Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2019:503

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
14-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
18/02249
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1038
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie PG. Drie middelen. 1. Klacht over bewezenverklaring van “het verschaffen van inlichtingen” door het telkens inloggen op een peilbaken en over grondslagverlating. 2. Klacht dat de voor de bewezenverklaring van medeplegen van medeplichtigheid aan door anderen gepleegde poging tot moord vereiste nauwe en bewuste samenwerking niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. 3. Klacht over schending art. 301 lid 4 Sv. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 18/02249

Zitting: 14 mei 2019

Mr. J. Silvis

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 4 mei 2018 door het Gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A onder 1 “medeplegen van voorbereiding van moord”, onder 2 “medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, onder 4 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd”, en onder 5 subsidiair “medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd”, en in zaak B “medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord” veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts ten aanzien van in beslag genomen voorwerpen beslist zoals in het arrest weergegeven.
    Er bestaat samenhang met de zaak 18/02231. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

  2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

  3. De middelen betreffen alle het in zaak B ( […] ) bewezenverklaarde “medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord”. Deze zaak betreft een poging tot moord in de vroege ochtend van 1 november 2014. Het slachtoffer reed samen met een bekende in een gehuurde VW Golf toen er een explosief onder hun auto ontplofte en zij beschoten werden met automatische wapens vanuit een donkere BMW. Het slachtoffer rende uit de auto, waarna de BMW achter hem aanging. Onder het rennen werd hij geraakt. Het slachtoffer raakte ernstig gewond aan zijn rechterarm.
    Bij de zwaar beschadigde Golf werd een peilbaken aangetroffen. Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat hij en/of een of meer van zijn mededader(s) dat peilbaken onder die VW Golf hebben geplaatst en telkens hebben ingelogd op dat peilbaken. Hierdoor wisten de schutters waar het slachtoffer zich bevond.

  4. Het eerste middel klaagt dat het hof ter invulling van de medeplichtigheidshandeling ‘het verschaffen van inlichtingen’ ten onrechte tevens bewezen heeft verklaard dat via het inloggen op een peilbaken verkregen informatie geheel of gedeeltelijk is gedeeld, terwijl in de tenlastelegging enkel is opgenomen ‘telkens ingelogd op voornoemd peilbaken’.
    Het tweede middel klaagt dat de voor de bewezenverklaring van medeplegen van medeplichtigheid vereiste nauwe en bewuste samenwerking zonder nadere toelichting niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
    Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld.

Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

“ “Zaak A ( […] )

“ 1. hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

“ a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk Zastava, model: 70AB2 , kaliber: 7,62x39 mm) en een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model Uzi M61 kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroonmagazijn (bestemd voor een Uzi M61) en

“ b) in voornoemde Zastava’s telkens 30 volmantelpatronen (kaliber 7,62x39 mm) en in voornoemde Uzi 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en in voornoemd patroonmagazijn 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) en een patroon (kaliber 7,62x39 mm) en

“ c) twee gestolen personenauto’s (merk: BMW 335, origineel kenteken: [kenteken 1] en merk- BMW serie 1, origineel kenteken [kenteken 2] ) en

“ d) valse en/of gestolen kentekenplaten ( [kenteken 3] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken 4] (bevestigd op voornoemde BMW 335) en [kenteken 5] (bevestigd op voornoemde BMW serie 1)) en

“ j) een peilbaken (IME1 nummer: [001] ) en

“ k) een tablet voorzien van software om een peilbaken te volgen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

“ 2.

“ hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

“ a) een jerrycan met daarin benzine en

“ b) een handflare (nood sein fakkel) (merk: Painswessex, model: Red Handflare MK8), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;


4.

“ hij in de periode van 22 december 2014 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
vuurwapens van categorie II, te weten

“ a) twee volautomatische militaire aanvalsgeweren (merk: Zastava, model: M70AB2 kaliber- 7 62 x 39 mm) en

“ b) een pistoolmitrailleur (merk Fabrique Nationale (Licentiebouw Uzi), model- Uzi M61 kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)

“ en

“ munitie van categorie III, te weten

“ c) in voornoemde Zastava’s telkens 30 patronen van kaliber 7.62 x 39mm (volmantel) en

“ d) in voornoemde pistoolmitrailleur 30 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter) (type hollowpoint) en

“ e) een patroon van kaliber 7,62 x39 mm en

“ f) 24 patronen (kaliber: 9 millimeter Luger (9x19 millimeter)) voorhanden heeft gehad;

“ 5.

“ hij in de periode van 31 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

“ a) een motorvoertuig, te weten een BMW 335 (origineel kenteken ( [kenteken 1] ) en

“ b) een motorvoertuig, te weten een BMW serie 1 (origineel kenteken [kenteken 2] ) en

“ c) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken 6] en

“ d) twee kentekenplaten, voorzien van kenteken [kenteken 7] ,
voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

“ Zaak B ( […] )

“ anderen op 1 november 2014 te Almere, ter uitvoering van hun voornemen om, tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met vuurwapens kogels in de richting van de auto en het lichaam van die [slachtoffer 1] hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk misdrijf verdachte en/of een of meer van zijn mededaders in de periode van 24 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 in Nederland, opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft,

“ immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

“ - een peilbaken op of omstreeks 25 oktober 2014 geplaatst onder de auto van die [slachtoffer 1] en

“ - vanaf 25 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 telkens ingelogd op voornoemd peilbaken.

6. Het hof heeft algemene overwegingen met betrekking tot en naar aanleiding van de data- en telecommunicatie in zijn arrest opgenomen, welke voor zover van belang in de zaak […] , hieronder worden geciteerd, en ten aanzien van het bewijs in zaak B ( […] ) het volgende overwogen:

“ “Algemene overwegingen met betrekking tot en naar aanleiding van de data- en telecommunicatie
Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot de volgende vaststellingen.
Op 1 februari 2015 is in de fouillering van de verdachte een telefoon van het merk BlackBerry voorzien van een toepassing waarmee versleuteld berichtenverkeer kan plaatsvinden (hierna gemakshalve: PGP- BlackBerry), aangetroffen met IMEI-nummer [002] (hierna: het toestel [002] ). Daarin bevond zich een simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) op naam van Ennetcom Consumer Products B.V . te Arnhem.

“ Uit de historische gegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] blijkt dat dit telefoonnummer voor het eerst actief is geweest op 17 september 2014 te 14:51 uur en vanaf dat moment vrijwel dagelijks is gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [003] (hierna: het toestel [003] ). Deze telefoon is ook een PGP-BlackBerry en is op 1 februari 2015 tijdens een doorzoeking gevonden in de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam, zijnde de verblijfplaats van de verdachte. Blijkens informatie van BlackBerry Netherlands B.V. was aan het toestel [003] het emailadres [e-mailadres] gekoppeld.

“ Van het toestel [002] zijn de historische gegevens opgevraagd. Deze gegevens wijzen uit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] voor het eerst op 14 januari 2015 te 15:14 uur is geregistreerd in dit toestel. Blijkens voornoemde informatie van BlackBerry Netherlands B.V. was ook aan het toestel [002] het e-mailadres [e-mailadres] gekoppeld.

“ Het dossier bevat geen informatie dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] na 14 januari 2015 nog in het toestel [003] is gebruikt.
Samengevat komt het vorenstaande er aldus op neer dat:

“ - het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 in het toestel [003] is gebruikt en vervolgens op 14 januari 2015 is overgegaan in het toestel [002] en zich daarin nog bevond op het moment dat de verdachte werd aangehouden op 1 februari 2015;
- het e-mailadres [e-mailadres] in het toestel [003] is gebruikt in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 en vervolgens vanaf 14 januari 2015 tot het moment van aanhouding van de verdachte op 1 februari 2015 in het toestel [002] .
(…)
Overwegingen ten aanzien van het bewijs in zaak B ( […] )

De tenlastelegging

“ De raadsvrouw heeft in haar pleidooi betoogd dat bedoeld is ten laste te leggen dat de verdachte zelf het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] heeft geplaatst en dat dit aldus moet worden begrepen dat is ten laste gelegd dat de verdachte dit feit alleen, dat wil zeggen niet in vereniging, heeft gepleegd. Dit kan blijken uit de bewoordingen van de tenlastelegging, bezien in samenhang met de daarop door de officier van justitie in eerste aanleg gegeven toelichting. De advocaat-generaal heeft hierop niet gereageerd.


Het hof stelt vast dat de tenlastelegging, voor zover hier van belang, als volgt is geredigeerd. Het verwijt houdt in dat de verdachte en/of een van zijn mededaders opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest bij de door een of meer anderen gepleegde poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat aan de verdachte het al dan niet medeplegen van medeplichtigheid aan het gronddelict “medeplegen van poging tot moord” ten laste is gelegd. Dat in het gedeelte van de tenlastelegging dat ziet op de medeplichtigheid de woorden “tezamen en in vereniging” ontbreken in de feitelijke omschrijving kan worden getypeerd als een afwijking van een gangbare wijze van ten laste leggen. Dit is reeds daarom wellicht enigszins ongelukkig. Het doet evenwel niet af aan de mate waarin de steller van de tenlastelegging inzicht heeft gegeven in zijn bedoelingen. Dat de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg als haar standpunt kenbaar heeft gemaakt dat de verdachte zelf het peilbaken heeft geplaatst verkleint niet de ruimte die de rechter heeft om binnen de grenzen van de grondslagleer de tenlastelegging ook zo op te vatten of te hanteren dat de verdachte anderszins in de hoedanigheid van medepleger van de medeplichtigheid strafbare betrokkenheid heeft gehad bij het plaatsten van het peilbaken. Het gebruik van het woord “mededader” geeft evenmin aanleiding om te oordelen dat de grondslag van het schuldverwijt smaller is. Daders zijn ingevolge artikel 47, eerste lid, Sr onder meer zij die een feit medeplegen. Dat is, zo moet worden aangenomen, de strekking van de tenlastelegging, te weten het medeplegen van medeplichtigheid.


Standpunt van de verdediging


De verdediging heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van hetgeen hem in zaak B, zijn deelneming aan de poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , is ten laste gelegd. De verweren zijn toegespitst op de aan de verdachte toegeschreven rol bij het plaatsen en volgen van het peilbaken met de inlogcode [004] , dat zich ten tijde van de aanslag op 1 november 2014 onder de auto van het beoogde slachtoffer [slachtoffer 1] bevond. Betoogd is dat niet uit het gepresenteerde bewijs kan worden afgeleid dat het de verdachte is geweest, die het baken op 24 oktober 2014, de dag waarop het is geactiveerd, heeft gekocht, opgehaald of verworven. Evenmin kan blijken dat de verdachte op die dag over het baken heeft beschikt in enigerlei vorm. Dit betekent dat de verdachte het baken ook niet heeft geplaatst zoals is tenlastegelegd. Voor een vorm van betrokkenheid van de verdachte in de daarop gevolgde periode tot aan het moment van de aanslag bestaat evenmin bewijs.

“ De raadsvrouw heeft gewezen op enkele contra-indicaties voor bezit en beschikkingsmacht aan de zijde van de verdachte ten aanzien van het peilbaken. Daarnaast is aandacht gevraagd voor ontbrekend bewijs voor de aanname dat het de verdachte is geweest die op het peilbaken heeft ingelogd. De raadsvrouw heeft in dit verband kanttekeningen geplaatst bij de bewijskracht van onderzoeksresultaten, waaruit volgens de advocaat-generaal zou blijken dat de verdachte op locaties aanwezig is geweest, vanwaar het peilbaken is geraadpleegd. Inloggen op het baken heeft daarenboven, ook als wordt aangenomen dat de verdachte of enige andere persoon dit heeft gedaan, strafrechtelijk geen betekenis, omdat dit op zichzelf geen ondersteunende handeling is.
Bovendien is niet gebleken dat enige informatie is verschaft, waarmee de daders van de aanslag zijn ondersteund. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op de mogelijke rol van een persoon, die tijdens de ondervraging van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep als ‘meneer X’ is aangeduid. Deze persoon zou volgens de verdachte een leidende rol hebben gehad. Het kan niet anders dan dat deze man op enkele sleutelmomenten over het baken heeft beschikt en hierop heeft ingelogd. Tot zover de verdediging.

Standpunt van het openbaar ministerie

“ De advocaat-generaal heeft in de kern verwezen naar de bewijswaardering zoals toegepast door de rechtbank.

Het oordeel van het hof over het bewijs


Het hof overweegt dat aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat op basis van de gepresenteerde bewijsmiddelen niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment en waar de verdachte de beschikking heeft gekregen over het peilbaken. Evenmin bestaat zekerheid over het precieze moment waarop het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] is geplaatst en over de persoon die deze handeling heeft verricht. Daarnaast moet op grond van de onderzoeksbevindingen worden aangenomen dat de verdachte niet alleen heeft gehandeld.

“ Dat leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat er te weinig bewijs bestaat voor hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd. De benadering van de raadsvrouw laat zich kenmerken als segmenterend van aard. De bewijswaarde en bewijskracht van elk onderdeel worden daarbij geïsoleerd beoordeeld en vervolgens gerelativeerd. Daarmee wordt naar het oordeel van het hof geen recht gedaan aan aard, omvang en inhoud van het bewijsmateriaal en wordt het zinvolle verband ervan op ontoereikende gronden genegeerd. Het hof zal in het hiernavolgende een werkwijze volgen waarbij de gepresenteerde bewijsmiddelen in hun onderlinge verband en samenhang worden beoordeeld. Daarbij worden betrokken de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd alsmede de evolutie die deze verklaringen tot en met de gedingfase van het hoger beroep hebben doorgemaakt.


De bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in.


Op 1 november 2014 rond 5:35 uur heeft een aanslag plaatsgehad op het leven van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij reden in een VW Golf GTI op de Poortdreef in Almere. Een explosief onder hun auto werd tot ontploffing gebracht en zij werden in de auto onder vuur genomen. Beiden vluchtten daarop uit de zwaar beschadigde auto weg. In zijn vlucht werd [slachtoffer 1] met vuurwapens beschoten.

“ Na onderzoek bleek dat onder de auto een peilbaken was aangebracht. Dit had het IMEI-nummer [005] . De inlogcode bestond uit de laatste 6 cijfers van dit nummer. Met die code zal in het navolgende dit baken worden aangeduid. Het peilbaken [004] was geleverd door het bedrijf GoTEk7 in Calais, Frankrijk. Het peilbaken is geactiveerd in Calais op 24 oktober 2014 om 18:08 uur en direct weer gedeactiveerd.


