Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:555

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
15-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
19/01839
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1047, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Is persoonlijkheidsstoornis een stoornis van de geestvermogens als bedoeld in de Wet Bopz?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0165
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 19/01839

Zitting 15 mei 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak

[betrokkene]

(hierna: betrokkene),

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later

tegen

De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Rotterdam,

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis van betrokkene is geschorst. Het cassatiemiddel komt in onderdeel I op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de stoornis van de geestvermogens van betrokkene; een persoonlijkheidsstoornis is geen stoornis als bedoeld in de Wet Bopz en evenmin kan een combinatie gemaakt worden met de bipolaire stoornis waarmee betrokkene is gediagnosticeerd, nu deze laatste niet actief is. In onderdeel II wordt geklaagd over het verlenen van een voorlopige machtiging onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst. Onduidelijk is waarom de rechtbank deze voorwaarde heeft gesteld, nu betrokkene zich niet in voorlopige hechtenis bevond. Overigens zou dit in strijd zijn met artikel 10 lid 1 van de Wet Bopz.

1 Feiten en procesverloop

1.1

Bij verzoekschrift van 17 december 2018 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Rotterdam (hierna: de officier van justitie) verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven, onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst dan wel opgeheven. Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 30 november 2018 opgemaakt en ondertekend door psychiater [betrokkene 1] . In rubriek 4.d van deze verklaring is als diagnose gesteld: “full blown manisch beeld” (het vakje “stemmingsstoornissen, manische of gemengde episode” is aangekruist).

1.2

Blijkens het verzoekschrift in cassatie is (eveneens) op 17 december 2018 de voorlopige hechtenis van betrokkene geschorst (onder 2.1).

1.3

Op 4 januari 2019 is betrokkene op het politiebureau onderzocht door psychiater [betrokkene 2] en is een (nieuwe) geneeskundige verklaring opgemaakt. In rubriek 4.c van deze verklaring is als diagnose gesteld: “depressief beeld bij man bekend met bipolaire stoornis en antisociale persoonlijkheidskenmerken”, en is het vakje “overige (incl. ongespecificeerde) stemmingsstoornissen” aangekruist.

1.4

Betrokkene is waarschijnlijk op 4 januari 20191 met een inbewaringstelling op grond van artikel 20 Wet Bopz opgenomen in GGZ kliniek Antes (hierna: Antes).

1.5

In het dossier bevindt zich voorts (onder meer) een behandelplan van SGGZ van 2 oktober 2018. Hieruit blijkt onder meer dat betrokkene sinds september 2018 bij GGZ- instelling Fivoor (hierna: Fivoor) in zorg is.2

1.6

Op 7 januari 2019 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene op grond van artikel 27 Wet Bopz te verlenen.

1.7

Op 10 januari 2019 heeft de rechtbank Rotterdam de beide verzoeken van de officier van justitie gelijktijdig mondeling behandeld. Zij heeft blijkens het proces-verbaal gehoord: betrokkene, zijn advocaat, behandelend psychiater verbonden aan Antes [betrokkene 3] , [betrokkene 4] (eveneens als psychiater verbonden aan Antes), [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , beiden als ambulant behandelaar verbonden aan Fivoor, en de officier van justitie.

1.8

De rechtbank heeft op 10 januari 2019 mondeling uitspraak gedaan op het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging en deze uitspraak schriftelijk uitgewerkt op 16 januari 2019. In deze beschikking heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om de opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren tot en met 10 juli 2019, onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:

