtbank van 14 juni 2017 ontbrak immers de onderbouwing met een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Juist die onderbouwing is echter in hoger beroep aangevuld. Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 29 mei en 12 juni 2018 houdt immers in dat de voorzitter mededeling doet van een brief van 8 februari 2018 van toenmalig raadsvrouw van de nabestaanden met een toelichting op de deels gewijzigde vorderingen. Bij die brief is een bijlage gevoegd van een GZ-psycholoog van 12 januari 2018 met een diagnose volgens de classificatie van DSM-V. Bij die stand van zaken kan een loutere verwijzing naar de beslissing van de rechtbank anders dan de stellers van het middel kennelijk menen niet betekenen dat de grondslag van de vordering tot vergoeding van shockschade, voor zover het betreft een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, in hoger beroep is betwist. Ik volg de stellers van het middel dus niet als zij menen dat in hoger beroep is betoogd dat er sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding in verband met de vraag of er sprake is van shockschade. Iets anders is de omvang van die schade, maar dat wordt hier nu juist niet als het discussiepunt beschouwd.

21. Nu niet blijkt dat de vordering, voor zover het betreft de vraag of er sprake was van shockschade, in hoger beroep is betwist, had het hof voor wat betreft de grondslag van de vordering met die vaststelling kunnen volstaan. Het hof volgde echter het schema uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad: een nauwe affectieve relatie met degene die is gedood bij het tenlastegelegde (moeder-zoon), een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de dood (waarnemen van diepe steekwonden in de hals bij het identificeren van het haar zoon) waardoor een hevige emotionele schok is teweeggebracht (als DSM-V ziektebeeld een posttraumatische stressstoornis volgens diagnose GZ-psycholoog). Enig gebrek in de motivering herken ik niet.

22. Ten slotte wordt nog geklaagd dat er behalve de directe confrontatie bij het identificeren nog andere oorzaken bestaan van de stoornis, met name de niet directe confrontatie met de gevolgen door de bestudering van het dossier (en het bijwonen van de zittingen). Die niet directe confrontatie kan niet de grondslag van de schade vormen. Die klacht faalt reeds nu uit de motivering van het hof in het geheel niet blijkt dat die gevolgen voor wat betreft het ontstaan van de schade in aanmerking zijn genomen. Het gaat hier overigens om een puur feitelijke waardering waarbij de feitenrechter grote vrijheid toekomt.4

23. Het tweede middel heeft geen kans van slagen.

Middel namens de benadeelde partij [benadeelde]

24. Het middel klaagt over de motivering van de beslissing van het hof om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren voor zover het betreft de vergoeding van de kosten van de stille tocht.

25. De gewraakte motivering van de beslissing van het hof luidt als volgt:

“Ten aanzien van de post kosten van de stille tocht ad € 1.746,62 is het hof van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu niet zonder meer gezegd kan worden dat deze kosten moeten worden gerekend onder die van de lijkbezorging. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans voor dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”

26. Ook in hoger beroep kan de rechter bepalen dat de vordering van de benadeelde partij geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk is indien de behandeling daarvan naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voorts kan dan worden bepaald dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt (art. 361 lid 3 Sv in verbinding met art. 415 Sv). Het hof heeft deze bepaling voor wat betreft de kosten van de stille tocht toegepast.

27. De klacht wordt gebaseerd op de stelling dat sprake is van schending van de Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten.5 Dat is zonder ontbrekende nadere toelichting over die basis een slag in de lucht. Dat er ook voor nabestaanden toereikende voorzieningen dienen te zijn om schadevergoeding te verzoeken is niet ter discussie, maar dat die Richtlijn exclusief verplicht tot vergoeding van schade van nabestaanden binnen het strafproces, zie ik zonder nadere toelichting niet in. De mogelijkheid om vergoeding tot schade te vorderen bij de burgerlijke rechter staat onverkort open.6

28. De voeging van de benadeelde partij berust, voor zover hier van belang, op het tweede lid van art. 51f Sv dat als volgt luidt:

“Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.”

29. Het hier van belang zijnde art. 108, tweede lid, van Boek 6 van het BW luidt:

“Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.”

30. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich het zogenaamde Verzoek tot schadevergoeding. Onder rubriek 4A Materiële schade is onder verwijzing naar bijlage A1 vermeld: Materiële schade direct gevolg t.l.l.: 4.857,67. Uit bijlage A1 blijkt dat dit bedrag onder meer is opgebouwd uit een bedrag voor de kosten van een stille tocht op 15 juli 2016: heliumballonnen en speciaal ballonnenlint, bedrukken T-shirts en huren ruimte, uitnodigingen, cameraman, witte duif, catering, bloemen en speciale kaarsen plaats delict.

31. Het hof heeft het verzoek tot schadevergoeding wegens kosten van de stille tocht aangemerkt als een verzoek tot vergoeding van kosten als bedoeld in art. 51f Sv in verbinding met art. 6:108, tweede lid, BW. Daarover wordt niet geklaagd – integendeel, in de schriftuur wordt juist gesteld dat het om kosten van lijkbezorging gaat – en het komt mij ook niet onjuist of onbegrijpelijk voor het verzoek aan te merken als een verzoek tot vergoeding van kosten van lijkbezorging. Daarmee is derhalve de vraag of de geclaimde kosten voor lijkbezorging kunnen worden aangemerkt als kosten voor lijkbezorging.

