Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:523

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
21-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
18/02328
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1075
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Verlof ex art. 552p Sv. Duits verzoek tot “doorzoeking en beslaglegging” en “overdacht van bewijsmiddelen” in het kader van een lopend onderzoek naar belastingfraude. Verzoek gegrond op verdrag (ERV) of richtlijn (EOB Richtlijn 2014/41/EU geimplementeerd bij wet van 31 mei 2017, Stb. 2017, 231)? Volgens de AG berust de klacht dat de rechtbank het verzoek ten onrechte als een rechtshulpverzoek gegrond op het ERV heeft opgevat, op een stelling die feitelijke grondslag mist, nl. dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd. Volgens de Duitstalige stukken is er sprake van rechtshulpverzoek. Dit rechtshulpverzoek is in de Nederlandstalige versie abusievelijk vertaald als EOB. De AG concludeert tot verwerping van het beroep (art. 81.1 RO) en merkt verder een en ander op over de overgangsbepalingen m.b.t. de toepassing van de Richtlijn EOB en de Nederlandse wet ter implementatie daarvan op verzoeken ingediend vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Europese regeling voor de ‘kleine rechtshulp’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/02328

Zitting 21 mei 2019

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1977,

hierna: de betrokkene.

1 Inleiding

1.1

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking van 9 maart 2018 het door de officier van justitie gevorderde verlof als bedoeld in art. 552p lid 2 (oud) Sv verleend.

1.2

Namens de betrokkene is tegen voornoemde beschikking cassatieberoep ingesteld en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

1.3

Het gaat in deze zaak om het volgende. De Duitse justitiële autoriteiten hebben op 19 oktober 20161 een rechtshulpverzoek gedaan tot het in beslag nemen en overdragen van stukken van overtuiging aan de Nederlandse autoriteiten met betrekking tot een in Duitsland lopend strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude dat onder andere tegen de betrokkene is gericht.

1.4

In het eerste cassatiemiddel wordt aan de orde gesteld of de rechtbank het op 19 oktober 2016 ingediende verzoek heeft kunnen aanmerken als een verzoek in de zin van art. 3 Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (ERV) en derhalve een verdrag zoals bedoeld in art. 552k (oud) e.v. Sv. Het tweede cassatiemiddel richt zich tegen de beslissing van de rechtbank verlof te verlenen aan de officier van justitie om de gevraagde en in beslag genomen stukken van overtuiging over te dragen aan de Duitse autoriteiten.

2 Het eerste middel

2.1

Het middel bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de Duitse autoriteiten uitgevaardigde verzoek een rechtshulpverzoek is dat gegrond is op het ERV.

2.1

De bestreden beschikking van de rechtbank houdt hierover het volgende in:

“De beoordeling

Met betrekking tot de feiten verwijst de raadkamer naar de stukken zoals die zich in het dossier bevinden. Meer in het bijzonder gaat de raadkamer uit van het navolgende.

De Duitse justitiële autoriteiten hebben krachtens het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (20 april 1959) en de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (29 mei 2000) een rechtshulpverzoek, gedateerd 22 september 2016, gedaan aan de Nederlandse autoriteiten inzake een in Duitsland lopend strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en andere onbekende verdachte(n) inzake, kort gezegd, belastingfraude, strekkende tot het in beslag nemen en overdagen van stukken van overtuiging.

In het kader van dit verzoek is door de officier van justitie op 1 juni 2017 een doorzoeking ter inbeslagname verricht op de locatie [a-straat 1] te Huissen, zijnde een bedrijfspand in gebruik bij [A] B.V. en [B] B.V. Verdachte was (destijds) bestuurder van voornoemde B.V. Bij deze doorzoeking zijn diverse (digitale) stukken in beslag genomen. De digitale werkzaamheden, zoals het draaien van query’s, zouden enkele uren in beslag nemen. In overleg met verdachte en de raadsman is bepaald dat de query’s op een later nader te bepalen tijdstip door een medewerker zouden worden opgehaald. Door rechercheur [betrokkene 1] werd nader op 9 augustus 2017 een zwarte USB-stick van het merk PNY van 16 GB groot (met audit-files) ontvangen uit handen van verdachte.

De onderhavige vordering strekt tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen aan de Duitse justitiële autoriteiten van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging die zijn vermeld in proces-verbaal AMB-006.”

2.2

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat uit de stukken die de officier van justitie bij zijn vordering ex art. 552p (oud) Sv heeft gevoegd blijkt, dat de Duitse autoriteiten op 19 oktober 2016 een Europees onderzoekbevel (EOB) hebben uitgevaardigd en dat dit geen rechtshulpverzoek is dat aan de eisen van art. 3 ERV voldoet:

(i) omdat dit EOB op de richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel is gebaseerd welke richtlijn op het moment van het uitvaardigen van het EOB nog niet in Nederland was geïmplementeerd;

(ii) dit EOB niet is aan te merken als ‘verzoek’ in de zin van het ERV en de bepalingen van Titel X Sv en

(iii) het kennelijk doel daarvan niet de toezending van ‘stukken van overtuiging van dossiers of van documenten’ zoals bedoeld in art. 3 lid 1 ERV en Titel X Sv is, maar de “overdracht van bewijsmiddelen” beoogt.

2.3

Naar mijn mening mist het middel feitelijke grondslag nu het is gebaseerd op de veronderstelling dat de Duitse autoriteiten een Europees onderzoeksbevel hebben uitgevaardigd. Bij de gedingstukken bevindt zich een kopie van de originele Duitstalige versie van het verzoek, die als bijlage bij de vordering van de officier van justitie is gevoegd. Daarin worden geen bewoordingen gebruikt die erop wijzen dat beoogd is een EOB uit te vaardigen, maar wordt steeds gesproken van een “Rechtshilfeersuch” (of vervoegingen daarvan). Deze term is kennelijk abusievelijk in de Nederlandse vertaling vertaald in “EOB”. De juiste vertaling is “rechtshulpverzoek”. Ik kan uit de stukken niet opmaken of de vertaling in opdracht van de Duitse autoriteiten heeft plaatsgevonden, of dat deze in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is vervaardigd. De vertaling is opgemaakt door [betrokkene 2], beëdigd vertaler in de Duitse taal, beëdigd door de rechtbank te Rotterdam op 18 oktober 2002, wat mij doet vermoeden dat deze vertaling in opdracht van de Nederlandse autoriteiten is opgemaakt. Dat betekent dat de stelling die aan het middel ten grondslag ligt, namelijk dat het hier zou gaan om een door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd EOB, niet juist is.

2.4

Ik heb mij nog afgevraagd of er enige betekenis moet worden toegekend aan de vertaalde versie van het rechtshulpverzoek voor zover daarin het verzoek wordt aangeduid als EOB. Dat is mijns inziens niet het geval. Art. 16 lid 1 ERV verplicht niet tot vertaling van rechtshulpverzoeken en daarbij behorende stukken en Nederland heeft in dat verband bij de ondertekening van het ERV ook geen voorbehoud gemaakt op grond van art. 16 lid 2 ERV. Dat betekent mijns inziens dat de Duitstalige versie van het verzoek en de bijlagen doorslaggevend zijn en ervan moet worden uitgegaan dat het om een rechtshulpverzoek gebaseerd op het ERV gaat, zoals ook in de vordering van de officier van justitie staat vermeld.

2.5

Ten overvloede wil ik nog drie opmerkingen maken:

(i) Het Duitstalige formulier behorende bij Richtlijn 2014/41/EU inzake het Europees onderzoeksbevel, dat als blijlage A bij de Duitse versie van de Richtlijn is gevoegd, verschilt op belangrijke punten met het formulier “Rechtshulpverzoek / Rechtshilfeersuchen / Comission rogatoire internationale” d.d. 19 oktober 2016, dat als bijlage bij de vordering van de officier van justitie is gevoegd. Het Europees onderzoeksbevel wordt in de bijlage bij de Richtlijn aangeduid als Europäische Ermmittlungsandordnung en afgekort als EEA.2

(ii) De Duitse wet waarbij de Richtlijn in Duitsland is geïmplementeerd, te weten het “Viertes Gezets zur Änderung des Gesetzes über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen”, is volgens art. 3 van die wet op 22 mei 2017 in werking getreden. Nu het verzoek van de Duitse autoriteiten tot “doorzoeking en beslaglegging” en “overdacht van bewijsmiddelen” van 19 oktober 2016 dateert, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat – zoals in de toelichting van het middel wordt gesteld – de Duitse autoriteiten een “Europäische Ermittlungsanordnung” als bedoeld in de voornoemde Gesetz hebben uitgevaardigd. Een wettelijke grondslag daarvoor bestond er toen nog niet.

(iii) Tot slot blijven ingevolge art. 35 van de Richtlijn en art. II van de Implementatiewet3 de oude rechtsinstrumenten van toepassing op verzoeken waarop de richtlijn en de Implementatiewet, gelet op de datum waarop de verzoeken zijn ingediend, nog niet van toepassing zijn.4 Dus ook al zou moeten worden aangenomen dat het verzoek van de Duitse autoriteiten (voortijdig) in de vorm van een EOB is gegoten, dan nog kan bij de behandeling ervan worden teruggevallen op het ERV.

2.6

Kortom, de vaststelling van de rechtbank dat het verzoek van de Duitse autoriteiten een verzoek tot rechtshulp is dat zijn grondslag vindt in het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 20 april 1959 en de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (29 mei 2000)5, is mijns inziens juist. Dat geldt ook voor het oordeel van de rechtbank dat aan het verzoek met inachtneming de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (in casu de art. 552h-552q (oud) Sv) uitvoering kan worden gegeven. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verlof kan worden verleend voor het overdragen van de inbeslaggenomen ‘stukken van overtuiging’ overeenkomstig de bepalingen van Titel X, boek 4, Sv.

2.7

Het middel faalt.

3 Het tweede middel

3.1

Het middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat op grond van art. 552p lid 2 (oud) Sv verlof kan en zal worden verleend om de stukken van overtuiging die in beslag zijn genomen over te dragen aan de Duitse autoriteiten.

3.2

Dit oordeel is volgens de toelichting op het middel onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd omdat:

(i) uit de beschikking onvoldoende blijkt op welke inbeslaggenomen stukken van overtuiging het verleende verlof betrekking heeft;

(ii) de usb-stick, voor zover het verleende verlof daarop ziet, niet kan worden aangemerkt als ‘stukken van overtuiging’, terwijl

(iii) voorts niet is gebleken dat sprake is geweest van ‘inbeslagneming’ van die USB-stick.

3.3

Klacht (i) treft geen doel. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat “de onderhavige vordering strekt tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen aan de Duitse justitiële autoriteiten van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging die zijn vermeld in proces-verbaal AMB-006”. Uit dit proces-verbaal, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, blijkt onmiskenbaar dat de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof en het door de rechtbank verleende verlof betrekking hebben op de door de rechtbank, in de bestreden beschikking beschreven zwarte USB-stick van het merk PNY van 16 GB groot (met audit-files), die rechercheur [betrokkene 1] op 9 augustus 2017 uit handen van de betrokkene heeft ontvangen. Dat tijdens de doorzoeking mogelijk ook contant geld of andere voorwerpen in beslag zijn genomen doet er verder niet toe, nu de vordering tot het verlenen van verlof zich onmiskenbaar beperkte tot de in het proces-verbaal AMB-006 bedoelde USB-stick.

3.4

Ook klacht (ii) is tevergeefs voorgesteld, nu gegevensdragers moeten worden geacht onder het bereik van art. (oud) 552h Sv te vallen.6 Hetzelfde lot treft klacht (iii). Deze lijkt eraan voorbij te gaan dat onder inbeslagneming van enig voorwerp wordt verstaan het onder zich nemen of gaan houden van dat voorwerp (i.c. de overhandigde usb stick) ten behoeve van de strafvordering (i.c. het Duitse strafrechtelijk onderzoek).

3.5

Het tweede middel faalt in alle onderdelen.

4 Conclusie

4.1

De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de motivering ontleend aan art. 81 lid 1 RO.

4.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

4.3

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de beschikking van de rechtbank wordt kennelijk abusievelijk de datum 22 september 2016 genoemd, maar dat is de datum van de doorzoekingsbeschikking van het kantongerecht Kleve.

2 Te raadplegen via: <https://eur-lex.europa.eu/legal-content/DE/TXT/HTML/?uri=CELEX:32014L0041&from=NL#d1e41-24-1>

3 Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken”, in werking getreden op 16 juni 2017.

4 Art. 35 Richtlijn 2014/41/EU luidt voor zover hier van belang: “1. Vóór 22 mei 2017 ontvangen verzoeken om wederzijdse hulp blijven vallen onder de bestaande regelgeving betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken.(…)”.

5 Ik merk voor de volledigheid op dat beide regelingen 22 september 2016 van kracht waren en nog steeds van kracht zijn.

6 Vlg. o.a. de conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2015:618, voorafgaand aan de beschikking HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3704 en de conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:2517, voorafgaand aan de beschikking HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3798.