“3.2. In het kader van de wet Bopz is door de wetgever geen opsomming opgenomen met betrekking tot wat onder het begrip stoornis van de geestvermogens kan worden verstaan. Voor medisch gebruik is er de DSM-classificatie en daarin komen ook de persoonlijkheidsstoornissen voor. Het opnemen op grond van de Wet Bopz van iemand met een persoonlijkheidsstoornis hoort een uitzondering te zijn, maar is op grond van de wetsgeschiedenis geen onmogelijkheid, bijvoorbeeld als door een samenloop van gebeurtenissen van verschillende aard een persoonlijkheidsstoornis zodanig ongunstig beïnvloed wordt, dat op een gegeven moment gezegd moet worden dat van een ernstige stoornis in de zin van de Wet Bopz moet worden gesproken. Dit maakt dat, anders dan door de advocaat is bepleit, in bepaalde omstandigheden toepassing van de Wet Bopz mogelijk moet worden geacht op grond van ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Daarvan is hier sprake.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat betrokkene een uitgebreide voorgeschiedenis heeft in de (forensische) geestelijke gezondheidszorg. Al jaren geleden is bij betrokkene een bipolaire stoornis vastgesteld, met recidiverend manische perioden. Hij is onlangs in bewaring gesteld vanwege bedreigingen, agressiviteit en suïcidaliteit.

De behandelend psychiater bevestigt ter zitting dat de diagnose bipolaire stoornis is blijven bestaan en voegt daaraan toe dat er in de afgelopen paar dagen hier in de kliniek, tijdens de opname in het kader van de in bewaringstelling, geen actieve manische of depressieve episode bij betrokkene is gezien. Zij kan, gelet hierop, de diagnose uit de geneeskundige verklaring niet bevestigen of verwerpen.

De psychiater ziet bij betrokkene wel een persoonlijkheidsprobleem met antisociale trekken waardoor het voornoemde gevaar wordt veroorzaakt en welk gevaar serieus moet worden genomen. De psychiater noemt ook andere bij betrokkene aanwezige gedragsproblemen. Zo heeft hij agressie-regulatieproblemen. Betrokkene maakt zich al geruime tijd onmogelijk en is bijna nergens meer welkom. Zo heeft betrokkene bij veel instanties, waaronder het Ikazia en Maasstadziekenhuis alsook de ABN, een toegangsverbod. En de incidenten nemen toe. Betrokkene is veelvuldig in beeld bij de crisisdienst en de politie vanwege agressie-incidenten en suïcidaliteit. Betrokkene is verbaal agressief naar zijn ambulant behandelaars, wordt regelmatig geschorst bij de maatschappelijke opvang, bedreigt anderen of wordt het slachtoffer van een mishandeling vanwege zijn hinderlijke gedrag. Betrokkene is opgenomen met een inbewaringstelling omdat hij zich suïcidaal heeft geuit en concrete plannen had om zijn leven te beëindigen. Bij betrokkene spelen forse (sociaal) maatschappelijke problemen zoals dakloosheid en problemen binnen de primaire steungroep. Het lukt de ambulant behandelaars niet om betrokkene in behandeling te krijgen. Op de afdeling wordt het gevaar waargenomen. Betrokkene is dwingend naar anderen en zet medepatiënten in om middelen te verkrijgen. Om die reden heeft hij een verbod opgelegd gekregen om op de gang te komen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van gebeurtenissen die de aanwezige persoonlijkheidsstoornis, naast de bij betrokkene al langer bekende bipolaire stoornis, zodanig ongunstig beïnvloeden dat gesproken kan worden van een stoornis zoals hiervoor genoemd en, bij wijze van uitzondering, kan leiden tot een opname in de zin van de Wet Bopz.

3.3.

Deze stoornis doet betrokkene gevaar veroorzaken als bedoeld in artikel 2 lid 2 Wet Bopz. Uit hetgeen overwogen is in 3.2 blijkt dat het gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat, het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen en het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen.”

1.9

De rechtbank heeft eveneens op 10 januari 2019 mondeling uitspraak gedaan op het verzoek een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene te verlenen. Bij deze beschikking, op 15 januari 2019 schriftelijk uitgewerkt, is voornoemd verzoek afgewezen.

1.10

De schorsing van de voorlopige hechtenis van betrokkene is op 6 februari 2019 opgeheven. Op 14 februari 2019 is zijn gevangenhouding voor dertig dagen bevolen en op 31 maart 2019 zijn gevangenhouding voor zestig dagen.3

1.11

Namens betrokkene is op 10 april 2019 (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking.

1.12

In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I klaagt dat de overwegingen 2.1 en 3.2 met betrekking tot de stoornis van de geestvermogens, gelet op wat door betrokkene is aangevoerd, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd zijn.

Ter toelichting voert het onderdeel in 1.1 aan dat de rechtbank een combinatie maakt van persoonlijkheidsstoornissen en de bij betrokkene al langer bekende bipolaire stoornis om tot een stoornis van de geestvermogens te komen in het kader van de Wet Bopz. 4 Uit het proces-verbaal blijkt dat geen actieve episode van de bipolaire stoornis wordt gezien en dat de behandelaar zich zelfs afvraagt of het eerdere maniform zijn van betrokkene door middelengebruik kwam of door een andere onderliggende stoornis. Het is derhalve niet terecht dat de rechtbank de bipolaire stoornis gebruikt om tot een stoornis van een geestvermogens in het kader van de Wet Bopz te komen.5

Daarnaast heeft de behandelaar gezegd geen behandeling te hebben voor een persoonlijkheidsprobleem met antisociale trekken, zodat niet duidelijk is waarom een machtiging op grond van de Wet Bopz verleend moet worden.

Voorts heeft de psychiater blijkens het proces-verbaal onder meer verklaard dat betrokkene uit is op een opname als hij geen woonplek heeft, hetgeen door betrokkene is beaamd. De Wet Bopz is hier echter niet voor bedoeld; andere instellingen dienen zich hiermee bezig te houden.

2.2

In subonderdeel 1.2 wordt geklaagd dat een persoonlijkheidsstoornis op zich geen stoornis is als bedoeld in de Wet Bopz. Het gedrag van betrokkene dient op een andere manier beoordeeld te worden, bijvoorbeeld in een strafrechtelijk kader. Hulpverlening dient plaats te vinden in het kader van huisvesting en activiteiten. Nu geen sprake is van een actieve bipolaire stoornis, is niet duidelijk hoe de rechtbank kan komen tot “comorbiditeit”.

2.3

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de “niet-actieve” bipolaire stoornis heeft gebruikt om tot de vaststelling van een stoornis in het kader van de Wet Bopz te komen.

2.4

In het hiernavolgende zal ik, gelet op de samenhang daarvan, de subklachten in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 gezamenlijk bespreken. Ik begin met het juridisch kader.

2.5

Op grond van artikel 2 Wet Bopz kan de rechter op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verlenen om iemand die gestoord is in zijn geestvermogens in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Over het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ komt in de nadere memorie van antwoord bij de Wet Bopz het volgende naar voren:

“Onder geestvermogens moeten naar de bedoeling van het ontwerp worden verstaan de vermogens tot denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen.”6

En:

“De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen.”7

En:

“Ook de stoornissen welke als stoornissen van de persoonlijkheid gelden, kunnen tot toepassing van het ontwerp geen aanleiding geven. De personen die als gevolg van dergelijke persoonlijkheidsstoornissen tot sociaal minder wenselijke gedragingen kunnen komen, zullen niet middels de rechterlijke machtiging op grond van het ontwerp van eventueel gevaarlijk handelen kunnen worden afgehouden. Hun geestvermogens zijn niet in zo ernstige mate gestoord te achten dat hun handelen (vrijwel) geheel onder invloed van hun stoornis tot stand komt. Op deze categorie personen wordt overigens hierna teruggekomen. Wel is het mogelijk dat door een samenloop van gebeurtenissen van verschillende aard een persoonlijkheidsstoornis zodanig ongunstig beïnvloed wordt, dat op een gegeven moment gezegd moet worden dat van een ernstige stoornis in de zin van de wet moet worden gesproken.”8

2.6

Zuijderhoudt heeft hier het volgende over opgemerkt:

“De wetgever formuleerde indertijd als hoofdregel dat persoonlijkheidsstoornissen geen geestesstoornis vormen die tot een dwangopneming met behulp van de Wet Bopz zou kunnen leiden, maar maakte wel een uitzondering op die hoofdregel mogelijk. Toch vinden er zoveel onvrijwillige opnemingen van mensen met persoonlijkheidsstoornissen plaats dat nauwelijks meer van een uitzondering kan worden gesproken.”9

En:

"Een simpele dwangopneming verhelpt in geen geval een persoonlijkheidsstoornis – maar kan soms wel het acute gevaar bezweren.”10

2.7

Uw Raad oordeelde op 24 april 1987 reeds dat een storing in de persoonlijkheidsstructuur een geestesziekte in de zin van de Krankzinnigenwet kan zijn:

“[…] dat bij verzoekster sprake is van een zo ernstige stoornis van haar persoonlijkheidsstructuur, en de daardoor veroorzaakte gebrekkige gedragsbeheersing zo ernstig gevaar oplevert voor verzoekster zelf en voor haar omgeving, dat zij verkeert in een toestand van krankzinnigheid en dat voortzetting van haar verpleging krachtens rechterlijke machtiging nodig is.”11

2.8

Uit een vooruitblik op de Wvggz blijkt dat onder die wet het begrip “stoornis” ruimer omschreven lijkt te zijn:

“Onder het bereik van het wetsvoorstel vallen personen met een psychische stoornis die aan het criterium voor verplichte zorg voldoen. Met de term ‘psychische stoornis’ is aansluiting gezocht bij de classificatie van zogeheten Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV), het handboek dat onder verantwoordelijkheid van de American Psychiatric Association tot stand is gekomen. […] Uit de DSM-IV vloeit voort dat ook een verstandelijke beperking, een persoonlijkheidsstoornis, verslaving, dementie of een psychische stoornis bij kinderen en jeugdigen als ‘psychische stoornis’ kunnen worden aangemerkt.

Voor de duidelijkheid zij opgemerkt dat de kwalificatie van een classificatie als ‘DSM-IV’ op zichzelf genomen niet zonder meer aanleiding kan geven voor toepassing van het wetsvoorstel. Als voorwaarde voor het verlenen van verplichte geestelijke gezondheidszorg geldt, dat de psychische stoornis dermate ernstige vormen aanneemt dat zij betrokkene zodanig in zijn greep heeft, dat er ernstige schade voor hem of zijn omgeving ontstaat of dreigt te ontstaan. […]

Aansluiting is ook gezocht bij de ontwikkeling in de tijd van het ‘stoornis-begrip’ in de Wet Bopz. ‘De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen’, aldus de wetgever in 1979 (Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270). De gedachte van de wetgever was dat betrokkene als het ware willoos werktuig in handen van de stoornis zou moeten zijn, waarbij de toerekenbaarheid voor het gevaar is vervallen, wil er sprake kunnen zijn van een geestesstoornis […]. Deze gedachte bracht mee dat gevaar dat voortvloeide uit middelenafhankelijkheid (verslaving) of een persoonlijkheidsstoornis niet als een geestesstoornis kon worden gekwalificeerd, tenzij de stoornis ‘de gevaarvolle daden overwegend zou beheersen’. Aangezien verslaving tegenwoordig als een ziekte wordt opgevat en ook meer geneeskundige verklaringen voor persoonlijkheidsstoornissen worden uitgeschreven, is het oorspronkelijke onderscheid dat de wetgever aanbracht tussen ‘echte’ psychiatrische ziektebeelden zoals psychotische aandoeningen en andere stoornissen vervaagd.”12

2.9

Ook het EHRM stelt vereisten aan (het vastgesteld worden van) de stoornis van de geestvermogens. In de Varbanov-uitspraak worden de volgende criteria genoemd:

“The Court recalls its established case-law according to which an individual cannot be considered to be of “unsound mind” and deprived of his liberty unless the following three minimum conditions are satisfied: firstly, he must reliably be shown to be of unsound mind; secondly, the mental disorder must be of a kind or degree warranting compulsory confinement; thirdly, the validity of continued confinement depends upon the persistence of such a disorder.”13

Ten aanzien van de tweede voorwaarde, genoemd in de Varbanov-uitspraak, heeft het EHRM als volgt bepaald:

“Such confinement may be necessary not only where the person needs therapy, medication or other clinical treatment to cure or alleviate his condition, but also where the person needs control and supervision to prevent him, for example, causing harm to himself or other persons.”14

En:

“It also reiterates that although Article 5 § 1 (e) authorises the confinement of a mentally disordered person even in the absence of plans to provide him with medical treatment (see Hutchison Reid § 52), such a measure must nevertheless be duly justified by the seriousness of the person’s state of health so as to ensure his own protection or the protection of others.”15

Ten aanzien van de “ernst” van de stoornis is het volgende bepaald:

“A mental condition must be of a certain gravity in order to be considered as a “true” mental disorder for the purposes of sub-paragraph (e) of Article 5 § 1.”16

En:

“In order to amount to a true mental disorder for the purposes of sub-paragraph (e) of Article 5 § 1, the mental disorder in question must be so serious as to necessitate treatment in an institution appropriate for mental health patients.”17

Ten slotte hebben de nationale autoriteiten een zekere beoordelingsvrijheid:

“In deciding whether an individual should be detained as a “person of unsound mind”, the national authorities have a certain margin of appreciation regarding the merits of clinical diagnoses since it is in the first place for them to evaluate the evidence in a particular case.”18

2.10

Uit het hierboven geschetste juridisch kader volgt dat een persoonlijkheidsstoornis op zich niet als een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz kan worden gekwalificeerd, tenzij deze stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Dit laatste is in de onderhavige zaak het geval. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt dat de psychiater dit ook als zodanig heeft beschreven:

“Betrokkene is in verband met bedreigingen naar zijn zuster al veel langer in beeld. Hij heeft veel toegangsverboden bij allerlei instanties, zoals bij het Ikazia Ziekenhuis, het Maasstad Ziekenhuis en de ABN AMRO. Mensen voelen zich op veel plekken door betrokkene bedreigd. Er is bij hem sprake van een persoonlijkheidsprobleem met antisociale trekken. Daaruit volgt het gevaar. De bedreigingen zijn er namelijk.”19

De rechtbank heeft ook erkend dat het opnemen op grond van de Wet Bopz van iemand met een persoonlijkheidsstoornis een uitzondering hoort te zijn20, maar geoordeeld dat deze uitzondering hier van toepassing is gelet op de problematiek van betrokkene. Naast de hierboven door de psychiater ter zitting beschreven bedreigingen en toegangsverboden, betrekt de rechtbank ook de toename van incidenten, het veelvuldig in beeld zijn bij de crisisdienst en politie vanwege agressie-incidenten en suïcidaliteit, het (zelf) slachtoffer worden van een mishandeling vanwege zijn hinderlijke gedrag, en het inzetten van medepatiënten om middelen te verkrijgen in haar oordeel. Op grond hiervan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de voorlopige machtiging dient te worden verleend. Dit is in het licht van de hierboven beschreven wetsgeschiedenis en literatuur niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank noemt in ro. 3.2 (laatste alinea) nog wel de bij betrokkene al langer bekende bipolaire stoornis, maar heeft hier voor haar beoordeling of de voorlopige machtiging verleend dient te worden, geen aandacht aan besteed. In die zin heeft de rechtbank geen “combinatie gemaakt” van de bipolaire stoornis en de persoonlijkheidsstoornis om tot een stoornis in de zin van de Wet Bopz te komen, zoals het onderdeel betoogt, nu de rechtbank haar oordeel zo heeft gemotiveerd dat de persoonlijkheidsstoornis (op zich) onder deze omstandigheden voldoende is om tot de verlening van de voorlopige machtiging te komen.

