Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:536

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
29-05-2019
Zaaknummer
18/00304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1165
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie plv. AG. Art. 26.1 WWM. Voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie door verdachte die bij een verkeerscontrole uit de passagiersstoel wegrent, na een korte achtervolging wordt aangehouden in een brandgang waar vervolgens op de grond een vuurwapen en munitie worden aangetroffen. Bewijsklacht en klacht over denaturering getuigenverklaring. Strekt tot verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/00304

Zitting: 28 mei 2019

Mr. D.J.M.W. Paridaens

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Bij arrest van 22 december 2017 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 april 2017 bevestigd – onder aanvulling van gronden en met aanvullende beslissingen inzake een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan getuigenverzoek en inzake inbeslaggenomen voorwerpen – waarbij de verdachte wegens – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

  2. Namens de verdachte heeft mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

  3. Het middel klaagt over de bewijsvoering en voert daartoe een drietal deelklachten aan die in de schriftuur als “klachtonderdeel” zijn aangeduid. De eerste deelklacht houdt in dat het hof een verklaring van een getuige heeft gedenatureerd. De tweede deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat ze innerlijk tegenstrijdig is. De derde deelklacht komt op tegen de overweging van het hof dat de tweede verklaring die de getuige heeft afgelegd niet de essentie van diens eerdere verklaring aantast. Inhoudelijk ligt de derde deelklacht in het verlengde van de eerste: ze hebben betrekking op de verklaringen van dezelfde getuige.

  4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 03 januari 2017 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een revolver, van het merk Taurus (Brasil)/85, kaliber .38 special,
en
munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 5 kogelpatronen, kaliber .38 special, voorhanden heeft gehad.”

5. Alle drie de deelklachten hebben betrekking op het gebruik voor het bewijs van verklaringen afkomstig van dezelfde getuige, te weten [getuige] . Voor het bewijs zijn door het hof twee door hem afgelegde verklaringen gebruikt. De ene is op 3 januari 2017 afgelegd tegenover [verbalisant] , de ander is op 19 september 2017 afgelegd bij de raadsheer-commissaris. In zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris heeft de getuige op een onderdeel anders verklaard dan in zijn verklaring tegenover de verbalisant. Het verschil zit erin dat [getuige] tegenover de verbalisant heeft verklaard dat hij door een onbekend gebleven voorbijganger is aangesproken die hem de plek had aangewezen waar kort daarvoor een persoon een vuurwapen had weggegooid die door de politie werd achtervolgd, terwijl hij bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij door niemand was aangesproken nadat de politie en een man langs hem waren gerend.

6. De bewijsvoering van het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bestaat uit de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en haar overweging inzake de waardering van het bewijs.

7. De rechtbank heeft de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

1.

Het proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam nummer PL1700-2017003342-3 (pagina‘s 1-5 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 3 januari 2017 te Rotterdam vroeg ik aan de bijrijder van een auto of hij het identiteitsbewijs van de bestuurder bij zich droeg of strafbare goederen zoals wapens of drugs. De bijrijder, [verdachte] , sprong uit het voertuig en rende weg. Ik rende achter hem aan. De bijrijder rende de hoek om en ging vanaf de Nassaustraat de Nassaukade op en rende vervolgens via een brandgang, gelegen aan de Nassaukade, in de richting van de Prins Hendrikkade.

Een getuige had naar 112 gebeld met de mededeling dat op de Nassaukade een op een vuurwapen gelijkend voorwerp was aangetroffen.

Ik ben naar die locatie gegaan en werd op de Nassaustraat gewenkt door de melder, [getuige] . Hij wees mij op een voorwerp dat hij had aangetroffen op de Nassaukade. Ik zag op de bak van een aanhangwagen een zilverkleurige revolver met een bruine kolf liggen. Hij verklaarde: ‘Jullie zijn mij net voorbij gerend achter die donkere jongen aan. Toen jullie net die jongen in de boeien hadden en wegreden werd ik aangesproken door een man. Deze man verklaarde aan mij dat hij de jongen, die de politie net in de brandgang van de Nassaukade in de handboeien had gedaan, een vuurwapen had zien weggooien in de brandgang van de Nassaukade. Deze man heeft mij vervolgens de plaats aangewezen waar dat vuurwapen was weggegooid. Ik zag daar op de grond inderdaad een vuurwapen liggen. Omdat ik bang was dat er iets mee zou gebeuren heb ik het voorzichtig opgepakt met een papieren servetje en heb ik het naar mijn aanhanger toegebracht.’

Ik ben vervolgens met [getuige] meegelopen de brandgang in aan de Nassaukade. [getuige] liet mij zien waar hij het vuurwapen had aangetroffen. Ik zag dat het vuurwapen op de grond had gelegen op ongeveer 1.50 meter afstand van de plaats waar Palm had gerend.

2.

Het proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam nummer PL1700-2017003342-2 (pagina 9 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Ik heb een vuurwapen veilig gesteld dat die dag omstreeks 15:25 uur in beslaggenomen was, op de locatie Nassaustraat te Rotterdam. Bijzonderheden: 1 revolver zilverkleurig

3.

Het proces-verbaal van Politie Eenheid Rotterdam nummer PL1700-2017003342-24 (pagina s 21-22 van het zaaksdossier), inhoudende het onderzoek wapen:

Op dinsdag 3 januari 2017 te 15:22 uur zijn goederen in beslag genomen.

Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:

Omschrijving wapen:

Goednummer : PL1700-2017003342-5299083

Object : Vuurwapen (Revolver)

Merk/type : Taurus(Brasil)/ 85

Kaliber : .38 special

Bijzonderheden : Zilverkleurig met een bruine kolf

Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Omschrijving munitie:

Goednummer : PL1700-2017003342-5299428

Object : Munitie

Aantal : 5 stuks

Merk/type : Diversen Kogelpatronen

Kaliber : .38 special

Deze, in totaal, 5 kogelpatronen is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de WWM.”

8. Met betrekking tot de waardering van het bewijs, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Op 3 januari 2017 wordt in Rotterdam de identiteit van de bestuurder van een zojuist geparkeerde auto gecontroleerd door de politie. In die auto zit op dat moment één passagier. Op het moment dat aan de passagier wordt gevraagd of hij het ID-bewijs van de bestuurder, wapens, of drugs in zijn bezit heeft, springt de passagier uit de auto en rent weg. Hij wordt na een korte achtervolging aangehouden. Heel kort daarna wordt er via het alarmnummer 112 een melding gedaan dat er, vlakbij de plek waar de verdachte is aangehouden, een vuurwapen zou zijn aangetroffen. Een onbekend gebleven persoon heeft tegenover de melder verklaard dat de persoon die zojuist in de boeien was geslagen door de politie, het vuurwapen heeft weggegooid. Het vuurwapen wordt door de melder aangetroffen en meegenomen naar diens auto, waarna de politie het veiligstelt. Op basis van al hetgeen zich in het dossier bevindt komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de aanname dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad en heeft weggegooid. Bij dat oordeel heeft de rechtbank het korte tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en verdachte gedragingen van de verdachte meegewogen.”

9. Het hof heeft de bewijsmiddelen aangevuld met de volgende verklaring van de [getuige] :

“4.

Het proces-verbaal verhoor van getuige van de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof d.d. 19 september 2017. Dit proces-verbaal houdt onder meer in − zakelijk weergegeven −

als de verklaring van de [getuige] :

Ik ben naar mijn auto gegaan, die stond daar geparkeerd. Ik was aan het werk aan de achterzijde van een woning. Ik was bezig met bestrating. Ik wilde de auto afsluiten, ik hoorde een sirene en ik draaide mij om. Ik zag een politieauto, aankomen. Ik zag iemand aan komen rennen en die rende langs mij met een agent er achteraan. Hij rende achter het huis langs. Ik heb mijn auto afgesloten. Ik heb mijn kruiwagen gepakt en ik kwam het pad in en ik zag een wapen liggen. U vraagt mij wat voor een wapen ik zag liggen. Een revolver dacht ik. Ik weet het verschil tussen een revolver en een pistool.

Het wapen lag bij de tuinen in de brandgang.

U vraagt mij of ik heb gemerkt dat er op dat moment een ander persoon was. Nee. U vraagt of er iemand bij de rennende man was die bij hem hoorde. Nee, ik heb alleen de agent gezien.”

10. Met betrekking tot de waardering van het bewijs, heeft het hof het volgende overwogen:

“ “De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, ook niet naar aanleiding van de verklaring die [getuige] als getuige op 19 september 2017 bij de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, heeft afgelegd. Het hof overweegt naar aanleiding hiervan aanvullend het volgende.

“ De raadsman heeft bij pleidooi betoogd dat de link met de verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde op basis van de getuigenverklaring van [getuige] bij de raadsheer- commissaris is komen te ontbreken en dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof komt op dit punt tot een ander oordeel. Weliswaar heeft [getuige] , in afwijking van zijn verklaring op 3 januari 2017 op straat tegenover een verbalisant, bij de raadsheer-commissaris niet meer verklaard dat hij was aangesproken door een man (die hem vertelde dat hij de verdachte een vuurwapen had zien weggooien en die hem de plaats aanwees waar het vuurwapen lag) , maar dit tast naar het oordeel van het hof de essentie van zijn eerdere verklaring (erop neerkomende, dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad) niet aan. Uit de verklaring van [getuige] afgelegd bij de raadsheer- commissaris, leidt het hof af dat tussen het moment dat [getuige] de verdachte voorbij zag rennen, via een brandgang achter een huis langs zag rennen en de getuige vervolgens ook die brandgang in ging en daar het betreffende vuurwapen zag liggen, slechts zeer korte tijd is verstreken. Uit het proces-verbaal van bevindingen p. 3 en 4, blijkt dat de verbalisanten omstreeks 15:00 uur de auto met de verdachte en de medeverdachte hebben staande gehouden. Kort nadat de verdachte was aangesproken door de verbalisant, stapt hij uit en rent weg en de verbalisant zet daarop de achtervolging i[n]. In die volgorde heeft [getuige] hen ook langs hem zien rennen. [getuige] heeft verder verklaard dat er op dat moment geen andere persoon was, dat er niemand bij de rennende persoon was die bij hem hoorde en dat hij alleen de agent heeft gezien die achter de verdachte aanrende. Vervolgens komt de melding binnen dat er een wapen is aangetroffen langs de route die de verdachte had gerend. Dit wapen is om 15.22 uur inbeslaggenomen. Onder deze omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte het vuurwapen met de bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad en in de brandgang heeft achtergelaten. Aldus acht het hof, net als de rechtbank, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.”

11. De eerste deelklacht, dat het hof de verklaring van de [getuige] heeft gedenatureerd, heeft betrekking op de verklaring die hij bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Het hof zou de verklaring hebben gedenatureerd door daaruit weg te laten dat de getuige niet was “aangesproken door iemand nadat de man en de politie langs” hem waren gerend. De “man” waarover de getuige verklaarde, bleek later de verdachte te zijn. De derde deelklacht ligt in het verlengde van de eerste deelklacht en komt naar de letter op tegen het oordeel van het hof dat de tweede verklaring die de getuige heeft afgelegd niet de essentie van diens eerdere verklaring aantast. In zijn bewijsoverweging heeft het hof aangegeven dat de essentie van de verklaring van de [getuige] erop neerkomt “dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad”.

12. De beide deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

13. De [getuige] heeft twee verklaringen afgelegd die onderling op één onderdeel verschillen, te weten of de getuige al dan niet is aangesproken door iemand nadat de man en de politie langs hem waren gerend. De deelklachten richten zich op dat verschil. De eerste deelklacht voert aan dat het hof de verklaring heeft gedenatureerd die de getuige bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd en die op dat onderdeel haaks staat op de verklaring die de getuige tegenover [verbalisant] heeft afgelegd. Uit dit verschil blijkt echter niet dat het hof aan de verklaring die de getuige bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, een wezenlijk andere betekenis heeft gegeven dan de getuige daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven, wat de maatstaf is om te beoordelen of een verklaring is gedenatureerd.1 Het hof heeft juist nadrukkelijk uiteengezet dat de verklaring op een onderdeel verschilde van een andere verklaring van deze getuige en wat dat verschil voor het hof betekende. Het heeft daarbij gemotiveerd aangegeven waarom het verschil in beide verklaringen op het onderdeel waarop de deelklachten betrekking hebben, voor het hof niet afdoet aan de essentie van zijn eerdere verklaring, erop neerkomende dat de verdachte het vuurwapen voorhanden heeft gehad.

14. Voor zover wordt bedoeld te klagen over ‘s hofs oordeel over de betrouwbaarheid van de eerdere verklaring op het punt waarin deze verschilt met de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring, merk ik op dat het hof, gelet op zijn bewijsoverweging, voor zijn oordeel dat de verdachte het vuurwapen in zijn bezit heeft gehad, niet zozeer betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid of de getuige al dan niet door iemand is aangesproken die de door de politie aangehouden verdachte een vuurwapen zou hebben zien weggooien, maar dat het daarvoor doorslaggevend heeft geacht het zeer korte tijdsverloop tussen het moment dat de getuige de verdachte via een brandgang achter een huis langs zag rennen en het moment dat de getuige ook die brandgang in ging en daar het betreffende vuurwapen zag liggen. Een dergelijke gevolgtrekking kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst.2 Onbegrijpelijk acht ik de gevolgtrekking van het hof niet. Deze wordt ook niet onbegrijpelijk doordat “de achtervolgende agent klaarblijkelijk niet een verband tussen verzoeker en het vuurwapen vastgesteld” heeft, zoals in de toelichting wordt aangevoerd. Voor een afdoende bewijsvoering is dat ook niet nodig. Het hof heeft dat verband vastgesteld, mede op basis van feiten en omstandigheden die door de achtervolgende agent in zijn proces-verbaal zijn gerelateerd.

15. De eerste en derde deelklacht falen.

16. De tweede deelklacht, dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat ze innerlijk tegenstrijdig is, faalt eveneens. De innerlijke tegenstrijdigheid waarop de deelklacht ziet, heeft wederom betrekking op het verschil in de verklaringen zoals de [getuige] die tegenover de verbalisant heeft afgelegd en tegenover de raadsheer-commissaris. De bewijsvoering is echter niet tegenstrijdig op het onderdeel waarop de tweede deelklacht betrekking heeft, omdat het hof voor de bewijsvoering geen gebruik heeft gemaakt van het onderdeel van de verklaring van de getuige waarin hij bij de raadsheer-commissaris verklaart dat hij niet door iemand is aangesproken nadat de verdachte en de politie langs hem renden.

17. Ook de tweede deelklacht faalt.

18. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

19. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

plv. AG

1 G.J.M. Corstens/M.J. Borgers & T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 806-807.

2 HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530 r.o. 3.3 “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”