Op het moment van activeren en ook gedurende de gehele avond van 24 oktober 2014 straalde het telefoonnummer behorend bij het baken ( […] ) een telefoonmast in de Tidorestraat in Amsterdam aan (niet ver van de [a-straat 2] waar de verdachte woonde). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( hierna: [telefoonnummer 2] ). De verdachte was blijkens de printlijst van dit telefoonnummer de gehele avond thuis of in de directe omgeving van zijn woonadres.
Zoals eerder in dit arrest is overwogen is het e-mailadres [e-mailadres] aan de verdachte toe te schrijven. Onder dit adres is, zo blijkt uit onderzoek van gegevens afkomstig van de server van Ennetcom, op 24 oktober 2014 te 16:05 uur in een (zoals hierboven eveneens is overwogen) aan de verdachte toe te schrijven PGP-BlackBerry een notitie gemaakt luidend: “ [004] ”. Ter terechtzitting in hoger beroep is, zoals reeds overwogen, gebleken dat een account bij Ennetcom kan worden overgezet van de ene PGP-BlackBerry naar het andere. Tevens is daarbij gebleken dat het account slechts in één toestel tegelijk kan worden gebruikt. Dit heeft eerder in dit arrest reeds tot de vaststelling geleid dat de verdachte in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 genoemd e-mailaccount heeft gebruikt in de bij de verdachte thuis aangetroffen BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op [003] en dat de notities die zijn gemaakt in het memopad van deze BlackBerry zijn overgezet naar het toestel dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding bij zich had (met IMEI-nummer eindigend op [002] ). Het voorgaande betekent dat de verdachte ongeveer twee uur voordat het peilbaken werd geactiveerd over de inlogcode ervan heeft beschikt. Het dossier biedt weliswaar geen volledig uitsluitsel over de vraag waar en wanneer de verdachte de beschikking over het baken heeft gekregen, noch over de wijze waarop en de periode waarin het baken in Nederland is gekomen, maar dit laat onverlet dat de wetenschap van de verdachte omtrent deze inlogcode voor de bewijsvoering significant is. Reeds dit feit maakt de verklaring van de verdachte dat hij niets heeft geweten over het peilbaken ongeloofwaardig.

“ Het peilbaken is opnieuw geactiveerd op 24 oktober 2014 om 23:40 uur waarbij het een zendmast gelegen aan de [b-straat] in Amsterdam heeft aangestraald, nabij de woning van de verdachte. In de directe omgeving daarvan is op dat tijdstip ook het telefoontoestel met het nummer [telefoonnummer 2] , dat bij de verdachte in gebruik was, geregistreerd.

“ Op 25 oktober 2014 om ongeveer 00:30 uur is het baken bij tankstation Shell Haarrijn A2 geregistreerd. Het baken en de telefoon met nummer [telefoonnummer 2] hebben, zo kan worden afgeleid uit de registraties, daarbij dezelfde route afgelegd. De verdachte was daar op dat moment ook aanwezig, samen met zijn neef [betrokkene 1] . De verdachte reed in de Mercedes van zijn vader, zo heeft hij verklaard. Deze auto is daar ook waargenomen. Uit beelden van beveiligingscamera’s, uitgekeken door opsporingsambtenaren, blijkt dat de verdachte daar toen een tablet vasthield. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het om een iPhone 6plus ging. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de verdachte echter gezegd dat hij de persoon is, die op de beelden de tablet vasthoudt. Tijdens het verhoor bij de politie op 12 maart 2015 heeft de verdachte verklaard dat de tablet hem niets zegt en dat deze groot is en dat het daarom geen telefoon is. Gelet op het één en ander hoeft er niet aan te worden getwijfeld dat het voorwerp in handen van de verdachte een tablet is geweest. Het peilbaken heeft in de nacht van 25 oktober 2014 zendmasten aangestraald in Nieuwegein. Om 03:30 uur is het peilbaken geregistreerd op de A2 bij Breukelen, waarna deze geen signalen meer heeft uitgezonden tot 12:34 uur. Op dit tijdstip is het baken weer actief geworden in de [c-straat] in Almere, de straat waar [slachtoffer 1] verbleef. Vaststaat dat het peilbaken zich toen onder de auto van [slachtoffer 1] bevond, omdat uit GPS-gegevens van de auto en het baken blijkt dat zij vanaf dat moment zich voortdurend op dezelfde locaties hebben bevonden.

“ Uit het patroon in de paalgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] en in de registraties van het peilbaken kan worden afgeleid dat het toestel met daarin genoemd nummer en het peilbaken in de eerste helft van de nacht van 25 oktober 2014 in elkaars directe nabijheid zijn geweest en dezelfde route hebben afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht bij club Hafana in Nieuwegein is geweest in de buurt waar ook het peilbaken en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] zijn geregistreerd. De telefoon van de verdachte met nummer [telefoonnummer 2] heeft daarna enige tijd uitgestaan en is weer ingeschakeld om 04:37 uur in Almere. Om 05:20 uur bevond deze zich in IJburg in Amsterdam, waar de verdachte blijkens zijn verklaring bij zijn neef [betrokkene 1] heeft geslapen.
In het licht van hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen blijkt over het gebruik van een tablet bij het inloggen op peilbakens (waarbij het hof ook de voor het bewijs gebezigde resultaten van het onderzoek- […] betrekt) komt betekenis toe aan de gelijktijdige aanwezigheid van de tablet in de handen van de verdachte en het peilbaken op het tankstation Haarrijn. Het hof stelt vast dat een uitleg van de kant van de verdachte is uitgebleven, die aan dit zinvolle verband van feiten het belastende karakter ontneemt. In dit licht vormt de wijze waarop de verdachte in de nabije omgeving van het baken is gebleven tot halverwege de nacht van 24 op 25 oktober 2014 eveneens een aanwijzing dat hij met een zekere intentie het baken heeft gevolgd dan wel aanwezig heeft gehad. Dat dit op toeval zou zijn gebaseerd kan op grond van de waarnemingen op tankstation Haarrijn worden uitgesloten. Ook de omstandigheid dat de verdachte later die nacht in Almere is geweest en dat het baken in Almere in de directe nabijheid van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] is aangezet en geactiveerd draagt hieraan bij.

“ Hieraan doet niet af dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer en door wie het baken onder de auto van [slachtoffer 1] is geplaatst, respectievelijk in- en uitgeschakeld en geactiveerd. Het gegeven dat het baken moet zijn aangezet (wat handmatig dient te worden gedaan) op 25 oktober 2014 om 12:34 uur in Almere, terwijl de verdachte zich blijkens de locatiegegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] toen op een andere plaats moet hebben bevonden, is één van de aanwijzingen dat de verdachte bij zijn ondersteunende handelingen niet alleen heeft gehandeld.

“ Het peilbaken, en daarmee het voertuig van [slachtoffer 1] , is vanaf het moment van plaatsing onder dat voertuig en activering intensief gemonitord, zo blijkt uit inloggegevens die door de leverancier, GoTEk7 , zijn verstrekt. Bij het inloggen op het peilbaken is onder meer gebruik gemaakt van IP-adressen van het adres [a-straat 1] te Amsterdam, waar de verdachte woonde, hotel Allure aan de Sarphatistraat in Amsterdam en coffeeshop The Power, gelegen in de buurt van dit hotel. Op de dagen waarop vanuit hotel Allure is ingelogd op het baken, was de verdachte daar als gast ingeboekt. Hij heeft verklaard daar met regelmaat, en ook tijdens de nacht van 26 op 27 oktober 2014, te hebben gelogeerd.

“ Van enkele locaties waar het baken zich op 25 oktober 2014 heeft bevonden is op diezelfde dag aantekening gemaakt onder het e-mailaccount [e-mailadres] . Deze zijn teruggevonden zowel in de gegevens afkomstig van de server van Ennetcom als in de PGP-BlackBerry met IMEI- nummer * [002] die de verdachte bij zijn aanhouding onder zich had. Vermeld worden onder meer de [d-straat] in Amersfoort en de [e-straat ] in Weesp. De aantekeningen zijn gemaakt om 19:27 uur, enkele uren nadat het baken zich op de genoteerde locaties had bevonden. In diezelfde notitie is ook vermeld het adres [f-straat ] Hilversum. Opvallend is dat op nummer […] van die weg is gevestigd [A] , die door [slachtoffer 1] regelmatig werd bezocht, zo ook in de nacht van de aanslag. Ook is opgenomen de opmerking: “ [g-straat 1] Almere , om de hoek van ze huis”. De [g-straat 2] ligt dichtbij de [c-straat] , waar [slachtoffer 1] verbleef en waar het baken is ingeschakeld.

“ De notitie waarin deze aantekeningen zijn opgenomen heeft als aanduiding “ [slachtoffer 1] ”. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat met “ [slachtoffer 1] ” [slachtoffer 1] wordt bedoeld. Het gaat hierbij om de getuigenverklaring van [getuige] , een vriend van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting bij het hof op 12 februari 2018. Aan de getuige is bij die gelegenheid de inhoud van een heimelijk afgeluisterd en opgenomen vertrouwelijk gesprek (hierna: OVC-gesprek) van 21 april 2017 voorgehouden, waarin hij kennelijk sprak over een aanslag.

“ Uit zijn beantwoording ter terechtzitting van het hof kan worden opgemaakt dat dit de aanslag op [slachtoffer 1] van 1 november 2014 was, waarbij hij [slachtoffer 1] als “ [slachtoffer 1] ” aanduidde.


Op grond van de eerder in dit arrest gedane vaststellingen kan als vaststaand worden aangenomen dat het de verdachte is geweest, die de hiervoor weergegeven notitie heeft gemaakt.
Vanaf 27 oktober 2014 is ook dagelijks meermalen vanaf het IP-adres behorend bij de woning aan het adres [h-straat] te Amsterdam ingelogd op het peilbaken. Deze woning is gelegen in de woonbuurt De Aker. De verdachte heeft verklaard dat dit adres hem niets zegt.

“ In dit verband is relevant de inhoud van de printlijsten van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , waarvan eerder in dit arrest is vastgesteld dat de verdachte dit nummer in gebruik had. Van betekenis voor de bewijsvoering is dat gedurende een periode van enkele dagen meermalen door het nummer [telefoonnummer 1] een aantal zendmasten in de buurt De Aker is aangestraald, die niet ver van het adres [h-straat] zijn gestationeerd. Dit is gebeurd in de periode van 27 oktober 2014, 21:44 uur tot en met 1 november 2014, 00:12 uur. Op 28, 29 en 31 oktober 2014 is de telefoon telkens gedurende een tijdvak van uren daar aanwezig geweest en heeft deze masten op de Bonhoeffersingel en Langswater aangestraald. Dit is nogmaals en voor de laatste maal gebeurd op 1 november 2014 om 00:12 uur. Daarvoor noch daarna maakte de telefoon verbinding met een paal in die omgeving. Er is daarop slechts één uitzondering, namelijk op 7 november 2014, in de Lederambachtstraat te Amsterdam , een locatie die overigens al weer iets verder van de Eiger vandaan ligt.

“ De raadsvrouw heeft gewezen op de printlijsten van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , voor zover betrekking hebbend op het tijdvak tussen 05:00 uur en 11:38 uur op 1 november 2014. Deze telefoon was toen niet op enige locatie in Osdorp. Dus ten tijde van de aanslag heeft de verdachte, zo moet worden geconcludeerd, niet op het baken ingelogd noch kunnen inloggen vanaf de [h-straat] in Amsterdam.

“ Het hof wil dat op basis hiervan wel aannemen, te meer omdat de motorscooter van de verdachte op 1 november 2014 om 03:44 uur op Larenseweg/Hilversumseweg in Hilversum rijdend richting de A1 (een route die [slachtoffer 1] later die nacht rond 05:22 uur ook zou rijden op weg naar huis) is waargenomen. Daar staat echter tegenover dat bij kennisneming van de printlijsten ook opvalt dat gedurende elk tijdvak waarin het toestel met telefoonnummer [telefoonnummer 1] de genoemde masten in De Aker aanstraalt, van het toestel met het nummer [telefoonnummer 2] geen locatiegegevens bestaan. In het onderzoeksdossier zijn over mogelijke oorzaken hiervan geen opmerkingen gemaakt. In elk van de tijdvakken wordt wel een tegennummer vermeld, maar is er alleen sprake van inkomende gesprekken en sms-berichten zonder dat het IMEI- nummer van de verdachte of een locatie wordt weergegeven. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de telefoon met nummer [telefoonnummer 2] uitgeschakeld is geweest. Dit gebeurde enkele malen vaker in de onderzochte periode, maar opmerkelijk is de lange duur van het tijdvak 28 oktober 2014 te 18:52 uur tot 30 oktober 2014 te 02:52 uur. In de periode tussen 02:30 uur tot 05:00 uur op 1 november 2014 is er van die telefoon geen gebruik gemaakt, nadat de telefoon zich rond 02:30 uur nog in de buurt van de Eiger bevond (masten aan de Saaftingestraat en Korte Water ; zie de gegevensdrager in het dossier bevattende de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , betreffende de periode van 27 oktober 2014 tot en met 1 november 2014).


De voorgaande in verband met het adres [h-straat] te Amsterdam relevante, bevindingen in samenhang beschouwd leiden tot de slotsom dat het inloggen vanaf dit adres niet los gezien kan worden van de verdachte. Allereerst omdat vanaf andere adressen, waar de verdachte zijn verblijf had of aanwezig was, in diezelfde periode van enkele dagen volgtijdelijk is ingelogd op het baken. Daarnaast omdat de afwijking in het patroon van paallocaties van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] dat aan de verdachte is toe te schrijven, bezien in samenhang met het feit dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] op de relevante dagen veelal geen contact maakte met het netwerk, zeer significant is.

“ Het betekent tevens dat een ander dan de verdachte op het baken heeft ingelogd in de uren voorafgaand aan de aanslag op 1 november 2014. Meer in het bijzonder gaat het dan om de zes maal dat is ingelogd in de periode tussen 02:30 uur (nadat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] niet meer in de omgeving van de Eiger uitpeilde) en 05:38 uur.
De raadsvrouw heeft in haar pleidooi gewezen op de betekenis die het adres [h-straat] te Amsterdam heeft in verband met de poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In het OVC-gesprek van 21 april 2017, waarin [getuige] voornoemd sprak over deze aanslag op een wijze waaruit blijkt dat hij van de feitelijke gang van zaken goed op de hoogte was, maakt hij melding van ene [betrokkene 2] die één van de uitvoerders was. Een persoon met de bijnaam [betrokkene 2] , te weten [betrokkene 2] , had, samen met anderen, de beschikking over de woning op het adres [h-straat] te Amsterdam . Deze persoon is familie van één van de personen in de auto waarin dit gesprek is gevoerd, te weten van [betrokkene 3] .

“ Het hof gaat er op grond van deze feiten en omstandigheden vanuit dat ook hierin een sterke aanwijzing is gelegen dat de verdachte in de rol van de medeplichtige niet alleen heeft gehandeld en dat ook anderen betrokken zijn geweest in de ondersteunende handelingen. Bovendien dragen de hiervoor weergegeven met het adres [h-straat] te Amsterdam samenhangende feiten en omstandigheden bij aan de bewijskracht van de overige gebezigde bewijsmiddelen.


Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd, onder meer in antwoord op vragen over de PGP-BlackBerry’s die bij hem thuis en in zijn fouillering zijn aangetroffen en de adressen vanwaar op het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] is ingelogd. De verdachte heeft daarbij ook in dit verband verwezen naar de reeds eerder in het arrest besproken ‘meneer X’ . Zo heeft deze persoon volgens de verdachte mogelijk een rol gehad bij het vervoeren van het peilbaken vanuit Amsterdam, via tankstation Haarrijn en Nieuwegein naar Almere op 24 en 25 oktober 2014. Ook weet de verdachte zeker dat ‘meneer X’ heeft ingelogd op het peilbaken vanuit hotel Allure en veronderstelt hij dat deze man dit ook heeft gedaan via het wifi-netwerk in de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] in Amsterdam . De naam van ‘meneer X’ heeft de verdachte ook in dit verband niet willen noemen uit angst

“ voor represailles richting hemzelf of zijn familie.

“ Het hof wil ook in het verband van de aanslag op [slachtoffer 1] wel aannemen dat op de achtergrond personen een rol hebben gespeeld en dat het noemen van namen een groot probleem zou kunnen opleveren voor de verdachte. Maar ook hier luidt de conclusie van het hof dat, als in dit relaas van de verdachte wordt meegegaan en ervan wordt uitgegaan dat achter de aanduiding ‘meneer X’ een concreet persoon schuilgaat, geoordeeld moet worden dat dit zeer weinig substantie heeft gekregen. En zelfs als de onmogelijkheid om het relaas te verifiëren niet aan de verdachte wordt tegengeworpen moet dit de slotsom zijn. Ten aanzien van een aantal situaties heeft de verdachte niet meer dan een veronderstelling geuit. Dit geldt bijvoorbeeld voor het inloggen via de wifiverbinding op de [a-straat 1] . De verdachte heeft bij de politie op 12 maart 2015 verklaard dat de wifiverbinding bij hem thuis beveiligd was, hetgeen ook blijkt uit onderzoek van de politie. Over de wetenschap van ‘meneer X’ ten aanzien van de wificode heeft de verdachte slechts gespeculeerd.


Over een derde persoon in de Mercedes tijdens de rit naar Haarrijn en verder heeft de verdachte gezegd dat deze aanwezig was en dat hij zeker weet dat diens aanwezigheid verband hield met het peilbaken, maar heeft hij in het geheel niet nader verklaard over de redenen voor diens aanwezigheid noch voor diens handelingen ten aanzien van het baken. In hotel Allure heeft de verdachte met ‘meneer X’ verbleven tijdens de betreffende nachten en heeft hij hem met een tablet gezien. Of ‘meneer X’ een rol heeft gehad bij de activatie of raadpleging van het peilbaken, weet de verdachte niet.


Het hof herhaalt hier zijn eerdere overweging dat de verdachte pas in hoger beroep de persoon van meneer X heeft geïntroduceerd als de man die telkens een sleutelrol heeft gespeeld. Gedurende de ondervraging door het hof over voor de verdachte belastende feiten en omstandigheden wat betreft de aanslag op [slachtoffer 1] werden door de verdachte ook hier aan ‘meneer X’ steeds meer handelingen toegedicht, die een verklaring zouden moeten geven voor die belastende onderzoeksresultaten, hetgeen niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van deze verklaring.
Daaraan wordt verder afbreuk gedaan, doordat de verdachte tijdens de verhoren bij de politie in de eerste maanden na zijn aanhouding ten aanzien van de gehele tenlastelegging een afwerende en ontkennende opstelling heeft gehad. Bovendien heeft hij ter terechtzitting in eerste aanleg op de hiervoor genoemde onderdelen anders verklaard dan hij heeft gedaan ter terechtzitting van het hof. Zo heeft hij tegenover de rechtbank verklaard dat een onbekend persoon voor de deur van de woning aan de [a-straat 2] kan hebben gestaan en toen op het peilbaken heeft ingelogd. Wat betreft hotel Allure heeft hij volstaan met de ontkenning dat hij vanaf die locatie op het peilbaken heeft ingelogd.

“ De slotsom dient derhalve te zijn dat de verdachte op deze wijze niet een scenario heeft gepresenteerd dat enige basis kan bieden voor een alternatieve uitleg van de vele belastende onderzoeksresultaten. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.

“ Aan het bewijs draagt in het licht van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden tot slot bij het reeds vermelde feit dat de motorscooter van de verdachte op 1 november 2014 om 03:44 uur op Larenseweg/Hilversumseweg in Hilversum rijdend richting de Al is waargenomen. De printlijsten van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] sluiten zijn aanwezigheid op die plaats niet uit. De verdachte heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven, anders dan de algemene opmerking dat hij het voertuig vaak uitleende. Namen heeft hij daarbij niet genoemd.


Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat de verdachte in nauwe, volledige en bewuste samenwerking met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] heeft geplaatst en daarop in de tenlastegelegde periode meermalen heeft ingelogd. De bijdrage die de verdachte in die samenwerking heeft geleverd heeft bestaan in het activeren van het baken en het volgen van [slachtoffer 1] in de avond en nacht waarin het baken op enig moment is geplaatst. Het intentionele karakter hiervan blijkt uit het gebruik van de tablet daarbij en zijn aanwezigheid op plaatsen waar [slachtoffer 1] zich die avond en nacht ophield.


Voorts heeft de verdachte vele malen zelf ingelogd op het baken en heeft hij eraan bijgedragen dat één of meer anderen ook op het baken hebben kunnen inloggen. Direct nadat de medepleger of één van de medeplegers van de ondersteunende en bevorderende handelingen voor het laatst op het baken had ingelogd is de aanslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gepleegd.


De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele inloggen nog geen medeplichtigheidshandeling oplevert zolang niet blijkt dat de daardoor verkregen informatie aan een ander is verstrekt. Het hof merkt daaromtrent allereerst op dat het, anders dan de raadsvrouw, ook het in vereniging plaatsen van het peilbaken bewezen acht. Het vervolgens daarop inloggen staat daarmee in een betekenisvol verband. Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op enig moment locatiegegevens van [slachtoffer 1] of andere informatie heeft gedeeld met één of meer anderen. Wel is gebleken dat, nadat gedurende ongeveer een week veelvuldig op het peilbaken is ingelogd, min of meer gelijktijdig met de laatste inloghandeling de aanslag heeft plaatsgevonden. Daarmee mag een aantoonbare bijdrage aan het gronddelict worden aangenomen. Bovendien heeft de verdachte locatiegegevens die via het baken waren verkregen in zijn BlackBerry-telefoon vastgelegd. In dit perspectief kan het niet anders zijn dan dat de eerder verkregen informatie ook geheel of gedeeltelijk is gedeeld en moet de variant waarin de verdachte en zijn mededader(s) de informatie voor zichzelf hebben gehouden als een louter theoretische worden gekenschetst.