2.11

Ook de klacht in subonderdeel 1.1, dat de behandelaar heeft gezegd geen behandeling te hebben voor een persoonlijkheidsprobleem met antisociale trekken, zodat niet duidelijk is waarom een machtiging op grond van de Wet Bopz verleend moet worden, faalt in het licht van de hierboven onder 2.9 geciteerde uitspraak N. v. Romania van het EHRM. Daarin heeft het EHRM immers geoordeeld dat een persoon met een geestesstoornis kan worden opgenomen, zelfs indien geen plan voor zijn (medische) behandeling aanwezig is, als hiermee zijn veiligheid of die van anderen verzekerd kan worden.

2.12

De stelling aan het eind van subonderdeel 1.1, dat de psychiater heeft verklaard dat betrokkene uit is op een opname als hij geen woonplek heeft, en dat de Wet Bopz hier niet voor bedoeld is, bevat geen klacht en zal ik derhalve verder niet bespreken.

Dit leidt ertoe dat onderdeel I faalt.

2.13

Onderdeel II klaagt dat de beslissing van de rechtbank om de voorlopige machtiging te verlenen tot en met 10 juli 2019, onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst, onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.

Ter toelichting voert het onderdeel in 2.1 aan dat betrokkene zich ten tijde van de bestreden beschikking niet in voorlopige hechtenis bevond, maar in GGZ instelling Antes op grond van een inbewaringstelling in het kader van de Wet Bopz. Zijn voorlopige hechtenis is op 17 december 2018 geschorst. Gelet op het bepaalde in artikel 10 lid 1 Wet Bopz was de laatste mogelijkheid voor tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking op 24 januari 2019. De beslissing van de rechtbank om een voorlopige machtiging te verlenen onder de opschortende voorwaarde van schorsing van de voorlopige hechtenis, gaat dus uit van een onjuiste feitelijke situatie. Bovendien is de opschortende voorwaarde in strijd met de Wet Bopz, nu de beschikking maar gedurende veertien dagen ten uitvoer gelegd kan worden.

2.14

In subonderdeel 2.2 wordt geklaagd dat, als de voorlopige machtiging niet ten uitvoer zou zijn gelegd, verzoeker, indien zijn gevangenhouding maanden later eventueel zou worden geschorst, alsnog op basis van het verzoek van de officier van justitie van 17 december 2018 en de geneeskundige verklaring van 30 november 2018 zou kunnen worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dit zou in strijd zijn met artikel 5 lid 1 EVRM, omdat in de tussenliggende maanden veel veranderd kan zijn en voor een dergelijke vrijheidsberoving actuele informatie nodig is. Op dit punt verwijst het subonderdeel naar de conclusie van A-G Langemeijer van 10 november 2017 onder 2.2. Deze beslissing is derhalve onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.

2.15

De klachten uit onderdeel II, zoals toegelicht in de subonderdelen 2.1 en 2.2, zal ik gezamenlijk bespreken.

Daarbij stel ik voorop dat het onderdeel niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Het onderdeel maakt niet duidelijk wat het beoogt te bewerkstelligen. Betrokkene was ten tijde van de bestreden beschikking geschorst uit de voorlopige hechtenis. De opschortende voorwaarde in de bestreden beschikking was derhalve vervuld. Volgens het onderdeel zou betrokkene op 6 februari 2019 – ruim na de bestreden beschikking - opnieuw in voorlopige hechtenis zijn genomen. Voor zover het onderdeel betoogt dat bij een schorsing van de nieuwe voorlopige hechtenis de voorlopige machtiging “vele maanden later” herleeft, gaat het mijns inziens uit van een onjuiste rechtsopvatting. Er zal dan een nieuwe voorlopige machtiging moeten worden verzocht.

