Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:531

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
26-03-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
17/03863
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:779
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huisvredebreuk. Grondslagverlating? De tll. is toegesneden op art. 138 Sr. Zij behelst het verwijt dat verdachte wederrechtelijk is binnendrongen in een besloten lokaal in gebruik bij Albert Heijn XL. Het Hof is tot een bewezenverklaring gekomen, maar heeft verdachte vrijgesproken van het tlgd. onderdeel dat hem m.i.v. 7 mei 2016 schriftelijk de toegang tot die Albert Heijn XL was ontzegd voor de duur van 12 maanden. Volgens het Hof kon niet worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van het verbod van 7 mei 2016; dit kon echter wel worden vastgesteld m.b.t. zo'n verbod van 24 april 2016. Aldus oordelend heeft het Hof de grondslag van de tll. niet verlaten, in aanmerking genomen dat voor het overtreden van een voor verdachte geldend winkelverbod, strafrechtelijk niet van belang is m.i.v. van welke datum verdachte de toegang tot de winkel was ontzegd, maar uitsluitend dat t.t.v. het binnendringen zo een verbod van kracht was. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 17/03863

Zitting: 26 maart 2019

Mr. D.J.C. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 juli 2017 de verdachte ter zake van “in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met afwijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend.

3. Het middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging.

4. De verdachte was ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 juni 2016 te Tilburg in een besloten lokaal gelegen aan de Jan Heijnsstraat en in gebruik bij Albert Heijn XL, althans bij een ander of anderen dan bij hem, verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2016 schriftelijk de toegang tot die voornoemde Albert Heijn XL ontzegd voor de duur van 12 maanden.

5. Naar aanleiding van een bewijsverweer heeft het hof in het bestreden arrest als volgt overwogen (waarbij ik twee voetnoten met verwijzingen heb weggelaten):

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen dat verdachte op de hoogte was van het collectieve winkelverbod van 7 mei 2016. Verdachte beheerst de Nederlandse taal niet en spreekt gebrekkig Engels, waardoor hij niet wist en/of begreep dat hem op 7 mei 2016 een collectief winkelverbod werd aangezegd en uitgereikt, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op basis van het voorhanden zijnde dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van het collectieve winkelverbod dat op 7 mei 2016 aan hem was aangezegd en uitgereikt.

Uit het ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal van politie (met registratienummer PL2000-2016116271) blijkt echter dat verdachte wel degelijk op de hoogte was van het collectieve winkelverbod dat op 24 april 2016 aan hem was aangezegd en uitgereikt. In de ‘Aanzegging collectief winkelverbod’ d.d. 24 april 2016 is verdachte voor de duur van twaalf maanden de toegang ontzegd tot Winkelcentrum Jan Heijnsstraat 1 van welk winkelcentrum ook de in de tenlastelegging genoemde Albert Heijn XL deel uitmaakt. Blijkens een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 7 mei 2016 heeft verdachte in het kader van een andere strafzaak bovendien verklaard dat hij wist dat hem een winkelverbod (het hof begrijpt: het winkelverbod van 24 april 2016) was opgelegd.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het vorenstaande dat verdachte op de hoogte was van het collectieve winkelverbod dat van kracht was van 24 april 2016 tot 24 april 2017, zodat verdachte zich op 6 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk door de Albert Heijn XL aan de Jan Heijnsstraat te Tilburg binnen te gaan.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

6. Het hof heeft bewezenverklaard dat:

hij op 6 juni 2016 te Tilburg in een besloten lokaal gelegen aan de Jan Heijnsstraat en in gebruik bij Albert Heijn XL wederrechtelijk is binnengedrongen.

7. Het hof heeft dus – voor zover relevant – partieel vrijgesproken van het volgende onderdeel van de tenlastelegging: “immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2016 schriftelijk de toegang tot die voornoemde Albert Heijn XL ontzegd voor de duur van 12 maanden.

8. Onderbouwd met beschouwingen over de grondslagleer klaagt het middel dat het hof door deze partiële vrijspraak de tenlastelegging heeft gedenatureerd en daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

9. Over de grondslagleer meer in het algemeen eerst het volgende.1 In een strafproces vormt de tenlastelegging de grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting. De rechter moet de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv beantwoorden aan de hand van de tenlastelegging. De tenlastelegging perkt daardoor de beslissingsruimte van de rechter in. De verdachte weet zodoende voorafgaande aan het onderzoek ter terechtzitting precies waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zich zal moeten verdedigen.

10. De officier van justitie is wat dit betreft leidinggevend en de rechter lijdelijk. De officier van justitie bepaalt door het opstellen van een tenlastelegging voor welk daarin omschreven voorval de verdachte terechtstaat. Het behoort evenwel tot de taak van de rechter om de tenlastelegging uit te leggen. Die uitleg mag niet onverenigbaar zijn met de bewoordingen waarin die tenlastelegging is gesteld. De rechter mag kennelijke verschrijvingen of evidente onjuistheden daarin verbeteren.2 Het staat de rechter niet vrij om aan de tenlastelegging een wezenlijk andere betekenis te geven dan de betekenis die de opsteller van de tenlastelegging blijkens de door hem gekozen bewoordingen daaraan heeft gegeven.

11. Het is de rechter onder omstandigheden toegestaan om op basis van de tenlastelegging een bewezenverklaring uit te spreken en daarbij (‘partieel’) vrij te spreken van bepaalde onderdelen van de tenlastelegging, in het bijzonder wanneer de tenlastelegging de rechter alternatieven voorlegt. Dat betreft vaak passages in de tenlastelegging die beginnen of eindigen met de woorden ‘en/of’, ‘althans’ of ‘al dan niet’. In die gevallen ligt in de tenlastelegging een keuzemogelijkheid besloten; door een keuze te maken beperkt de rechter de betekenis van het tenlastegelegde tot de door hem geselecteerde mogelijkheid. In de voorliggende zaak heeft het hof bijvoorbeeld (ook) vrijgesproken van de passage “, althans bij een ander of anderen dan bij hem, verdachte,”.

12. Meer aan discussie onderhevig is of de rechter (partieel) mag vrijspreken van feitelijke specificaties van het voorval dat in de tenlastelegging is omschreven.3 Iedere weglating van een specificatie verruimt logischerwijs het bereik van het tenlastegelegde, uiteraard tenzij die weggelaten specificatie in essentie slechts een doublure betreft. Dat het in de tenlastelegging omschreven voorval door het schrappen van een specificatie een ruimere betekenis krijgt dan hetgeen de opsteller van de tenlastelegging blijkens de door hem gekozen bewoordingen voor ogen stond, zou in de weg kunnen staan aan de vrijheid van de rechter om indien hij tot een bewezenverklaring komt die specificatie daarvan uit te zonderen. Ingeval de rechter de betekenis van het tenlastegelegde verruimt, komen de beginselen van de grondslagleer immers in het gedrang.

13. Niettemin wordt in de literatuur4 en de jurisprudentie aangenomen dat een feitelijke specificatie van het tenlastegelegde voorval mag worden weggelaten uit een bewezenverklaring indien en voor zover die specificatie geen essentieel onderdeel van de tenlastelegging is en dus als bijkomstig kan worden aangemerkt. Door het schrappen van een bijkomstige specificatie uit de tenlastelegging krijgt het bewezenverklaarde, zo moet worden aangenomen, géén wezenlijk andere betekenis dan het tenlastegelegde. De predicaten ‘wezenlijk’ (andere betekenis) en ‘bijkomstige’ (specificatie) hangen nauw samen.

14. De kernvraag is daarmee wat de wezenlijke betekenis van het tenlastegelegde is en welke specificaties – dus – als bijkomstig kunnen worden beschouwd doordat zij uit het tenlastegelegde kunnen worden losgemaakt zonder de wezenlijke betekenis daarvan te veranderen. Het oordeel hierover van de rechter die de taak heeft de tenlastelegging uit te leggen is (doorgaans, zoals ook hier) van feitelijke aard. Zo’n oordeel kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

15. De Hoge Raad heeft bij mijn weten nimmer een specifieke omschrijving gegeven van de begrippen ‘wezenlijk’ en ‘bijkomstig’, zodat de opvattingen van de Hoge Raad hierover alleen kunnen worden gekend door vergelijkend onderzoek in de jurisprudentie. Ik loop daartoe de volgende uitspraken langs.

16. Bijkomstige specificaties werden aangenomen in de volgende gevallen. Gecursiveerde citaten betreffen telkens de overwegingen van de Hoge Raad, tenzij uitdrukkelijk anders vermeld.

HR 5 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8989, NJ 1988/787

Door van het ten laste gelegde 'in een voor hem naar rechts lopende flauwe bocht', bewezen te verklaren 'in een flauwe bocht', heeft het hof de grondslag van de telastelegging niet verlaten aangezien het onderdeel van de telastelegging waarin is gesteld dat het een 'voor hem naar rechts lopende' flauwe bocht betrof daaruit kan worden losgemaakt zonder dat de betekenis van de telastelegging op ontoelaatbare wijze wordt veranderd.”

HR 15 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AC4068 , NJ 1994/551 m.nt. Knigge

5.1. Kennelijk heeft het Hof — dat blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat de desbetreffende aanrijding heeft plaatsgevonden op het parkeerterrein van Albert Heijn aan de Nieuwstraat te Schagen — vrijgesproken van het in het middel bedoelde onderdeel van de primaire telastelegging uitsluitend omdat het niet bewezen achtte dat bedoeld parkeerterrein zelf deel uitmaakte van de Nieuwstraat.

5.2.

In aanmerking genomen a) dat de woorden 'op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nieuwstraat' voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te dezen te geven beslissingen strafrechtelijk niet van belang zijn en b) dat onder de omstandigheden als hiervoor onder 5.1 weergegeven niet kan worden gezegd dat het Hof door vrij te spreken van bedoeld onderdeel van de telastelegging een ander strafbaar feit dan was telastegelegd heeft bewezenverklaard, heeft het Hof anders dan in het middel wordt betoogd, de grondslag der telastelegging niet verlaten.

HR 25 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0497, NJ 1997/106

In de tenlastelegging van dood door schuld in het verkeer achtte het hof niet bewezen dat de in de tenlastelegging omschreven botsing had plaatsgevonden met “een voor hem [verdachte] links naast de weg staande boom” (de boom stond namelijk voor hem rechts naast de weg), waarna het hof vrijsprak van “voor hem links”. De Hoge Raad overwoog:

a) dat de woorden 'voor hem links' voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te dezen te geven beslissingen strafrechtelijk niet van belang zijn en b) dat niet kan worden gezegd dat het Hof door vrij te spreken van bedoeld onderdeel van de telastelegging iets anders heeft bewezenverklaard dan was telastegelegd, heeft het Hof, anders dan in het middel wordt betoogd, de grondslag der telastelegging niet verlaten.

HR 22 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0555 , NJ 1997/124

In de onder 4.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht dat het in de — op overtreding van art. 26, tweede lid, aanhef en onder b, WVW toegesneden — telastelegging aan het woord 'auto' toegevoegde woord 'personen' strafrechtelijk niet van belang is voor de te dezen krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te nemen beslissingen.

Voorts heeft het Hof in die overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat nu is komen vast te staan dat de in de telastelegging genoemde personenauto in feite een bestelauto is, genoemd toegevoegd woord uit die telastelegging kan worden losgemaakt zonder de feitelijke betekenis van die telastelegging te veranderen.

Beide oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Van grondslagverlating is dus geen sprake, zodat het middel faalt.”

HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1799, NJ 2000/511

Deze uitspraak betreft een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van wapens en munitie met vrijspraak van ‘zonder consent als bedoeld in de WWM’. De Hoge Raad overwoog:

Het begrip 'consent' komt in de Wet Wapens en Munitie (WWM) voor in de art. 14 e.v. (§ 4) van die Wet. In art. 14 WWM, betrekking hebbende op invoer en uitvoer uit Nederland, is het ontbreken van een consent een bestanddeel van het delict.

Nu de tenlastelegging onder 1 is toegesneden op het in art. 26 van de WWM strafbaar gestelde voorhanden hebben van wapens en munitie, is het tussen haakjes geplaatste gedeelte van de tenlastelegging, dat niet is te beschouwen als een bijzondere delictsgebonden grond voor uitsluiting van de strafbaarheid, terwijl het in art. 14 van de WWM genoemde consent niet aan de orde is bij het voorhanden hebben van wapens en munitie, niet aan te merken als een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging, dat daaruit niet kan worden losgemaakt zonder de betekenis van het tenlastegelegde te veranderen, zodat een vrijspraak van dat gedeelte van de tenlastelegging niet noodzakelijkerwijs dient te leiden tot een vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.

HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7955 , NJ 2000/737

Tenlastegelegd was dat de verdachte opzettelijk mishandelend met zijn auto een fietser zou hebben gesneden, waardoor deze tegen de auto van verdachte was gereden. Hof kwam tot een bewezenverklaring, met uitzondering van het gedeelte dat de fietser tegen de auto van verdachte was gereden. De Hoge Raad overwoog:

Het Hof heeft de tenlastelegging dus, afgezien van de daarin opgenomen strafverzwarende omstandigheid, kennelijk in die zin opgevat dat de verdachte die […] opzettelijk letsel en/of pijn heeft toegebracht door als bestuurder van een auto die […] op zijn fiets zodanig te snijden dat deze daardoor ten val is gekomen. In dat verband heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de steller van de tenlastelegging met de daarin opgenomen (wijzen van) aanrijding tussen de auto van de verdachte en […] slechts heeft beoogd een mogelijke nadere toedracht van die val aan te duiden.

In aanmerking genomen dat aan de term 'opzettelijk mishandelend' mede feitelijke betekenis toekomt, is die uitleg met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar, zodat zij in cassatie moet worden geëerbiedigd.

HR 10 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7314, NJ 2003/633

Deze zaak betreft een vrijspraak van de passage in de tenlastelegging “gelegen aan de Groene Hilledijk” in de plaatsaanduiding “te Rotterdam, in een pand gelegen aan de Groene Hilledijk”. De Hoge Raad overwoog:

Uit het verhandelde ter terechtzitting zowel in hoger beroep als in eerste aanleg blijkt dat bij de verdachte, die een verklaring heeft afgelegd omtrent de hennepkwekerij die hij in zijn toenmalige huurwoning in Rotterdam had, geen onduidelijkheid heeft bestaan omtrent hetgeen hem werd verweten en met name ook niet waar ter plaatse de verweten gedraging zich heeft voorgedaan.

Zulks in aanmerking genomen en voorts dat hetgeen waarvan is vrijgesproken voor de krachtens de art. 348 en 350 Sv door de rechter te geven beslissingen niet van belang is, heeft het Hof door bewezen te verklaren dat het feit is begaan te Rotterdam in een pand, doch niet dat dat pand was gelegen aan de Groene Hilledijk, niet een ander feit bewezenverklaard dan was tenlastegelegd en dus de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

HR 9 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8565 , NJ 2003/681

Het kwalificatieve deel van de tenlastelegging had in deze zaak betrekking op art. 6 lid 1 (oud) Arbeidsomstandighedenwet en de feitelijke omschrijving op lid 2. Het hof had de dagvaarding wat betreft de feitelijke omschrijving partieel nietig verklaard. De Hoge Raad overwoog:

3.6. Blijkens de hiervoor onder 3.5 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat aan het na de gedeeltelijke nietigverklaring aan art. 6 (oud) Arbeidsomstandighedenwet ontleende resterende deel van de tenlastelegging mede feitelijke betekenis toekomt. Dat oordeel is juist.

3.7.

Door de tenlastelegging slechts gedeeltelijk nietig te verklaren heeft het Hof aan de kennelijke strekking daarvan een uitleg gegeven die met de bewoordingen ervan strookt en die ook overigens niet onbegrijpelijk is. Daarom heeft het Hof bij zijn veroordeling van de verdachte de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

3.8.

De raadsvrouwe van de verdachte heeft blijkens de pleitnotities zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven en blijkens de eerste zin van de hiervoor onder 3.5 weergegeven overwegingen van het Hof onder meer betoogd dat de tenlastelegging onder 1 partieel nietig diende te worden verklaard en vervolgens vrijspraak diende te volgen. Aldus heeft zij de verdediging mede afgestemd op de mogelijkheid van geldigheid van het resterende deel van de tenlastelegging onder 1. Daarom kan niet worden gezegd dat het voorwerp van de vervolging aan de verdediging onvoldoende duidelijk is geweest.

3.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.

HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4676, NJ 2006/66

Het Hof heeft in die bewezenverklaringen niet opgenomen de telkens in die tenlasteleggingen voorkomende passage 'al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet'. Die passage duidt op de in die bepaling opgenomen uitbreiding van het in de art. 2 en 3 Opiumwet opgenomen begrip 'binnen het grondgebied van Nederland brengen'. Volgens die uitbreidende definitie zijn daaronder ook begrepen 'elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht'. Het Hof heeft de tenlasteleggingen onder 1, 2, 4 en 5 kennelijk aldus verstaan dat hetgeen daarin telkens na het woord 'immers' is opgenomen een nadere omschrijving behelst van bedoeld, telkens alternatief tenlastegelegde handelen in de zin van art. 1, vierde lid, Opiumwet.

Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

Van die uitleg uitgaande heeft het Hof, door bewezen te verklaren dat de verdachte tezamen in vereniging met anderen op de onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde tijdstippen de desbetreffende hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vrij te spreken van het tenlastegelegde handelen in de zin van art. 1, vierde lid, Opiumwet — met inbegrip van de nadere uitwerking daarvan in de passages volgend op 'immers' — de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9321

Het hof had in deze zaak partieel vrijgesproken van de passage “aan hem” in de zinsnede “terwijl aan hem (..) een Hinderwetvergunning (..) was verleend”. De Hoge Raad overwoog:

Art. 18.18 in verbinding met art. 8.20 Wm richt zich tot een ieder die de inrichting drijft. Aan wie de in die bepaling bedoelde vergunning is verleend, is dus niet van belang. Gelet daarop kon het Hof zonder de grondslag der tenlastelegging te verlaten tot een bewezenverklaring komen na de partiële vrijspraak van het onderdeel: "aan hem". Het middel faalt.”

HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4293, NJ 2012/508

OM-cassatie. Het hof had geheel vrijgesproken van de tenlastelegging ter zake van art. 6 , subsidiair art. 5 WVW 1994, op de grond dat daarin onder meer was vermeld dat de verdachte zijn voertuig in de “richting en/of over de busstrook” had gestuurd terwijl ter plaatse geen busstrook aanwezig was en deze passage volgens het hof een essentieel onderdeel van de tenlastelegging vormde. De Hoge Raad overwoog:

De tenlastelegging is toegesneden op art. 6 onderscheidenlijk art. 5 Wegenverkeerswet 1994. Zij behelst het verwijt dat de verdachte zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden dan wel dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt. In aanmerking genomen dat, mede gelet op dit verwijt, de vermelding in de onderhavige tenlastelegging dat de verdachte het door hem bestuurde voertuig in de ‘richting en/of over de busstrook’ heeft gestuurd, is aan te merken als een bijkomstige omstandigheid die uit de tenlastelegging kan worden losgemaakt zonder de betekenis daarvan te veranderen, heeft het Hof door te oordelen als hiervoor vermeld bij zijn beraadslaging en beslissing de grondslag van de tenlastelegging verlaten en de verdachte vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.

CAG Keulen d.d. 6 maart 2018 ECLI:NL:PHR:2018:348 vóór HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:606

Voor zover aan het oordeel van het hof was onderworpen én voor zover relevant, was tenlastegelegd dat “hij op 11 februari 2014 te Delft een wapen van categorie I onder 7°, te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad”, waarbij het hof de onderstreepte passage niet had overgenomen in de bewezenverklaring, waarschijnlijk op de grond dat het wapen in werkelijkheid niet was vermeld op lijst a of lijst b van de genoemde bijlage I. Keulen merkte hierover onder meer het volgende op (met weglating van voetnoten):

Ook in het onderhavige geval is de uitleg van het hof, dat de passage waarvan is vrijgesproken niet als essentieel heeft beschouwd, niet onverenigbaar met de bewoordingen van de tenlastelegging. Het hof heeft niet het voorhanden hebben van een ander wapen bewezen verklaard. Het gaat om hetzelfde ‘ingekort luchtdrukgeweer’. Het hof heeft enkel vrijgesproken van de passage waarin is aangegeven op welke lijst(en) van de bijlage bij de Regeling Wapens en Munitie het luchtdrukgeweer vermeld zou zijn. Het hof heeft dat naar het mij voorkomt als een nadere specificatie kunnen zien waarvan partieel kan worden vrijgesproken. Daarbij kan worden aangetekend dat deze specificatie (strafrechtelijk) niet van belang is voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te nemen beslissingen (het blijft een wapen van categorie I onder 7). (…).

Van belang is daarbij wel, zo volgt ook uit bovenstaand arrest van 7 maart 2006, of de lezing van de tenlastelegging waar het hof van uit gaat voor de verdediging als een verrassing kan zijn gekomen. Denkbaar is dan, dat de verdediging verweren niet heeft gevoerd die wel zouden zijn gevoerd als de verdediging geweten had dat de rechter de tenlastelegging aldus zou uitleggen. Die situatie heeft zich in deze zaak naar het mij voorkomt evenwel niet voorgedaan. Daarbij staat voorop dat het in onze wijze van procesvoering heel gebruikelijk is dat van specificaties in de tenlastelegging wordt vrijgesproken. In het onderhavige geval komt daar bij dat de raadsman van de verdachte door de berechting in eerste aanleg reeds geattendeerd was op de mogelijkheid dat van deze passage partieel kon worden vrijgesproken. De politierechter was namelijk eveneens tot een bewezenverklaring gekomen met vrijspraak van deze specificatie. (…).”

Keulen concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad deed de zaak af met een aan artikel 81 RO ontleende motivering.

17. Wél werden essentiële specificaties aangenomen in de volgende zaken.

HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7515, NJ 1982/410

Tenlastegelegd was dat “hij een aantal vuurwapens, namelijk aan alarmpistolen soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen, alsmede een hoeveelheid munitie voorhanden heeft gehad”, waarbij partieel werd vrijgesproken van de onderstreepte passage. De Hoge Raad overwoog:

6.1. In de bewezenverklaring onder 2 is niet opgenomen de in de telastlegging onder 2 voorkomende zinsnede 'namelijk aan alarmpistolen soortgelijke voor bedreiging of afdreiging geschikte voorwerpen'; het Hof heeft niet bewezen verklaard, voor zover hier van belang, hetgeen aan de verdachte in de aanhef en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan als bewezen is aangenomen.

6.2.

Door gemelde zinsnede worden echter de vuurwapens waarop de telastlegging onder 2 het oog heeft nader bepaald en aangeduid, zodat zij uit het geheel dier telastlegging niet kan worden losgemaakt zonder de betekenis daarvan te veranderen.

6.3.

Mitsdien heeft het Hof niet beraadslaagd en beslist op de grondslag van de telastlegging in de aanhef en onder 2, zodat het middel gegrond is en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:AD0657, NJ 1989/905

Tenlastegelegd was “te Den Haag uit een winkel van de Bijenkorf stelen van een boek toebehorende aan de Bijenkorf, althans een ander dan verdachte”. Bewezenverklaard was “te Den Haag stelen van een boek toebehorende aan een ander dan verdachte”. De winkeldiefstal vond plaats in V&D. De Hoge Raad overwoog:

4.2. Daarvan heeft het hof bewezen verklaard dat:

'hij op 17 dec. 1985 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen boeken toebehorende aan een ander dan aan hem, verdachte.'

5. Beoordeling van het middel

5.1.

De in de telastelegging voorkomende woorden 'in of uit het warenhuis van de Bijenkorf' zijn niet in de bewezenverklaring opgenomen terwijl het hof vervolgens de verdachte heeft vrijgesproken van hetgeen hem primair meer of anders is ten laste gelegd dan is bewezen verklaard.

5.2.

De door de woorden 'in of uit het warenhuis van de Bijenkorf' aangebrachte nadere bepaling en beperking van de plaats, waar de in de telastelegging bedoelde diefstal zou zijn voorgevallen, kunnen evenwel niet uit de telastelegging worden losgemaakt zonder de betekenis daarvan te veranderen. Mitsdien heeft het hof, door het ten laste gelegde met weglating van deze woorden bewezen te verklaren, in strijd met het bepaalde in de art. 350 en 358 Sv in verband met art. 415 Sv niet beraadslaagd en beslist op de grondslag van de telastelegging.”

HR 18 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AE0199, NJ 2002/327.

Bewezenverklaard was het voorhanden hebben van een “schiet/vuurwapen van categorie III, te weten een pistool”, terwijl de verdachte een alarmpistool als bedoeld in categorie III sub 4 voorhanden heeft gehad. Een alarmpistool als daar bedoeld is geen vuurwapen als bedoeld in art. 2, categorie III sub 1 WWM. De Hoge Raad overwoog:

De hiervoor onder 3.2 weergegeven tenlastelegging is voor geen andere uitleg vatbaar dan dat daarin, voorzover sprake is van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III, wordt gedoeld op een vuurwapen als bedoeld in art. 2, categorie III onder 1, WWM, waarbij het begrip 'vuurwapen' is gebezigd in de zin van art. 1 aanhef en onder 3 van de WWM.

Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang beschouwd met de hiervoor onder 3.4 weergegeven nadere bewijsoverweging, heeft het Hof onmiskenbaar geoordeeld dat de verdachte een alarmpistool als bedoeld in voornoemde categorie III sub 4 voorhanden heeft gehad.

Een alarmpistool als daar bedoeld is geen vuurwapen in de zin van de WWM. Door niettemin bewezen te verklaren dat de verdachte een 'schietwapen/vuurwapen van categorie III' (waarbij het woord 'schietwapen' kennelijk abusievelijk niet is doorgehaald) voorhanden heeft gehad, is het Hof uitgegaan van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging gebezigde term vuurwapen en heeft het de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Het middel is dus terecht voorgesteld.

HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2708, NJ 2005/417

De verdachte had gereden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. De tenlastelegging werd bewezenverklaard met weglating van de tenlastegelegde omstandigheid dat de invordering was gebaseerd op art. 164 WVW 1994. De Hoge Raad overwoog:

De wetgever heeft voor wat betreft het verbod om een motorrijtuig te besturen of te doen besturen na een vordering tot overgifte van het rijbewijs dan wel gedurende de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd en nog niet is teruggegeven, in de leden 4 en 7 van art. 9, in verbinding met art. 176, derde lid, WVW 1994 voorzien in twee onderscheiden strafbaarstellingen, al naar gelang de (in)vordering plaatsvond op de voet van art. 130 WVW 1994 dan wel op de voet van art. 164 van die Wet. Daarbij is de desbetreffende wettelijke grondslag van de (in)vordering telkens als bestanddeel van de delictsomschrijving opgenomen. Dat brengt voor wat het onderhavige geval betreft mee dat het Hof door het onder 2 tenlastegelegde bewezen te verklaren met weglating van de tenlastegelegde omstandigheid dat de invordering was gebaseerd op art. 164 WVW 1994, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6936, NJ 2012/117

De zaak betrof het belemmeren van een ambtshandeling. Tenlastegelegd was voor zover relevant dat “hij op (…) in (…), toen de aldaar dienstdoende (…), beiden hoofdagent van politie, belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, [de verdachte] in het kader van artikel 564 van het Wetboek van Strafvordering had(den) aangehouden en (…) vasthad(den), deze door die opsporingsambtena(a)r(en) ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belemmerd, door tegen voornoemde (…) te duwen.” Het hof had de onderstreepte passage niet overgenomen in de bewezenverklaring. De Hoge Raad overwoog:

Bij de strafbaarstelling van art. 184, eerste lid, Sr, voor zover dat het beletten, belemmeren of verijdelen van door aldaar bedoelde ambtenaren ondernomen handelingen betreft, is als vereiste opgenomen dat die handelingen ‘ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift’ zijn ondernomen.

Dat brengt mee dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door, na de partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wettelijke voorschrift ter uitvoering waarvan de opsporingsambtenaren hun handelingen zouden hebben ondernomen, het feit bewezen te verklaren zonder dat daarin op enigerlei wijze is uitgedrukt dat de handelingen van de opsporingsambtenaren ‘ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift’ waren ondernomen.”

HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3694

De tenlastelegging omschreef schuldheling met betrekking tot een aantal gespecificeerde goederen (a tot en met k). De bewezenverklaring in hoger beroep vermeldde alleen “goederen” (waarvan de verdachte had moeten vermoeden dat zij van enig misdrijf afkomstig waren). De Hoge Raad overwoog:

2.3. Door geen van de goederen die in de tenlastelegging onder 6 zijn opgesomd in de bewezenverklaring op te nemen, en vervolgens te overwegen dat het meer of anders tenlastegelegde niet is bewezen en de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, heeft de bewezenverklaring ter zake van het onder 6 tenlastegelegde kennelijk betrekking op andere goederen dan waarop de tenlastelegging doelt. Door aldus te overwegen en te beslissen heeft het Hof derhalve in zoverre, in strijd met hetgeen in de art. 348 en 350 in verband met art. 415 Sv is bepaald, niet beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.

18. Tot zover een opsomming van jurisprudentie. Uit die rechtspraak kan het volgende worden afgeleid.

19. De vraag of een bepaalde passage een essentieel onderdeel van de tenlastelegging uitmaakt betreft in eerste instantie een kwestie van uitleg van die tenlastelegging. Die uitleg is voorbehouden aan de feitenrechter. Indien over die uitleg in cassatie wordt geklaagd, ziet de Hoge Raad reden voor ingrijpen wanneer die uitleg onverenigbaar is met de bewoordingen en de strekking van de tenlastelegging en wanneer die uitleg onbegrijpelijk is.

20. De kernvraag is steeds of een passage uit het tenlastegelegde kan worden losgemaakt zonder de wezenlijke betekenis daarvan te veranderen. Zo ja, dan betreft die passage een niet-essentiële, bijkomstige specificatie. Voor de vraag of een weggelaten passage een essentieel onderdeel van de tenlastelegging uitmaakt, is mede bepalend of die passage strafrechtelijk van belang is voor de beslissingen die de rechter op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv moet geven. Brengt het uitzonderen van een passage uit de tenlastelegging in de bewezenverklaring een wijziging teweeg in de kwalificatie of in de strafbaarheid van het in de tenlastelegging omschreven voorval, dan zal die passage in beginsel als essentieel moeten worden aangemerkt. Ik schrijf hier ‘in beginsel’, omdat het voorgaande geen betrekking heeft op de vrijspraak van strafverzwarende omstandigheden.

21. Daarnaast neemt de Hoge Raad bij de vraag of de partiële vrijspraak van een passage is toegelaten enige omstandigheden in aanmerking die op zichzelf weinig tot geen verband houden met de voorgaande kwesties, maar die raken aan de eisen van een eerlijk proces. Zo rijst de vraag of bij de verdachte (en de verdediging) onduidelijkheid heeft bestaan omtrent hetgeen de verdachte werd verweten. Van belang is daarbij of de lezing van de tenlastelegging waarvan het hof uitgaat voor de verdediging als een verrassing kan zijn gekomen. Als de verdachte zijn verdediging heeft afgestemd, of heeft kunnen afstemmen op de door het hof gegeven uitleg van de tenlastelegging, zal geen sprake zijn van een verrassingsbeslissing.

22. Terug naar de voorliggende zaak. Zoals gezegd luidde het verwijt voor zover relevant dat de verdachte:

op 6 juni 2016 te Tilburg in een besloten lokaal gelegen aan de Jan Heijnsstraat en in gebruik bij Albert Heijn XL (…) wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2016 schriftelijk de toegang tot die voornoemde Albert Heijn XL ontzegd voor de duur van 12 maanden.

23. Het hof heeft de door mij onderstreepte woorden niet overgenomen in de bewezenverklaring, en dit op de grond dat niet vaststond dat de verdachte op de hoogte was van het collectieve winkelverbod d.d. 7 mei 2016, terwijl het hof wel bewezen acht dat de verdachte op de hoogte was van het toen en daar geldende collectieve winkelverbod d.d. 24 april 2016.

24. De kern van het verwijt houdt in dat de verdachte toen en daar een nader geconcretiseerde winkel is ingegaan (‘binnengedrongen’) waarvan hem – naar hij wist – de toegang was ontzegd. Daarin stemt de bewezenverklaring overeen met de tenlastelegging.

Het in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel ‘wederrechtelijk’ behoeft in de tenlastelegging niet nader te worden omschreven.5 Die kwestie is van belang voor het antwoord op een vraag van art. 348 Sv, namelijk naar de geldigheid van de dagvaarding indien de omschrijving van het winkelverbod daaruit wordt weggedacht. Dit is richtinggevend voor de vraag of de vermelding van het winkelverbod een essentieel dan wel bijkomstig onderdeel van de tenlastelegging betreft.

Aldus bezien heeft het hof de wezenlijke betekenis van het tenlastegelegde niet aangetast door de verwijzing naar het collectieve winkelverbod d.d. 7 mei 2016 uit te zonderen van de bewezenverklaring. Die verwijzing acht ik een specificatie van bijkomstige aard. Het hof heeft dus niet een ander feit bewezenverklaard dan was tenlastegelegd en daarmee de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

25. Hoewel daarover in cassatie geen specifieke klacht is geformuleerd moet hierbij in ogenschouw worden genomen dat ter terechtzitting van het hof de twee genoemde, collectieve winkelverboden aan de orde zijn gekomen. Weliswaar heeft de advocaat-generaal de integrale vrijspraak voor het tenlastegelegde gevorderd op de grond dat niet bewezen was dat de verdachte op de hoogte was van het collectieve winkelverbod van 7 mei 2016, maar het kan voor de raadsvrouw geen verrassing zijn (geweest) dat het hof aan die vordering niet is gebonden en daarvan kan afwijken. Zoals mijn ambtgenoot Keulen reeds eerder opmerkte, staat daarbij voorop dat het in onze wijze van procesvoering heel gebruikelijk is dat van (bijkomstige) specificaties in de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

26. Het middel faalt.

27. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Over de grondslagleer is een omvangrijke hoeveelheid literatuur beschikbaar, dus ik beperk mij hier tot de verwijzing naar een klassieker die in de loop van bijna veertig jaar weinig tot niets aan relevantie heeft ingeboet: D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1981. Zie bovendien de beschouwingen van de Hoge Raad in HR 27 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0095, NJ 1996/126.

2 Zie HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494, en HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047, NJ 2014/490, waaruit ik citeer: “Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, mits de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo een verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist.

3 De kwestie van het (toegestane) vrijspreken van strafverzwarende omstandigheden laat ik hier in de hoofdtekst onvermeld.

4 D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), Arnhem: Gouda Quint 1981, met name hoofdstuk 4, p. 75-112, en daarvan bijvoorbeeld p. 101 (‘bijkomstige specificaties zijn niet onmisbaar’).

5 Zie bijvoorbeeld voor art. 350 Sr: HR 4 januari 1977, NJ 1977/414.