De hiervoor omschreven gedragingen en handelingen van de verdachte impliceren dat hij in volledige en nauwe samenwerking met anderen opzet heeft gehad op het plaatsen van en inloggen op het baken, het registreren en doorgeven van verblijfplaatsen van [slachtoffer 1] en door hem gevolgde routes en daarmee op het, middels in ieder geval GPS-locatiegegevens, intensief volgen van [slachtoffer 1] in een periode die direct vooraf is gegaan aan een aanslag op het leven van [slachtoffer 1] . Het voorgaande impliceert tevens dat het inloggen op het baken onder meer plaats heeft gehad vanaf een adres, dat door een getuige in verband wordt gebracht met het adres van één van de uitvoerders van de liquidatie. Daarmee is de lijn tussen de verdachte en de feitelijke uitvoeders een zeer korte. Voornoemde omstandigheden belasten de verdachte voor wat betreft zijn opzet op het gronddelict in hoge mate. Het hof weegt deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien in het licht van de overige bewijsmiddelen mee voor het bewijs dat de verdachte de opzet had op de poging tot moord op [slachtoffer 1] . Het hof laat daarbij tevens meewegen dat de verdachte voor deze voor het bewijs redengevende omstandigheden geen enkele verklaring heeft willen geven.


Overwegingen met betrekking tot [slachtoffer 2]


Voor zover het tenlastegelegde gronddelict ziet op [slachtoffer 2] overweegt het hof als volgt.

“ [slachtoffer 2] bevond zich ten tijde van de aanslag bij [slachtoffer 1] in de auto. Uit het dossier komen evenwel geen aanknopingspunten naar voren om aan te nemen dat de aanslag mede tot doel had [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Evenmin heeft het hof antwoord gekregen op de vraag of de verdachte zich bij de hiervoor aan hem toegeschreven handelingen mede heeft gericht op een te plegen moord op [slachtoffer 2] of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze zou plaatsvinden. Het hof zal de verdachte onder deze omstandigheden wegens het ontbreken van bewijs vrijspreken van het tenlastegelegde met betrekking tot [slachtoffer 2] .


Samenhang met bewijs in de zaak […]


Het hof bezigt voorts de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot de zaak- […] voor het bewijs. Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd in de voorwaardenscheppende sfeer voor de voorgenomen moord op [slachtoffer 3] . De activiteiten van de verdachte in dit verband zijn uitgevoerd in een periode van ruim een maand. Die periode is aangevangen kort nadat de aanslag op [slachtoffer 1] was voorbereid en uitgevoerd. Minder dan twee maanden na de aanslag op [slachtoffer 1] zijn de voorbereidingen voor de moord op [slachtoffer 3] reeds gestart. Blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen wist de verdachte dat de moord op [slachtoffer 3] met fors vuurwapengeweld zou worden uitgevoerd en was zijn opzet in het kader van de voorbereiding ervan daarop gericht. Dit draagt bij aan de bewijskracht van de bewijsmiddelen die het hof gebruikt voor de bewijslevering in de zaak- […] .


Het voorgaande betekent dat het hof de gevoerde bewijsverweren verwerpt. Het hof acht bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd in dier voege dat bewezen zal worden verklaard het medeplegen van medeplichtigheid aan poging tot moord in vereniging door samen met één of meer anderen het peilbaken onder de auto van [slachtoffer 1] te plaatsen en daarop in te loggen.”

Bespreking van de middelen

7. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof ter invulling van de medeplichtigheidshandeling ‘het verschaffen van inlichtingen’ ten onrechte tevens bewezen verklaard heeft dat via het inloggen op een peilbaken verkregen informatie geheel of gedeeltelijk is gedeeld, terwijl in de tenlastelegging enkel is opgenomen ‘telkens ingelogd op voornoemd peilbaken’ hetgeen niet oplevert het verschaffen van inlichtingen als bedoeld in art. 48 Sr. Geklaagd wordt dat het hof de feitelijke toedracht heeft uitgebreid en daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

8. Het hof heeft bewezenverklaard dat verdachte en/of een of meer van zijn mededaders opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft door op of omstreeks 25 oktober 2014 een peilbaken te plaatsen onder de auto van het slachtoffer en vanaf 25 oktober 2014 tot en met 1 november 2014 telkens in te loggen op dat peilbaken.

9. Het hof heeft voorts in zijn nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat het enkel inloggen nog geen medeplichtigheidshandeling oplevert zolang niet blijkt dat de daardoor verkregen informatie aan een ander is verstrekt het volgende overwogen:

“De raadsvrouw heeft betoogd dat het enkele inloggen nog geen medeplichtigheidshandeling oplevert zolang niet blijkt dat de daardoor verkregen informatie aan een ander is verstrekt. Het hof merkt daaromtrent allereerst op dat het, anders dan de raadsvrouw, ook het in vereniging plaatsen van het peilbaken bewezen acht. Het vervolgens daarop inloggen staat daarmee in een betekenisvol verband. Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte op enig moment locatiegegevens van [slachtoffer 1] of andere informatie heeft gedeeld met één of meer anderen. Wel is gebleken dat, nadat gedurende ongeveer een week veelvuldig op het peilbaken is ingelogd, min of meer gelijktijdig met de laatste inloghandeling de aanslag heeft plaatsgevonden. Daarmee mag een aantoonbare bijdrage aan het gronddelict worden aangenomen. Bovendien heeft de verdachte locatiegegevens die via het baken waren verkregen in zijn BlackBerry-telefoon vastgelegd. In dit perspectief kan het niet anders zijn dan dat de eerder verkregen informatie ook geheel of gedeeltelijk is gedeeld en moet de variant waarin de verdachte en zijn mededader(s) de informatie voor zichzelf hebben gehouden als een louter theoretische worden gekenschetst.”

10. In deze overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het gelet op de bewijsmiddelen niet anders kan dan dat het plaatsen van het peilbaken en het inloggen op dat peilbaken door verdachte en/of een of meer van zijn mededaders geschiedde met de intentie om en ook heeft geleid tot het verschaffen van inlichtingen aan de daders van de poging tot moord.

11. Ik acht dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Ik meen dat het hof met dit oordeel ook niet de grenzen van de omschrijving in de tenlastelegging van de feitelijke toedracht heeft uitgebreid. Het hof heeft immers niet meer bewezenverklaard dan tenlastegelegd was. Van grondslagverlating van de tenlastelegging is naar mijn oordeel dan ook geen sprake.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring in zaak B ( […] ) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu de voor de bewezenverklaring van medeplegen van medeplichtigheid aan de door anderen gepleegde poging tot moord vereiste nauwe en bewuste samenwerking zonder nadere toelichting niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het oordeel van het hof dat ten aanzien van verdachte van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking sprake is onbegrijpelijk is, mede gelet op het feit dat het oordeel is gebaseerd op een door het hof beschreven bijdrage van rekwirant die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen en/of de bewijsvoering op relevante punten innerlijk tegenstrijdig is.

14. De eerste klacht in de toelichting op het middel houdt in dat de door het hof beschreven bijdrage van verdachte als medepleger van de medeplichtigheidshandeling ‘plaatsen van het peilbaken’ niet volgt uit de bewijsvoering.

15. Deze klacht ziet met name op de volgende overweging van het hof: “De bijdrage die de verdachte in die samenwerking heeft geleverd heeft bestaan in het activeren van het baken en het volgen van [slachtoffer 1] in de avond en nacht waarin het baken op enig moment is geplaatst. Het intentionele karakter hiervan blijkt uit het gebruik van de tablet daarbij en zijn aanwezigheid op plaatsen waar [slachtoffer 1] zich die avond en nacht ophield”.

16. Deze overweging ziet op de avond en nacht van 24 op 25 oktober 2014. De steller van het middel voert aan dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat [slachtoffer 1] gedurende die periode al dan niet via het peilbaken is gevolgd, en dat daaruit evenmin volgt dat het peilbaken ergens in die nacht onder de auto van [slachtoffer 1] is geplaatst. Aan de steller moet worden toegegeven dat de enige plaats waar verdachte, althans diens telefoon met nummer [telefoonnummer 2] , en [slachtoffer 1] , gelet op de bewijsmiddelen, allebei waren die nacht, zij het niet tegelijkertijd, (in de buurt van) de [c-straat] in Almere was. Uit bewijsmiddelen 65 en 96 volgt dat de telefoon [telefoonnummer 2] van verdachte van 03:51 tot 04:37 uur in Almere was in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] arriveerde rond 05:30 uur in de [c-straat] in Almere (bewijsmiddel 90). Vanaf 05:20 uur bevond de telefoon van verdachte zich al weer in IJburg in Amsterdam, waar hij heeft geslapen.

17. Ik meen dat het hof met zijn overweging iets anders beoogde dan steller meent. Op p. 19 van het arrest staat “Het hof stelt vast dat een uitleg van de kant van de verdachte is uitgebleven, die aan dit zinvolle verband van feiten het belastende karakter ontneemt. In dit licht vormt de wijze waarop de verdachte in de nabije omgeving van het baken is gebleven tot halverwege de nacht van 24 op 25 oktober 2014 eveneens een aanwijzing dat hij met een zekere intentie het baken heeft gevolgd dan wel aanwezig heeft gehad. Dat dit op toeval zou zijn gebaseerd kan op grond van de waarnemingen op tankstation Haarrijn worden uitgesloten. Ook de omstandigheid dat de verdachte later die nacht in Almere is geweest en dat het baken in Almere in de directe nabijheid van de verblijfplaats van [slachtoffer 1] is aangezet en geactiveerd draagt hieraan bij”. Het hof heeft kennelijk met zijn in het middel gewraakte overweging beoogt tot uitdrukking te brengen dat verdachte het baken die nacht naar Almere heeft gebracht, waar het later, door een medepleger onder de auto van [slachtoffer 1] is aangebracht en is ingeschakeld.

18. Deze uitleg strookt ook met de volgende alinea, waarin het hof overweegt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer en door wie het baken onder de auto van [slachtoffer 1] is geplaatst, respectievelijk in- en uitgeschakeld en geactiveerd. Het hof overweegt voorts dat het gegeven dat het baken moet zijn aangezet (wat handmatig dient te worden gedaan) op 25 oktober 2014 om 12:34 uur in Almere, terwijl de verdachte zich toen op een andere plaats moet hebben bevonden, één van de aanwijzingen is dat de verdachte bij zijn ondersteunende handelingen niet alleen heeft gehandeld.

19. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de door het hof beschreven bijdrage van verdachte als medepleger van de medeplichtigheidshandeling ‘plaatsen van het peilbaken’ uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd.

20. De tweede klacht in de toelichting van het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat verdachte de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd is.

21. Uit de onder 40 en 41 tot het bewijs gebezigde historische verkeersgegevens betreffende de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] van ongeveer 04:00 uur in de vroege ochtend van 24 oktober 2015 tot ongeveer 16:30 uur in de middag van 25 oktober 2015 kan in ieder geval worden afgeleid dat sprake is geweest van een patroon van uitpeilen van beide telefoonnummers op dezelfde locaties op de route naar Utrecht en Almere. Uit bewijsmiddel 81 volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 1 februari 2015 een BlackBerry met IMEI-nummer - [002] en telefoonnummer [telefoonnummer 1] op zak had, op welke BlackBerry, blijkens bewijsmiddel 82, als notities de inlogcode van het peilbaken en een aan “ [slachtoffer 1] ” (waarmee [slachtoffer 1] bedoeld wordt, bewijsmiddel 88) gekoppelde route, overeenkomend met enkele locaties waar het baken zich die dag bevond, werden aangetroffen. Onder bewijsmiddel 68 is de verklaring van verdachte gebezigd inhoudende onder meer dat hij de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer - [002] en de simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in gebruik had. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 18 april 2018 heeft verdachte daar onder meer verklaard “Ik denk dat ik op 24 oktober 2014 de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] ”. Bewijsmiddel 8 houdt in dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] eerst actief is in het netwerk vanaf 17 september 2014, en vanaf dat moment vrijwel dagelijks actief is tot en met 14 januari 2015 in een BlackBerry met IMEI-nummer - [003] . Vanaf 14 januari 2015 wordt het nummer actief in de BlackBerry met IMEI-nummer - [002] . Voorts heeft het hof in zijn bewijsoverwegingen in de zaak […] (p. 9 arrest) nog het volgende overwogen:

“ “Tegen de achtergrond van deze verklaringen laten de onderzoeksresultaten met betrekking tot 24 oktober 2014 zich moeilijk begrijpen. Op die dag zijn het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] (waarvan de verdachte heeft verklaard dat een telefoon met dit nummer bij hem in gebruik was) een aanzienlijk deel van de dag op dezelfde locaties uitgepeild. Rond vier uur ’s nachts worden beide nummers geregistreerd in Almere, ’s ochtends en in de vroege middag in de woonomgeving van de verdachte, ’s middags in Arnhem en op locaties op de route daarnaartoe. De verdachte heeft die dag ook een pintransactie uitgevoerd bij een tankstation op de route naar Arnhem hetgeen overeenstemt met de paallocaties van beide telefoons. Geconfronteerd met deze gegevens heeft de verdachte, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij mogelijk naar Arnhem was geweest die dag om te chillen. Op 25 oktober 2014 in de nacht heeft het patroon zich voortgezet. Beide telefoonnummers straalden palen aan in en op de route naar Utrecht en daarna in Almere. De verdachte heeft verklaard, zoals elders in dit arrest nader zal worden besproken, dat hij deze route die nacht heeft afgelegd. Dit betekent dat als vaststaand mag worden aangenomen dat het toestel [003] ook op die dag in bezit van de verdachte was.


Het hof stelt vast dat gedurende de hiervoor gedetailleerd beschreven periode tot 14 januari 2015 het telefoonnummer [telefoonnummer 1] nog in het toestel [003] actief was. De verklaring van de verdachte over het toestel [003] verdraagt zich niet met de wisselende verklaringen van de verdachte over de wijze waarop hij het toestel [002] heeft verkregen en geeft bovendien geen antwoord op het aansluitend gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de twee toestellen waarvan de eerste op diverse momenten aan de verdachte kan worden gerelateerd en die hij beide in zijn bezit had.”

22. Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat verdachte in ieder geval in de periode vanaf 24 oktober 2014 de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

23. Het tweede middel faalt derhalve.

24. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte ten bezware van verdachte acht heeft geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet is medegedeeld. Hierdoor zou art. 301 lid 4 Sv zijn geschonden en zou verdachte tekort gedaan zijn in zijn recht op een eerlijk proces.

25. Het middel ziet op de printlijsten betreffende de simkaart met telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] . Het gaat om de printlijsten die volgens de steller van het middel ter zitting van het hof van 18 april 2018 door de advocaat-generaal aan het hof en de raadslieden zijn ge-e-maild. Het hof heeft voor het bewijs de historische gegevens van het nummer [telefoonnummer 1] in het tijdvak 24 op 25 oktober 2014 (bewijsmiddel 40) en in het tijdvak van 27 oktober tot en met 1 november met nog een meting op 7 november 2014 (bewijsmiddel 101) gebruikt.

26. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 16 april 2018 houdt onder meer het volgende in:

“ “De raadsman vraagt het woord en deelt het volgende mede:

“ Het is mij onduidelijk of het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] in de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer - [002] gelijktijdig actief is met het Ennetcom-account QB69531E1 dat al dan niet gekoppeld is aan diezelfde PGP-BlackBerry. Blijkens de printlijsten is het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] vanaf 14 januari 2015 actief in een BlackBerry. Of dit ook de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer - [002] betreft, is mijns inziens niet helder. Ook is mij niet duidelijk of aan de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer - [002] überhaupt het Ennetcom-account QB69531E1 is gekoppeld.

“ Op 14 januari 2015 wordt de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] in ieder geval actief in de PGP-BlackBerry met IMEI-nummer - [002] en dan is ook het Ennetcom- acount QB69531E1 gekoppeld aan deze BlackBerry. Vóór 14 januari 2015 komt de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] echter in een andere BlackBerry voor. Het is de vraag of dat telefoonnummer op dat moment gepaard gaat met hetzelfde Ennetcom-account.

“ De raadsvrouw merkt op:


Vanaf 14 januari 2015 zijn ook verschillende IMEI-nummers aan de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] gekoppeld.


De voorzitter deelt mede dat blijkens de processtukken telecomprovider T-Mobile voor de periode vanaf 17 september 2014 een lijst met IMEI-nummers heeft gegenereerd aangaande de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] . De recherche heeft hieromtrent een nader proces-verbaal opgemaakt, te vinden op pag. ZD05 429. Hun relaas houdt in dat het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] vanaf 17 september 2014 vrijwel dagelijks actief was in een BlackBerry voorzien van het IMEI- nummer eindigend op - [003] en vanaf 14 januari 2015 dagelijks actief was in een BlackBerry voorzien van het IMEI-nummer eindigend op - [002] .Er is daarnaast een correctieproces-verbaal opgemaakt te vinden op pag. ZD01041.”

27. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 april 2018 houdt het volgende in:

“Naar aanleiding van nadere vragen van het hof aan de advocaat-generaal omtrent het voormelde proces-verbaal en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 maart 2018 betreffende de Ennetcom-data van de vier PGP-BlackBerry’s, wordt het onderzoek voor korte duur onderbroken. Hierna wordt het onderzoek hervat en deelt de advocaat-generaal in antwoord op die vragen het volgende mede:
(…)
Er zijn printlijsten beschikbaar van de IMEI-nummers eindigend op - [003] en - [002] voor de periode van 17 september 2014 tot en met 1 februari 2015, die ik aan het hof en de raadslieden zal e-mailen. Op de printlijsten zijn de momenten van 25 december 2014 te 19:16 uur en 24 oktober 2014 tussen 14:20 uur en 15:14 uur gemarkeerd.
(…)
Desgevraagd verzetten de raadslieden zich niet tegen toevoeging van voornoemde stukken aan het dossier.
De voorzitter deelt mede dat deze stukken in het dossier worden gevoegd.
(…)
De verdachte [verdachte] legt op aanvullende vragen van het hof een verklaring af, inhoudende:
(…) Ik denk dat ik op 24 oktober 2014 de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] . (…)
Mijn verklaring komt er dus op neer dat de simkaart met het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] eerst in een blauwe PGP-BlackBerry moet zijn geplaatst en daarna in de zwarte PGP- BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] .
(…)
De jongste raadsheer deelt mede dat uit de onderliggende stukken van de Ennetcom-data lijkt te kunnen worden afgeleid dat aan de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [003] het e-mailadres [e-mailadres] was gekoppeld en dat dit e-mailadres tevens was gekoppeld aan de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] . Het e-mailadres [e-mailadres] is in de blauwe PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [003] gebruikt in de periode van 17 september 2014 tot en met 14 januari 2015 en vervolgens vanaf 14 januari 2015 tot 1 februari 2015 in de PGP-BlackBerry met het IMEI-nummer eindigend op - [002] .
De advocaat-generaal reageert als volgt:
Ik deel deze lezing van de jongste raadsheer, die ook overeenkomt met de kennisgevingen van inbeslagneming en de processen-verbaal van bevindingen dienaangaande.
(…)
De voorzitter vraagt aan de advocaat-generaal en de raadslieden van de verdachten of de inhoudelijke aspecten van de PGP-BlackBerry’s hiermee voldoende zijn verkend en onderzocht. Zij delen elk voor zich mede dat dit wat hen betreft het geval is.”

28. Voorts zijn de raadslieden in hun pleitnotities en in hun aanvulling daarop ingegaan op de historische gegevens van nummer [telefoonnummer 1] op 24 oktober 2014 en hebben zij in hun “Visualisatie” ten behoeve van het pleidooi als dia 14 een afbeelding van de printlijst van IMEI-nummer eindigend op - [003] gebruikt.

29. In aanmerking genomen dat de raadslieden beschikten over de printlijsten van de IMEI-nummers eindigend op - [003] en - [002] voor de periode van 17 september 2014 tot en met 1 februari 2015, en dat zij ook geen bezwaar hebben gemaakt tegen voeging in het dossier, dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij dacht dat hij op 24 oktober 2014 de gebruiker was van het telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] , dat zich op die datum in het toestel met IMEI-nummer eindigend op - [003] bevond, en tenslotte dat de raadslieden in hun pleitnota en bijbehorende visualisatie ook hebben verwezen naar de historische gegevens van nummer [telefoonnummer 1] op 24 oktober 2014 en als dia 14 een afbeelding van die printlijst hebben opgenomen, meen ik dat gezegd kan worden dat verdachte en zijn verdediging met de printlijsten bekend waren. In dat licht kan niet gezegd worden dat verdachte door het gebruik van een deel van de printlijsten voor het bewijs in zijn belang is geschaad.1

30. Het middel faalt.

31. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. De middelen kunnen worden afgedaan met toepassing van artikel 81 RO.

32. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl HR 3 januari 1984, NJ 1984/443, waarin de HR oordeelde dat de verdachte geen redelijk belang had bij de klacht dat met betrekking tot bepaalde processen-verbaal het voorschrift van (toen nog) art. 297 lid 5 Sv niet was nagekomen. Vgl. ook HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN4351 in welke zaak het hof acht had geslagen op onderzoeksresultaten uit een ander dossier en niet gebleken was dat deze onderzoeksresultaten bekend waren bij de verdachte.