Voorop gesteld dient te worden dat de voorlopige machtiging in de onderhavige zaak wel ten uitvoer is gelegd; betrokkene verbleef vanaf de datum van de beschikking, 10 januari 2019, op grond van de voorlopige machtiging in de psychiatrische kliniek (waarschijnlijk tot de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 6 februari 2019 werd opgeheven)21, nu deze beschikking op grond van artikel 10 lid 1 Wet Bopz uitvoerbaar bij voorraad is. Vóór 10 januari 2019 verbleef betrokkene overigens ook op grond van de Wet Bopz in de psychiatrische kliniek, op basis van een inbewaringstelling als bedoeld in artikel 20. Het is in die zin correct dat betrokkene op het moment van de bestreden beschikking niet in voorlopige hechtenis zat en dat de rechtbank dus is uitgegaan van een ‘onjuiste feitelijke situatie’, zoals het onderdeel stelt. Dit kan echter niet tot cassatie leiden, nu betrokkene bij deze klacht geen belang heeft, juist omdat de voorlopige hechtenis was geschorst en aan de opschortende voorwaarde dus al was voldaan en de beschikking tijdig ten uitvoer is gelegd.

2.16

Voor zover het onderdeel betoogt dat de beslissing van belang is in verband met de latere opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis op 6 februari 2019, miskent het dat de rechtbank geen rekening kan houden met een gebeurtenis die ruim na haar beschikking plaats vindt en de beschikking dus niet kan worden uitgelegd in de zin die subonderdeel 2.2. daaraan geeft.

2.17

Voor wat de wat mij betreft in casu niet aan de orde zijnde klacht dat een opschortende voorwaarde in strijd zou zijn met art 10 lid 1 Wet Bopz dan wel met art 5 EVRM verwijs ik naar mijn conclusie van 3 april 201922, waarin ik van mening ben dat het verlenen van de voorlopige machtiging onder de opschortende voorwaarde dat de voorlopige hechtenis is geschorst of beëindigd, op zichzelf niet in strijd is met artikel 10 lid 1 van de wet Bopz.

Bovenstaande leidt ertoe dat onderdeel II faalt.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Uit het dossier wordt dit niet duidelijk. Onderliggende stukken ontbreken.

2 Zie behandelplan SGGZ p. 1 onderaan.

3 Blijkens het verzoekschrift in cassatie, p 5 voetnoot 1. Ook hier ontbreken onderliggende stukken.

4 Zie verzoekschrift in cassatie p. 2 voorlaatste en laatste alinea.

5 Zie verzoekschrift in cassatie p. 3.

6 Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 12.

7 Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 13.

8 Kamerstukken II, 1979-1980, 11 270 nr. 12, p. 15.

9 Zuijderhoudt, Praktijkreeks Bopz-8, Stoornis en de Bopz, p. 88.

10 Zuijderhoudt, Praktijkreeks Bopz-8, Stoornis en de Bopz, p. 90.

11 HR 24 april 1987, NJ 1987/630, ro. 3.

12 Kamerstukken II, 2009-2010, 32 399 nr. 3, p. 11-12.

13 Varbanov v. Bulgaria, 5 oktober 2000, Application no. 31365/96, § 45.

14 Hutchison Reid v. the United Kingdom, 20 februari 2003, Application no. 50272/99, § 52.

15 N. v. Romania, 28 november 2017, Application no. 59152/08, § 151.

16 Glien v. Germany, 28 november 2013, Application no. 7345/12, § 85.

17 Petschulies v. Germany, 2 juni 2016, Application no. 6281/13, § 76.

18 Plesó v. Hungary, 2 oktober 2012, Application no. 41242/08, § 61.

19 Proces-verbaal zitting rechtbank p. 2 eerste alinea.

20 Bestreden beschikking ro. 3.2 eerste alinea.

21 Ook hier ontbreken stukken en dient dit afgeleid te worden uit het verzoekschrift tot cassatie.

22 ECLI:NL:PHR:2019:328