32. De wet omschrijft niet wat onder de kosten van lijkbezorging moet worden begrepen. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met het begrip “kosten van lijkbezorging” aansluiting heeft willen zoeken bij de Wet op de lijkbezorging. Waar aanvankelijk namelijk het woord “begrafeniskosten” werd gebezigd, werd dit later vervangen door “kosten van lijkbezorging” in verband met de terminologie van de Wet op de lijkbezorging.7

33. Onder verwijzing naar onder meer de Wet op de lijkbezorging, omschrijft Van Eijk het begrip “lijkbezorging” in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW als een verzamelterm voor alle handelingen met betrekking tot het geven van een eindbestemming aan de overledene. Daartoe behoren zowel de handelingen die zijn gericht op het tenietgaan van het stoffelijk overschot als de handelingen met betrekking tot de spirituele eindbestemming van de overledene, aldus Van Eijk.8

34. Onder de kosten van lijkbezorging worden in het normale spraakgebruik de kosten van een uitvaart verstaan. Dat de kosten van de bij de lijkbezorging behorende afscheidsceremonie (afscheidsritueel) tot de kosten van de lijkbezorging worden gerekend wordt in beginsel aanvaard. Hier wordt in de toelichting op het middel gesteld dat een stille tocht een onderdeel van de afscheidsceremonie (afscheidsritueel) is.

35. Mij lijkt dat niet algemeen aanvaard en in de schriftuur wordt ook niet toegelicht waarom dat nu juist hier het geval zou zijn. Evenmin lijkt het overigens volledig uitgesloten en daarmee zal de vraag of de kosten van een stille tocht tot de kosten van het zorgen voor de spirituele eindbestemming van de overledene (de afscheidsceremonie of het afscheidsritueel) behoren afhankelijk zijn van de feitelijke omstandigheden. Dat hier sprake is van een bijzonder geval waarin de feitelijke omstandigheden (niet of) nauwelijks tot een andere conclusie kunnen leiden dan dat de kosten van de stille tocht kosten van lijkbezorging zijn, wordt noch in de vordering noch in het middel toegelicht.

36. Ik zie ook niet in dat dat in dit geval zo is. Gesteld is bijvoorbeeld niet dat de stille tocht gelijktijdig met de uitvaart heeft plaatsgevonden en uit de aard van de bron van de kosten blijkt evenmin zonder meer dat ze in voldoende nauw verband staan met de lijkbezorging en de daarbij veelal gebruikelijke afscheidsceremonie (afscheidsritueel).9 Het is niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk nader onderzoek naar een voldoende verband tussen de stille tocht en de lijkbezorging een onevenredige belasting van het strafgeding acht. Ik wijs er bovendien op dat het geciteerde tweede lid van art. 6:108 BW nog een nadere eis stelt: de kosten moeten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

37. De beslissing van het hof dat benadeelde partij voor zover het de vordering van de kosten van stille tocht betreft daarin niet kan worden ontvangen, omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is niet onjuist of onbegrijpelijk.

38. Het middel faalt.

39. Zowel de middelen voorgesteld namens de verdachte als de middelen voorgesteld namen de benadeelde partij falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

40. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ 2016/316 m.nt. Rozemond.

2 Heel kort samengevat achtte de rechtbank een aanranding wel aanwezig en kwam ook tot een hevige gemoedsbeweging, al werd die gemoedsbeweging volgens de rechtbank niet veroorzaakt door de aanranding. Daarmee faalde het beroep op noodweerexces.

3 HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241, NJ 2017/89 m.nt. Lindenbergh. Vgl. ook HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201, NJ 2017/88 m.nt. Lindenbergh.

4 Overigens wordt ook in het schrijven van de GZ-psycholoog van 12 januari 2018 het lezen van de getuigenverslagen in 2017 (slechts) aangeduid als een belangrijke trigger voor het toenemen van de klachten. Dat de stoornis daaraan te wijten zou zijn, berust op los zand.

5 Zie Keulen/Knigge, Strafprocesrecht, 2016, p. 240-242.

6 Zie art. 16 Richtlijn 2012/29/EU: “1. De lidstaten waarborgen het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen. 2. De lidstaten bevorderen maatregelen om de dader ertoe te bewegen de schade op passende wijze aan het slachtoffer te vergoeden.”

7 C.J. van Zeben & J.W. du Pon (red.), Parlementaire geschiedenis van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 395 en 399.

8 B. van Eijk, 'Vergoeding van de kosten van lijkbezorging', TVP 2001, afl. 4, p. 102-104.

9 Ik wijs er ook op dat grote verschillen bij de vormgeving van de afscheidsceremonie of het afscheidsritueel de vraag kunnen opwerpen of de gekozen vorm nog wel kan worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging.