Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:525

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/04959
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1098
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Strafoplegging bij meerdaade samenloop. Middel klaagt terecht dat het hof in strijd met art. 57 Sr in plaats van één twee vrijheidsstraffen heeft opgelegd. Dit moet leiden tot vernietiging. In dit geval kan de Hoge Raad naar het oordeel van de AG het gebrek eigenhandig herstellen door in zoverre opnieuw recht te doen en de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van negen weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 17/04959

Zitting 28 mei 2019

CONCLUSIE

G. Knigge

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

hierna: de verdachte.

1 Inleiding

1.1

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 27 september 2017 wegens kortgezegd poging tot diefstal (feit 1) en belediging van een opsporingsambtenaar (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2 Het middel

2.1

Het middel komt op tegen de strafoplegging en bevat de klacht dat het hof in strijd met art. 57 Sr niet één (vrijheids)straf heeft opgelegd.

2.2

Het hof heeft het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte daarvoor veroordeeld. De strafmotivering van het hof luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘’(…)

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Voor wat betreft de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf is het hof van oordeel dat in de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 38 dagen met aftrek van voorarrest, de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Al hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, legt tegenover de ernst van de feiten onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

Met oplegging van voormelde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.’’

2.3

Het dictum van het hof luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘’Het hof: (…)

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; (…)’’

2.4

Uit het voorgaande blijkt dat het hof inderdaad in strijd met art. 57 Sr in plaats van één twee vrijheidsstraffen heeft opgelegd, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen met aftrek conform artikel 27 lid 1 Sr en een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken maar dit geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het middel klaagt daarover terecht.

2.5

Het hof heeft echter onmiskenbaar een deels onvoorwaardelijke en deels voorwaardelijke gevangenisstraf willen opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel 42 dagen, aldus 6 weken betreft, en het voorwaardelijke deel 3 weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. De Hoge Raad kan het gebrek naar mijn mening dan ook eigenhandig herstellen door in zoverre opnieuw recht te doen en de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van negen weken, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.

3. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt voor zover het de strafoplegging betreft, en de zaak in zoverre zelf afdoet door aan de verdachte een gevangenisstraf van negen weken op te leggen, waarvan drie weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG